overzicht |
1701
DE EVOLUTIE VAN HET HEELAL IN HET VERLEDEN



INLEIDING

Dit is een overzicht van de evolutieleer, d.w.z. de wetenschappelijke studie van de weg die het heelal afgelegd heeft sinds haar ontstaan tot heden, met een poging om hieruit een projectie te maken van de toekomst, en de zin van bestaan en leven hieruit af te leiden. deze wetenschap wordt ook soms kosmologie of hyperfysica (Wildiers, 19..) genoemd.

 

De eerste versie van dit boekje schreef ik in 1964, geïnspireerd door de lectuur van de werken van de jezuïet Pierre Teilhard de Chardin (1881-1955), en door een voordracht van de Vlaamse denker Max Wildiers (1904-1996), die samen met twee andere wetenschappers de taak op zich genomen had om de werken van Teilhard na diens dood te publiceren.

 

Tijdens de voorbije decennia zijn de inzichten van de moderne kosmologie en van het "neodarwinisme" verder geëvolueerd aan de hand van steeds nieuwe ontdekkingen. Merkwaardig is echter dat op geen enkel ogenblik Teilhards geniale visie moest worden genuanceerd. Integendeel, op meerdere plaatsen heeft de wetenschap bijkomende argumenten aangebracht voor de indrukwekkende inzichten die deze grote denker in de dertiger jaren ontwikkelde.

Sommigen, die Teilhards werk blijkbaar slechts oppervlakkig kennen, beweren dat het hem enkel te doen was om een synthese, een soort verzoening te realiseren tussen (christelijke) godsdienst en wetenschap. Zonder het met zoveel woorden te zeggen insinueren zij daarbij dat deze poging wellicht ten koste is gegaan van de pure "wetenschappelijkheid" van zijn oeuvre.

Dit oordeel is zeer onterecht. Vooreerst zijn de theorieën van Teilhard in grote lijnen dezelfde als deze van de agnosticus en bioloog Julian Huxley (1887-1975), die Teilhards werk grondig kende en hem persoonlijk ontmoet had, en die in zijn werk Essays van een humanist (1964) kritisch en uitdrukkelijk positief ingaat op Teilhards werk. Huxley kan zeker niet verdacht worden van religieuze bijbedoelingen of van pogingen om het christendom via een pseudo-wetenschappelijke omweg te "recupereren" als volwaardige wetenschap. Wél maakt Teilhard vanuit zijn basisinzichten enkele "theologische projecties", zoals de godshypothese. Huxley voelde als bioloog niet de behoefte om dergelijke stellingen te formuleren, maar moest tóch toegeven dat deze hypotheses in niets met de andere wetenschappelijke inzichten in strijd waren.

 

Het werk van Teilhard is nog om een bijkomende reden als grandioos te bestempelen, namelijk om de gebruikte methodologie. Teilhard heeft, wellicht spontaan en intuïtief, gebruik gemaakt van een nieuwsoortige wetenschappelijke methode die men tegenwoordig onder verschillende termen beschrijft, al naargelang de auteur. Ikzelf noem deze methode de integratieve wetenschap of de plausibiliteitsmethode.

 

De essentie van deze methode is dat de denker bij het formuleren van zijn hypothesen niet enkel uitgaat van exacte, waarneembare en meetbare gegevens, maar in zijn redenering ook andere, minder nauwkeurige gegevens aanwendt. De betrouwbaarheid van deze uitgangspunten zit niet zozeer in de exactheid van hun waarneembaarheid, maar in hun alomtoepasselijkheid. De getrokken conclusies zijn daarom niet zozeer juist maar eerder plausibel. Hoe omvattender het terrein dat men op die manier overschouwt, hoe groter de kans dat die plausibiliteit vergroot. Soms kan de plausibele methode zelfs betrouwbaarder zijn dan de exacte, natuurwetenschappelijke methode, vermits binnen haar redeneringen ook alle regels van die traditionele wetenschappelijke methode geplichtsgetrouw toegepast worden. De integratieve methode komt dus niet ter vervanging van de beproefde natuurwetenschappelijke methode, maar is een aanvulling ervan. Binnen het terrein der exacte waarnemingen zijn de conclusies van de integratieve methode dus even betrouwbaar als die der natuurwetenschappen, maar buiten dat gebied verschaft ze een aanvaardbare betrouwbaarheid, daar waar de natuurwetenschappelijke methode, als zij haar exactheidsprincipes getrouw is, geen enkele betrouwbaarheid kan bieden. We komen in het eerste hoofdstuk uitvoerig terug op deze methode. Ze wordt ook besproken in een aparte publicatie Integreren of de hoogste vorm van intelligent denken (Roose, in press.)

 

De inzichten van Teilhard, zoals trouwens deze van Julian Huxley, geven dus, voor het eerst in de geschiedenis, een wetenschappelijk gegrond antwoord op de eeuwige fundamenteel existentiële vragen "Van waar komen wij, wie zijn wij, waarheen gaan wij". Behoort deze wetenschap dan nog tot de fysica, of beweegt zij zich eerder op het terrein van de metafysica? Wildiers heeft de term hyperfysica gelanceerd om deze wetenschap aan te duiden: op de vragen van de metafysica wordt een poging tot antwoord gegeven, deze keer echter niet verwijzend naar goddelijke openbaringen of het gezag van zichzelf als onfeilbaar bestempelende leermeesters, maar voortbouwend op de inzichten van de fysica. Het blijven natuurlijk projecties en hypotheses. Ze worden echter wel heel plausibel, vermits zij zich eerlijk trachten te baseren op alle natuurwetenschappelijke gegevens die hiervoor bruikbaar geacht worden.

 

In deze studie beperken we ons overigens niet tot de inzichten die Teilhard ontwikkeld heeft. Sinds zijn dood zijn zowel in de deeltjesmechanica (quarks, strings, baryonen) als in de biologie (eobionten) gegevens aan het licht gekomen, die zijn theorieën merkwaardig genoeg komen aanvullen en bevestigen. Maar de ideeën van latere denkers (bv. Julian Huxley met zijn psychometabolisme), het reeds oude maar pas later populair geworden procesdenken van Whitehead, de inzichten van de moderne ecologische wetenschappen (Lovelock, Wielemans), de inbreng der humanistische psychologie van de tweede helft van de twintigste eeuw (Berman, Maslow) en, last but not least, de Algemene Systeemtheorie zelf (Ludwig von Bertalanffy), komen aanbod. Verder is op zijn theorieën verder gebouwd door Wildiers, de briljante Vlaamse denker die de uitgave van zijn werken superviseerde. Het neodarwinisme is uiteraard evenmin blijven stilstaan tijdens de voorbije halve eeuw. En tenslotte bevat deze uiteenzetting op meerdere plaatsen een originele inbreng van de auteur zelf, zoals onder meer de theorieën van het integratieve denken, de concepten over de grondwet van het bestaan, de onsterfelijkheid en de zin van het leven, de opvattingen over optimaal functioneren als mens en samenleving, de beschouwingen over een spiritualiteit ten dele geïnspireerd op het Boeddhisme, en de hypothetische ergonentheorie. Ook de ontdekking van het feit dat de evolutiefasen korter worden volgens de verhouding 0.618 of de Gulden Snede is een ontdekking van de auteur.

 

Deze moderne evolutieleer heeft het bijkomende voordeel, dat men eindelijk de strijd tussen de verschillende filosofische, godsdienstige en levensbeschouwelijke theorieën achter zich kan laten, maar tezelfdertijd een grote bewondering en eerbied voor deze beschouwingen kan bewaren. Men moet al deze theorieën namelijk niet als onwetenschappelijk, maar als voorwetenschappelijk zien. Elke theorie heeft één of meerdere essentiële aspecten van de moderne kosmologie op intuïtieve manier benadrukt, zonder echter ooit alles te kunnen formuleren. Wie de inzichten van de moderne kosmologie verworven heeft hoeft dan ook geen keuze meer te maken tussen, laat ons zeggen, christendom, boeddhisme of atheïsme. Het blijkt dat deze drie levensbeschouwingen, en nog tientallen andere, elk waardevolle elementen bevatten die in de moderne kosmologie op veel duidelijker en wetenschappelijker manier aanwezig zijn. Al de bestaande levensbeschouwingen zijn dus een soort eenzijdige voorloper van de uiteindelijke theorie, waarnaar zij alle convergeren. Wie tot het hier beschreven inzicht gekomen is kan dus, naast enkele beperkingen vooral de waarden van elk van deze voorwetenschappelijke beschouwingen appreciëren, en er een veel grotere bewondering en eerbied voor opbrengen dan de aanhangers der traditionele beschouwingen dat voor elkaar kunnen. Meer nog, hij voelt zich tegelijkertijd christen, boeddhist en atheïst, zonder de beperkingen van elk van deze benaderingen.

Mogen deze inzichten een verdere, in de toekomst weer bij te sturen stap betekenen in de opgang van de Mensheid naar het punt Omega.

 

INDELING

Deze studie vervalt in vier delen.

1. Eerst wordt een schets gemaakt van het verleden.

2. Vervolgens wordt nagegaan volgens welke wetmatigheden deze evolutie tot nog toe verliep.

3. En vervolgens wordt getracht, voortbouwend op de geformuleerde wetmatigheden, deze door te trekken naar de toekomst, en te schetsen hoe die toekomst er wellicht zou kunnen uitzien.

4. Uiteindelijk worden er enkele belangwekkende conclusies getrokken uit dit wereldbeeld.

Maar vooraf gaan we even de wetenschappelijke methode bekijken die gebruikt wordt om de wetenschap van de evolutieleer te ontwikkelen.

 

VOORWOORD

NAAR EEN ALTERNATIEVE VORM VAN WETENSCHAPPELIJKHEID

De grenzen van de wetenschap

Alvorens we een aanvang maken met deze studie, die zal trachten een wetenschappelijk verantwoord beeld te schetsen van de evolutie van het heelal, met inbegrip van een toekomstschets en enkele beschouwingen over de zin van leven en bestaan, moeten we enige ogenblikken stilstaan bij de gebruikte wetenschappelijke methode.

