overzicht 

 

5420

HET THERAPEUTISCH PROCES

(HANDLEIDING INTEGRATIEVE PSYCHOTHERAPIE)


VOORWOORD

In dit deel wordt enkel het therapeutisch proces besproken, daar waar in vele gelijkaardige handboeken ook een heel stuk pathologische theorie en persoonlijkheidsbespreking wordt meegegeven. Voor deze aspecten verwijzen we naar de andere delen van deze site.

OVERZICHT DER THERAPIESOORTEN

Zie vooreerst het schema van de 4 niveaus van pathologie: gedrag, rol, persoonlijkheid en groeivermogen. Al naargelang het niveau zijn er andere methodes beschikbaar zowel organische (psychofarmaca, electroshock, meditatietechnieken) als psychologische (van gedragstherapie, ziekteverlof tot cognitieve psychotherapie en persoonlijkheidstraining).


Het psychotherapeutisch proces verloopt spiraalvormig: men begint met de meest storende klachten, en de therapeut tracht die te verhelpen. Dan probeert hij de therapie verder te zetten op diepere niveaus niet zozeer om "recidief te voorkomen", maar om verder de persoonlijkheidsgroei te proberen bevorderen. In die tweede fase is de motivatie wel zwakker, en de kans om weerstand te formuleren is veel groter.


Daardoor verloopt het therapeutisch proces in twee grote fasen: 

(1) het symptoomniveau: men behandel de klachten waarvoor de cliënt gemotiveerd was om te consulteren: empathie, diagnsoestelling, gedragstherapie

(2) in een tweede beweging tracht men dieper te gaan, en aan de persoonlijkheid van de cliënt te werken. Er moeten psh-vaardigheden aangeleerd worden. De frequentst noodzakelijke zijn dorgaans:

a) constructief denken, met FZVT, constructief herformuleren van neurotische begrippen, vervangen van mythes dor rationele inzichten, fout deculpabiliseren, ...

b) zelforganisatie ipv aboulie, PVG, autonomie, en voor vele mooie gebieden, waar we niet gestuurd worden door positieve morele druk (studie, werk, huishouden) gestuctureerd leren handelen. Afstappen van de mythe dat mooie dingen "spontaan" tot stand komen, en de gewoonte aannemen om mooie dingen -uiten de spontane fase en de morele druk- voor te bereiden

c) communicatievaardigheden

d) dingen leren uit de mooie relationele situatie van de therapie, deze niet als ersatz nemen (verliefdheid, bevriend willen worden met therapeut, geschenken en kunstwerken geven) maar er inspiratie en motivatie uit halen om in het echte leven hetzelde te realiseren, ook als de spontane fase achter de rug is.


OVERZICHT WERKNIVEAU


(1) Symptoomniveau


(2) Rolniveau


(3) Persoonlijkheidsniveau


(4) Groeiniveau


*********


Bij een cliënt groei induceren gebeurt vooral door het leren aanwenden van reeds gekend of gesteld gedrag in nieuwe situaties.

(Het kan ook door het leren van nieuw gedrag doch dat gebeurt eerder zelden daar op de leeftijd van 12 jaar nagenoeg alle soorten gedragingen reeds gekend zijn.)

Het leerproces heeft drie dimensies (denken-doen-voelen) die men wel afzonderlijk kan bekijken doch die in wezen niet mogen los gemaakt worden van elkaar.

Men kan dus het gedrag wel beïnvloeden door:

  1. inzicht bij te brengen [denken] (cognitie)

    Hierbij tracht men de betrokkene te doen inzien, liefst vertrekkende vanuit zijn eigen ervaringen en inzichten, wat de voor- en nadelen zijn van bepaalde denk- en gedragswijzen, en wat de voordelen zouden zijn van doeltreffender manieren van denken en handelen. Het bewuste beeld dat we hebben over onze gedragingen is evenwel zeer beperkt en de context is individueel verschillend. vb kwaad zijn is voor iedereen anders en meestal is men zich niet bewust van waarom men zo kwaad is en wat de effecten ervan zijn. Voor meer uitleg zie induceren van inzicht   
  2. vaardigheden aan te leren [doen] (gedrag)
    Hierbij tracht men de betrokkene al doende meer doeltreffende gedragingen bij te brengen. Een gedrag kan men slechts leren door het te doen want zo ontstaan allerhande associaties in het onbewuste. De interactie met de medemens is trouwens vooral reflexmatig want gedrag dat door de hersenschors wordt geleid gaat veel te traag. Veel gedrag kan reeds gesteld worden in de interactie cliënt-therapeut vb kwaad zijn, een opdracht uitvoeren enz.

