overzicht  | 

0100 

DE INTEGRATIEVE
WETENSCHAPPELIJKE METHOD

Every man gets a narrower and narrower field of knowledge
in which he must be an expert in order to compete with other people.
The specialist knows more and more about less and less
and finally knows everything about nothing,


Konrad Lorenz 1903-1989, Austrian Zoologist, Ethnologist


Inleiding

De Integratieve Wetenschappelijke Methode is een wetenschappelijke manier om kennis te vergaren, vooral in die kennisgebieden waar (nog) niet (gemakkelijk) kan gemeten, berekend en geëxperimenteerd. Ze onderscheidt zich van de exacte wetenschappelijke methode, die enkel bruikbaar is in gebieden waar wel gemeten, berekend en geëxperimenteerd worden.

Het is een klassieke denkfout te veronderstellen dat enkel de exacte methode betrouwbaar is en dus onvoorwaardelijk moet toegepast worden in alle kennisgebieden, zonder dewelke zij niet betrouwbaar zouden zijn. In feite is de exacte methode enkel toepasseijk in de bêta-wetenschappen, en niet in de alfa- en gammawetenschappen, en eigenlijk ook niet in de wiskunde, die evenmin een empirische wetenschap is.

Het basis-stramien van de exacte en de integratieve wetenschappen is in feite hetzelfde:

1.    Doe een reeks waarnemingen
2.    Genereer één of enkele hypothesen ter verklaring van die waarnemingen
3.    Onderzoek of die hypothesen betrouwbaar zijn

Met “waarnemingen” wordt meestal bedoeld: “waargenomen verbanden tussen verschijnselen”.

In beide methodes wordt de hypothese onbewust gegenereerd door de hersenen, als een ”inval”. Dit is een beetje storend voor de aanhangers van de exacte wetenschappen, die hun methode graag beschouwen als het ultieme wapen tegen obscure en onbetrouwbare vormen van denken, maar die voor hun belangrijkste denkstap, het genereren van een nieuwe hypothese, weer volledig afhankelijk zijn van het onbewuste, met alle obscure krachten die hierop inwerken. De reden ligt in het feit dat het ontwikkelen van een nieuwe hypothese een vorm van inductief denken is, waarvan de logica nog steeds niet is ontwikkeld. Het betrouwbaarheidsonderzoek van de exacte methode verloopt daarentegen wel volgens de deductieve logica (waaronder de wiskunde), die wij al vele eeuwen beheersen.

Het verschil tussen beide methodes zit enkel in het derde punt: het betrouwbaarheidsonderzoek. De bedoeling is na te gaan of de voorgestelde hypothese algemeengeldend is, d.w.z. juist en dus betrouwbaar. Strikt genomen zou men in alle mogelijke toepassingen moeten nagaan of de hypothese juist is. Dit is uiteraard niet praktisch. Daarom gebruiken beide methodes een truc om de bewijsvoering zowel haalbaar als zo plausibel mogelijk te maken.

De truc van de exacte wetenschappelijke methode is de metingen, de erop gebaseerde (berekende) voorspellingen en de verificatie (met eventueel de falsificatie) zo exact mogelijk te maken, d.w.z. de metingen en berekeningen zo nauwkeurig mogelijk te maken, dus met zoveel mogelijk cijfers achter de komma, waardoor onnauwkeurigheden veel sneller worden opgespoord. Op die manier wordt het betrouwbaarheidsonderzoek (de “bewijsvoering”) enorm vereenvoudigd. De prijs die hiervoor betaald wordt is dat de methode maar toepasselijk is voor eenvoudige, meetbare natuurverschijnselen en erop toegepaste technieken, en niet bv voor menswetenschappen. Ook sluit het geen (grove) vergissingen uit. Bv Newton, nochtans één der grondleggers van de exacte wetenschappelijke methode, was zeer onnaukeurig in zijn “universele” natuurwetten, die enkel bleken op te gaan voor relatief grote voorwerpen aan relatief lage snelheden. Einstein was nodig om Newtons formules te corrigeren. Een maner om het toepassingsgebied uit te breiden is nieuwe toepassingen (experimenten) te realiseren die nog niet bestaan, om te zien of de hypothesen daar ook opgaan.

