overzicht |


5005

HET FUNCTIONEREN

VAN DE PERSOONLIJKHEID

 

 

1. De zin van het bestaan

De eeuwenoude vraag van de mensheid, "wat is de zin van het bestaan?", kreeg in de loop van de 20e eeuw voor het eerst wetenschappelijk gefundeerde en betrouwbare antwoorden.

We kunnen de zin van het leven op twee manieren bespreken: een objectieve benadering, waarbij we de evolutie van het heelal onderzoeken, en vanuit de ontdekte wetten waarop deze evolutie berust de richting en de zin van het bestaan deduceren. We kunnen het probleem ook subjectief bekijken, waarbij we vanuit de strevingen en behoeften van de mens nagaan wat er nodig is om die behoeften zo volledig mogelijk te bevredigen. Het toeval -maar dit is uiteraard geen toeval- wil dat deze twee benaderingen tot dezelfde conclusies leiden, wat de betrouwbaarheid van de gevonden antwoorden sterk verhoogt. De objectieve benadering werd uitgewerkt door de paleontoloog en filosoof Pierre Teilhard de Chardin (Clermont-Ferrand 1881 - New York 1955), hierin bijgetreden door de bioloog en filosoof Julian Huxley (Londen 1887-1975). De subjectieve benadering ving aan met Sigmund Freud (Freiberg 1856 - Londen 1939), en zijn vele leerlingen en volgelingen waaronder vooral Carl Gustav Jung (Kesswil 1875 – Küsnacht 1961) en Abraham Maslow (New York 1908 - Californië 1970).

Ziehier een samenvatting van deze twee benaderingen.

Het objectief onderzoek van de evolutie van het heelal komt tot de ontdekking dat het heelal is opgebouwd uit bouwstenen, die niveau na niveau complexen vormen met bouwstenen van het huidige niveau tot systemen op een hoger niveau: (1) superstrings, (2) quarks, (3) atoomdeeltjes, (4) atomen, (5) molecules, (6) eobionten (d.w.z. virussen en nog autonoom bestaande cel-organellen), (7) protozoa, (8) metazoa (waaronder de primaten en het menselijk lichaam), en (9) samenleving. Niveau 9 is nu nog in volle ontwikkeling, alle andere zijn reeds voltooid. Enkele conclusies uit deze studies zijn:

(a) Alles bestaat uit systemen, die de onstuitbare neiging hebben om te complexifiëren, d.w.z. complexen te vormen op één hoger niveau. Zo is de mens (niveau 8) nu complexen aan het vormen op niveau 9 (de "socialisatie" van relaties en samenleving). Fundamenteel is dus het evolueren: bestaan is geen statisch gebeuren maar een permanente ontwikkeling.
(b) In het begin (niveaus 1-5) verloopt deze complexifiëring volledig onder druk van de omgeving. Dit heet de "lithofase", omdat alles als het ware dood is als steen (lithos). Later (niveaus 6-8) houdt de natuur bij hoe de complexifiëring geschiedde en herneemt dit programma steeds, het geleidelijk uitbreidend. Dit bouwprogramma wordt eerst bewaard als RNA en DNA, en later in de genen en de chromosomen. Ook de hersenfuncties (instincten, aangeboren reflexen) liggen genetisch vast. De hoogste diersoorten (zoogdieren en primaten) beschikken meer en meer over een leervermogen, waardoor nieuwe informatie en gedragingen kunnen opgeslagen worden zonder dat die aangeboren hoeven te zijn. Alleen de mens krijgt frontale hersenen, waardoor hij abstract en creatief kan denken. Deze tweede fase heet dan ook "biofase", omdat daar de biologie zit: wezens die zich voeden, leven en sterven. Tenslotte komt de mens (niveau 9) die intelligent kan redeneren en creatief kan handelen, en die dus langzaam de evolutie in handen neemt. Deze fase heet de "noöfase" (nous is Grieks voor denkvermogen, intelligentie). Globaal genomen is er dus in het evoluerende heelal, samen met de toename van complexiteit, een progressieve toename van intelligentie, van bewustzijn. De levenstaak van de mens bestaat er dus in om de evolutie meer en meer intelligent in handen te nemen, en aan het toeval en de kortzichtige biologische beperkingen te onttrekken. In plaats van over fase spreekt men ook soms van sfeer: lithosfeer, biosfeer, noösfeer
(c) Die complexifiëring is niet zomaar "gewoon wat ingewikkelder worden", maar is zeer duidelijk gericht naar een grotere "integratie", waarbij steeds meer elementen en bouwstenen in hun bestaan ondersteund en beschermd worden. Integratie (Teilhard sprak van convergentie) is duidelijk de meest fundamentele trek van de evolutie. Het einddoel van de sociale evolutie is dus een samenleving waar alle deelnemers zich conflictvrij gelukkig voelen, en waar het menselijk bewustzijn het heelal stuurt naar nog meer integratie (en nog meer geluk voor iedereen).
(d) Het bewustzijn is zelf ook een vorm van integratie: nieuwe en completere inzichten ontstaan door een integratie van onnauwkeuriger, partiële inzichten.

Het subjectief onderzoek van Freud en geestesgenoten ontdekte dat de mens een reeks, grotendeels aangeboren en vaak onbewuste, behoeften heeft, die zich door een reeks transformaties door de levenservaringen omzetten tot een reeks bewuste verlangens die meer realiseerbaar zijn, of minstens toch lijken. Die stuwende behoeften en strevingen, waarvan de diepste de behoefte naar geluk is en die trouwens vastligt in de hersenschakelingen, waren nodig om het vrije denkvermogen toch te "dwingen" gedrag te stellen dat nuttig is voor zichzelf. Doch het bewust sturen van het eigen gedrag maakt in de loop van het leven een hele ontwikkeling mee. De "beelden" die we als mens hebben over de werkelijkheid waarin we leven zijn in het begin van ons bestaan erg onrealistisch, en er is jaren levenservaring en studie (en soms psychotherapie) voor nodig om deze subjectieve beelden wat realistischer te maken. Freud lanceerde daarom de term "fantasmen" waarmee hij bedoelt: "beelden over de werkelijkheid, die voor ons belangrijk zijn, maar niet noodzakelijkerwijze juist", dus interpretaties van de werkelijkheid die wij waarnemen. Fantasmen zijn heel belangrijk, want zij zijn het die onze subjectieve levenservaring eerder bepalen dan de objectieve werkelijkheid. Ons gedrag wordt niet rationeel gestuurd, maar fantasmatisch. Hoewel iedereen bv. weet dat roken zeer slecht is blijft men roken, ondanks alle mooie voornemens. De verschillende pathologieën die we zullen bespreken zijn dus enkel te begrijpen vanuit de fantasmen die die personen koesteren, niet vanuit rationeel "gezond verstand".

In het langzaam realistischer worden van de fantasmen kunnen we enkele ontwikkelingsfasen of modi onderscheiden: de ir-reële fase (modus 1), bij jonge kinderen en psychotische volwassenen, waar de werkelijkheidsbeelden zodanig onrealistisch zijn dat zonder hulp van buiten geen leven of samenleven mogelijk is. Dan een aantal sub-reële fasen (modi 2, 3 en 4, ook neurosen genaamd) waar sommige aspecten van de werkelijkheid doorzien zijn, maar waar nog veel te leren valt. Freud onderscheidde de orale fase (modus 2) waarbij de betrokkene zich overdreven machteloos en afhankelijk voelt van de wereld rondom zich, en zijn mogelijkheden onderschat. Hij voelt zich zwak en klaagt, en past zich veiligheidshalve aan de gepercipieerde verwachtingen van de buitenwereld aan. Dit is kenmerkend voor pathologieën als depressie en hysterie. Dan de anale fase (modus 3) waarbij de betrokkene meer zichzelf wil zijn en dit doet door het wantrouwen van en door verzet tegen de omgeving. Controledrang, verzet en obsessies zijn hier kenmerkend voor. Tenslotte hebben we de fallisch-narcistische fase (modus 4) waarbij de betrokkene zich goed tracht te voelen door aan de anderen te tonen hoe knap hij uitblinkt in de kwaliteitscriteria die gesteld (schijnen te) worden. De levensstijl van modus 5 tenslotte, door Freud genitale fase genoemd, bestaat erin zich gelukkig te voelen door de anderen waarlijk gelukkig te maken. Dit moet uiteraard in twee richtingen gebeuren. In praktijk is dit het opbouwen van een integratie tussen de behoeften van de leden van de relatie of de groep. Deze vijfde modus heten we de sur-reële fase, omdat er meer mogelijkheden tot ontwikkeling zijn gekomen dan in de gebruikelijke realiteit het geval is.

Het is belangrijk, zeker als therapeut, om in te zien dat de onvolgroeidheid der primitieve modi niet toe te schrijven is aan het feit dat de fantasmen in die modi "verkeerd" zouden zijn, en moeten "behandeld" worden, maar in het feit dat er nog belangrijke zaken in het bewuste ontbreken, wat door groei kan en moet aangevuld worden. Dat is het fundamentele verschil tussen therapie, die hoofdzakelijk het negatieve bestrijdt, en psychoanagogie, die hoofdzakelijk het positieve bevordert.

De zin van het bestaan, afgeleid uit deze subjectieve analyses, is dus het uitbouwen van steeds omvangrijkere integraties binnen onszelf en met de medemens(en), en ons daar gelukkig in voelen. Daartoe moeten we steeds bewuster worden van onze behoeften en sluimerende mogelijkheden, bewust kunnen groeien, en daartoe onze vaak remmende fantasmen steeds realistischer maken. De kunst van het integreren beheersen, en deze in communicatie kunnen toepassen, is hierbij uiteraard essentieel.

Het is meteen ook duidelijk hoe voortbouwen op onze subjectieve behoeften door bewust steeds betere integraties te realiseren binnen en rondom onszelf, volledig samenvalt met wat als de objectieve zin van het bestaan wordt beschreven.


2. Ontwikkeling en groei
We definiëren ontwikkeling als de spontane evolutie van de persoonlijkheid onder invloed van de ervaringen in het leven, en groei als de bewust gestuurde ontwikkelen van onze eigen persoonlijkheid. Daar waar ontwikkeling spontaan, minimaal en re-actief is, dus slechts optreedt onder druk van tegenslagen, externe dwang, is groei bewust gewild, maximaal en pro-actief: de persoonlijkheid ontwikkelt zich, niet omdat ze moet, maar omdat ze kan, d.w.z steeds bewuster wordt van de nog sluimerende mogelijkheden in en rondom ons, en onszelf vaardiger maakt om deze te kunnen realiseren. Groei is daardoor veel sneller en leuker dan ontwikkeling, en beantwoordt trouwens aan de behoefte om zichzelf en de eigen levenssituatie zelf in de hand te hebben.

Psychotherapie is meestal slechts een beïnvloeding om de ontwikkeling te bevorderen. Psychoanagogie is echter de persoon helpen om te groeien, en hem zoveel mogelijk de techniek zelf aan te leren.




DE ONTWIKKELINGSFASEN VAN DE PERSOONLIJKHEID

1. Het reflexstadium

Tijdens de eerste weken van ons bestaan gaan we automatisch schreien als we ons slecht voelen: als we honger hebben, als we nat liggen, als we schrikken van geluiden, enz.. Het gevolg is dat moeder, of de persoon die haar vervangt, naar ons toekomt en de oorzaak van ons onwelzijn wegneemt. Vervolgens slapen we weer in.

2. De bewuste reflexnabootsing


De eerste grote ontdekking in ons leven is dat we bevredigd worden als gevolg van het feit dat we schreien. Na enkele maanden zal een kind van deze ontdekking bewust gebruik gaan maken. Meer en meer gaat een baby schreien, niet zozeer omdat hij zich onwel voelt, maar opdat hij zou bevredigd worden. We merken dit duidelijk, als het schreien afneemt van zodra hij de moeder hoort aankomen, dus nog lang voor hij in feite bevredigd is. Het kind heeft ontdekt dat aandacht de voorwaarde is voor bevrediging. Streven naar aandacht is daarom de eerste grote concrete vorm van ons aangeboren streven naar bevrediging. Dit streven naar aandacht komt zo vroegtijdig, dat het zich ontwikkelt tot een behoefte op zichzelf. Het kind gaat mettertijd naar aandacht streven, ook al heeft het geen honger of ligt het niet nat. Naast het schreien gaat het mettertijd allerlei andere methodes gebruiken om die aandacht te krijgen, zoals klankjes uitbrengen, lawaai maken met allerlei speelgoed, enz.. Dit ontwikkelt zich tot de orale fase.