    Dit aspect van leren komt vooral aan bod tijdens stages. Het verklaart ook het grote verschil in persoonlijke groei tijdens een training O.F. tegenover de minieme groei bij het volgen van een cursus psychologie.  

    In vele opleidingen (en ook in de opleiding psychotherapeut) zijn stages en oefeningen onontbeerlijk om de theoretische kennis in de praktijk te kunnen toepassen teneinde een doorleefde inhoud te geven aan de theoretische begrippen en de vaardigheid te verwerven om a.h.w. reflexmatig op de juiste manier te handelen. 

  3. emotioneel te laten groeien [voelen] (affect) Hierbij tracht men de cliënt te "bevrijden" van het storend effect van vroegere emotioneel traumatiserende ervaringen.  Het begrip voelen krijgt door begripsuitbreiding zeer vele betekenissen zie hiervoor Noöpedia: Gevoel. Noöpedia: Emotie.


In het leerproces hebben we het vooral over motivaties voor het al dan niet aan te nemen nieuwe gedrag, en voor de therapeutische contacten op zichzelf. Hoewel deze motivaties een emotionele dimensie hebben zijn ze niet synoniem met emoties. Men kan zich voor iets gemotiveerd voelen, zonder dat de beleving ervan mooie emoties oproept, bv. de pampers van zijn kind verversen.  Maar ook het gevoel als "ervaring die een emotie oproept" is van belang in het leerproces. Noöpedia: Motivatie

doch geen enkele der drie methodes apart kan op een bevredigende, d.w.z. doeltreffende en duurzame, manier de groei van de cliënt induceren.

Hoewel vele therapievormen en therapeuten slechts op enkele aspecten het accent leggen, zal de integratieve therapeut al deze dimensies samen trachten te beïnvloeden.

Het onderscheid dat sommigen (vaak tot de altenatieve richting behorend) maken tussen gevoel-ratio-emotie is trouwens totaal verkeerd want zij gaan er van uit dat de mens rationeel handelt, wat meestal niet zo is.

 

Zie hiervoor eveneens " Handboek Integratieve Psychologie " Hoofdstuk 3 : " Een integratief model van emotie, gedrag en cognitie "

BEPALING

Het integratief therapeutisch proces is dus het proces waardoor bij de vaak zeer gevoelsgeladen interactie van cliënt en therapeut, de patiënt nieuwe inzichten opdoet tijdens het stellen van doeltreffender gedrag dat mogelijk wordt gemaakt omdat hij in de therapie bevrijd wordt van het storend effect van vroegere emotioneel traumatiserende ervaringen.

Het therapeutisch proces streeft ernaar dat de persoon  komt tot de attitude om in zijn denken en handelen bij het streven naar geluk meer met de gevolgen op langere termijn rekening te houden dan met deze op korte termijn. Tot de gevolgen op korte termijn behoren meestal de fantasmen , die helaas vaak niet overeenkomen met de reële gevolgen van het gedrag.

De interactie tussen cliënt en therapeut is voor de cliënt als het ware een oefening in adequater denken en handelen die  gebeurt in een veilige empathische omgeving waardoor de cliënt de kans krijgt om het verleden, zichzelf en zijn toekomst op een andere manier te bekijken en frustrerende situaties anders gaat bekijken en beleven. De therapeut maakt gebruik van de overdracht en tegenoverdracht  om bij de patiënt de bestaande afweermechanismes  te vervangen door meer adequate. Het gevolg van dit proces is dat het fundamenteel zelfvertrouwen hersteld wordt waardoor groei weer mogelijk wordt ook buiten de therapiesituatie.

WAAROM DOET IEMAND DOMME DINGEN? 

Hiermee bedoelen we waarom doet iemand iets waarover hij nadien spijt krijgt of waarom doet hij dingen die in zijn nadeel zijn en waarom denken we zo neurotisch

De eerste reden is dat de mens een zoogdier is en zijn hersenen zijn zo gemaakt dat dingen op korte termijn belangrijker zijn dan deze op lange termijn omdat hij de dingen onmiddellijk moet kunnen oplossen.We kijken met een breedhoeklens en zien alleen het nu ipv met een telescoop ook te kijken naar wat verder ligt.