De truc van de integratieve wetenschapelijke methode is dat zij ervan uitgaat dat in de verschillende onbewust gegenereerde hypothesen van mensen die met de waarnemingen betrokken zijn, er een kern van waarheid zit, met waarschijnlijk telkens echter een onnauwkeurige omtrek. Dit laatste wordt veroorzaakt door het feit dat bijna niemand over voldoende gediversifieerde ervaring beschikt om alle toepassingen van de hypothese te hebben kunnen observeren. De hypothese die hij heeft gegenereerd zal dus wellicht enkel bruikbaar zijn binnen zijn beperkt waarnemingsveld, of omgekeerd, te ruim toepasselijk zijn bij gebrek aan waarnemingen die op deze beperktheid zouden kunnen wijzen. Mocht men dus kunnen bepalen wat de juiste kern is van een reeks uiteenlopende hypothesen die binnen gevarieerde toepassingen en waarnemingsvelden van hetzelfde fenomeen gegenereerd zijn, dan zou deze “eenheidshypothese” een veel hogere plausibiliteit hebben dan elke hypothese die binnen een beperkt waarnemingsveld juist schijnt te zijn. Dat is nu precies wat “integratie” doet: een herformulering der samengebrachte “partiële” theorieën en hypothesen, zodat de “integratieve hypothese” de hoogst mogelijke waarschijnlijkheid op juistheid heeft, omdat ze met “alles” (wat beschikbaar is aan waarneming) rekening houdt.

Het probleem van de betrouwbare kern en de onbetrouwbare omtrek van een hypothese is overigens niet typisch voor de integratieve wetenschap. Newton heeft precies hetzelfde probleem gehad, omdat hij enkel oordeelde vanuit bewegende voorwerpen van ons dagelijks leven, maar geen weet had van zich supersnel bewegende lichtpartikels en andere elementaire deeltjes. Zijn hypotheses waren dus veel minder algemeen toepasselijk dan hij dacht, en dus onnauwkeurig.

Daarenboven biedt de integratieve wetenschap een methode aan om het mysterieuze verschijnsel der onbewust gegenereerde hypothese te verklaren. Ze gebruikt namelijk een methode (de integratie) die dicht bij dat onbewuste genereren aanleunt. Eigenlijk is een spontaan voorgestelde hypothese –ook een exacte- telkens een intuïtieve integratie tussen diverse mogelijkheden. De integratieve wetenschap bestudeert dit integratiefenomeen van zo nabij als mogelijk, en is daardoor al veel meer dan de exacte wetenschap in staat om gewild hypotheses te genereren. In die zin is integreren een stap dichter bij de ontwikkeling van die nog steeds mysterieuze inductieve logica.

Het integratief betrouwbaarheidsonderzoek

Hoe verloopt in praktijk de integratieve wetenschappelijke methode?

Het (1) doen van waarnemingen en het (2) genereren van hypothesen is hetzelfde als bij de exacte methode. Hoewel een zo groot mogelijke nauwkeurigheid wenselijk is, zal deze, door de aard der waargenomen verschijnselen, uiteraard veel beperkter zijn, veel kwalitatiever dan kwantitatief.

Het eigenlijke betrouwbaarheidsonderzoek is veel complexer dan bij de exacte wetenschap. Het verloopt daarom ook eerder cyclisch of spiraalvormig, analoog met de “empirische cyclus” uit de exacte wetenschappen. Daarenboven is de vraag niet of een voorgestelde hypothese juist is of onjuist (falsificatie), maar wel in welke mate zij geen aanvaardbare integratie schijnt te bieden voor de aangebrachten toepassingen, en dus eventueel moet bijgesteld worden.

Methodes om beter aan te voelen wanneer en hoe de integratieve hypothese moet bijgesteld worden:

1.   [al] alle mogelijke theorieën die op het fenomeen betrekking hebben erbij halen. Een integratieve wetenschapsvoering mag geen selectie maken tussen theorieën, want het zijn wellicht de moeilijkst te integreren visies die de meest nuttige informatie kunnen bijbrengen.

2.   [fu] Niet alleen de gegevens binnen de wetenschap, maar ook de gegevens van fundamentelere wetenschappen (bv. algemene systeemtheorie, evolutieleer) moeten betrokken worden bij de integratiepogingen.