3. Het stadium van de concurrent


Op een bepaald ogenblik krijgt het kind de schok van zijn leven. Hij ontdekt dat er ten opzichte van de moeder of de persoon die haar vervangt, nog andere personen en factoren zijn die haar aandacht trekken; hij ontdekt dus de concurrent. In het begin zal hij er naar streven deze concurrent uit te schakelen of te vernietigen, doch daar dit bijna nooit lukt moet hij noodgedwongen een andere methode gaan gebruiken. Het volstaat nu niet meer te streven naar aandacht, hij moet ervoor zorgen dat hij het meeste aandacht krijgt. Streven naar de meeste aandacht is nu precies datgene wat wij streven naar waardering noemen. Dit is de vroegtijdig aangekweekte behoefte om van de medemens de meeste aandacht te krijgen, d.w.z. superieur te lijken. Aldus is onze behoefte naar waardering geboren.
 

Concreet uit zich onze behoefte aan waardering langs vier wegen:




1. We trachten de ander te vernederen, hem te doen mislukken, uit te schakelen, te bespotten. De extreme vorm hiervan is dat we de ander vermoorden. Deze methode is dubbel nadelig, niet alleen omdat we onze behoefte (waardering) niet realiseren, maar daarenboven er een vijand bij scheppen, en ook sociaal afgekeurd worden. Dit ontwikkelt zich tot de anale fase.
 
2. We gaan onszelf ophemelen (pochen, sterke verhaaltjes vertellen, prestige en statussymbolen hanteren, enz.) Deze methode wordt sociaal veel beter geaccepteerd tenzij ze te direct is (taboe). Ze is dus wel minder nadelig dan de eerste methodes maar ons doel, nl. waardering, kunnen we op deze manier nog altijd niet bereiken. Dit ontwikkelt zich tot de fallische fase.

4. Het stadium van de partner

Bij de twee volgende methodes gaan we slimmer te werk. We vertrekken van de gedachte dat, als iedereen streeft naar waardering, het probleem onoplosbaar is, vermits niemand bereid zal zijn de waardering aan anderen te schenken. Daarom wordt als het ware een stilzwijgende afspraak gemaakt om waardering uit te wisselen. Lukt deze uitwisseling van waardering goed, dan ontstaat er een stabiele relatie:



1. De ander ophemelen, complimentjes geven, vleien. Deze methode is zeer doeltreffend, tenzij ze te simplistisch wordt gebruikt (taboe).
 
2. Onszelf vernederen, d.w.z. de ander dienstbaar zijn, onze zwakheden toegeven. Deze methode is veel doeltreffender, doch, meer nog dan de derde, heeft ze het risico dat ze kan misbruikt worden.

Dit zijn twee aspecten van de genitale fase.


DE FUNCTIONERINGSWIJZEN 


De dynamiek

Het fundamenteelste conflict dat elke mens vanaf zijn vroegste bestaan ervaart, is dat zijn behoeften/verlangens niet onmiddellijk realiseerbaar zijn binnen de situatie waarin hij bestaat, omdat de omgeving, de natuur, ons lichaam en/of de ander, bepaalde verwachtingen koesteren over ons en ons bepaalde beperkingen opleggen. Dit fundamenteel conflict kunnen we voorstellen door twee vectoren, die niet helemaal samenvallen.







De I-vector is de verzameling van onze eigen behoeften en verlangens, zowel bewuste als onbewuste.
De A-vector is de verzamelingen van de verwachtingen (met manipulaties) en de beperkingen die toekomen op onszelf, zowel van buitenaf als vanuit ons eigen lichaam en geest (bv. vermoeidheidsgrens). Dus de externe behoeften.
 
De hoek tussen deze twee vectoren is symbolisch. Het is zeker geen 0 graden, anders vielen de twee vectoren samen, hetgeen zou betekenen dat al onze verwachtingen samenvallen met deze van de omgeving, hetgeen zeker niet zo is. Anderzijds is die hoek evenmin 180 graden, want dat zou betekenen dat er geen enkele mogelijkheid is om iets te realiseren van onze behoeften, vermits het volledig in conflict is met de beperkingen en dwingende verplichtingen. Het zal dus ergens tussen de twee liggen, bv. 90 graden of zoiets.



Deze twee vectoren sluiten een gebied af. Elk menselijk gedrag kunnen we voorstellen door een punt, dat ontbonden kan worden in twee vectoren. Ligt het punt meer rechts dan links, dan betekent dit dat het gedrag meer rekening houdt met de eigen behoeften dan met de externe behoeften. Ligt het punt links, dan is dit andersom. Hoe hoger het punt, hoe meer met beide soorten behoeften rekening gehouden is, dus hoe minder het ene is gerealiseerd ten koste van het andere. Men spreekt dan van volledige zelfrealisatie. Ze is duurzaam, omdat ze niet in conflict treedt met de omgeving (die eventueel eerst aangepast werd). Elke menselijke functioneringswijze kan nu voorgesteld worden door een punt binnen dit vectorieel gebied.
 
Concrete beschrijving der stijlen
 
We kunnen dit vectoriële gebied indelen in een vijftal subgebieden, ook modussen genaamd, waarbinnen de kans groot is dat een mens zich bevindt:






Overzicht
 
Modus 1. De niet-aanpassing (psychose)
In deze functioneringswijze primeren de eigen behoeften, die gerealiseerd worden zonder in het minst rekening te houden met de invloeden van buitenaf. Uiteraard is deze realisatie zuiver ideëel of fantasmatisch, vermits ze buiten de realiteit valt, of leeft de persoon volledig afgezonderd van deze realiteit bv. in een psychiatrisch ziekenhuis.
 
Modus 2. De hyper-aanpassing (orale neurose)
In deze functioneringswijze gaat de persoon volledig op in de verwachtingen die de omgeving van hem/haar koestert, hetzij omdat het niet anders kan, hetzij omdat het als leuk ervaren wordt. De eigen behoeften en mogelijkheden worden grotendeels verwaarloosd.
 
Modus 3. De anti-aanpassing (anale neurose)
In deze functioneringswijze gaat de persoon de eigen behoeften meer ruimte geven, ten koste van of ondanks de verwachtingen vanuit de omgeving. Dit is een verzetsfase.
 
Modus 4. De super-aanpassing (fallische neurose)
In deze functioneringswijze gaat de persoon meer rekening houden met de verwachtingen van de omgeving, en speelt het spel mee, maar blinkt er in uit: hij is superieur ten opzichte van deze beperkingen, ten opzichte van de anderen.
 
Modus 5. De integratie (genitale fase)
In deze functioneringswijze is de persoon er in geslaagd om, in het ideale geval, een integratie te vinden tussen de eigen behoeften enerzijds, en de beperkingen, verwachtingen en sluimerende mogelijkheden van de omgeving anderzijds.

Opvallend is dat de drie universele methodes om problemen op te lossen ook hier aanwezig zijn:

1. De keuze: met (1) niet- of (2) hyper-aanpassing, d.w.z. het ene ten koste van het andere.

2. Het compromis of de gedeeltelijke integratie, waarbij van elk toch veel gerealiseerd wordt, maar 

   voorbij een bepaald punt het ene weer gebeurt ten koste van het andere: (3) anale fase en (4) 

   fallische fase.

3. De integratie: fase (5).



Er zijn enkele overgangsgebieden:


1-2: Borderline- of randpsychose
Hier is er een zwakke interactie met de werkelijkheid, maar bij grote frustraties regresseert de persoon naar het psychotische stadium.
 
2-3: Oedipale fase
Dit is een mengeling van zwakheid en verzet, vol primitieve agressie jegens de persoon die als dominant wordt ervaren, vaak de vader, maar ook andere figuren zoals de echtgenoot zijn mogelijk.
 
3-4: Psychopathie
Hierbij slaagt de persoon er gedeeltelijk in een integratie te vinden tussen de eigen behoeften en de behoeften vanuit de realiteit. Dit is echter een valse integratie, omdat ze maar kan gebeuren dankzij een massieve verdringing van vele eigen behoeften (de schoonheid van liefde, diepmenselijk contact, creativiteit, enz.) en de realiteitsbehoeften (onvatbaar zijn voor de afkeuring en dreigende straffen vanuit de omgeving). Dit is subjectief wel een voordeel, een soort geslaagde neurose, maar objectief zeer onaangenaam en zelfs gevaarlijk voor de anderen.


OPMERKING
Deze vier vormen van niet-optimaal functioneren mogen niet simplistisch geïnterpreteerd worden. Het gebeurt namelijk maar zelden dat iemand volledig in één enkele modus zit. Gewoonlijk is het zo dat hij voor bepaalde gebieden van zijn leven in de ene modus zit, en voor andere gebieden in een andere. Iedereen kent wel een reeks domeinen waarbinnen hij ook vrij goed functioneert. De beschrijving geeft dus een indeling van zijnswijzen, geen indeling van personen.


Enkele verwante fenomenen

Deze vijf besproken persoonlijkheidsfasen, die beschrijven hoe men het fundamentele levensconflict, de botsing tussen behoeften en realiteit, progressief kan oplossen van kortzichtige keuze naar allesomvattende integratie, doen zich ook op enkele andere levensterreinen voor, namelijk

1. Het rouwproces.

2. De sociale ontwikkelingsfasen.


1. Het Rouwproces

 
Mensen verwerken een groot verlies door enkele typische stadia te doorlopen. Als niet iedereen al die stadia schijnt te doorlopen, dan is dat omdat men vaak in het rouwproces blijft steken, omdat het verdrongen of gecompenseerd kan worden.
Stadia

1. Negeren van het feit: "het kan niet dat hij dood is", "ik heb de indruk dat hij hier plots nog binnen zou kunnen komen stappen". Analoog aan het psychotisch stadium, d.w.z. de realiteit wordt totaal genegeerd.

2. Men voelt zich droevig, verslagen, machteloos, heeft de indruk dat er nooit niets meer goed zal komen. Analoog aan het oraal stadium.

3. Men gaat in het verzet, is boos op de omstandigheden die het leed hebben uitgelokt of niet goed hebben kunnen vermijden, en soms zelfs op de dode zelf. Analoog aan het anaal stadium.

4. Men voelt zich superieur aan de frustrerende persoon, aan het feit dat het leed heeft uitgelokt. Men is er dan ook niet meer gevoelig voor, hoewel deze houding in het begin wel krampachtig (overcompensatie, bv. bij een handicap) kan zijn. Analoog aan het fallisch stadium.

5. Men heeft de oorzaak of veroorzaker van het leed weer totaal vergeven of verwerkt, en kan er weer gewoon mee omgaan, bv. praten over of lachen met de dode of de handicap, weer normale contacten hebben met de ex-partner die de scheiding begon. Analoog aan het genitaal stadium.

 

2. Het Sociaal Ontwikkelingsproces

Een groep mensen die samenwerken en/of -leven doorlopen typisch een reeks stadia. Men vindt dit zowel kleinschalig (gezin, vriendenkring) als grootschalig (land, wereld) terug.

Stadia




1. Het stadium van de wanorde (CHAOS), de wet van de sterkste, van de rapste, van de brutaalste, enz.. Deze fase is analoog aan de orale fase: men legt zich zonder verzet neer bij de werkelijkheid. In feite zitten de misbruikers, de "sterksten" reeds in de volgende fase, in de mate dat zij een zekere dwang opleggen aan anderen.

2. De stadia van de onderlinge, externe controle (ETHOS). Hierbij wordt aan de omgeving, aan de groep een zekere orde, een zekere regulering opgedrongen. De groep valt uiteen in de leiders en de massa. Progressief ontstaat er een zekere interactie: de massa gaat zich verzetten en bepaalde beperkingen of zelfs plichten afdwingen van de leiders. Dezen reageren echter zo slim mogelijk om zo lang mogelijk hun voorrechten te handhaven. Deze tweede fase verloopt typisch in drie subfasen die geleidelijk in elkaar overgaan, zodat de grenzen niet steeds gemakkelijk kunnen worden aangegeven:

1. De fase van de fysieke dwang. Het tijdperk van kleine tot grote machthebbers, koningen, maffia, enz.. Analoog aan de anale fase. De anti-vorm is de staking.