 

Sinds de renaissance beschikken we over een manier van verantwoord wetenschappelijk denken, die we de exacte wetenschappelijke methode of de methode der natuurwetenschappen noemen. Deze methode heeft, althans binnen de domeinen die voor haar toegankelijk zijn, namelijk alle verschijnselen die meetbaar zijn, onomstotelijk haar waarden bewezen. De huidige moderne samenleving en haar technologieën, tot de moderne geneeskunde toe, zouden niet zijn wat ze zijn zonder deze methode, die ons toeliet om kennis op haar juistheid te toetsen en de "duistere middeleeuwen", waar irrationele opvattingen het dagelijkse leven beheersten, ver achter ons te laten.

Hoe groot haar verdiensten ook zijn (zelfs deze tekst zou niet kunnen geschreven en verspreid zijn zonder haar computertechnologie), ze vertoont toch een drietal nadelen.

 

1. Vooreerst laat ze meerdere voor ons belangrijke toepassingsgebieden buiten haar terrein. Maar wat erger is, zij wekt de indruk dat deze terreinen misschien zelfs niet voor een verantwoord wetenschappelijk onderzoek in aanmerking komen.  Hoewel de natuurwetenschap wel blijft beweren dat dit slechts een tijdelijke toestand is, en dat er vroeg of laat wel wetenschappelijke methodes zullen gevonden worden om de terreinen van de psychologie, sociologie, kosmologie en levensbeschouwing te betreden, het is slechts wachten op een exact meetinstrument. Blijft ze deze belofte nu al twee eeuwen herhalen, zonder dat er eigenlijk enige vooruitgang geboekt wordt ?  Zeker.  Er zijn sinds Freud vele theorieën over de psychologie en aanverwante wetenschappen geformuleerd, maar wetenschappelijke zekerheid, en minder nog eensgezindheid, is er op dit gebied nog lang niet verworven, laat staan nieuwe toepassingen qua grootsheid en ingrijpendheid vergelijkbaar met de natuurwetenschappelijke technologieën.  Het vermoeden groeit dat uiteindelijk blijken zal dat de exacte, wetenschappelijke methode wellicht voor deze belangwekkende toepassingsgebieden onbruikbaar zal blijven.  Vele auteurs, van Bateson (19..) tot Capra (19..), hebben zich in die zin al uitgelaten.

 

2. Vervolgens hebben de technologieën, die gedurende de recente eeuwen tot ontwikkeling kwamen niet enkel voordelen opgeleverd. De teloorgang sinds de industriële revolutie van het ecologisch en sociaal milieu, de beschavingsziekten van atherosclerose tot kanker, het onaanvaardbaar hoog aantal slachtoffers van verkeer en oorlogsvoering, de stupiditeit die de moderne media meestal verspreiden en de culturele en morele verloedering die zij achter zich laten, dit alles kan zeker geen weldaad genoemd worden, en de vraag wordt meer dan eens gesteld of wij qua subjectief welzijn en levenskwaliteit wel verbeterd zijn ten opzichte van vroeger. Sommigen vrezen dat wij zelfs al een punt van no return hebben bereikt, en dat uiteindelijke zelfvernietiging onafwendbaar is. Hoewel de wetenschap beweert dat deze nare consequenties slechts een voorbijgaand verschijnsel zijn die door iets meer zelfdiscipline of door weer nieuwe technologieën zullen verholpen worden, het vermoeden wordt steeds sterker dat het eenzijdige wetenschappelijke, cartesiaanse denken de kiem van deze teleurstellende, ja onaanvaardbare nevenverschijnselen in zich draagt.

 

3. Dan is er nog het vervelende verschijnsel dat het natuurwetenschappelijk denken eigenlijk voor zijn meest wezenlijke aspect lang niet zo exact is als zij zelf gaarne veronderstelt en beweert.  Immers, de exact wetenschappelijke methode is slechts de operationalisering van het deductieve denken.  Operationaliseren betekent: omzetten in bruikbare regels. Welnu, om van de geobserveerde werkelijkheid tot verklarende hypotheses en nieuwe bruikbare toepassingen te komen, zijn er twee soorten denkprocessen nodig: induceren en deduceren.  Dank zij de inductie verkrijgen wij inzicht in de wetmatigheden die de geobserveerde werkelijkheid schijnen te verklaren.

Met de deductie kunnen wij weer van de theorie naar de praktijk gaan, en wel op drie manieren:

 

(1) we kunnen de juistheid van een hypothese controleren door er voorspellingen mee te maken en achteraf, in de realiteit of via een experimenten, na te gaan of deze voorspellingen uitkomen;

(2) we kunnen ons via deducties een beeld te vormen over hoe de werkelijkheid eruit ziet daar waar wij ze niet kunnen gaan observeren, zoals in verleden en toekomst, ver van ons, of op een schaal die voor ons (nog) niet te overzien is, zoals het ultrakleine van de deeltjesfysica en het gigantische van het uitdijende heelal.

(3) nieuwe toepassingen kunnen gemaakt worden vanuit de bestaande kennis. Dit is dan de eigenlijke technologie en de wereld der "uitvindingen".

 

Eén belangrijk element ontbreekt echter in deze reeks opsommingen van de voordelen van een operationalisering van het deductieve denken: het formuleren van hypothesen.  En dit is nu precies de hoeksteen van het wetenschappelijke denken!

Dus, waar de wetenschap het sterkst zou moeten zijn, namelijk bij het doorzien van de wetmatigheden die de natuur beheersen, is zij totaal overgelaten aan het mistige inductieve proces dat zich ergens in de diepten van het onbewuste afspeelt.  Wetenschap gaat vooruit dank zij onvoorspelbare, intuïtieve invallen, die dan nog niet eens bij voorkeur bij de hoogst gekwalificeerde academici optreden.  Het is geduldig wachten tot er ergens iemand een geniale inval krijgt om een hypothese te formuleren.  Vervolgens kan deze hypothese weliswaar getoetst worden via deductieve logica, maar er kan hoogstens aangetoond worden of ze juist of vals is.  Is ze vals, dan is het weer geduldig wachten tot er ergens iemand een betere inval krijgt.

 

Inductie kan niet bewust nagestreefd worden. Het blijft intuïtie. De regels ervan zijn nog steeds niet geformuleerd, er is nog geen inductieve logica of paradigma beschikbaar, de indrukwekkendste computer kan er nog steeds niet voor geprogrammeerd worden.

 

De overtuiging dat de wetenschap dus vooruitgaat dank zij haar vermogen om via nauwkeurige deductie nauwkeurige hypotheses te formuleren, is dus volslagen onjuist. De exacte wetenschap kan enkel de juistheid van bestaande hypothesen toetsen. Voor het formuleren van die hypothesen (dus voor inductie) hangen we nog steeds af onberekenbare en onvoorspelbare intuïtie.

 

De integratieve wetenschap heeft namelijk twee voordelen:

(1) er wordt een methode voor wetenschappelijke betrouwbaarheid aangereikt voor die gebieden waar de exacte methode ontoereikend is, maar ook:

(2) het inductieproces wordt sterk gestimuleerd, en verloopt voor een deel bewust.

 

Wat de zaak namelijk nog bemoeilijkt voor de exacte wetenschap, is dat intuïtieve hypotheses niet steeds bewust zijn.

Onze hersenen zitten vol onbewuste hypotheses, en vele concrete uitvindingen, die uiteraard wel zichtbaar en bewust zijn, zijn een (deductieve) toepassing van hypotheses die zelf niet toegankelijk zijn.  Dat is vooreerst het geval bij alle vormen van kunst, maar ook in de zuivere "technologie" komt dit dikwijls voor.  Bij het tot stand komen van een nieuwe uitvinding, lijkt het vaak onbegrijpelijk dat het zolang geduurd heeft vóór iemand hieraan dacht.  Dat betekent dat uitvindingen niet louter tot stand komen door deducties en combinaties van deducties vanuit gekende hypotheses, maar dat er blijkbaar nog andere factoren een rol spelen.  Die andere factoren zijn de onbewuste hypotheses die wij aanvoelen, maar niet bewust kunnen hanteren, zoals bv. de wetmatigheden die de schoonheid van muziek bepalen.

Een begaafde componist voelt die intuïtief aan. Maar ook hij kan ze meestal niet formuleren.

 

Dit alles om te zeggen dat zelfs de exacte wetenschap in belangrijke mate afhankelijk is van de inductieve processen, die nog duister en onhanteerbaar zijn.

Zelfs Descartes heeft dit gesignaleerd in zijn Discours de la méthode.

Zij is dus als methodologie, zelfs binnen het terrein van de meetbare fenomenen, nog voor verbetering vatbaar.

Ook de beroemde wiskundige Polya, de grondlegger van de heuristiek —de wetenschap van het uitvinden, dus van het ontwikkelen van nieuwe hypothesen—, signaleerde dit reeds in 1945 in zijn beroemde werkje How to solve it?

 

Men is dan ook reeds eeuwen naar zo'n betrouwbare inductieve methode, een inductieve logica, aan het zoeken.  Deze zoektocht heeft nog maar weinig vruchten afgeworpen, hoewel de grootste geesten er sinds de renaissance mee bezig zijn geweest.  Het resultaat was, tot enkele decennia geleden, zo ontgoochelend dat de Nobelprijswinnaar K. Popper (19..) zelfs de stoutmoedige uitspraak heeft gedaan dat het vinden van een inductieve logica per definitie onmogelijk was.  Deze uitspraak is echter onverantwoord.  Niet alleen is het in de wetenschap in het algemeen wetenschappelijk onverantwoord te stellen dat iets niet bestaan kan of niet gevonden zal kunnen worden.  Voor zulk een uitspraak kan men inderdaad nooit geldige bewijzen aanvoeren.  Men mag hoogstens stellen dat iets tot nog toe niet ontdekt is.  Maar daarenboven was Popper blijkbaar niet op de hoogte van sommige ontwikkelingen binnen de heuristiek, die steeds meer in staat is om aan te geven hoe nieuwe inducties tot stand komen en aan welke voorwaarden zij moeten voldoen om betrouwbaar te zijn.