3.   [ni] Daarenboven moet men zich –in de menswetenschappen- niet beperken tot de visies die zichzelf wetenschappelijk noemen. Niet-wetenschappelijke visies, zowel literatuur, godsdiensten, filosofieën over de mens, als “volkswijsheid” kunnen heel interessante gegevens opleveren.

4.    [co] Naast de “aanverwante” partiële theorieën is een uitstekend referentiekader het steeds groeiende corpus van integratieve inzichten. Enerzijds moeten nieuwe integratieve hypothesen dit corpus waar nodig bijwerken, nuanceren en eventueel herschikken, en anderzijds moeten de nieuwe hypothesen netjes passen binnen dit corpus. Men kan zelfs stellen dat het verwerven van een logische plaats binnen dit corpus bijna bewijskracht levert voor de juistheid van de voorgestelde nieuwe theorie.

5.    [re] Een indirect bewijs –dat alle essentiële elementen van een partiële theorie zijn meegenomen in de integratieve- kan geleverd worden door een reductie van de integratieve theorie tot de partiële. Door het schrappen van niet van toepassing zijnde elementen of toevoegen van lokale gegevens kan men de integratieve theorie zodanig herformuleren dat men de partiële terugkrijgt.

Naar deze 5 methodes wordt mnemotechnisch verwezen door het acronym alfunicore.

Hoe meer men van bovenstaande 5 technieken aanwendt, hoe groter de plausibiliteit zal zijn van de ontwikkelde theorie, die zelfs soms plausibeler kan zijn dan theorieën uitgewerkt met de exacte wetenschappelijke methode, zeker als er exacte theorieën als partieel uitgangspunt worden gebruikt.

Het integratief moment

Evenzeer als bij de exacte wetenschappelijke methode blijft men afhankelijk van het onvoorspelbaar moment, waarop een denker een betere hypothese door inituïtie aanvoelt en verwoordt.

In het integratieve denken is de kans op het “vinden” van een hypothese echter groter. Men kan weliswaar niet via logisch denken een hypothese formuleren (een inductieve logica moet nog uitgevonden worden), maar men kan de kans dat deze “spontaan” uit het onbewuste opstijgt naar het bewuste enorm bevorderen, vooral door zoveel mogelijk analogieën te vergaren. Zowel (1) het naast elkaar stellen van partiële theorieën, die onverzoenbaar lijken maar elk hoogstwaarschijnlijk een kern van waarheid bevatten, als (2) het refereren naar dieper liggende, nog algemenere theorieën en categorieën (zoals algemene systeemtheorie), levert zeer veel inspiratie op zodat de kans op het “toevallig vinden” van een nieuwe hypothese enorm bevorderd wordt.

Vormvereisten voor een integratieve wetenschappelijke publicatie

Gepubliceerde artikels volgens de exacte wetenschappelijke methode zien er gans anders uit dan deze volgens de integratieve. De stijl van de ene beantwoordt daarbij niet aan de vormvereisten, noch aan de wetenschappelijke criteria van de ander.

In de exacte wetenschap kunnen vrij korte artikels (één of enkele tientallen bladzijden) volstaan. De bewijsvoering kan immers beperkt worden tot het aantonen dat de voorspelde waarden voor een experiment dezelfde zijn als de waargenomen waarden. Verder geven talrijke verwijzingen aan dat anderen hetzelfde waargenomen of geformuleerd hebben.

Integratieve wetenschappelijke publicaties zien er gans anders uit. Eigenlijk verwijzen zij steeds naar een grotere context, en uiteindelijk een corpus waarin de algemenere hypothesen en de concretere toepassingshypothesen aangegeven zijn. Een integratieve wetenschappelijke publicatie is in feite steeds een voorstel tot het vervangen van een stuk tekst uit dat corpus door een meer integratief. Niet zelden zullen, ter gelegenheid van zo’n “verbetering”, ook andere passages uit het corpus moeten aangepast worden. Daarenboven vormen de zinvolle referenties naar andere elementen uit dat corpus de meest “bewijskrachtige” argumenten voor integratieve theorieën. De bewijskracht zit in de inwendige logische consistentie die verderbouwt op andere, algemenere wetenschappen, zoals de algemene systeemtheorie, en in het leiden tot de voorspelbaarheid der op de theorie steunende toepassingen. Meer nog, de kritische lezers van integratieve theorieën zijn wellicht niet in staat om geïsoleerde stukjes te beoordelen, maar moeten grote delen van, zo niet gans het corpus in ogenschouw nemen.