2. De fase van de materiële noodzaak. Langzamerhand werden de koningen als machthebbers overvleugeld door financieel sterkere groepen: van de Tempeliers tot het kapitalisme van de eeuw. Een mengeling van verfijnd anaal met brutaal narcistisch.

3. De fase van de morele, ethische druk: van democratie, persvrijheid tot drukkingsgroepen, macht der media. Hier zijn we in de fallische fase: we spelen met onze eer en zijn bang voor publieke vernedering.

3. Het stadium van de spontane orde (EROS): integratieve communicatie, synergie, spontane bezorgdheid en verantwoordelijkheid voor de relatie, voor de groep, voor de staat, enz.. Geen leiding dus, maar spontane coördinatie, synergie. Dit is de genitale fase.


3. Denken en bewustzijn

a. Gedachten

Hoewel de "geest" niets meer is dan de "software van de hersenen", en dus geen ziel of ander bovennatuurlijk element, is het toch gevaarlijk de menselijke geest te beschouwen als een soort "rationele" denkmachine, zoals dat helaas eeuwenlang door de filosofen, religieuzen en juristen verondersteld is.

Menselijke gedachten moeten veeleer als een "inwendig gedrag" beschouwd worden: de gedragstherapie heeft ons laten ontdekken dat gedachten, zoals gewoon "gedrag", kunnen aangeleerd en afgeleerd worden. Gedachten treden op en worden versterkt als ze (fantasmatisch) leuk zijn, en neigen tot verdwijnen als ze onaangenaam zijn. De inhoud der gedachten is hierbij nogal onbelangrijk. Gedachten zijn duidelijk niet door rationele, logische argumenten te beïnvloeden. De gehele reclamewereld berust op het basisovertuiging dat gedachten (en het daaruit voortvloeiend gedrag) veeleer door irrationele en "emotionele" signalen moeten beïnvloed worden dan door logische.

Elk hersendeel is "actief", en "denkt" dus. Al die centra zijn parallel bezig met denkactiviteiten. Wat wij subjectief onze"gedachten" noemen is de inhoud van onze hersenschors, en dit is maar een beperkt gedeelte van de hersenen. De activiteit der andere hersendelen, die nochtans ons denken en handelen sterk kan beïnvloeden, is meestal niet bewust. Freud noemde het bewustzijn dat kleine deel van onze herseninhoud dat we zelf waarnemen, onderbewuste  datgene wat we aanvoelen maar nog niet duidelijk kunnen waarnemen of omschrijven, en onbewuste al de rest. Het laatste is veel belangrijker, omvangrijker en "sterker" dan het eerste. Freud zei: "Het bewuste is de machteloze toeschouwer der on(der)bewuste hersenprocessen.".

Slechts herseninhouden die gebonden zijn aan vroegere ervaringen en emoties, zijn echt bewust, omdat ze wortels (associaties) hebben met de diepere lagen van de geest. De rest zijn slechts vage hersenspinsels.

b. Geheugen



Alle denkprocessen verlopen via een netwerk van associaties, waarvan sommige aangeboren zijn (in de lagere hersenlagen) en dus bij alle mensen dezelfde, en andere (de "hogere") aangeleerd en dus verschillend volgens de "persoonlijkheid". Alle bewaarde informatie in dit associatienetwerk noemen we samen het geheugen. Anders dan bij de computer, waar het geheugen op één duidelijk herkenbare plaats ligt, is dat bij de hersenen niet zo. Het is zelfs niet overdreven om te spreken over het geheugen als een abstract begrip, een verschijnsel, dus geen hersenplek. Het geheugen is dus een vermogen om vroegere waarnemingen te bewaren en hierdoor latere reacties via associaties te beïnvloeden. Dit vermogen zit verspreid over de miljarden hersencellen, vooral de hogere, namelijk als de manier waarop de signalen via associaties verlopen: het aanleggen of afbreken van verbindingen tussen zenuwcellen, de vlotte doorgankelijkheid voor passerende signalen of integendeel de "weerstand" tegen deze doorgang. Men vermoedt dat door de structuur van de hersenen men tot gevolg heeft dat gelijkaardige informatie op (ongeveer) dezelfde plaats in de hersenen wordt opgeslagen. Dus als iets "verhuist" naar het passieve geheugen, en het wordt later weer actief waargenomen, situeert deze informatie zich waarschijnlijk op identiek dezelfde plaats in de hersenen als zij vroeger lag. Dit weer aankomen op dezelfde plek lokt dan dat herkenningsgevoel op: "Dat is iets wat ik eigenlijk al wist, nu ge het zegt ...". Dat geeft dan een soort Aha-Erlebnis.
 

Het geheugen bestaat uit beelden die elk zijn opgebouwd uit elementen. Eén van de belangrijke elementen van een beeld is zijn naam, d.w.z. een soort label dat verbaal kan uitgesproken (en opgeschreven) worden. Als maar enkele elementen van een beeld waargenomen worden, dan roepen die als associatie andere beelden op waarin geassocieerde elementen ook aanwezig zijn. Beelden zijn dus verbonden door associaties. Hoe meer associaties een beeld heeft, hoe groter de kans dat het opgeroepen wordt door andere beelden. Men maakt in die zin onderscheid tussen het actieve geheugen, waar men gemakkelijk over beschikt, en waarbij het gezochte bij allerlei dagelijkse associaties naar boven komt, en het passieve geheugen, waar de beelden maar weinig associaties hebben met de zaken waar men dagelijks aan denkt, zodat men vaak enige tijd moet "zoeken" tot men de associatieve weg terugvindt. Als een gedachte plots de vroegere, bijna vergeten, herinnering oproept door ermee samen te vallen, dan ontstaat er een herkenningsgevoel of Aha-Erlebnis. Soms slagen spontane, "onbewuste" associaties daar beter in dan als men gericht blijft zoeken. Men zocht iets terug in zijn geheugen, maar kan het niet vinden. En plots, als men er niet aan denkt, "valt het u in".


Niet alles wordt opgeslagen in het geheugen. Teveel informatie zou het associatiewerk zodanig belemmeren dat wij niet meer snel genoeg kunnen denken. De hersenen filteren de binnenkomende inputs dus blijkbaar, en dit aan de hand van enkele criteria die nagaan hoe "belangrijk" binnenkomende informatie is. Deze criteria zijn:
 
(1) Herhaling: informatie die regelmatig aangeboden wordt is wellicht belangrijk. Wat slechts eenmaal binnenkomt is wellicht toevallig, bijkomstig en verwaarloosbaar. Deze herhaling kan ook mentaal zijn: aangrijpende ervaringen worden spontaan vaker terug overdacht, tijdens de dromen grijpt er veel herhaling plaats, en bij het studeren memoriseert men zaken gewild door ze vaak te herhalen, ook al hebben ze weinig aangename emotionele betekenis.


(2) Emotionele lading: informatie die samengaat met positieve of negatieve emoties (die door ons associatiesysteem daaraan kunnen gelinkt worden) wordt veel langer bewaard, wellicht ook omdat het in de dromen vaker herhaald wordt. Positieve associaties werken hierbij beter dan negatieve, wellicht omdat het leuker is om aan aangename zaken terug te denken. Het terugdenken aan iets positiefs stimuleert ook het bewaren van geassocieerde beelden, en doet aldus associaties uitbreiden.



Dit merkte men in de gedragstherapie, namelijk dat er "generalisatie" bestaat, d.w.z. dat positieve associaties neiging hebben zich uit te breiden tot beeldmateriaal dat eraan verwant is, daar waar dit praktisch niet gebeurde bij negatieve leerprocessen. Deze emotionele lading kan spontaan gebeuren, bv. door de aard van de ervaring, maar kan er ook kunstmatig aan gekoppeld worden, hetgeen gebeurt in het kader van gedragstherapie.





(3) Visuele informatie wordt van alle zintuigen het best bewaard, wellicht omdat de visuele cortex t.o.v. andere zintuigen de meest uitgebreide, en dus meest associatierijke is bij de mens (bij de hond is dat bv. de olfactorische cortex, zijn reukorgaan).
 
Er is anderzijds een voortdurende opruiming bezig van geheugenmateriaal, misschien niet zozeer om ruimte vrij te maken, maar om het aantal associaties bij het denkgedrag te beperken om het niet te "zwaar" te maken. De wissnelheid is veel groter dan men doorgaans vermoedt: op 5 dagen is 80% gewist van "vreemd", d.w.z. associatiearm materiaal, zoals nietszeggende namen, getallen, e.d.. Hoe is het dan te verklaren dat we blijkbaar veel meer dan 20% onthouden na 5 dagen?
(1) Vooreerst door het voortdurend te gebruiken,
(2) doordat we herhalen tijdens de dromen. Meestal zijn we vergeten waarover we dromen, maar dat is in elk geval een belangrijke functie van de dromen. Mensen bij wie men de dromen kunstmatig onderdrukt, of die weinig slapen, krijgen vooral symptomen van geheugenverlies.
(3) We reconstrueren snel, door allerlei associaties, datgene wat we vergeten zijn, en toetsen onbewust en snel ons resultaat aan het passief geheugen, dat al dan niet bevestigt dat onze reconstructie juist was. Men zou dus kunnen zeggen dat geheugenwissen een spontaan proces is, tenzij er iets speciaals gebeurt om dat te voorkomen. Dat "speciale" is hoofdzakelijk herhaling.




Dit laatste fenomeen maakt getuigenissen zo onbetrouwbaar, hetgeen steeds weer blijkt uit de verschillende verhalen die nochtans "getuigen" die "op de eerste rij" stonden, geven van dezelfde feiten. 

Als het "passieve geheugen" zoals bij het syndroom van Korsakoff, grotendeels uitgeschakeld is door bv. langdurig alcoholgebruik, dan treden er "vergissingen" op bij de spontane reconstructie en schijnt de persoon wartaal te vertellen ("confabulatie"): hij liegt niet, hij reconstrueert zoals iedereen, maar vergist zich onbewust door gebrek aan recente referentie-informatie.








In die zin is verdringing een spontaan, passief proces, en geen actief zoals Freud suggereerde. Het volstaat immers om aan iets niet terug te denken (bv. omdat men er geen enkele motivatie voor heeft), dat het snel uit het geheugen en het bewuste verdwijnt.

Zoals we later zullen zien is verdringing van negatieve emotionele ervaringen (psychotraumata) een goede zaak, gezien de onvolmaaktheid en onvermijdelijke tegenslagen van ons leven. Verdringen is dus "gezond" en noodzakelijk voor het emotioneel "evenwicht", tenzij deze verdringing het persoonlijk groeiproces blokkeert, omdat men bepaalde lessen niet trekt, of bepaalde mogelijkheden van zichzelf onbenut laat. Dan is het de taak van de psychoanagoog/psychotherapeut om deze verdrongen frustraties weer bewust te maken en via een goed rouwproces (praten, herbeleving) te verwerken, en het zo mogelijk in een nieuwe motivatie en wijsheidsbron om te zetten.

De fenomenen bewust-onderbewust-onbewust zijn eigenlijk eerder aspecten van het geheugen dan van het bewustzijn.
 
Enkele belangrijke toepassingen van het geheugenproces zijn (1) autosuggestie en (2) m(n)emotechniek.