 

In dit hoofdstuk willen wij een andere methode van wetenschappelijk denken beschrijven dan de bekende exacte, natuurwetenschappelijke methode.  Het is duidelijk niet de bedoeling om de exacte wetenschap te proberen vervangen of verbeteren in die gebieden waar zij sinds eeuwen ontegensprekelijk haar diensten heeft bewezen. Wij willen enkel een methode aanreiken die de denkende mens zou toelaten om met grotere kans op juistheid theorieën te formuleren op belangrijke levensterreinen waarvan de klassieke wetenschap beweert dat er, helaas, (nog) geen betrouwbare theorieën kunnen geformuleerd worden, bij gebrek aan een exacte meetmethode.

Uiteraard kan deze methode, die we de integratieve wetenschap of plausibiliteitsmethode noemen, niet in één hoofdstuk uiteengezet en bewezen worden.  Voor een uitvoeriger behandeling verwijzen we naar andere publicaties, zoals Integreren, de hoogste vorm van intelligentie (Roose, in press).  Hier wordt enkel een samenvatting gebracht, met de bedoeling duidelijk te maken dat Teilhard de Chardin onbewust deze methode heeft gebruikt, wat de betrouwbaarheid van zijn denken vergroot. 

Als uitgangspunt wordt genomen dat de huidige, deductieve natuurwetenschap slechts één van meerdere manieren is om te waarborgen dat denkconclusies juist zijn.

 

Er zijn er andere.  Laten we hier eens op ingaan.

Vooreerst is het belangrijk erop te wijzen dat de juistheid van een wetenschappelijke stelling geen kwestie is van alles of niets. Het is meestal onjuist te stellen dat iets juist of onjuist is, true of false. Veeleer hebben we te doen met een hogere of lagere graad van betrouwbaarheid, plausibiliteit. Wetenschappelijk denken wil zeggen: methodes zoeken om deze plausibiliteit te verhogen.

Zelfs de theorieën van Newton betreffende de mechanica, die lange tijd golden als een onverwoestbaar monument en het bewijs zelve van de triomf van het natuurwetenschappelijke denken, werden door Einstein op fundamentele onnauwkeurigheden betrapt.

Eigenlijk geldt deze plausibiliteitsregel dus ook binnen de deductieve wetenschappen. De mechanica van Einstein (die zelf trouwens al genuanceerd werden door de kwantummechanica) is dus meer plausibel dan deze van Newton.

Er wordt in dit boek niet beweerd dat de evolutieleer juist is, en er kan wellicht gemakkelijk aangetoond worden dat bepaalde details nogal zwak zijn.  Er wordt enkel gesteld dat de evolutieleer beter dan alle andere theorieën aangeeft hoe het heelal zich ontwikkelde en verder ontwikkelen zal.  Het is thans de meest plausibele hypothese, die later wellicht weer zal genuanceerd en bijgestuurd worden.

 

Hoe ontwikkelen hypothesen zich in de hersenen? Dank zij een gemakkelijkheidsoplossing in het observeren, waarbij van een geobserveerd voorwerp slechts enkele elementen worden onthouden, dus eigenlijk een denkfout (!), zijn de hersenen in staat te abstraheren, d.w.z. analogieën te ontdekken tussen fenomenen die ongelijk zijn doch met elkaar verwant. Dank zij deze abstracties worden er dus algemene regels geformuleerd, die weliswaar voortdurend het karakter van een veronderstelling ("hypothese") blijven bewaren.

Mensen hebben altijd en overal de neiging om dergelijke hypothesen op intuïtieve manier te formuleren. Veel van dergelijke hypothesen zijn echter onnauwkeurig, omdat men (1) niet juist meet, en omdat (2) het toepassingsgebied waarbinnen men de observaties verricht te beperkt is (zelfs Newton verwaarloosde bij zijn mechanica onvermijdelijk de werelden van de atomen en van de kosmos die werkt met de lichtsnelheid).

De conclusies van dergelijke intuïtieve hypotheses zijn dus niet zeer betrouwbaar.

 

De exacte wetenschappen trachtten die onnauwkeurigheid te verhelpen door op zijn minst te meten wat meetbaar was, en nauwkeurig te observeren, desnoods via sterrenkijker en microscoop, wat observeerbaar was.  De kerkelijke rechters die Copernicus’ conclusies moesten controleren weigerden zelfs om door de sterrenkijkers te kijken!

 

Het spreekt vanzelf dat onbewuste inducties betrouwbaarder worden naarmate het geobserveerd materiaal waarop zij zich baseren exacter is. Doch ook hier kan men zich vergissen.  Om de bolvorm van de aarde te controleren kan men de rechtheid van bv. een wateroppervlak controleren, doch de onvermijdelijke meetonnauwkeurigheid hierbij (er is altijd een grens aan de nauwkeurigheid van een meting) liet duidelijk niet toe om te zien dat er eigenlijk een zekere kromming bestaat in het aardoppervlak.

Nauwkeuriger observaties kunnen niet bij alle hypotheses de juistheid waarborgen, want die onnauwkeurigheid is niet alleen het gevolg van onjuiste metingen.  Ook een te klein observatiegebied is verantwoordelijk voor vergissingen, zelfs bij (zo exact mogelijke) observatie, denk maar aan Newton.  Zoals men echter een hogere graad van plausibiliteit verkrijgt door de observaties nauwkeuriger te maken, zelfs al blijft het observatie- en toepassingsgebied beperkt, zo zal men wellicht evenzeer evenzeer een hogere graad van plausibiliteit verkrijgen door het toepassingsgebied te verruimen, zelfs al blijft de exacte meetmogelijkheid beperkt.

 

Terug naar het voorbeeld van de bolvorm van de aarde.  Zelfs al laat een meting van de kromtegraad van het aardoppervlak niet toe om uit te maken of de aarde vlak of bolvormig is, een analogie met alle andere bolvormige planeten rondom ons zou laten besluiten dat de aarde wellicht even bolvormig is.  Dat is waarschijnlijk de reden waarom zowel de Egyptische architecten als de Griekse wijsgeren zeer goed wisten dat de aarde rond was, ook al waren hun meettoestellen veel beperkter dan deze der Renaissance.

 

Samengevat: het spontane intuïtieve induceren (abstraheren van observatie naar hypothese) dat plaatsgrijpt in onze hersenen lijdt onder twee beperkingen: onnauwkeurige metingen en een (te) beperkt toepassingsveld. Wetenschap in het algemeen tracht de betrouwbaarheid van deze inducties te verhelpen. Exacte wetenschap doet dit door de metingen en de wiskundige bewerking ervan zo nauwkeurig mogelijk te maken. Integratieve wetenschap doet dit door het toepassingsgebied der geformuleerde hypothesen zo breed mogelijk te maken. Het spreekt vanzelf dat het gebruik van beide methodes samen ?waar mogelijk?, de kans op plausibiliteit nog vergroot. Er mag echter niet beweerd worden dat de exacte methode op haar eentje superieur is aan de integratieve. De indrukwekkende architecturale, astronomische, medische en technologische realisaties van de tientallen eeuwen vóór de renaissance heeft duidelijk aangetoond dat er, met beduidend minder en grovere meetapparatuur, toch aan plausibele wetenschap kan gedaan worden.  En, o paradox, zelfs de ontwikkeling van de exacte wetenschappelijke methode tijdens de renaissance is een realisatie van niet-exacte, plausibele wetenschap die haar voorafging!

 

Integreren wil zeggen dat men tracht een overeenstemming te vinden tussen de vele, soms zelfs tegenstrijdig lijkende hypotheses die op een bepaald gebied geformuleerd worden, ervan uitgaande dat de denker die ze doet geen idioot is, maar hoogstens een te beperkt toepassingsgebied overschouwt. De denker die integreert gaat ervan uit dat elke uitspraak, hoe vreemd zij ook is, wellicht meer kans heeft om een stuk van de waarheid te bevatten dan dat zij er totaal naast zit, zelfs al is zij op intuïtieve manier verworven.

Bijgaand schema moge dit duidelijk maken: de kans op juistheid, d.w.z. op plausibiliteit van conclusies is groter als deze conclusie bevestigd wordt door diverse hypothesen die langs verschillende wegen ?zelfs onexacte en zuiver intuïtieve? tot stand gekomen zijn.

Wat is nu de hoofdvoorwaarde voor een integratieve wetenschapsbeoefening? De belangrijkste voorwaarde is dat de wetenschapsbeoefenaar op vele, zoveel mogelijk terreinen thuis is.  Immers, de kans op juistheid van zijn hypothesen neemt toe naarmate hij erin slaagt om van vele toepassingsgebieden te vertrekken, d.w.z. gebruik te maken van hypothesen die van al deze uiteenlopende terreinen afkomstig zijn.

Dit is nu precies de zwakheid der beoefenaars der natuurwetenschappen.  Zij hebben de neiging zich te specialiseren in een steeds beperkter aantal terreinen.  De meestal ingewikkelde methodologie van dat specifieke terrein maakt dat een beetje onvermijdelijk.  Zij worden daardoor bijzonder bekwame, superexacte observators.  Jammer genoeg observeren zij steeds maar kleinere toepassingsgebieden.  De laatste homo universalis, de algemeen ontwikkelde mens die een diploma had van (bijna) alle kennisgebieden en er zich ook voor interesseerde, verdween met de renaissance.  Na hem verscheen de homo specialis of specializatus, die steeds meer weet over steeds minder.

Om aan integratieve wetenschap te beoefenen mag men helaas geen hyperspecialist zijn, hoewel iedereen wel in sommige gebieden meer zal uitmunten dan in andere. Men moet in elk geval een uitgesproken belangstelling betonen voor de meest uiteenlopende toepassingsgebieden. Alleen dán kan men integratieve wetenschap beoefenen. Onze universiteiten zijn allang niet meer zo universeel als hun naam suggereert.