M.a.w. zonder te refereren naar zo’n corpus zijn er geen integratieve publicaties mogelijk.

Academische Integratieve Wetenschapsvoering

Universitaire faculteiten, en op universitair personeel en materiële steun draaiende wetenschappelijke verenigingen zullen het niet gemakkelijk hebben de integratieve wetenschappelijke methode in te voeren. De vrees bestaat dat ze door een jarenlange krampachtige poging om de exacte wetenschappelijke methodes na te doen, om zichzelf een eerbaarder “wetenschappelijk” statuut te geven en niet als pseudo- wetenschap bestempeld te worden. Zowel hun uitgebouwde structuren als werkmethodes zijn volledig geënt op de exacte wetenschappen. Onvermijdelijk zijn ook de medewerkers op basis van deze criteria geselecteerd. En dat is jammer. Want in de exacte wetenschap is de beste aanpak om steeds meer te weten over een steeds kleiner specialistisch kennisgebied, terwijl het in de integratieve wetenschap een groot voordeel is om beslagen te zijn om zoveel mogelijk uiteenlopende gebieden, die uiteraard ergens iets met elkaar gemeen hebben.

Een illustratie van deze academische stroefheid isa dat de groostte aanwinst van de psychologie in de twintigste eeuw, namelijk de psychotherapeutische methodes, meer dan 20 jaar door de psychologische faculteiten laatdunkend genegeerd zijn. Pas veel later kwamen ze in het academsiche aandachtsveld, en dan nog zeer sporadischm waarbij de gedragstherapie, die door een paar meetbare aspecten de academische voorkeur genoot, hoewel die op dat ogenblik wetenschappelijk al geen vooruitgang meer boekte.

Voorlopers van de integratieve methode

De exacte wetenschappelijke methode kwam tot intwikkeling rond de Renaissance en werd in de Nieuwe Tijden verder ontwikkeld. Descartes werk “Discours de la Méthode” (1637) betekende zowel inhoudelijk als qua sfeerschepping een sterke bijdrage.

Maar in de tijden ervoor werd er ook met succes wetenschap bedreven. Meer nog, de Exacte Wetenschappelijek Methode werd ontwikkeld door wetenschappers die haar nog niet gebruikten…

En hoewel de Integratieve Wetenschappelijke Methode al tientallen jaren beschreven is is zij nog steeds niet algemeen toegepst. Men blijft in de menswetenschappen maar verbeten verderzoeken naar de toepassingsmogelijkheden van de exacte methode. Nochtans zijn er links en rechts duidelijke tekenen dat sommigen aanvoelen dat het de integratieve richting uit moet.
 
De dertig eeuwen Westerse beschaving, inclusief de Egyptische, Griekse en Renaissanceperiodes, hebben nooit de "exacte" methode gekend. De toenmalige "wijsgeren" en "geleerden" ontworpen hun theorieën intuïtief, en wisten dat ze juist waren, omdat hun stellingen een bevredigende verklaring boden voor alle tot dan toe gekende gegevens, en leidden tot juiste toepassingen. Een geleerde uit die periode kon trouwens ook "alles" kennen. Pascal (1623-1662) geldt als de laatste wetenschapper die "alles" kende, de zgn. "Homo Universalis". De plausibiliteits- methode bestond erin, dat men tussen de hypothesen die men intuïtief aanvoelde, deze koos die het best paste bij de totaliteit der gegevens waarover men beschikte. Op dergelijke wijze is de astronomie der Assyriërs en Egyptenaren ontstaan, formuleerden de Grieken het begrip atoom, ontwikkelden de Chinezen de acupunctuur, en kwamen de belangrijkste stukken van de wis- en natuurkunde, van Archimedes tot Newton, tot stand.

Recent zijn fenomenen als 
Evidence Based Medicine en Qualitative Research steeds populairder geworden als wetenschappelijke onderzoeksmethodes. Ze verlaten duidelijk de quantitatieve methode van de Exacte Wetenschap, en betekenen een stap dichter bij de Integratieve.