We onderschatten en verdringen de gevolgen op lange termijn en staren ons blind op onze fantasmen. Als we positieve (onbewuste) fantasmen hebben kan ons bewuste er niet tegen op.

De tweede reden is dat het alternatief gedrag als ervaring ontbreekt.  We kennen het gedrag wel en kunnen het verwoorden maar het zit alleen in onze ratio en is niet gekoppeld aan het gevoel: door het feit dat we het nog niet meegemaakt hebben kent ons onbewuste er ook de voordelen niet van en is er ook geen motivatie om dat gedrag te stellen.

Om het handelen van de  mens te begrijpen mogen we hem niet als een rationeel wezen zien. We moeten rekening houden met een aantal processen die zich afspelen in het onbewuste , met vroegere ervaringen die storend werken en met het bestaan van psychotraumata: 

Onbewuste motivaties in het groeiproces 

Vermits ons gedrag veeleer geleid wordt door ons onbewuste dan door ons bewuste, spelen onbewuste factoren een veel grotere rol dan de bewuste. Deze onbewuste manifesteren zich veeleer door een intuïtieve aantrek of afkeer, en noemen we daarom "emotioneel" of "motivationeel". De bewuste manifesteren zich eerder op een "rationele" manier. We noemen de onbewuste neigingen die de groei beïnvloeden "overdracht": uitgesproken negatieve of positieve ervaringen vanuit het verleden beïnvloeden ons, soms in ons objectief nadeel, in ons denken, handelen en voelen van vandaag. Het is belangrijk in te zien dat het niet enkel sterke negatieve ervaringen zijn, maar ook soms sterk positieve waardoor we te lang vasthouden aan bepaalde functioneringswijzen, en geblokkeerd worden om er betere te ontdekken. Deze motivationele interferenties richten zich niet enkel naar het wenselijke gedrag (en naar de personen die wij daarbij ontmoeten), maar ook naar het groeiproces zelf, dus ook naar de therapeut. Deze emotionele interferenties komen erop neer dat wij bepaalde manier van denken, voelen of handelen liever niét of juist overdreven wél willen meemaken.

 

VOORBEELDEN

Iemand die als kind door zijn ouder(s) emotioneel achtergestoken werd ten opzichte van een broer of zus, waardoor hij fundamenteel aan zichzelf gaan twijfelen is, en nog steeds twijfelt als belangrijke beslissingen moeten genomen worden.


Een vrouw die tientallen jaren lang feitelijk gedomineerd geweest is door haar vader, en later door haar man en haar kinderen. Deze mensen hadden wel niet de intentie om haar te domineren, maar ze waren toevallig handiger in het aanwenden van emotionele druk. Daardoor bleef ook de autonomie van de betrokken vrouw relatief zwak, zodat ze in een vicieuze cirkel terechtkwam. Pas als de kinderen groter werden kreeg die vrouw eindelijk de tijd en de ruimte om haar autonomie te laten groeien. Daarbij groeide echter een spanning met haar man, die deze autonomie al veel vroeger ontwikkeld had, en die ook moeite had om uit zijn dominant rolpatroon te stappen. Hij wilde dit wel, maar hij werd door de vrouw steeds meer beleefd als een soort equivalent van haar vroegere vader, zodat ze zeer negatief werd ten opzichte van zijn pogingen en suggesties om hun relatie in een bepaalde zin bij te sturen. Zij had dus een negatieve overdracht ten opzichte van hem, en dit blokkeerde haar om de nochtans zeer goede suggesties, die hij gaf om de communicatie in de relatie te bevorderen, in te volgen. Het kon gewoon niet dat hij gelijk had, dacht ze, en hoe dan ook, ze had geen zin om nog langer zijn zin te doen. Daardoor ontstond een toenemende spanning, waardoor de relatie uiteindelijk sneuvelde.