(1) Autosuggestie is een bewuste methode om bepaalde zaken in het actieve geheugen te krijgen, niet zozeer "neutraal" geheugenmateriaal (dat is eerder mnemotechniek), maar fundamentele attitudes die het denken, het voelen en het gedrag effectief zullen beïnvloeden. Hoewel er in gebeds- en meditatietechnieken door de mensheid wellicht sinds duizenden jaren gepoogd wordt om de menselijke geest met nuttiger geachte levensvisies te doordringen, was de eerste (1932) die dat effectief en systematisch nastreefde, in het kader van een therapeutische aanpak, de Duitser Johannes Heinrich Schultz (1884 - 1970), onder de naam "autogene training", hoewel hij in het begin sprak van zelfhypnose. De techniek bestaat erin om systematisch de spieren van het hele lichaam te ontspannen en aan zichzelf diepe rust te suggereren, en dit ongeveer 2 à 3 maal een kwartiertje per dag. Dit herhaaldelijk doen, versnelt het bereiken van die diepe relaxatietoestand, omdat men zijn lichaam en geest conditioneert aan tal van gebruikte stimuli (zie verder bij leervermogen). In het begin vond men vooral baat bij de lichamelijke, neurovegetatieve veranderingsprocessen zoals bloeddrukdaling, stressvermindering, bloedvaatverwijding, gedaalde hartslag, e.d.. Later hebben K.R. Rosa en andere psychoanalisten deze methode uitgebreid ("Oberstufe", "gevorderd niveau") met autosuggestie van belangrijke fundamentele visies op werkelijkheid en zichzelf, mede door gebruikmaking van visualisatie. De methode evolueerde op die manier tot een vrij complete vorm van psychotherapie die vooral in Oostenrijk populair is.

Als men rekening houdt met het feit dat de geestelijke prestaties tevens sterk beïnvloed kunnen worden door de stemming waarin men verkeert, en dat men met autogene training ook die stemming kan beïnvloeden, dan is dit ten dele een verklaring voor het sterke effect dat autogene training vaak kan hebben.
 
Op de autosuggestie berusten verder grotendeels de gedragstherapie en cognitieve gedragstherapie, en de varianten ervan zoals NLP.


(2) Mnemotechniek is het geheel van methodes om de eigen geheugenprestaties te vergroten. Ze berusten alle op het feit dat er in de hersenen een massa bruikbare associaties, vooral ook visuele, klaarliggen, die we zouden kunnen gebruiken om langer dingen te onthouden, die echter, meestal bij gebrek aan nuttige associaties, snel uit ons geheugen gewist worden. Daartoe behoren de spontane methodes zoals de informatie na enkele minuten nogmaals bewust herhalen, en elk der elementen associëren aan visuele (en/of auditieve) beelden, en met die visuele beelden een (meestal onzinnig) verhaaltje maken, dat men een voldoende aantal keren visueel herhaalt. Hierbij moet men erop letten om die beelden en associaties te gebruiken die zich spontaan als eerste aanbieden, en niet naar "betere" of meer "logische" te zoeken. Want bij de ophaalpoging zullen het weer die "onlogische" zijn die zich het eerst aanbieden, omdat ze om de een of andere ondoorgrondelijke reden op dat ogenblik blijkbaar de "sterkste" zijn. Naast de spontane methodes, die gebruik maken van aanwezig associatiemateriaal zijn er de ondersteunde methodes, die eerst een associatiekader inoefenen, dat dan bij geheugenstunts kan gebruikt worden. Dit kader kan bv. het memoriseren van alle getallen van 01 tot 99 zijn met een visueel voorwerp, waarvan de letters gekoppeld zijn aan cijfers. Deze woorden kunnen dan tot een visueel verhaal gesmeed worden dat in principe toelaat om getallen van honderden cijfers snel en foutloos te memoriseren, bv. vele cijfers na de komma van pi. Een andere techniek is deze van het huis: men fantaseert een huis met bv. 10 kamers waarin zich telkens 10 voorwerpen bevinden.

c. Bewustzijn


Het bewustzijn is een inwendig beeld van de uitwendige werkelijkheid, alsof er ergens een projectiescherm in ons hoofd staat waarop de zintuigen hun waarnemingen projecteren. Naast dit inwendig beeld is er tevens de "waarneming" van de geassocieerde gedachten (inwendige beelden), waardoor de waargenomen werkelijkheidsbeelden een emotionele, morele, praktische waarde krijgen voor ons.

Sommigen hebben bezwaar tegen deze definitie, omdat dan ook elk fototoestel bewust zou zijn, d.w.z. een inwendig beeld hebben van de uitwendige werkelijkheid. Doch bovenstaande definitie beperkt zich niet tot het actueel waargenomene, maar vermeldde tevens de waardebepalende en inspirerende associaties, die uiteraard bij een fototoestel volledig ontbreken.

Het bewustzijn is dus, meer uitgewerkt, de subjectieve beleving van onze hersenacties, zowel waargenomen beeld als tal van geassocieerde gevoelens, zoals de hoeveelheid afkeer of aantrekkelijkheid die een ervaring uitlokt, en daarenboven het waarnemen van de (beginnende) lichamelijke VVVVV-reacties (vrezen, vechten, vluchten, voeden, vrijen, of de FFFFF-reacties: fear, fight, flight, feed, fuck), en allerlei emotionele associaties. Deze bewustzijnsbeelden kunnen dus ook vaak optreden zonder actuele waarneming.




Men maakt dus onderscheid tussen (1) actueel bewustzijn, d.w.z. de bewuste waarneming van actuele zintuigelijke indrukken en hun geassocieerde betekenis, en (2) verbeelding, waarbij vroegere ervaringen, via activering van geheugenelementen, worden opgeroepen en herbeleefd. Hierbij kan men uiteraard ook fantaseren, d.w.z. elementen opnieuw combineren tot nieuwe, onbestaande situaties. Dit gebeurt tijdens dagdromen, nachtelijk dromen, fantaseren, en is in het algemeen creativiteit.
 


In principe kunnen de hersenen, dus het bewustzijn, geen onderscheid maken tussen actuele ervaringen en verbeelde. Ze lijken beide even "echt", wat blijkt bij het dromen. Als wij als bewuste mens toch onderscheid kunnen maken tussen deze twee categorieën, dan is dat omdat we actuele beelden op de één of andere manier "klaarder" zijn, "kleurrijker" dan de ingebeelde. Je zou kunnen zeggen zoals de zon het licht van sterren en maan "verbleekt", of het daglicht een filmscherm verbleekt, de reële waarnemingen de helderheid der verbeelding verzwakt. Vandaar dat dromen zo realistisch zijn, omdat de concurrentie van de waarneming wegvalt. Maar gewoon reeds de ogen sluiten of in een duistere ruimte plaatsnemen maakt de verbeelding realistischer.


Er zijn enkele kunstmatige manieren om op deze "beeldscherpte" in te spelen:

1. Bij sensorische deprivatie schakelt het effect van de  zintuigen grotendeels uit: de proefpersoon vertoeft in een stille, totaal verduisterde ruimte, op aangename temperatuur, en heeft daarenboven zwachtels rond zijn handen en voeten, d.w.z. rond zijn gevoeligste tastzintuigen. Op enkel minuten zal zo'n proefpersoon hallucineren, d.w.z. zijn ingebeelde gedachten als reëel beschouwen, zoals in een droom, maar dan zonder slapen.

2. Bij druggebruik (met hallucinogenen zoals LSD en peyotl) worden de stoffen die de beeldkracht bepalen zeer versterkt, zodat onze mentale beelden de kracht van reële waarnemingen krijgen: we krijgen dus "hallucinaties".

3. Bij psychosen zoals schizofrenie en paranoia zijn de ingebeelde gedachten veel sterker dan normaal, door een te sterke natuurlijke concentratie van de neurotransmitters die de beeldkracht bepalen. Deze personen gaan dus ook lijden aan hallucinaties en de daarmee samenhangende interpretatieve wanen. Neuroleptica zijn geneesmiddelen die het effect van deze natuurlijke en valse (hallucinogene) neurotransmitters sterk beperken en de verbeelding weer normaliseren.

4. Men kan deze sterke beeldscherpte ook psychisch verhogen door de concentratie te "vernauwen" dus de storende "reële" indrukken af te zwakken, zoals gebeurt bij autosuggestievisualisatieoefeningen (leren visueel fantaseren tijdens het waken), hypnose en spontane trance.



De definitie en beschrijving van 'bewustzijn' lijkt zo moeilijk en ingewikkeld dat velen, ook professionelen, er iets mysterieus gaan in zien, en het dus menen te moeten verklaren via "bovennatuurlijke" fenomenen, zoals de ziel, of een 'transcendent ik' waarbij de hersenbeelden slechts de weerkaatsing zijn van bewustzijnsvormen die "hoger", "elders", al dan niet via "kanalen" ("channels") tot ons komen. Een hele parapsychologie ontwikkelde zich rond "bewustzijnvelden". Ook worden ondoorzichtige filosofische definities gegeven als "bewustzijn van het feit dat men bewust is". Verwarrend is ook dat men het neurologisch begrip "bewustzijn" (het omgekeerde van slapen, coma, verstrooidheid, enz.) verwart met de Freudiaanse psychologische begrippen "bewust, onderbewust en onbewust", die eigenlijk slaan op de mate waarin men iets onder woorden kan brengen en dus communicatief en bij bewust nadenken als begrip hanteren.

"Anything that we are aware of at a given moment forms part of our consciousness, making conscious experience at once the most familiar and most mysterious aspect of our lives." (Schneider and Velmans, 2007)

Volgens vele andere denkrichtingen, waartoe ook wij behoren, hoeven deze ingewikkelde standjes niet. We kunnen alle rijkdom en nuances, gesuggereerd door deze parapsychologische bewustzijnstheorieën wellicht bewaren zonder een bovennatuur te moeten hypothetiseren. We definiëren bewustzijn gewoon als datgene van de hersenen (vooral de hersenschors) dat op een bepaald ogenblik geactiveerd is, en een werkelijkheidsbeeld (met al zijn emotionele en praktijkgerichte associaties) "beleeft", dat soms reëel is (d.w.z. zintuigelijk), soms ingebeeld. Dat bewustzijn is reeds bij dieren aanwezig. Wat de mens van dieren onderscheidt is zijn vermogen tot abstractie, tot theoretiseren, tot creativiteit en tot communiceren van deze abstracte concepten. De neurologisch schijnbaar kleine toevoeging van de frontale hersenkwab heeft op dit gebied enorme consequenties gehad.



d. Ik-gevoel

 
Dit is een begrip dat grenzeloos gemystificeerd wordt: Het op de eigen persoon betrokken zijnsbesef, waardoor men zichzelf als individu gevoelt.
 
In praktijk is het "ik-gevoel" gewoon het besef dat men dezelfde persoon is als vroeger, ondanks het feit dat men intussen fysiek veranderde, dat alle lichaamscellen, en zelfs moleculen in de zenuwcellen intussen vervangen zijn. Wat dus telt is niet de materiële of biologische continuïteit, maar de continuïteit van de herinneringen. Wie bv. een zwaar ongeval met schedeltrauma meegemaakt heeft, kan grote stukken uit zijn geheugen missen, en is dan niet meer in staat zichzelf als dezelfde te beschouwen als de persoon ervoor: de geheugencontinuïteit is verloren gegaan. Wie zwaar dronken is geweest, herkent zichzelf evenmin in het verhaal dat men hem vertelt over zijn gedrag als hij dronken was.
 
In alternatieve, pubertaire kringen is "ego" doorgaans een scheldwoord. Je verwijt iemand een "te groot ego te hebben", als hij te weinig plaats laat aan jouw ego. Zoals een egoïst iemand is die te veel denkt aan zichzelf, maar te weinig aan jou. In plaats van het zelf beter te gaan doen verwacht men dat de ander het minder goed doet, of dit minder laat merken.

e. Fantasmen


Tot de subjectief belangrijkste inhoud van de menselijke geest behoren de fantasmen. Deze Freudiaanse term is niet gemakkelijk te definiëren. Fantasmen zijn alle beelden en associaties die in emotionele zin iets zeggen over onszelf, dus beelden die aangename of onaangename associaties oproepen. Deze beelden kunnen realistisch zijn, maar evengoed gefantaseerd. Dit realiteitskarakter is dus bijkomstig.
 
De fantasmen kunnen opgeroepen worden door actuele ervaringen (zaken waarnemen), door evocaties (foto's, films, boeken, verhalen lezen/horen), maar ook gewoon via associatie (dagdromen, nachtdromen).



Voorbeelden: "wat ben ik toch knap", "wat ben ik toch vindingrijk", "wat ben ik toch belangrijk", "wat ben ik erotisch toch superieur", maar ook: "wat ben ik toch een pechvogel", "Jan doet alles altijd beter dan ik", enz. ...