 

Pierre Teilhard de Chardin was één van die zeldzame denkers die een ongehoord aantal terreinen beheerste.  Dat is trouwens de reden waarom vele lezers zich bij zijn theorieën ongemakkelijk voelen.  Meestal kennen zij wel één of enkele wetenschappelijke toepassingsgebieden, maar vele zijn hen vreemd. Zij hebben dan soms ook de neiging om de lange gedetailleerde beschrijvingen van de evolutie van het heelal die minder bekend zijn over te slaan, en zich meteen te verdiepen in de conclusies.  Doch wie niet begeesterd en geïnspireerd werd door die langzame opgang, evolutieniveau na evolutieniveau, van het heelal, mist wellicht ook de dynamiek van de conclusies, die dan als vreemd, lichtelijk bij het haar getrokken of zelfs soms ongefundeerd overkomen. Integratieve wetenschap in praktijk

 

Elders (Roose) wordt deze methodologie, die al veel verder en nauwkeuriger is uitgewerkt dan veel exacte wetenschappers vermoeden, meer in detail beschreven. Hier willen we slechts enkele belangrijke regels van de integratieve werkwijze aangeven.

 

1. Vooreerst worden alle regels van de exacte wetenschappen gebruikt waar dit maar mogelijk is: exacte metingen, statistische bewerking der observatieresultaten, experiment en controleerbare voorspellingen. Daardoor juist is de integratieve wetenschapsmethode minstens zo betrouwbaar als de "exacte" theorieën die op dat kennisveld van toepassing zijn. Ze is uiteindelijk dus veel betrouwbaarder dank zij de eigen inbreng die daar wordt aan toegevoegd.

 

2. Vervolgens bestaan er enkele zeer betrouwbare en nauwkeurige methodes om spontane hypotheses nauwkeuriger te herformuleren, zelfs zonder dat er een mogelijkheid tot meting bestaat. Men gaat er namelijk van uit dat een niet-exacte hypothese (en vaak ook de zgn. exacte, cfr. Newtons mechanica!) bestaat uit een juiste kern, die echter overwoekerd zit onder een onjuiste deductie, d.w.z. veralgemeningen die eigenlijk onterecht zijn, maar veroorzaakt door een te beperkt observatiegebied (of, als het geen theorieën maar projecten betreft, een overdreven concretisering van het voorstel, bij gebrek aan inzicht in mogelijke alternatieven). Deze deductie kan men grotendeels ongedaan maken door een retroductie, waarbij met allerlei logische operaties (zoals factorieel klasseren van varianten, alternatieven, analoge fenomenen) de grenzen tussen de juiste kern en de onverantwoorde deductie aan het licht komen. De aanvankelijke hypothese wordt hierdoor veel genuanceerder, d.w.z. ze wordt geherformuleerd met precieze voorwaarden en toepassingsbeperkingen die eerst ontbraken.

 

3. Bij de diverse hypothesen die bij het integratieproces betrokken worden, mag en moet men ook soms onwetenschappelijke (d.w.z. intuïtieve) hypothesen in overweging nemen, dus opvattingen afkomstig van denkrichtingen die door de exacte wetenschap verwaarloosd of soms zelfs geminacht worden, zoals volkspsychologie, allerlei tradities, mythes, godsdienstige overtuigingen, filosofische wijsheden, spreekwoorden, citaten, literatuur. Het is niet zo dat de formuleerders van deze hypothesen volslagen idioot waren. Hun intuïties zijn wellicht minder nauwkeurig geformuleerd of exact geargumenteerd, maar ze zijn er niet minder geniaal om. I mmers, ook de exacte wetenschap gaat vooruit dank zij intuïtieve hypothesevorming.  

Zo ook durfde Teilhard het aan om niet alleen de wetenschappelijke gegevens der kosmische evolutie en paleontologie in zijn redenering te betrekken, maar ook bepaalde conclusies te projecteren naar gebieden die doorgaans enkel door religieuze denkstelsels betreden worden, zoals de zin van het leven, de essentie van de Drievuldigheid, het einddoel van de evolutie, de fundamentele wet van het bestaan. Niet alleen vond hij hierin een bevestiging voor de plausibiliteit van zijn hypotheses, het liet hem ook toe om deze religieuze hypotheses op hun beurt een stuk te herformuleren en te ontdoen van een onverantwoorde dubbelzinnigheid.

Vanuit hoe meer gezichtsvelden bepaalde hypotheses bevestigd worden, of hoe meer wetenschappen onafhankelijk van elkaar dezelfde conclusies suggereren (we spreken dan van convergentie van wetenschappen), hoe groter de plausibiliteit van een bepaalde hypothese.

In deze studie wordt de zin van het leven bevestigd vanuit twee onafhankelijke studiegebieden, namelijk de objectieve studie van de evolutiewetmatigheden van het heelal, en de studie van de subjectieve psychische behoeften.

Hoewel geen van beide kan bewezen worden in de exacte betekenis van het woord, is hun gemeenschappelijke conclusie door deze merkwaardige convergentie hoogst plausibel.

 

4. Bij het formuleren van de nieuwe hypotheses moet men ook de algemene wetenschappen betrekken.  Algemene wetenschappen, zoals wiskunde en algemene systeemtheorie (AST), beschrijven een reeks fundamentele kenmerken waar de natuurverschijnselen aan voldoen. 

Vooral de AST is bruikbaar in de integratieve wetenschapsbeoefening, omdat de AST het gedrag van complexe systemen zoals de mens, groepsprocessen, veranderingsprocessen beschrijft. Nu zullen de gebieden waar de exacte wetenschappen weinig of geen toegang toe krijgen precies betrekking hebben op complexe en evolutionaire processen.

Met de AST kon Teilhard nog geen rekening houden, vermits ze pas na zijn dood werd ontwikkeld. De hele evolutieleer is echter een onmiskenbare toepassing van de AST, vermits ze eigenlijk een beschrijving is van de evolutie der natuurlijke systemen. In zijn teksten zal Teilhard trouwens voortdurend algemene eigenschappen van complexe systemen (zoals de wet complexiteit/bewustzijn) beschrijven, die later (her)ontdekt werden door de AST.

 

Besluit

Hoewel de integratieve wetenschap nog niet aan het operationeel formuleren van een inductieve logica of paradigma toe is, is zij vruchtbaar door het vergroten van de kans dat een denker juiste nieuwe theorieën formuleert en conclusies trekt, omdat zijn denken systematisch voorzien wordt van inspirerende elementen die bij creatieve denkers toevallig en spontaan aanwezig zijn.

 

Talrijke auteurs hebben in recente tijden bewust of minder bewust paradigmata uitgewerkt om het zogenaamde aristotelisch-cartesiaanse paradigma te vervangen. De ene spreekt van holisme (Capra 19..), anderen over een postcartesiaans paradigma (Wildiers), Bateson van Leerproces III, terwijl de theoretici van het inductieve denken tal van andere termen gebruiken bv. retroductieve inferentie (Pierce, 19..). Shostrom (19..) spreekt van creatieve synthese. Assagioli (18..-19..), die ook een variant van deze methode bespreekt, heeft het over synthese. In de dagelijkse omgangstaal heeft men het dikwijls over consensus.

 

Om redenen die hier uitgewerkt zijn heb ik het liever over integratie, niet enkel omdat het beter weergeeft waarin dat intellectuele proces precies bestaat, maar tevens, zoals in deze studie uitvoerig zal tot uiting komen, omdat integratie ook op niet-inzichtelijk gebied wellicht de meest uitgesproken en waardevolle tendens binnen kosmos en natuur is. Ook het psychisch functioneren van de mens bereikt zijn hoogste toppen door een virtuoos beoefenen van de kunst der integratie (zowel een integratie van de eigen behoeften en mogelijkheden als een integratie met de mensen rondom zich). Anderzijds kunnen alle vormen van geestesziekte beschouwd worden als mislukte integratiepogingen.

 

 

 

DEEL 1 DE STUDIE VAN HET VERLEDEN

INLEIDING

In de 19e eeuw werd het duidelijk dat alles wat bestaat op de aarde en in het heelal er niet plots op een dag gekomen zijn, maar ontstaan zijn door een progressieve evolutie.  Lamarck (voor het plantenrijk) en Darwin (voor het dierenrijk) verkondigden hiervan enkele belangrijke principes.

Maar ze stelden zich deze evolutie min of meer voor als een lineaire keten van onvoorspelbare mutaties.  De jezuïet Pierre Teilhard de Chardin zag in dat de evolutie niet lineair verloopt, maar via een spiraal van analoge fasen of niveaus. Hij heeft dus als het ware het basismechanisme, het "geheim" van de evolutie ontdekt. Dit inzicht liet hem toe om met veel grotere nauwkeurigheid de toekomst van het heelal en de zin van het leven te beschrijven.

 

De essentieelste trekken van het evolutieproces kunnen beschreven worden als volgt.  Het heelal is opgebouwd uit een ontelbaar aantal bouwstenen, waarbij elementen van een lager niveau de bouwstenen zijn voor systemen van een hoger niveau.  Mensen en meercellige wezens in het algemeen, d.w.z. systemen die vrij recent zijn, zijn oneindig maal complexer dan gewone moleculen en atomen, die al veel langer bestaan.

 

Dit complexifiëringsproces verloopt in twee afwisselende bewegingen:

a) vooreerst is er een complexifiëring op hetzelfde niveau: er is gaandeweg een ontwikkeling van analoge systemen die van dezelfde soort, van hetzelfde niveau zijn als de vorige, maar dezelfde elementen op een complexere manier in zich verzamelen. Als we het niveau van de atomen nemen is helium complexer dan waterstof, zuurstof complexer dan koolstof en stikstof, en zo verder. De complexere elementen kwamen in de natuur op een latere datum tot stand dan de eenvoudigere.

b) Op een bepaald ogenblik komt aan deze complexifiëring op een bepaald niveau echter een schijnbaar natuurlijk eindpunt: de natuur ontwikkelde geen complexere atomen dan uranium, geen complexere moleculen dan de aminozuren, geen complexere eencelligen dan de protozoa, enz. Maar op dit ogenblik is de evolutie niet gedaan! De complexifiëring gaat dan namelijk verder op een hoger niveau, d.w.z. niet door het ingewikkelder maken van de eigen eenheid, maar door met verschillende eenheden een hogere eenheid te vormen: atomen vormen moleculen, moleculen vormen eobionten, eencelligen vormen meercelligen, enz.