Ze hebben in onze geest een reeks belangrijke functies:
 
1) Ze bepalen in feite de subjectieve waarde van waarnemingen en ervaringen. In de psychologie is al lang bekend dat er geen direct verband is tussen E (ervaren situatie) en G (gevoel, subjectieve waarde), maar dat de ervaringen eerst associaties oproepen, die dan op hun beurt de gevoelsmatige waarde van iets bepalen. Dus niet E -> G, maar E -> F -> G. Die factor F zijn de opgeroepen (direct of via indirecte associatie) fantasmen.




2) Dat betekent dat niet de realiteit onze subjectieve beleving bepaalt, maar onze interpretatie ervan, de beelden en associaties die deze realiteit bij ons oproept. Bv. bij fobie als plankenkoorts zijn wij niet bang van wat die mensen door hun ridiculiserende of agressieve reacties ons zouden kunnen aandoen, maar wat wij ons voorstellen dat zij ons zouden kunnen aandoen.
 
3) Men zegt soms dat bepaalde realiteiten emotioneel onverwerkbaar zijn, omdat wij de reële situatie zelf (bv. affectief verlies, dood, mislukking, enz.) niet kunnen veranderen, dat wij dus "machteloos" zijn. Dat klopt niet: zelfs al is de ervaren situatie (E) onveranderbaar, omdat ze buiten onze macht valt, dan nog is de beleving ervan (F) wel veranderbaar, want die valt volledig binnen onze macht. De levenskunst die daar het verst is in gegaan is het stoïcisme. Maar elke vorm van psychotherapie en psychoanagogie houdt ergens onbewust of bewust een verandering van de fantasmen in.
 
4) De subjectieve waarde van het leven en zijn ervaringen is bijna volledig bepaald door de fantasmen. Wij zijn in feite bijna dag en nacht bezig de fantasmen te beleven, en ze gewild of ongewild te laten evolueren. Onze fantasmen zijn onze realiteit.


5) De fantasmen laten ons toe om bepaalde objectief onaangename levensaspecten niet of anders te beleven (bv. mislukkingen, vormen van onmacht, niet-optimaal zijn van onze partner en onze relatie, enz. ...). Als alle mannen dezelfde vrouw als de aantrekkelijkste zouden beschouwen zou er veel gevochten worden, en zouden de minder aantrekkelijke vrouwen geen enkele kans maken bij de mannen. De fantasmatische werkelijkheidsvervoming is dus een belangrijke factor voor het geluk en de harmonie in het leven.
 
6) Het realiteitskarakter van de fantasmen is dus bijkomstig. Enkel als wij iets kunnen doen aan bepaalde reële situaties, ze dus veranderen in ons voordeel, is het nuttig dat ons werkelijkheidsbeeld realistisch is. In de vele situaties waaraan wij toch niets kunnen veranderen, is het beter de realiteit te beleven in een voor ons aangename(re) zin. Dat is niet alleen leuker, maar de vrijgekomen energie (door het geluksgevoel en het zelfvertrouwen) kan ons zelfs helpen om er, waar nodig, toch iets aan te doen. Dit is trouwens de basiswet van het Stoïcisme:



Geef mij de kracht de zaken te veranderen die binnen mijn bereik liggen, de moed zaken te aanvaarden die buiten mijn bereik liggen, en de wijsheid om het onderscheid tussen deze twee te maken.




Zo ook moet een psychotherapeut /psychoanagoog maar proberen iemands werkelijkheidsbeeld realistischer te maken in de mate dat dit de mogelijkheden vergroot er iets aan te doen. Anders neem het ongelukkigheidsgevoel eerder toe dan af. Freud stelde reeds:



Tot de leeftijd van 40 jaar moet een psychoanalyse openleggend, ont-dekkend zijn. Voorbij die leeftijd moet ze toe-dekkend zijn.




Daarmee bedoelde hij dat "realistisch inzicht" geen doel op zichzelf is, maar ondergeschikt moet zijn aan de mogelijkheden van de cliënt om iets aan zijn levenssituatie te verbeteren. Die leeftijd van 40 is uiteraard maar bij manier van spreken, de overgang tussen "nog kunnen" en "niet meer kunnen veranderen".

7) Het bestaan van de fantasmen liet ook toe om het "onoverbrugbare" verschil tussen de twee oudste vormen van psychologie te overbruggen, namelijk de psychoanalytische en de behavioristische visie. Volgens de psychoanalyse wordt het gedrag van de mens bepaald door zijn inwendige belevingen, volgens de gedragstherapeuten louter door het extern gevolg (beloning) van het gedrag (reinforcement). De integratieve theorie stelt dat gedrag (in de brede zin van het woord, dus ook inwendig gedrag: denken en voelen) inderdaad ontstaat door reinforcement, maar dat  de opgeroepen fantasmen eigenlijk de belonende factoren zijn. Uitwendige beloning werkt niet rechtstreeks, maar via de fantasmen die zij oproept.

Zo was het psychoanalytici al opgevallen dat het belonen van een kindje met snoep inderdaad werkt, maar ook als het kind die snoepjes niet opat, maar gewoon bewaarde (of zelf verloor): de beloning zat in de fantasmen die door het geven van het snoepje werden opgeroepen.



f. Leervermogen


Met "leervermogen" bedoelen we het vermogen om op basis van ervaring en/of overdenking nieuw gedrag te ontwikkelen, dat ons toelaat onze subjectieve behoeften beter te realiseren. Hoe hoger de diersoort, hoe groter haar leervermogen. Insecten schijnen er weinig of geen te hebben, vogels al veel meer, maar bij hogere zoogdieren (honden, apen) is dit indrukwekkend. De mens spant duidelijk de kroon.
 
Neurologisch is het leervermogen het vermogen om nieuwe verbindingen te leggen tussen hersencellen en hersencentra, waar vroeger nog geen verbindingen lagen. Dit gebeurt enerzijds door het openen van bestaande zenuwuitsteeksels (dendrieten), zodat een volgende prikkel makkelijker de vroegere weg volgt. Maar het gebeurt ook door het laten uitgroeien van nieuwe dendrieten.
 
Men heeft al lang kunnen vaststellen dat het bouwprincipe van het zenuwstelsel heel eenvoudig is: als twee willekeurige plaatsen in de hersenen een zeker aantal malen samen geprikkeld worden, dan ontstaan er een (functionele of dendritische) verbinding tussen die twee plekken, zodat mettertijd het prikkelen van één plek de activering van de andere als gevolg heeft. Het omgekeerde gebeurt ook: als er niet regelmatig prikkels doorheen bestaande verbindingen lopen, dan hebben die de neiging zich eerst functioneel, en later dendritisch terug te trekken. De hersenen passen zich structureel dus voortdurend aan de functies die zij moeten uitvoeren aan.
 
Deze structurele plasticiteit van de hersenen heeft tal van voordelen:


1) Het genetisch bouwplan mag veel eenvoudiger zijn. Bij het aanleggen van bv. de bezenuwing van een lidmaat tijdens de embryonale periode moeten de genen niet weten waar precies de zenuwen moeten liggen en welke hersenlocatie er precies met welk gevoels- of spierelementje moet verbonden zijn. Door de maandenlange bewegingen van het embryo wordt "al doende" geleerd welke spieren via welke zenuwen kunnen geactiveerd worden, en vanwaar de inkomende sensorische signalen precies afkomstig zijn. Bij primitieve dieren die dit aankunnen (bv. een axolotl) slaagt men er zelfs in om een hele poot af te snijden, en die omgekeerd weer aan te naaien (inclusief de zenuwen). Waar in het begin de bewegingen "verkeerd" gebeuren, is dit ongemak na enkele dagen gerepareerd: de hersenverbindingen hebben zich gewoon (functioneel) verlegd!
 
2) Het leervermogen van de zenuwcellen in het hersenweefsel laat ook toe om de onvermijdelijk afstervende zenuwcellen te vervangen. We hebben wel vele miljarden zenuwcellen, maar elke dag sterven er toch enkele honderden tot duizenden af. Deze kunnen blijkbaar lange tijd gemakkelijk vervangen worden door andere: als men immers tussen twee punten enkele keren een prikkel laat lopen, dan ontstaat er een nieuwe verbinding.


3) Het belangrijkste voordeel voor (hogere) dieren is dat op die manier, op basis van ervaringen, leerprocessen kunnen optreden waarbij nieuw gedrag ontstaat (aangeleerd wordt), zowel qua observeerbaar gedrag en denken als emotionele reacties. Bij levende organismen met frontale hersenen (vooral de mens, ook de neanderthaler en enkele hogere zoogdieren zoals apen, honden en dolfijnen) kunnen daarenboven abstracte begrippen en inzichten ontstaan (inductief denken), waaruit dan later weer concrete conclusies kunnen getrokken worden (deductief denken).
 
Gedragstherapie is een toepassing op het leervermogen van de mens (en de zoogdieren in het algemeen, maar bij de mens uitgebreid met zijn mentale middelen). Ze berust o.m. op het feit dat "leren" voor de mens, niet alleen zijn gedrag, maar ook zijn denken en zijn voelen, even goed reageren op reële ervaringen als op mentale, "ingebeelde" beelden, mentale ervaringen dus. Psychotherapieën berusten op de mechanismen van het leervermogen, hetzij 1) direct (door gestructureerde leertraining, de "klassieke" gedragstherapie waarbij vooral storende emotionele reacties zoals fobie worden "afgeleerd", of assertief gedrag mentaal wordt aangeleerd), hetzij 2) indirect (als gevolg van spontaan geregeld terugdenken na aangrijpende gesprekken waarin emotioneel geladen toestanden geëvoceerd worden, of rollenspel herbeleefd).

g. Denkvermogen en creativiteit


Het denkvermogen laat de mens toe om een inwendig beeld te krijgen van de uitwendige werkelijkheid, niet alleen zoals die was en thans is maar ook en vooral hoe die ooit zou kunnen worden. Op die manier kan hij rekening houden met dingen die er thans (nog) niet zijn.
 
De menselijke hersenen hebben de neiging om algemene regels ("theorieën, hypotheses, wetten") af te leiden uit hun ontelbare waarnemingen. Deze abstrahering leidt algemene inzichten die het mogelijk maken om gedrag en mogelijk gedrag te veronderstellen in situaties die ze nog niet hebben waargenomen, dus werkelijkheid te vermoeden ook al hebben ze dit nog niet waargenomen, of al is het nog niet gerealiseerd. Het opstijgen vanuit waargenomen of medegedeeld feitenmateriaal naar algemene regels heet inductie, en weer toepassen van algemene regels op gekend feitenmateriaal en voorspellen van dingen die nog niet zijn gerealiseerd heet deduceren. Deductie is een relatief eenvoudig proces, en kan bijna steeds bewust uitgevoerd worden, hoewel sommige deducties onderbewust verlopen, en dan "intuïtief" worden genoemd. Inductie daarentegen is een ingewikkeld proces, dat meestal onderbewust, intuïtief verloopt. Creativiteit, vooral artistieke, is een proces waarbij de inductie intuïtief verloopt, en ook de algemene regels onderbewust blijven. De deductieve toepassing ervan tot bewuste creaties verloopt uiteraard ook een stuk intuïtief.


Bij artistiek denken verlopen zowel de inductiefase als de hypothesenformulering intuïtief. De creatieve deductieve fase, die eigenlijk een toepassing is van de intuïtieve regels, verloopt uiteraard bewust. Bij wetenschappelijk denken is de inductie onbewust, maar de gevormde hypothesen zijn bewust, alsook de deductieve fase. Wetenschappers vergeten echter meestal het belang van deze inductieve fase, en geloven vaak zelf in de mythe dat wetenschap een volledig rationeel proces is.
 
Het gehele complexe systeem van abstraherende inductie en creatieve deductie noemt men bewustwording. Men krijgt niet alleen een in het geheugen opgeslagen inwendig beeld van de gegevens van de uitwendige werkelijkheid, maar ook een beeld van dingen die men nog niet heeft waargenomen, en dingen die nog creatief tot stand kunnen komen. Daarenboven begrijpt men de diepere context en "zin" van de elementen van de werkelijkheid, zodat men er veel zinvoller kan mee omgaan. Het is belangrijk nog eens te onderstrepen dat men maar echt iets begrepen heeft als men ook inziet hoe men het zou kunnen verbeteren, hoe men de "problemen" kan oplossen. Passieve kennis die kan verklaren hoe iets in elkaar zit, maar nog niet wat ermee aan te vangen is in evolutieve, verbeterende zin, is dus zeer onvolmaakt. Beseffen "dat iets niet kan" is dus zeker geen wijsheid, wel integendeel.


Een heel belangrijk kenmerk van het denkvermogen is zijn vermogen tot integratie. Inzichten over onze werkelijkheid zijn in het begin nog sterk gebonden aan beperkte waarnemingen, en gedrag ontwikkelt zich veeleer empirisch dan inzichtelijk, op basis van coherente theorieën. Vandaar dat, zowel in de wetenschap als individueel, inzichten en gedragingen aanvankelijk partieel zijn, d.w.z. juist op zichzelf maar op beperkte waarnemingen berustend. De spontane maar onjuiste houdingen tegenover deze divergenties is voor één benadering te kiezen, en dit ten koste van de alternatieven. Een toepassing hiervan vindt men in de verschillende psychologische denkscholen, die alle gegroeid zijn vanuit een zinvolle empirische maar eenzijdige context, en onverzoenbare theoretische denkscholen geworden zijn. Zijn de groepen die bepaalde divergente opvattingen hanteren praktisch even sterk, of moet men toegeven dat er in elke benadering nuttige elementen zitten? Kan men tot de compromis overgaan, waarin, soms erg incoherent, elementen van diverse benaderingen gecombineerd zijn? Bv. aan fobische patiënten geeft men gedragstherapie, aan geobsedeerden psychoanalyse, aan depressieven antidepressieve medicatie.


4. Ontwikkeling der strevingen




Eén van de grote verschillen tussen lagere en kunstmatige intelligenties enerzijds en de mens anderzijds, is dat mensen (en dieren) in hun hersenen een constant streven hebben om bepaalde zaken te realiseren. Hun ervaringen, door blinde leerprocessen of door intelligent nadenken, brengen hen ertoe de concrete vormen van hun strevingen aan te passen. Deze strevingen zijn ofwel diep, en weinig beïnvloedbaar (behoeften), ofwel concreet en oppervlakkig (verlangens), en in principe vervangbaar op voorwaarde dat de eronder liggende behoeften gerealiseerd worden. Die strevingen leiden tot het activiteiten, concreet of mentaal, die uiteindelijk moeten leiden tot een bevrediging van de strevingen, wat leidt tot geluksgevoel.


Op de vervangbaarheid der verlangens berusten meerdere toepassingen:
 

  1. De spontane persoonlijkheidsontwikkeling: vanaf ons prilste kind-zijn tot het einde van ons leven trachten wij onze behoeften te bevredigen. Daartoe ontwikkelen wij, op een manier die we straks gaan  bespreken, een zeker aantal concretiseerbare verlangens, waarin wij uiteraard heel vaak gefrustreerd worden. We trachten dan deze onrealiseerbare verlangens te vervangen door andere, waarvan we denken en hopen dat ze meer realiseerbaar zullen zijn. Slagen we daarin, dan voelen we ons gelukkig(er). Slagen we daar niet in, dan kan dit leiden tot duidelijke of gemaskeerde depressies.
  2. De psychotherapeutische ervaring, waarbij men geconfronteerd wordt met verdrongen herinneringen (psychoanalyse) of in een veilige ("empathische") omgeving kritisch kan praten en luidop denken over zichzelf (Rogeriaans)
  3. Het bewust leren groeien (training, psychoanagogie) waarbij men leert eerder te integreren dan te kiezen in het leven.



 
Spontane ontwikkeling

Onze gedragingen, inclusief ons denken en onze emotionele reactiepatronen, en de fantasmen die ze ondersteunen, worden afgezwakt door negatieve ervaringen, en bevorderd door positieve. Dit fenomeen is bekend sinds het ontstaan der mensheid. Het is echter veel ouder dan de mens, want ook de dieren gebruiken het onder elkaar, en reageren aldus op allerlei ervaringen

a) Negatieve ervaringen

Soms kunnen strevingen niet bevredigd worden, en spreekt men van 'niet-bevredigingen'. In praktijk maakt men onderscheid tussen 3 vormen van niet-bevrediging:

1. Frustraties: dat is het niet-lukken van activiteiten die bewust ondernomen werden om een bevrediging te bekomen.

2. Psychotrauma: dat is een pijnlijke ervaring, de aanwezigheid van iets negatiefs, dat indruist tegen allerlei behoeften, en daardoor ook vaak een verandering uitlokt van het zelfbeeld, namelijk de haalbaarheid van bepaalde bevredigingen en het eigen vermogen om die te bevredigen. De herinnering aan dat psychotrauma kan heel lang nawerken, vooral als men denkt dat iemand dat min of meer gewild uitgelokt heeft, zodat het niet als een "toeval" kan beleefd worden.

3. Psychoanarkema: waar een psychotrauma de aanwezigheid is van iets negatiefs, is een psychoanarkema (Gr. arkei = het is voldoende, ik ben er blij mee, anarkema = gemis) de afwezigheid van iets positiefs. Maar vermits het niet bewust werd nagestreefd, zoals bij een frustratie, is men minder bewust van het gemis. Dit leidt bv. tot een gemaskeerde depressie, neurovegetatieve symptomen of opflakkering van psychosomatische ziektes, want als men niet bewust beseft wat men mist is het moeilijker om het onbevredigde gevoel te herkennen en te duiden.


Soms verdwijnen de niet-bevredigde gedragingen, gedachten en emoties. Het probleem is echter dat, als er geen bevrediging is voor de onderliggende behoeften, de onbevredigdheid (het gemis) toeneemt. Dit wordt dat een steeds sterkere energiebron voor alternatief gedrag. Deze energiebron is de frustratie-energie, die mettertijd uitzonderlijk sterk wordt. Deze negatieve energiebron leidt vaak tot regressie of decompensatie, dit is het terugvallen naar primitievere modi (vooral 3, 2 en 1), die eenvoudiger lijken.

  1. Regressie naar modus 3: dit is agressie, woedebuien, wraak (destructief) en revanche (constructief).
  2. Regressie naar modus 2: dit is bv. depressie, hysterische aanval, angstaanval.
  3. Regressie naar modus 1: dit is een psychotische opstoot.

Het hangt ervan af hoe sterk ("sthenisch") de persoonlijkheid is, d.w.z. in welke mate de fantasmatische interpretaties toelaten om de frustratie als minder zwaar te beleven.



b) Positieve ervaringen

Positieve aangename ervaringen, dus ervaringen die fantasmatisch de behoeften schijnen te bevredigen, hebben een versterkend effect op gedragingen, gedachten en gevoelens. Het zijn bekrachtigingen, beloningen. Zoals bij de negatieve ervaringen bestaan er bij opvoeders en therapeuten vaak misverstanden. Wat bedoeld is als negatief/positief komt niet steeds zo over. We moeten er echter van uitgaan dat als nadelig lijkend gedrag bestendigd wordt, er subjectief bij de betrokkene voordelen moeten bestaan, ook al kunnen we ons dat niet voorstellen. De sleutel tot het begrijpen zijn de fantasmen, d.w.z. wat iets voor iemand via zijn subjectieve en vaak zeer irrationele interpretatie kan betekenen.

Iemand straffen voor "onaangepast" gedrag kan door de betrokkene vaak als een versterkende beloning worden beschouwd, bv. omdat hij op die manier meer aandacht krijgt dan de anderen, of omdat hij "blij" is dat hij het systeem kan ontwrichten, of omdat hij woede-reacties kan uitlokken bij de opvoeder.

 

Mensen die piekeren (hypochondrie) uit bezorgdheid over zichzelf ervaren het feit dat ze speciaal bezorgd zijn over zichzelf als een positieve ervaring, terwijl iedereen rondom hem overtuigd is dat dat piekeren een vorm van zelfkwelling is die absoluut geen enkele voordeel oplevert. Voor de betrokkene is dit piekeren, zoals de kuisziekte, vaak zelfs een compensatie voor zijn onvermogen om op een andere manier nuttig of belangrijk te zijn.

 

Iets analoogs zien we bij zelfmoord, automutilatie of het nemen van grote risico's bv. als testpiloot of stuntman.



Toepassingen:

a) Het ontstaan van een symptoom of neurose

Nieuw gedrag (bv. een neurose) ontstaat pas als er minstens 3 voorwaarden vervuld zijn:

  1. Er moet een ondergrond aanwezig zijn: onbevredigde behoefte(s), kwetsbaarheden (bv. een gevoelig negatief zelfbeeld dat snel gefrustreerd wordt).
  2. Er moet een uitlokkende factor optreden: bv. een ongeval, een aangrijpend voorval.
  3. Op de ontstane symptomen moet door de omgeving of door het systeem positief gereageerd worden, minstens volgens de interpretaties en de fantasmen van de betrokkene. Deze bekrachtiging houdt meestal verband met de onbevredigde behoeften uit de ondergrond, of kan in bijkomende voordelen zoals aandacht bestaan.


Voorbeeld: de ontwikkeling van een klassieke fobie.

(1) Iemand rijdt niet graag met de auto of bezoekt niet graag bepaalde plaatsen.

(2) Op een dag grijpt er geheel toevallig een ongeval plaats. De betrokkene verklaart dat hij nu "bang" is geworden voor dit soort verplaatsingen of het autogebruik in het algemeen.

(3) De omgeving stelt zich begrijpend op, ontslaat de betrokkene voortaan van zijn rij- of bezoekplicht, en doet bv. de inkopen voortaan zelf. In sommige gevallen wordt er zelfs langdurig ziekteverlof verleend, of een vervanginkomen uitgekeerd door mutualiteit of verzekering.


Voor elke fobie of neurose in het algemeen kan dit proces teruggevonden worden. Therapie die zich zou beperken tot de behandeling van de symptomen van angst en fobie, zal nooit succesvol zijn. De beste behandeling is uiteraard het inoefenen van de vaardigheden die ontbraken en waardoor de "kwetsbaarheid" ontstond.

In de psychiatrie wordt het fenomeen van het instandhouden van pathologisch gedrag terwille van onbewuste fantasmatische voordelen aangeduid met namen als secundaire ziektewinst, renteneurose, hospitalisatiesyndroom.


b) Het ontstaan van nieuw gedrag

Ook voor het ontstaan van nieuw gedrag vindt men deze 3 factoren terug:

(1) Er bestaan (relatief) onbevredigde behoeftes, of de persoon heeft -al dan niet terecht- het vage gevoel dat deze behoeften nog op een intensere manier zouden kunnen bevredigd worden.

(2) Plots krijgt de persoon inspiratie (door te observeren rondom zich, een film of boek, een verhaal, een voorbeeld, of een creatieve inval).

(3) Hij probeert het nieuwe gedrag, of ontdekt dit toevallig, en merkt dat het inderdaad meer bevrediging oplevert dan de vroegere situatie. Dit werkt bekrachtigend op het nieuwe gedrag waardoor het een stuk van het klassieke gedragspatroon wordt. Bij die gelegenheid kunnen nog andere voordelen (of fantasmatische bevredigingen) optreden. Een diepe bevrediging die vaak als "neveneffect" optreedt, is de fierheid van iets nieuw te kunnen realiseren, de ontdekking dat zijn "macht" en "vaardigheid" blijkbaar groter zijn dan gedacht. Door dit alles neemt het fundamenteel zelfvertrouwen verder een beetje toe.


Het induceren van groei

Na deze beschrijving van hoe gedragsveranderingen en persoonlijkheidsevolutie spontaan optreden, bekijken we hier hoe deze bewust door opvoeders, psychotherapeuten en psychoanagogen kunnen opgezet worden.





1) Indirecte groei-inductie: wijziging van de persoonlijkheidstoestand (PT)

Het is bekend dat gedrag en persoonlijkheid geen rigide structuren zijn. De persoonlijkheid is een verzameling van varianten die soms sterke verschillen vertonen, zodat we eigenlijk beter van persoonlijkheidstoestand (PT) spreken. Volgens de heersende PT zullen bepaalde gedragingen meer of minder waarschijnlijk zijn. Deze PT kan op enkele ogenblikken sterk wijzigen, bv. bij plotse onvoorziene, bedreigende omstandigheden, of anderzijds ook als er zich plots nieuwe mogelijkheden schijnen aan te kondigen. Subjectief gaan dergelijke PT-wijzigingen gepaard met de daaraan aangepaste emoties zoals angst, woede, fascinering, geestdrift, seksuele opwinding, e.d..