M.a.w. dit complexifiëringsproces verloopt in twee bewegingen. Tijdens een eerste beweging wordt er, binnen hetzelfde niveau, getracht om steeds betere systemen (d.w.z. complexere organisaties) te vormen; in een tweede beweging wordt er met elementen van een lager niveau een systeem op hoger niveau gevormd, waarna weer de eerste beweging plaatsvindt, maar thans op hoger niveau.

In de loop van de evolutie worden dus telkens systemen gevormd van een hoger complexiteitsniveau, d.w.z. dat systemen van een lager niveau de bouwstenen zijn van de systemen van het daaropvolgende niveau. Teilhard beschrijft dus eigenlijk de evolutie der natuurlijke systemen, een soort toegepaste systeemtheorie.

DE NATUURLIJKE SYSTEMEN

Tot nog toe zijn acht niveaus van complexifiëring bekend.

De eerste niveaus van complexificatie, tot de atomen, grijpen zowel kortstondig plaats in de seconden die volgen op de oerknal, als later in de sterren, die zichzelf verhittende verdichtingen van de oernevel zijn.  Immers, in beide vindt men hoge tot zeer hoge temperaturen, waardoor zich combinaties van elementaire deeltjes kunnen voordoen.

 

HET BEGIN

De oerknal (Big Bang) dateert van 10 miljard jaar geleden. Alle materie van het heelal was blijkbaar in één punt geconcentreerd, en begint vanaf dat ogenblik gelijkmatig uit te dijen. De uitdijingssnelheid is thans, tien miljard jaar later, nog steeds dezelfde als deze in het begin, en bevindt zich heel dicht bij de snelheid van het licht.

Volgens de recente inzichten van de wetenschap (HAWKING) ontwikkelden zich binnen de seconde na de oerknal reeds elementaire deeltjes. De eerste seconde was de temperatuur namelijk reeds gedaald tot ongeveer 10 miljard graden. Dit is ongeveer duizendmaal zo heet als de temperatuur in het middelpunt van de zon, en zulke temperaturen worden ook op aarde bereikt bij de ontploffing van een waterstofbom. Op dat ogenblik bevat het heelal hoofdzakelijk fotonen, elektronen en neutrino’s en hun anti-delen, met reeds enkele protonen en neutronen.

Belangrijk is ook om te weten dat niet alle vormen van materie waarneembaar zijn. Wetenschappers vermoeden heden ten dage dat slechts 10% van de materie waarneembaar is.  Voorwaarde tot waarneembaarheid is dat zij elektromagnetische golven uitstraalt, en in onze buurt aanwezig is. Men noemt donkere materie deze vormen die b.v. enkel zwaartekracht uitstralen, hetgeen men vermoedt op basis van onverklaarbaar afwijkende zwaartekrachtvelden.

1. DE STRINGS

Dit is het allerelementairste niveau van de materie dat thans bekend is.  Dit niveau is hypothetisch, d.w.z. dat men deze deeltjes nog niet heeft kunnen waarnemen, en misschien nooit zal kunnen waarnemen, maar wel door zeer ingewikkelde wiskundige berekeningen, die eigenlijk alleen maar door een computer kunnen geschieden, kan postuleren.

Deze theorie was overigens reeds ontstaan rond 1960, dus nog vóór de theorie van de quarks!  De eerste auteur was de Italiaan Gabriele Veneziano. Doch deze theorie, die voor het eerst het heelal eens niet beschreef als deeltjes (partikels), maar als draadjes (strings), geraakte op de achtergrond, omdat ze uitsluitend verband scheen te hebben met één deeltje, namelijk het boson.  In 1970 ontwikkelden Schwarz en Neveu een analoge stringtheorie, ditmaal vertrekkend van het gedrag van de fermions.  Doch weer werd deze theorie naar de achtergrond geduwd door de wetenschappelijke interesse voor de quarks.  Weer tien jaar later hernam Schwarz uit Californië, thans met Green uit Londen, deze theorie, en thans brak ze goed door, hoewel nog niet alle wetenschappers er gelukkig mee zijn.

 

In de stringtheorie gaat men ervan uit dat er 10 dimensies zijn.  Sommige theorieën gaan zelfs tot 26 dimensies !  Maar zij geven dan aan dat 16 dimensies "inwendig" zijn, dus geen rol spelen voor de buitenwereld.  Het is bijna onmogelijk om zich dit visueel voor te stellen: wij kennen namelijk slechts drie ruimtelijke dimensies en één tijdsdimensie (samen vier).  Men definieert een dimensie als een richting waarin iets zich kan verplaatsen zonder dat men dit op de andere dimensies hoeft te merken.  Uiteraard kan iets zich tezelfdertijd in verschillende dimensies verplaatsen.  Die dimensies kunnen allemaal wiskundig vastgesteld worden, en zodra men zich beperkt tot het wiskundige, kunnen er in feite zoveel dimensies zijn als men maar wil.  Vraag is: welk aantal is wiskundig minimaal nodig om het geheel der geobserveerde fenomenen te kunnen verklaren ?

Pogingen om de theorie te herformuleren met slechts 4 dimensies leiden totnogtoe allemaal tot wiskundige tegenstrijdigheden.

Hoe dan ook, de extradimensies zijn zo klein, dat je ze in het dagelijks leven niet merkt, alsof ze "opgerold zijn op zichzelf" ("compactificatie").

In de stringtheorie zijn de fundamentele deeltjes van de materie geen meerdimensionale punten of deeltjes, maar eendimensionale draadjes of curvetjes, in feite eerder cirkelvormige ringetjes.  Ze zijn ongeveer 10-33 cm groot.  Doch in de veronderstelling dat je er voldoende kracht kan op zetten zijn ze theoretisch uit te rekken tot meerdere meters lang!

Hoewel sommige theorieën meerdere stringsoorten postuleren, gaan de meeste ervan uit dat er slechts één soort is.

De verschillende elementaire deeltjes zoals fotonen, elektronen, gravitonen, neutrino’s en dergelijke zijn dan allemaal te beschouwen als "harmonische vibratietoestanden" van die ene soort string.  Deze vibraties gebeuren in alle dimensies, ook in de tijdsdimensie !

Men kan deze vibraties ook beschrijven in aantal opgerolde dimensies, of gaten die in deze "oprollingen" zitten.  Ook de vier fundamentele kenmerken van de materie, namelijk aantrekkingskracht, elektromagnetische kracht, zwakke en sterke kernkracht, zijn te beschouwen als vibratietoestanden van die string.

Dit is allemaal echter onmogelijk om zich visueel voor te stellen!

 

De complexiteit van de stringtheorie doet sommigen, zoals Green, vermoeden dat er misschien nog kleinere "elementaire" deeltjes bestaan.  Er zijn thans echter nog geen hypothesen voorhanden die hierover uitspraken doen.

Een naïeve opvatting over de materie van het heelal is een onderverdeling in materie of stof enerzijds, en energie of kracht anderzijds.  Stof is al datgene wat min of meer in rust lijkt, kan vastgenomen en geobserveerd worden, terwijl de energie datgene is wat tussen hoopjes materie invloed schijnt uit te oefenen, d.w.z. wat voorwerpen dichterbij of verder "trekt." Men ontdekte in de natuur tot nog toe vier krachten, twee sterke en twee zwakke.  De sterke zijn in het dagelijks leven voelbaar, de zwakke enkel op de schaal van het atoom.  De twee sterke zijn de zwaartekracht en de elektromagnetische kracht.  Tot deze laatste behoren zowel licht, warmtestralen als radiogolven, röntgenstralen en dergelijke.  De twee "zwakke" krachten zijn de sterke en zwakke kernkracht.  Ze houden o.m. de deeltjes van de atoomkern (protonen en neutronen) tezamen.

In de 20ste eeuw is het duidelijk geworden dat deze krachten in feite niets anders zijn dan heel "dunne" materie, en dat er deeltjes bestaan, "krachtdragers", die deze krachtvelden verwezenlijken. Deze zijn de fotonen, gravitonen, gluonen en bosonen.

 naam kracht massa spin lading sterkte op 10-13 cm

gluon sterk 0 1 0 1 NB 8 soorten
foton E-M 0 1 0 10-12
boson W+ zwak 81000 1 +1 10-13
W- zwak 81000 1 -1 10-13
Z0 zwak 93000 1 0 10-13
Higgs zwak groot 0
graviton zwaar 0 2 0 10-38

Tot de "elementaire deeltjes" rekent men naast de krachtdragers nog de leptonen (o.a. het elektron) en de quarks (u,d,c,s,t,b). De quarks zijn de bouwstenen van de hadronen (zie volgend niveau) en de baryonen.

Volgens sommigen zijn de elementaire deeltjes (krachtdragers, leptonen en quarks) niet samengesteld uit meerdere strings, maar telkens uit één string, die op een typische manier vibreert. De stringtheorie is dus niet een beschrijving van nog elementairdere deeltjes dan elektronen e.d., maar de inwendige beschrijving van deze elementaire deeltjes.

2. DE QUARKS

3. HET NIVEAU VAN DE SAMENGESTELDE "ELEMENTAIRE" DEELTJES

Dit omvat zowel de hadronen (de protonen, de neutronen en alle andere tot nog toe gekende atoomkerndeeltjes) als de baryonen, d.w.z. de kunstmatig opgebouwde en slechts zeer kortstondig bestaande superzware hadronen.  Zowel hadronen als baryonen zijn samengesteld uit quarks, telkens uit een drietal.