In het gewone leven gebeurt dit bv. door een feestelijke sfeer, alcohol, muziek, film en toneel, opwindende toespraken, symboliek, enz. ...

Therapeutisch gebeurt dit bv. door psychofarmaca, vooral antidepressiva en anxiolytica. Hoewel de persoonlijkheid niet echt "veranderd" wordt, gaat hij door de gewijzigde PT anders functioneren, en niet zelden worden op die manier vicieuze cirkels doorbroken. Men kan spreken van een recompensatie (het omgekeerde van een decompensatie) of een progressie (het omgekeerde van een regressie). Heel veel psychiatrische "genezingen"  zijn in feite recompesnaties: de vroegere toestand van goed functioneren is hersteld. De eprsoon is in feite niet gegroeid, maar functioneert weer zoals voorheen. Hopelijk heeft men bij die genegenheid de oorzaak van de kwetsbaarheid ontdekt, en er iets aan gedaan.

Psychoanagogisch kan bv. welwillende aandacht (empathie), glimlach en oogcontact, rustgevend uitstralen van zelfvertrouwen, gedoseerd geven van complimentjes eenzelfde gunstig effect hebben op de evolutie van de cliënt.

Auto-inductie van PT-wijzigingen kan gebeuren door bewust bepaalde indrukken (bv. muziek, sport, sauna) op te zoeken, of meer direct door meditatie, gebed, auto-suggestie, maar ook bv. door het aangaan van uitdagingen, véél doen vlak voor de deadline van een realisatie, enz..

Indirect ziet men niet zelden dat dergelijke kleine PT-veranderingen bij de cliënt ook in zijn omgeving andere reacties en interacties uitlokken, wat op zijn beurt de evolutie van de pathologie of het groeiproces kan bevorderen.

Wellicht zijn de meeste, en waarschijnlijk zelfs de belangrijkste "therapeutische effecten" toe te schrijven aan deze PT-wijzigingen. Deze factor wordt ook vaak bestempeld als een "non-specifieke factor" in therapie, wat het effect van de therapie gedeeltelijk verklaart, los van de onderliggende theorieën. Het is ook een gedeeltelijke verklaring voor het placebo-effect.

Psycho-educatie is het geven van deskundige en wetenschappelijke uitleg aan de cliënt. Daardoor neemt de kan af dat er storende tegenoverdracht optreedt of andere neurotische mythes en groeiweerstanden, omdat de fenomenen beschreven worden zoals ze zijn en losgemaakt worden van de populaire neurotische mythes waarmee ze in onze cultuur verweefd zijn. De cliënt krijgt ook de kans extra-waardering te krijgen van de therapeut door zijn groei-inspanningen.

2) Directe groei-inductie: aanleren van nieuw gedrag

Men kan er als opvoeder/therapeut/psychoanagoog uiteraard naar streven aparte gedragingen aan- of af te leren. De gehele gedragstherapie is daarop gebouwd, en ook de samenleving (bv. ivm ons gedrag in het verkeer).

Het beste lukt het als de persoon zelfs daar bewust aan meewerkt. De "Bewuste Zelforganisatie" (BZO) van de Cognitieve Gedragstherapie is daartoe ontwikkeld. Het best werken groepstrainingen, omdat bij individuele therapieën vaak weerstand optreedt tegen de één-één-relatie, waarbij de therapeut steeds de goede is, en de cliënt steeds de mislukkende leerling. Groepssituaties zijn voor de deelnemers vaak inspirerender en uitdagender.

De psychoanalyse en de transactionele analyse werken sterk direct groei-inducerend, omdat sterk wordt gewerkt met de transformatie van fantasmen rond storend en wenselijk gedrag, en rond het constructief verwerken van frustraties, psychotraumata en psychoanarkemata.


5. Tests van de persoonlijkheid



Hoewel bekend is dat de persoonlijkheid van iemand geen rigide gegeven is, maar een snelle afwisseling van persoonlijkheidstoestanden, zijn er statistisch wel trekken die vaker terugkomen dan andere. Daarop zijn de meeste persoonlijkheidstests gebaseerd.

Op de hogerop beschreven persoonlijkheidsfenomenen, uitgewerkt door de psychoanalyse, zijn een zeker aantal tests gebaseerd, hoewel niet alle auteurs ervan eerlijk vermelden dat het model van Freud afkomstig is, maar graag laten uitschijnen dat zij het zelf bedacht hebben, en er, vooral in Amerika, een duur patent op nemen.

De populairste tests zijn thans de Leary (ook soms onder andere namen verkocht), de MBTI en de Thomas.

1. Leary - Axen

De gemeenschappelijke truc is dat van de 5 fasen van Freud er slechts 4 worden gebruikt, vanaf de orale fase. De psychotische wordt weggelaten omdat die in het normale sociale leven geen rol speelt. Men komt dan tot de volgende cirkel:

Door enkele tientallen vragen scoort men voor al deze assen en een viertal tussenassen. Deze acht scores laten dan toe een zeker stervormig profiel te tekenen.

De assen verzet/zorg en superieur/inferieur komen niet helemaal overeen met de psychoanalytische graad van integratie. Zo komt het dat in dit schema de superieure piek als de "beste" wordt beschouwd, terwijl in de psychoanalytische visie de genitale piek zonder twijfel de beste is. Daarenboven wordt in dit assenstelsel genitaal niet echt als alles-integrerend beschouwd, maar eerder als de zorgende stijl die men bv. bij moeders en verpleegsters terugvindt.

Ferdinand Cuvelier heeft in zijn Axenroos een analoge indeling gemaakt. Lees het extreem boeiende boek De Stad van Axen.



Het verhaal speelt zich af op een ingebeeld en ommuurd eiland ergens in de onmetelijke oceaan. Hoe dichter men bij de kust woont, hoe extremer men is, hoe dichter bij het centrum hoe normaler. Hij deelt mensen in volgens de roos van Leary, maar de psychose komt niet aan bod. De genitalen wonen in het oosten en daar is ook de haven. De oralen wonen in het zuiden, de analen in het westen en de fallische mensen in het noorden. Een man komt aan in de haven en een gids neemt hem mee door het boek en het verhaal. Je krijgt een heel goed zicht op de verscheidene typen in het boek. Het bevat ook 32 gedichten.





2. Thomas

Ook in deze test worden vier tendensen gemeten, maar het zijn de 4 tussenschalen, niet de 4 hoofdschalen van de Leary. Deze schalen worden betiteld als DISC: Dominance, Influence, Support en Compliance. Daarenboven wordt in de testvragen onderscheid gemaakt tussen functioneren in rustige situaties en in stresssituaties. De "echte" persoonlijkheid zit daar ergens tussen.



In al deze "Assen" en "cirkels" wordt modus 5 dus gewoon vlakbij modus 2 geplaatst.
 
Het niet zien in al deze tests van de breuk tussen Genitaal en Oraal zit wellicht in het feit dat genitale persoonlijkheden in hun gedrag integreren, d.w.z. hun eigen behoeften trachten te realiseren met inachtneming van de behoeften van de anderen. Ook orale persoonlijkheden laten zich sterk beïnvloeden door de omgeving, niet uit een integratieneiging maar door ik-zwakte. Dit rekening houden met de ander lijkt dus een gemeenschappelijk kenmerk te zijn van genitaal (modus 5) en oraal (modus 2), waardoor het niet opvalt als men ze verkeerdelijk naast elkaar plaats.
 
Dat men modus 1 (psychose) vergeet is begrijpelijk doordat deze personen niet voorkomen in het sociaal verkeer, zeker niet in professionele groepen.

3. De Myers/Briggs Type Indicator (MBTI) - Keirsey Temperament Sorter

Hierbij worden een viertal assen onderscheiden, met elk twee polen. Op die manier kan men 16 types combineren.

De algemene houding t.o.v. de werkelijkheid

·    waarneming:  S observerend,  sensing -  N intuïtief

·    aanpakvoorzichtig, perceiving -  J organiserendjudging


De houding t.o.v. de medemens

·    waarnemingExtravert - Introvert

·    aanpakF vriendelijkfeeling - rigidethinking


De MBTI geeft 16 types van lettercombinaties, bv. ENTP, ISFJ
Keirsey geeft 16 socioprofessionele functies (provider ESFJ, supervider ESTJ, protector ISFJ, inspector ISTJ, enz.) die hij daarenboven groepeert in 4 groepenGuardian (SJ), Artisan (SP), Idealist (NF), en Rational (NT).





6. Mythes en Normosen

Mythes in de psychologie zijn redeneringen die juist lijken, maar in de grond onjuist zijn, en vaak gebruikt worden om pathologische, modale karaktertrekken en functioneringswijzen te wettigen (normosen). Vaak zijn het vormen van principieel denken: de aangewende principes zijn juist, maar de conclusies niet, omdat andere, even juiste principes over het hoofd worden gezien. Het zijn stuk voor stuk secundaire toestanden, argumenten en redeneringen.

Hier volgt een (onvolledige) lijst van normosen, dus van pathologische gedragingen die door onze cultuur als "normaal" worden beschouwd.

Hiërarchose: het normaal en zelfs nuttig en onontbeerlijk achten van gezagsstructuren. Het niet geloven in het nut van integratieve samenwerkingsverbanden (synergie) en zelfs democratieën, of in het vermogen die te ontwikkelen. Het normaal vinden dat "bazen" "gezag" hebben, meer eerbied en andere voordelen toebedeeld krijgen, meer verdienen, enz.

Agressose: het normaal en aanvaardbaar, en soms zelfs nuttig en onvermijdelijk vinden van het gebruik van agressie en geweld. Het dragen van wapens. Het investeren in en leiden van een wapenfabriek. Het acceptabel vinden van films, boeken en toneelstukken waar geweld wordt gebruikt.

Negatose: het begrip “uitlokkende oorzaak” beperken tot de aanwezigheid van negatieve feiten in het verleden, dus dingen die gebeurd zijn en niet hadden moeten gebeuren, en niet zien dat de afwezigheid van positieve ervaringen een veel grotere oorzaak is van die problemen (psychaporie, psychoanarkema)
 
Factose: het beperken van de verantwoordelijkheid van een situatie tot deze die het probleem toevallig belichaamt, en niet zien dat die persoon slechts een gat in de structuur invulde. De echte verantwoordelijke is deze die iets zou kunnen doen aan die structuur. Bv. de “dader” van een verkeersongeval, het naar Australië verbannen van alle Engelse misdadigers, terwijl de aldus gecreëerde "sociale gaten" onmiddellijk weer bezet werden door nieuwe kandidaat-misdadigers.

Responsabilose: het beperken van het begrip “verantwoordelijkheid” tot "minimale verantwoordelijkheid", dus tot wat men expliciet verplicht is. Denken dat men alles mag doen wat niet expliciet verboden is.

Criticose, Kritikose: de overtuigen dat het bij het constateren van onvolmaaktheden voldoende is kritiek te formuleren, maar dat men zelf niet moreel verplicht is te zoeken naar constructieve oplossingen. Geen oog hebben voor de voordelen van de huidige situatie, of voor de positieve inbreng van degenen die men verantwoordelijk acht voor de geconstateerde onvolmaaktheden.

Amorose: het definiëren van liefde en de veronderstelling van een blijvend geslaagde relatie tot het spontane gevoel van verliefdheid, en het totaal overbodig vinden van het inoefenen van elementaire leerprocessen qua communicatie, groeivermogen en pedagogie.

Spontanose: ervan uitgaan dat psychologische en relationele gedragingen spontaan goed zijn, en dat er geen speciale leerprocessen nodig zijn om de kans op welslagen te vestigen of te verbeteren. Zie apsycholose. Het gebruiken van "gevoel" ("ik voel mij daar niet goed bij") als argument om iets wel of niet te doen, en niet als intuïtie om ene constructief tegenvoorstel te doen of zichzelf aan te pakken zodat het spontane negatieve gevoel positief wordt.

Apsycholose: ervan uitgaan dat de psychologie en de psychotherapie als wetenschap en techniek totaal nutteloos en overbodig zijn. Meteen van een mislukt huwelijk naar de advocaat gaan. Dergelijke zaken niet onderwijzen in het middelbaar onderwijs. Zie spontanose.