Hadronen blijven samen omdat de krachten die in de quarks schuilen aldus een zeker evenwicht bereiken.  Er schiet echter nog veel vrije energie over, die leidt tot verdere complexifiëring.

Enkele bekende hadronen

 Naam massa(MeV) lading spin levensduur(sec)

pion 135 +1 0 2.6 x 10-8
kaon 495 +1 0 1.2 x 10-8
eta 550 0 0 2.5 x 10-19
proton 938 +1 1/2 >10^39
neutron 940 0 1/2 898
lambda 1100 0 1/2 2.6 x 10-10
sigma 1200 +1 1/2 0.8 x 10-10
chi 1300 0 1/2 2.9 x 10-10
omega 1650 -1 1/2 0.8 x 10-10

We zien dat enkel proton en neutron een relatief duurzaam bestaan hebben.  De andere deeltjes worden enkel teruggevonden in nucleaire reacties, het inwendige der sterren, botsingen in deeltjesversnellers, enz.

Terwijl het heelal na de eerste seconde na de oerknal verder uitdijde en de temperatuur daalde, zakte de mate waarin er elektron/anti-elektronparen bij botsingen werden gevormd beneden de mate waarin ze door annihilatie werden vernietigd.  De meeste elektronen en anti-elektronen hebben elkaar dan ook spoedig vernietigd en daarbij nog meer fotonen gevormd, en er bleven maar weinig elektronen over.

De neutrino’s en anti-neutrino’s vernietigden elkaar niet, want deze deeltjes hebben maar een zeer zwakke wisselwerking met elkaar.  Ze zijn er tegenwoordig dus nog steeds.  Als ze een kleine massa hebben, zoals tegenwoordig wordt vermoed, zouden ze een vorm kunnen zijn van de donkere materie, met voldoende aantrekkingskracht om de uitdijing van het heelal tot stilstand te kunnen brengen, en het zelfs weer te laten instorten.

4. HET ATOOMNIVEAU

Een atoom bestaat uit een vaste kern, en errond cirkelende elektronen, die kunnen schommelen in aantal.  De kern bestaat vooral uit hadronen (protonen en neutronen).  Al naargelang het aantal protonen heeft men te doen met een andere atoomsoort, en deze worden dan ook per nummer geklasseerd.  De atoomsoorten worden, door interstellaire reacties, steeds ingewikkelder, van waterstof (1) tot uranium (92).  Dit laatste is een natuurlijk eindpunt.  Ingewikkelder atomen komen in de natuur niet voor, merkwaardig genoeg.  Men heeft er enkele kunstmatige gevormd met een hoger rangnummer dan (92), maar deze blijken in hoge mate onstabiel te zijn: hun bestaan duurt steeds slechts een fractie van een seconde.

Ongeveer 100 seconden na de oerknal is de temperatuur tot 1 miljard graden gedaald, hetgeen overeenkomt met de temperatuur in de kern van de heetste sterren.  Bij deze temperatuur hebben protonen en neutronen niet voldoende energie meer om te ontsnappen aan één der basiskrachten van de natuur: de sterke wisselwerking.  Daardoor zullen ze aan elkaar klitten, aldus de atoomkern van zware waterstof (deuterium) vormend: één proton en één neutron. Verder vormen ze ook nog heliumkernen en nog kleine hoeveelheden lithium en beryllium.

Enkele uren na de oerknal zal de vorming van helium en de andere elementen zijn opgehouden.  In de rest van het steeds kouder wordende heelal gebeurde er ongeveer een miljoen jaar lang niets.  Toen de gemiddelde temperatuur van het heelal tegen die tijd gedaald was tot een paar duizend graden was de bewegingsenergie niet groot genoeg meer om de onderlinge elektromagnetische krachten te overwinnen, zodat men in het vrije heelal ook atomen begin tegen te komen.  Hier en daar kwamen er door de zwaartekracht roterende ophopingen, die zich tot sterrenstelsels ontwikkelden.  Binnen in de kern der sterren liep de temperatuur dan weer op, en vielen de atomen weer verder uit elkaar.  Sommige sterren spatten hierbij elkaar (men noemt dergelijke ontploffende sterren supernova’s), bij andere bleef de samentrekkingskracht groter dan de explosieneiging, zodat ze zich verder samentrokken tot neutronensterren (die de fotonen weer terugzuigen zodat enkel neutronen worden uitgestraald) of zwarte gaten, die dus alle weggaande stralen terugtrekken, en dus op geen enkele manier waarneembaar zijn

Mendelejew is erin geslaagd de talrijke atoomsoorten te rangschikken volgens hun complexiteit.  En, wat meer is, later is gebleken dat de vorming van "nieuwe", d.w.z. complexere atoomsoorten, in de loop van de evolutie ongeveer gegaan is volgens de rangschikking van Mendelejew, dus van eenvoudig en klein naar ingewikkeld en groot.

Atomen blijven samen door de elektromagnetische kracht: de elektronen, die negatief geladen zijn, cirkelen rond de kern, die positief geladen is dank zij de protonen.  De kerndeeltjes zelf blijven samen door de sterke kernkrachten.

De preatomaire evoluties grepen plaats in wat men vagelijk de oernevel noemt. Het resultaat was een enorme "wolk" van protonen en elektronen, en de combinatie van beide: waterstof atomen.  De waterstofatomen gingen zich condenseren en rond mekaar wentelen. In het binnenste van zulke condensaties steeg voortdurend de temperatuur, d.w.z. de kracht waarmee deze deeltjes trilden.  Na een lange tijd begon de hele "wolk" hyperverhit te zijn, en licht uit te stralen.  Zo ontstonden sterren van de eerste generatie, waarin de temperatuur opnieuw steeg tot 10 à 50 miljoen °C.  Bij die temperatuur gaat waterstof over tot element 2: helium.  Was de ster groot genoeg om nog verder te verhitten (tot 100-200 miljoen °C) dan wordt helium omgezet tot koolstof (element 6), zuurstof (8) en neon (10). De contractie gaat bij sommige sterren nog verder, waardoor de temperatuur stijgt tot 1000 miljoen °C, en in deze helse smeltkroes ontstaan Mg, Si, P, S, Cl, Ar en Ca.

Dit alles gaat in verschillende lagen liggen, de temperatuur verdubbelt nog, en er worden gevormd: Fe, Ni, Cr, Mn, Co e.a.

De ster trekt zich nog meer samen, de temperatuur stijgt tot 5000 miljoen °C, en in het binnenste ontstaat door uiteenvallen van gevormde producten opnieuw helium, en gans de ster spat uit elkaar. I n de ruimte treft men dus niet alleen waterstof meer aan, maar ook een beetje van al die andere producten.  Deze massa’s H en de beetjes C, O, Ne en Fe kunnen condenseren tot sterren van de tweede generatie, die wegens de "onzuiverheden" bij het begin andere stoffen gaan vormen: vooral N, en de zware elementen zelfs tot Uranium.  Totdat ook deze sterren exploderen, en er sterren van de derde generatie worden gevormd, zoals de zon er een is.

Volgens een andere theorie gaat de eerste generatie tot Ne, de tweede tot Ti, en de derde tot Ur. Het principe is echter hetzelfde.

Dat dit alles enkele miljarden jaartjes geduurd heeft hoeft wel geen betoog.

5. HET MOLECULAIR NIVEAU

De atomen vormen moleculen, vanaf het eenvoudigste anorganische zoals stikstof, zuurstof en water, tot het ingewikkeldste organische, d.w.z. de aminozuren.  Ingewikkelder moleculen zijn niet gekend.  Wel zijn er grotere gekend, doch deze zijn niet "complexer" in de echte zin van het woord.

De moleculen blijven hoofdzakelijk samen, omdat de samenstellende atomen aan elkaar kitten, doordat de elektronen van de buitenste atoomlagen graag een "octetstructuur" vormen, d.w.z. met z'n achten vol zitten.  Daarom "koppelen" atomen met "te weinig" elektronen in de buitenste schil vlot met atomen met "te veel" elektronen in de buitenste schil.

Door deze handige combinatie slagen zowel waterstof als zuurstof erin een volledige buitenschil te bekomen, zonder dat er in het geheel elektronen bijkomen, dus zonder dat het evenwicht met de kern, d.w.z. de verhouding positief/negatief, verstoord wordt.

Talloos zijn dergelijke atoomcombinaties tot moleculen, en ook hier is er weer een rangschikking van betrekkelijk eenvoudige (bv. water, H2O?) tot betrekkelijk ingewikkelde (bv. de aminozuren).  Eiwitten zijn combinaties van aminozuren, en kunnen we dus eigenlijk al tot de eerste combinatiestructuur van het volgende niveau beschouwen:

De moleculen vormden zich op de planeten, d.w.z. op "oernevelconcentraties" die niet gaan gloeien zijn, althans niet uitwendig. Daar op de ons bekende planeten praktisch alle elementen worden aangetroffen, moet men veronderstellen dat de meeste planeten maar gevormd zijn nadat het heelal door het uiteenspatten van sterren van de derde generatie "verontreinigd" is.

Op “dode” planeten zijn enkel eenvoudige, anorganische moleculen aanwezig, tenzij zich in het verleden gunstiger evolutieomstandigheden hebben voorgedaan, waardoor verdere vormen van evolutie mogelijk waren.  Maar op een klein aantal planeten hebben zich ingewikkelde, "organische" moleculen kunnen ontwikkelen.  Daartoe moeten de planeten aan enkele voorwaarden voldoen.  Ze mogen niet te groot of te klein zijn, niet te snel of te traag draaien.  Ze moeten zich op een optimale afstand van een ster bevinden, een atmosfeer hebben die temperatuurverschillen wat matigt, en zo meer.  De situatie hier op aarde beantwoordt blijkbaar aan al die moeilijke voorwaarden.  Leven (een complex proces met organische stoffen) kan zich namelijk maar ontwikkelen in een zeer smalle temperatuurstrook: water, het blijkbaar universele oplosmiddel, stolt (bevriest) bij 273°K, en kookt (wordt gasvormig) bij 373°K, een zeer smalle marge dus, als men bedekt dat de grootste bekende stertemperaturen rond de 10.000.000.000°K liggen!