Ethose/Jurose: het bestempelen van het normale reageren op aangevoelde wantoestanden als vormen van intolerantie, racisme, nazisme, machtsmisbruik, enz. Vooral aangewend door migranten, minoritaire subculturen, enz. Een stuk van de Defensieve Fallische Neurose. Het gebruiken van "recht" (en eisen van eerbied hiervoor) om zich niet te moeten integreren, of rekening houden met de anderen, of mee te evolueren in de richting van het moderne gezond verstand. Zie ook religiose.

Religiose: een vorm van ethose met religieuze argumenten.

Sensitose: lijden onder het feit dat de verwachting van een ideaal zo groot is, dat zelfs de hoge kwaliteit van zijn leven ontgoochelend overkomt. Vele koppels scheiden, niet zozeer omdat ze zo slecht functioneren (ze functioneren doorgaans veel beter dan vele koppels die "gelukkig" samenblijven), maar omdat ze veel hogere verwachtingen hebben van de relatie. Die verwachtingen zijn wel realistisch, in de zin dat sommige koppels die ook bereiken, maar onrealistisch als de betrokkenen ervan uitgaan dat die kwaliteit zonder inspanningen kan bereikt worden, of dat de inspanningen alleen door de ander moeten geleverd worden.

Selectose: denken dat goed beslissen vooral bestaat in goed kunnen kiezen, en niet bewust zijn dat verdringing van de niet-bevredigde behoeften daarbij zal leiden tot demotivatie, afhaken, depressie, verzet.

Projectose: de oorzaak van het probleem ligt buiten jou en/of in het verleden. Daartoe behoort ook de visie dat vooral de keuze van de partner/job heel belangrijk is, en dat latere moeilijkheden bewijzen dat de keuze “verkeerd” was, en de oplossing ligt in het maken van een nieuwe keus.


Verwant aan de projectose: de traumatose: denken dat psychopathologie veroorzaakt wordt door trauma's, door het aanwezig zijn van negatieve ervaringen (negatose). Niet zien dat het de afwezigheid is van positieve zaken en groeistimulatoren. Geen psychotraumata, maar psychoanarkema of psycho-aporie (a-poros: onbevredigd, onbemiddeld, niet in staat het op te lossen, poros: doorgang, middel tot een doel, bevrediging).


Unicausose, monocausose: de overtuiging dat in de psychologie dingen veroorzaakt worden door één oorzaak, en dat het verhelpen van deze oorzaak het probleem automatisch oplost. Het niet kunnen verhelpen van deze oer-zaak verklaart dan waarom het probleem zo lang blijft duren.

Defensieve Fallische Karakterneurose: een variant van de Genitaal-Hysterische Karakterneurose. Bestaat uit een combinatie van fallische attitudes van superioriteit -ondanks dat het duidelijk is dat anderen superieur zijn, bv. alternatieve groenen- en is omgeven door een reeks defensieve, anale attitudes om aanvallen op de functioneringswijze of bewustwording die niet beantwoord wordt aan de gestelde eisen, te voorkomen via schuldprojectie en ethosen. Typisch voor gestalttherapie, Arabische en Joodse eerbied opeisend profitariaat, alternatieven die wel profiteren maar geen verantwoordelijkheid willen dragen. Vaak samen met egodefensieve godsdiensten die mythes onderhouden zoals Boeddhisme, Tao, Islam. Als parasitair systeem vooral in het westen voorkomend, waar een combinatie van technologisch en sociaal comfort gepaard gaat met een gevoeligheid voor schuldinductie voor claims als: recht op sociale steun, “geen morele druk uitoefenen”, eerbied voor godsdienst en zwakheid, “te groot ego”, psychiatrische analyses als een vorm van machisme of paternalisme.

7. Pathologieën door kwaliteiten (kwalitosen)

Een eerste mythe is dat psychiatrische problemen steeds ontstaan door gebreken in de persoonlijkheid (negatose). Er zijn tal van voorbeelden waar problemen ontstaan precies omdat bepaalde kwaliteiten te sterk ontwikkeld zijn. De "behandeling" hierbij is dus niet dat men die gebreken moet bestrijden, maar dat men de betrokkenen eerder moet leren ze te beschermen door ze bv. niet overal te gebruiken, en te compenseren door andere persoonlijkheidstrekken die ze te weinig hebben ontwikkeld.
 

Aboulie, intelligenties: als iemand zeer intelligent is. Eén der onaangename complicaties daarvan is het feit dat deze persoon, in ons huidig westers onderwijs, minder kans krijgt om bv. wilskracht (zelfsturing) en zelforganisatie te ontwikkelen, gewoon omdat dat niet nodig is vermits ze het meeste moeiteloos vanzelf onthouden. In het Hoger Onderwijs echter, waar op korte tijd veel oninteressante materie moet gememoriseerd worden, hebben zij dan duidelijk problemen: ze mislukken vaak in hun studies, blijven hangen beneden hun echte mogelijkheden, en worden dan vroeg of laat depressief omdat ze aanvoelen dat veel van wat ze eigenlijk zouden aankunnen hen ontzegd wordt.
 
Belladonnose: analoog aan aboulie, maar met de kwaliteit van fysieke schoonheid als oorzaak. Door de fysieke aantrekkelijkheid krijgt men relationeel kansen die niet in verhouding staan tot de ware persoonlijkheidskenmerken, die men door het automatische sociale succes niet hoefde te ontwikkelen. Als de "bloei" voorbij is komen dergelijke personen vaak tot onoplosbare eenzaamheid, en reeds tijdens de succesperiode hebben ze last van het feit dat de mannen die assertief op hen afkwamen (de eerste linie) wel veel ondernemingszin hebben, maar minder diepere waarden en kwaliteiten.

Fortunatose, statuose: een kwalitose, analoog aan aboulie en belladonnose, maar met materiële rijkdom of hoge sociale, professionele of politieke status, waardoor met hen meer rekening gehouden wordt dan hun eigen kwaliteiten wettigen, en ze een narcistisch zelfbeeld hebben dat niet overeenkomt hun ware kwaliteiten.

Socialose: Het omgekeerde van psychopathie: teveel rekening houden met gevolgen op langere termijn. Is dikwijls het geval bij aangename, maar daardoor kwetsbare orale persoonlijkheden, die veel geven, zichzelf opofferen, zich grenzeloos inspannen, bereid zijn seksueel tot het uiterste te gaan om de ander te behagen.


Honnestose: Of iemand die zeer eerlijk en open is, en daarbij telkens weer opnieuw verbaasd staat over het feit dat wat mensen zeggen en wat ze doen zo verschillend is. Ze begrijpen niet meteen het nut van deze hypocrisie, van deze leugen, zeker als blijkt dat wie hypocriet is hiervoor vaak beloond wordt en het vaak verder brengt in de samenleving. Wat een kwaliteit is (eerlijkheid, idealisme), is in het leven blijkbaar vaak een groot nadeel.

 

Sensitose: vele relaties mislukken omdat één van de partners (of beiden) er eigenlijk meer van verwacht heeft (sensitose). Waren de gesprongen huwelijken de slechtste? Wellicht niet. Integendeel, hoe meer verfijning men heeft en hoe meer men dus verwacht van een huwelijk, hoe groter de kans op ontgoocheling en relatiebreuk. Dat leidt soms tot de paradoxale consequentie dat wie op een hoger relationeel niveau wil functioneren een grotere kans loopt op mislukking, dan deze die met minder tevreden zijn, en die dus naar buiten een grotere relationele kwaliteit ten toon spreiden. 



Idealose, humanitose: Dan is er nog de ermee verwante idealistentragedie, of het te gevoelig zijn voor gevolgen op langere termijn: als men zaken beter tracht te doen is men vaak ongelukkiger dan als men er zijn voeten aan veegt. Wie in een ministerie zijn taak goed tracht te doen, neemt er wellicht meer (of minder) tijd voor dan hem is toegemeten, en vormt daarenboven een psychologische bedreiging voor de anderen. Wie koelbloedig minder goed functionerende werknemers ontslaat maakt wellicht meer winst in zijn bedrijf dan wie rekening houdt met de menselijke aspecten van het leven van de werknemers: hun taak als geldverdiener binnen het gezin, de tijdelijkheid van een depressie bv., die op die manier plots een levensdrama wordt, enz. Het succes van vele crisismanagers is de gevoelloosheid waarmee zij “onvermijdelijke” sanerende beslissingen nemen. Hun bedrijf gaat het duidelijk beter, hun afgestote werknemers duidelijk slechter. Zo ook: wie met goede bedoelingen wantoestanden aan de kaak stelt, wordt vaak persoonlijk op middellange termijn sterk afgestraft, en hem worden kansen ontnomen.

 

Optimalose. De opvatting dat “beter functioneren als mens” automatisch tot een groter subjectief geluk leidt. Het is niet zo dat mensen beter doen functioneren leidt tot gelukkigere mensen of betere relaties en samenwerkingsverbanden. In  een neurotisch huwelijk kunnen beide partners soms zeer gelukkig zijn, denk maar aan de sado-masochistische relatie. Dit wordt prachtig geïllustreerd in de schitterende film "Who's Afraid of Virgina Woolf" (toneelstuk van Edward Albee uit 1962)


8. Interventieniveaus

De psychologie heeft zich ontwikkeld in verschillende scholen. De oudste zijn de psychoanalyse en de gedragstherapie. In het begin dachten de aanhangers van een bepaalde school dat zij het volledig bij het rechte eind hadden, en dat de anderen "er niets van begrepen hadden".

Later veronderstelde men dat elke school een andere benadering bracht van dezelfde psychiatrische problematiek. Je moest de termen van de ene maar vervangen door de termen van de andere, en alle verschillen waren opgelost.

Gaandeweg werd echter duidelijker dat de verschillende "scholen" in feite de pathologisch functionerende persoonlijkheid op een ander functioneringsniveau aanpakten: hetzij (1) het symptoomniveau, (2) de rol binnen het systeem, (3) de persoonlijkheidsstijl, en (4) het groeivermogen. Dit is de huidige visie van de integratieve psychologie, van de psychoanagogie:





1. Symptomen=gestoorde gedragingen.

  1. "Positieve" symptomen: symptomen die zichtbaar zijn (bv droefheid, obsessie).
  2. "Negatieve"  symptomen: die onzichtbaar zijn (bv. onvermogen tot tederheid).


2. Rol in het systeem
=manier van reageren binnen een systeem (hier en nu).
     Invloed van de omgeving (relaties).
     vb. Woedebui tgo. pers. A en niet tgo. pers. B. Dus wellicht geen "karaktertrek".

3. Persoonlijkheid

     Temperament, behoeften, stemming bepalen hoe je relaties en je werking binnen een systeem zullen zijn.

4. Groeivermogen

  1. FZVT
  2. SM (stemmingsmanagement)
  3. Integratievermogen


Opmerking: De therapeut/psychoanagoog is zich telkens bewust op welk niveau de cliënt het probleem situeert, en op welk niveau hij zelf inwerkt.
Alles hangt samen, m.a.w.: als bv. het systeem evolueert gaan de symptomen anders worden.
Sommige therapieën werken op één niveau, andere op verschillende niveaus.



BIOLOGISCHE BEHANDELING


1ste niveau:
 Kalmeermiddelen (en slaapmiddelen) werken goed (Lexotan). Neuroleptica (angst- en stemmingsstoornissen).


2de niveau:  geen biologiche behandelingen bekend


3de niveau:

  1. Transcendente meditatie
  2. Yoga
  3. Autosuggestie
  4. Slaapkuur
  5. Lichttherapie
  6. Mindfullness


4de niveau: Meditatie (indirect).



PSYCHOTHERAPEUTISCHE BEHANDELING


1ste niveau: Gedragstherapie= GT: werkt op storend gedrag (positieve symptomen).

2de niveau: Systeemtherapie
: werkt op verschillende systemen (vb. gezin) interventies die d.m.v. rollen iets veranderen. Ook bv. ziekteverlof geven.

3de niveau: Psychoanalyse/Empathie/GT (negatieve symptomen).


Tussen 3 en 4. Cognitieve Gedragstherapie
: zowel werken aan manier van denken als aan het gedrag.

4de niveau: Training
: ontwikkelt direct het groeivermogen.