6. HET EOBIONTENNIVEAU

zie http://news.bbc.co.uk/2/low/science/nature/7675193.stm over de proeven van Miller


De aminozuren vormen de eiwitten (peptiden), en deze gaan polypeptides vormen, d.w.z. complexe netwerken van eiwitketens. Dit netwerk vormt “mazen”, waarin dan allerlei andere stoffen kunnen opgeslagen worden: vloeistofdruppels, vetdruppeltjes, enz.

Samen met andere moleculensoorten verbinden ze zich tot de zogenaamde levende stof of protoplasma. Dat protoplasma gaat zich structureren tot steeds complexere vormen: virussen, mitochondria, centriolen.

Tevens zijn er een ganse reeks "actieve" stoffen (enzymen), d.w.z. stoffen die er in slagen om de omzetting van bepaalde ingewikkelde stoffen naar andere te bevorderen of te "katalyseren".  En vermits het hier gaat om stoffen die zo ingewikkeld zijn dat men ze organisch of levend kan noemen, spreekt men van biokatalysatoren, ter onderscheid met eenvoudige katalysatoren voor eenvoudige scheikundige reacties.

Men treft verschillende soorten eiwitten aan, met verschillende eigenschappen en activiteiten. Al deze soorten worden op analoge manier gesynthetiseerd door zgn. nucleïnezuren, d.w.z. katalysatoren van eiwitsynthese.

Al deze actieve en niet-actieve eiwitten gaan zich, tezamen met de nucleïnezuren (ribonucleïnezuren, RNA, en desoxyribonucleïnesuren, DNA) structureren tot min of meer actieve organismen, proto-organismen, met als bouwsteen polypeptides. Deze proto-organismen houden zich met niets anders bezig dan met het "aantasten" van scheikundig geschikte milieus, en die omzetten tot identieke proto-organismen.

Deze eobionten of proto-organismen blijven grotendeels samen om dezelfde redenen als de moleculen, althans de buitenste lagen (celwand). Binnenin beginnen "hogere" behoeften te spelen dan de zuivere elektrostatische, nl. een hele organisatie van moleculen die de andere maken (enzymen), en hun "verkeer" regelen.

De eenvoudigste eobiont is het virus:

Zo’n virus zet in een geschikt milieu de omgevende stoffen ook om tot virus.

Het leven is waarschijnlijk ontstaan aan de oppervlakte van de warme oceanen, met een atmosfeer die nog sterk verschilde van de huidige, zodat activerende en muterende "kosmische" stralen niet werden tegengehouden door de bovenste lagen van de atmosfeer. Aan die oppervlakte, wellicht een dunne "film", zijn langzamerhand de "organische" stoffen ontstaan, primitieve eiwitten, die langzamerhand de "oersoep" zijn gaan vormen.  Daarin ontwikkelde zich uiteindelijk een celachtige voorloper van de cel en alle andere organellen, die we gezamenlijk de eobionten noemen.

De meeste van deze eobionten treft men heden slechts aan binnenin de cel, omdat slechts dáár de omstandigheden gerealiseerd zijn waarbinnen hun bestaan mogelijk is.  In vroegere fasen van de evolutie leefden deze eobionten (zoals ook de virussen) echter vrij in het protoplasma dat als een fijne laag over de oerzee dreef.

7. HET CELLULAIR OF PROTOZOAIR NIVEAU

Terwijl virussen redelijk primitief te werk gaan, d.w.z. hun omgeving ook tot virus omzetten, zijn er verder ontwikkelde proto-organismen, b.v. de bacterie, die voortdurend stoffen uit het milieu opnemen en omzetten tot hun eigen componenten. Als de afmetingen te groot worden breekt de bacterie dan gewoon in twee, en zo verder.

De primitieve eobionten gaan onderling samenwerken en samenleven in een veel complexere structuur die uiteindelijk de levende cel zal worden. Het eigenlijke cellichaam is ook een eobiont die vroeger apart leefde, maar thans vele andere eobionten in zijn binnenste herbergt.

De bacterie is het eenvoudigste van deze protozoa.  De bacterie bestaat uit protoplasma, d.w.z polypeptides met allerlei grondstoffen, biokatalysatoren en afgewerkte producten, en kernstof, vooral DNA, die de gehele stoffenomzetting (metabolisme) en eiwitproductie regelt. Daarrond ligt een celwand.  Doch het is een valse indruk dat deze celwand een aparte structuur is.  Eigenlijk zijn zowel de wand samen met het protoplasma een eobiont, die echter de gastheer geworden is van een reeks andere eobionten, waarvan de kernstof er een is.  Het meest gespecialiseerde protozoön van dit niveau is de cel.  Deze is in feite niets anders dan een geperfectioneerde bacterie: zowel de celwand als de verschillende inwendige celstructuren of organellen (mitochondriën, centriolen, ...) zijn geperfectioneerd.  De activiteit van de cel is in feite dezelfde als deze van de bacterie: bepaalde stoffen opnemen en verwerken tot eigen stof. En vervolgens, als de afmetingen het toelaten, overgaan tot een vrij ingewikkelde celdeling, waarbij twee identieke dochtercellen worden geproduceerd.

Er zijn nooit meer geëvolueerde eiwitstructureringen aangetroffen dan de cel.  Ook hier schijnt dus een natuurlijk eindpunt bereikt te zijn.

De reden tot samenblijven is dat hierdoor aan de belangrijkste "streven" van de eobionten voldaan werd, nl. zichzelf in stand houden en voortplanten.

8. HET METAZOANIVEAU

De evolutie, hoewel zij met de cel een natuurlijk eindpunt op dat niveau bereikt heeft, is echter niet tot stilstand gekomen. Integendeel: miljoenen jaren nadat in het inwendige der sterren de eerste atoomsoorten gevormd werden, begint de geschiedenis der metazoa, d.w.z. de meercellige wezens.  Blijkbaar zijn de krachten, behoeften en onevenwichten der natuur nog steeds niet bevredigd, en wordt een volgende stap gezet in de evolutie.

De afzonderlijk levende cellen of protozoa verenigen zich tot meercellige structuren of metazoa en evolueren van rudimentaire celkolonies tot complexe meercellige wezens, cellencomplexen, waarvan de zoogdieren en de mens de ingewikkeldste zijn, tot nog toe gekend.

Na de eencellige wezens zoals de amoebe krijgen we eerst celkolonies of syncytia, waarin een hele hoop identieke cellen samenblijven zonder dat er bepaalde specialisaties optreden.

Doch daar blijft het niet bij: de buitenste cellen gaan weldra meer de rol van beschermers vervullen, terwijl de binnenste cellen zich aanpassen aan hun afzondering van de buitenwereld en een relatieve schaarste van voedsel.

Op die manier krijgen we langzamerhand de meercellige wezens of metazoa, waarin de cellen steeds verder gespecialiseerd worden, en in het geheel één bepaalde functie toegeschreven krijgen: de ene beschermen (huidcellen), andere steunen het organisme (beencellen) en doen het zich bewegen en verplaatsen (spiercellen), nog andere zorgen voor voedselopname en -vertering (darmcellen, klieren, lever), andere voor het vervoer van zuurstof (rode bloedcelen), en tenslotte zijn er die de gehele werking coördineren door boodschappen door te geven van en naar een centrale besturingseenheid (zenuwstelsel).

En weer is er een evolutie van primitief naar geperfectioneerd: ongewervelde dieren, gewervelde dieren waarin vissen, kruipdieren (amfibieën en reptielen), vogels, en tenslotte de zoogdieren, waaronder de aapachtigen de meest geëvolueerde zijn tot op dit ogenblik. De mens behoort tot dezelfde familie als de aap.

Hier is de reden van samenblijven der cellen analoog aan deze der eobionten: een metazoön is een enorme samenwerking waardoor —via specialisatie, taakverdeling en het combineren van mogelijkheden— het bestaan en voortbestaan der cellen beveiligd en vergemakkelijkt wordt.

De jonge metazoa, de meercellige levende wezens, zijn op een bepaald ogenblik uiteengegaan in twee grote categorieën, de passievere en de actievere wezens, de planten en de dieren.  De planten kwamen vooral tot ontwikkeling buiten het water, de dieren in het water. De aarde was al miljoenen jaren door planten overwoekerd, vóór de dieren uit het water te voorschijn kropen.  Deze lange tussenperiode was niet nutteloos, want door het in de atmosfeer brengen van zuurstof, een afvalproduct van de plant, was de samenstelling van de atmosfeer grondig gewijzigd.

De dieren werden aldus verlost van een langdurig en moeizaam proces, zuurstof produceren, zodat ze veel meer vrijheid van beweging konden hebben.  De dieren verlieten de zee wel, maar namen toch een stukje zee mee, waarmee ze zich inwendig blijven bespoelen: de samenstelling van het bloedserum gelijkt opvallend op die van het zeewater.

Verder boeit ons uiteraard de ontwikkeling der hogere zoogdieren, en vooral deze der primaten en de mens.

Mens en aap blijken een gemeenschappelijke voorloper te hebben, namelijk de parapithecus.  Het voordeel van deze parapithecus op de andere zoogdieren is dat hij in geen enkel opzicht gespecialiseerd is.  Elke zoogdiersoort ontwikkelde een bepaald vermogen sterker dan de andere, hetgeen een bepaald voordeel betekende ten opzichte van de andere zoogdieren.  Zo waren er zoogdieren die snel liepen, die goed prooien konden verscheuren, die veel groter of zwaarder zijn dan de andere, die langer onder water konden blijven zodat ze eigenlijk bijna voor vissen kunnen doorgaan, en zo verder.  Niets van dit alles bij de parapithecus of mensaap.  De afwezigheid van enige specialisatie maakt hem weliswaar kwetsbaarder dan de andere dieren, maar laat integendeel verdere evoluties toe, terwijl die andere dieren hun tijdelijke voorsprong moesten betalen met een stilstaan op de weg der evolutie: ze zaten op een dood zijspoor.  Het beste voorbeeld is de dinosaurus, die zijn onzeglijke sterkte die hem een bijna universele superioriteit bezorgde uiteindelijk moest betalen met uitsterving, ofwel door uithongering (omdat hij zijn biotoop zelf uitroeide), ofwel door gebrekkige wendbaarheid tegenover natuurfenomenen als een ijstijd en de opkomst van de kleinere, maar snellere en slimmere zoogdieren.

Vóór de menswording aanvatte, liep onze voorouder even gemakkelijk op vier als op twee poten, leefde doorgaans in de bomen waar hij relatief veilig was, en voedde zich met planten en vruchten, wat roofvaardigheden overbodig maakte.

Op een goede dag, het was waarschijnlijk langs de oostkust van Afrika, begon het oerwoud uit te sterven en zette zich langzamerhand om tot savanne.  De oorzaken hiervan zijn op dit ogenblik voor ons niet belangrijk.  Vervelend was wel dat de parapithecus gedwongen werd de bomen te verlaten, wat een grote handicap was.  Vele apen vluchtten echter naar streken waar het oerwoud in stand bleef.  Ze zijn aap gebleven.  Anderen trotseerden de milieuverandering.  Wij zijn hun nakomelingen.

Onze voorouders moesten dus de bomen verlaten. En meteen leerden ze rechtop staan, wilden ze tussen het struikgewas beter hun vijanden zien naderen.  En ook leerden ze "op twee poten" snel lopen.  Want, ongewapend als ze waren, viel aan een gevecht met hun aanvallers niet te denken.

Het uitsterven van het oerwoud veroorzaakte weldra een tekort aan vruchten, zodat ze wel gedwongen waren vlees te gaan eten.  In het begin moesten ze zich tevreden stellen met resten van gedode prooien van andere zoogdieren.  Doch dit vleeseten had twee fantastische voordelen: vooreerst bevat vlees voor eenzelfde gewicht veel meer voedzame bestanddelen dan planten, zodat onze voorouders meer "vrije tijd" kregen, de bakermat van creatief denken.  Maar ook leerden ze hun voorpoten, hun handen steeds beter gebruiken, want hun muil was allesbehalve geschikt voor het verscheuren van prooiresten.

En zo gaat de menswording verder: er komt een gebrek aan etensresten, zodat onze voorouder uiteindelijk gedwongen werd om zelf te gaan doden: eerst kleinere dieren en vissen, die hij met de hand kan doden.  Dan grotere en sterkere, en dat dwingt hem zijn verstand te doen werken: listen om te vangen, en het gebruik van "voorwerpen" zoals stukken hout, been en steen.  Uiteindelijk leert hij op nog grotere dieren jagen, hetgeen hij gaat doen in groep, wat hem een primitieve taal leert ontwikkelen: klanken die voor elkaar een bepaalde betekenis hebben.

De volgende stap is dan het uitwijken, omdat de savanne het stijgende aantal niet meer kan voeden.  Sommigen wijken uit naar het comfortabele zuiden, wat hen toelaat om ongeveer hetzelfde levenspeil te bewaren. Maar anderen gaan naar het noorden, naar koudere streken. Noodgedwongen leren ze zich te beschermen tegen het gure weer: ze zoeken holen op, die ze later wat bijwerken.  Nog later bouwen ze zich, met hout en stenen, "kunstmatige holen" of huizen.  Doch de kou blijft nijpen als ze verder noordwaarts gaan.  En ze omwikkelen zich een afvalproduct van hun prooien: de warme pels.  Zo leren ze ook meer en meer "bewerken" van materialen.  Doch de grootste stap is wellicht de ontdekking dat het vuur tembaar en vervoerbaar is.  Het getemde vuur, dat ze eerst roven van toevallige bosbranden maar later zelf weten te ontsteken, blijkt een goed verwarmingsmiddel, maar tevens een goed verdedigingsmiddel te zijn tegen dieren en andere belagers, en is tenslotte een goed voedselbereidingsmiddel.

En tenslotte nog een klein, pittig detail: het wijfje is niet alleen gans het jaar vruchtbaar, maar krijgt een clitoris wat de meeste vrouwelijke dieren niet hebben.  Dit versterkt de band om samen te blijven.  Niet alleen voor de jacht was dit noodzakelijk! Ook de opvoeding van de, in vergelijking met de andere diersoorten, heel hulpbehoevende kinderen, maakt een stabiel gezins- en stramverband onontbeerlijk.

Nog enkele gegevens: de menswording begon met onze voorouders (of neven) de Neanderthalers.  Deze bestaan sinds enkele honderdduizenden jaren.  Wijzelf zijn echter Cro-Magnons. Dezen ontstonden ongeveer 40.000 jaar geleden.  Het verschil is vooral dat onze hersenen nog iets meer frontale kwab bezitten, maar vooral dat wij veel gemakkelijker geluiden produceren dan de Neanderthalers, die eigenlijk maar rauwe klanken konden uitstootten die ze begeleidden door veel gebaren.  Deze twee zaken bezorgden onze soort een grote superioriteit.  Deze overgang staat prachtig beschreven in het eerste deel van de SF-roman De Holebeer van Jane Auel.  Het is niet duidelijk wat er met de weggeconcurreerde Neanderthalers gebeurd is.  Volgens sommige onderzoekingen stierven ze uit, volgens andere werden ze opgenomen en versmolten ze met hun slimmere neefjes, de Cro-Magnons.

Merkwaardig is ook dat genetisch onderzoek heeft uitgewezen dat de hele aardebevolking slechts van een handvol moeders afkomstig is, misschien niet meer dan zeven! Er zullen ongetwijfeld wel veel meer exemplaren in de evolutie de mutatiegrens tussen Cro-Magnon en zijn voorloper overschreden hebben, maar hoe dan ook, alle andere, buiten die zeven moeders, hebben hun nageslacht in de loop der tijden zien uitsterven.

Het is wel jammer dat de juiste stamboom der mensachtigen nog niet is opgesteld: de verschillende aan elkaar verwante soorten kunnen wel ergens in de tijd gesitueerd worden, maar kunnen maar zelden als voorouder en nazaat aan elkaar gelinkt worden.

Volgens recent onderzoek (National Geographic 2005) verliep de verspreiding van onze soort, de Cro-Magnons als volgt:

9. HET SOCIALISATIENIVEAU

Is de mens slechts een tussenstadium in het metazoaniveau, zodat de volgende evolutiestap het ontwikkelen van een soort supermens, een Übermensch, zal zijn? Of is de mens het natuurlijk eindpunt van de evolutie op dat niveau, zodat we na de mens een evolutie op hoger niveau, d.w.z. het zich samenvoegen van metazoaire systemen tot een complexer niveau, een socialisatieniveau —met de mens als belangrijkste bouwsteen—, mogen verwachten? We zullen de discussie hiervan uitstellen tot na de bespreking van de evolutiewetten, want deze bespreking moet ons de argumenten bieden om dit vraagstuk te kunnen oplossen, en de eventuele socialisatie in zijn genuanceerde specificiteit te zien.

Laten we op deze discussie even vooruitlopen, en voorlopig aannemen dat deze socialisatie —die trouwens al vele millennia bezig is— inderdaad de volgende fase in de evolutie is, zodat we tot op heden acht niveaus in de evolutie van het heelal kunnen onderscheiden.

Ook binnen dit socialisatieniveau ontmoeten we dezelfde fenomenen als op de lagere niveaus: het langzaam vormen van steeds complexere systemen (koppel, gezin, familie, stam, stad, land, UNO) samen met (en tevens dank zij) een hele reeks contactmechanismen, van heirwegen en boekdrukkunst tot de moderne communicatiemedia.

De vraag of er ná dit socialisatieniveau nog één of meer evolutieniveaus komen, bespreken we in het hoofdstuk "toekomst". Maar voor we dit aanvatten moeten we het eerst uitvoerig hebben over de wetten van de evolutie. Want om de toekomst te kunnen voorspellen zullen we deze wetten moeten toepassen.

Het is interessant te constateren dat Teilhard in zijn standaardwerk Het verschijnsel mens het eobiontenniveau niet beschreven heeft, omdat dit in de toenmalige biologie nog niet bekend was: men verwarde het met het protozoair niveau.  Ook is het zo dat hij beide elementairste niveaus samenvoegde, omdat de quarks toen nog niet bekend waren.

Het pleit voor de genialiteit van Teilhards visie dat deze nieuwe wetenschappelijke ontdekkingen zijn theorie zijn komen bevestigen, eerder dan ze te ondergraven.




---


Hoeveel bewoonde planeten zijn er in het heelal? (BBC 15.02.09) (
http://news.bbc.co.uk/2/low/science/nature/7891132.stm)

Galaxy has 'billions of Earths'

Fomalhaut star and exoplanet (AFP/Getty)

There could be one hundred billion Earth-like planets in our galaxy, a US conference has heard.

Dr Alan Boss of the Carnegie Institution of Science said many of these worlds could be inhabited by simple lifeforms.

He was speaking at the annual meeting of the American Association for the Advancement of Science in Chicago.

So far, telescopes have been able to detect just over 300 planets outside our Solar System.

Very few of these would be capable of supporting life, however. Most are gas giants like our Jupiter; and many orbit so close to their parent stars that any microbes would have to survive roasting temperatures.

But, based on the limited numbers of planets found so far, Dr Boss has estimated that each Sun-like star has on average one "Earth-like" planet.

This simple calculation means there would be huge numbers capable of supporting life.

"Not only are they probably habitable but they probably are also going to be inhabited," Dr Boss told BBC News. "But I think that most likely the nearby 'Earths' are going to be inhabited with things which are perhaps more common to what Earth was like three or four billion years ago." That means bacterial lifeforms.

Dr Boss estimates that Nasa's Kepler mission, due for launch in March 2009, should begin finding some of these Earth-like planets within the next few years.

Recent work at Edinburgh University tried to quantify how many intelligent civilisations might be out there. The research suggested there could be thousands of them.