Een persoon komt dank zij zijn genezing uit een depressie, en meer in het algemeen uit een levensfase waarin hij zich te veel gedomineerd en gemanipuleerd voelde, naar meer autonomie. In het begin manifesteert deze autonomie zich vooral door een verzetshouding jegens figuren die hij als dominant beleeft. Hij gaat dus over van een orale naar een anale functioneringswijze. Daarom groeit meer en meer het verzet tegen het optreden van de therapeut, vooral wanneer deze zich directief opstelt. Uiteindelijk wordt de therapie afgebroken, omdat de cliënt niet van plan is om zich nog meer te laten doen door iemand die (denkt dat hij) sterk is. Het durven afwijzen en verwerpen van therapie (d.w.z. van de therapeut) is subjectief en "emotioneel" zeer belangrijk voor de cliënt.

Vroege ervaringen die de groei verstoren

  1. Vooreerst is er het fundamentele conflict tussen groeien en bloeien, d.w.z. de spanning tussen het aantrekkelijke van te stijgen in levensbekwaamheid op ene bepaald vlak, en het aantrekkelijke om gewoon spontaan zichzelf te zijn. d.w.z. spontaan te functioneren zonder het trachten te verbeteren.
    Spontaan zijn is uiteraard veel plezanter dan inspanningen doen. Maar uiteindelijk is het vaak een conflict tussen de effecten op korte en deze op lange termijn. Niet studeren tijdens de blok is veel plezanter dan moeizaam blokken. Maar het langetermijneffect van niet-studeren is pijnlijk. Groeien is dus vaak het effect op langere termijn laten de overhand krijgen in onze beslissingen.
  2. Soms zit het conflict nog dieper, zoals bv. bij de autonomiecrisis. In sommige fasen van het leven krijgt het niet-volgen van de verwachtingen/suggesties van bepaalde belangrijke figuren uit de omgeving (een sterke ouder, een dominante partner) een bijzonder aantrekkelijke waarde voor zichzelf, alsook het per se uitvoeren van de eigen inspiratie, ook al lijkt deze niet-optimaal. De persoon is het namelijk beu het gevoel te hebben dat anderen het beter schijnen te weten, en wil eindelijk eens zichzelf zijn.
    Dit fenomeen doet zich voor tijdens allerlei ontvoogdingsfasen van het leven, bv. de puberteit, het ontwaken van het zelfbewustzijn bij een zwakkere partner, het genezen uit een depressie, het eindelijk beginnen krijgen van fundamenteel zelfvertrouwen, de ontvoogdingsstrijd van vrouwen, arbeiders, gekolonialiseerden, enz.


Er zijn enkele fenomenen die dit proces komen bezwaren:


  1. Vooreerst is er de groeimotivatieparadox: personen die psychologisch sterk zouden moeten groeien, zijn er het minst voor gemotiveerd, terwijl zij die eigenlijk niet veel groei nodig hebben zeer gemakkelijk kunnen groeien. Deze paradox wordt verklaard doordat zij die veel frustraties beleven doordat ze vaak inadequaat reageren een groeien behoefte tot bloeien hebben, d.w.z. hun frustratiegevoel willen compenseren door gewoon te zijn zoals ze spontaan zouden willen zijn. Voor zichzelf valt hun identiteit samen met de manier waarop ze concreet functioneren, en omdat die identiteit zo weinig waardering oogst verhoogt de nood om aanvaard te worden zoals ze zijn. Anderzijds zullen zij die over veel fundamenteel zelfvertrouwen beschikken gemakkelijker groeien, omdat zij hun identiteit niet laten samenvallen met de concrete manier waarop ze zijn, maar met hun vermogen tot groeien.
  2. Daarnaast is er het fenomeen der onafwendbare cycli: personen komen door sterk te reageren op bepaalde onaangename situaties uiteindelijk weer in een zelfde situatie terecht. Zie het voorbeeld hierboven van de vrouw die voor een sterke partner kiest, omdat zij zwak gehouden werd door een te sterke vaderfiguur. Mettertijd gaat ze de sterke partner eveneens beleven als een verstikkende man.
    Of de dochter van een vader die drinkt en liederlijk leeft kiest voor een "brave" man die dat allemaal niet doet. Deze man ontgoochelt haar echter mettertijd omdat er te weinig pit in zit, en die verwerpende boodschap komt over, zodat die man weldra ook compensatie zoekt in drank...
  3. Ook is er het fenomeen van de schadelijke compensatie: het gedrag dat men stelt als reactie op zijn onaangenaam gevoel verergert uiteindelijk nog het probleem: wie weinig waardering krijgt en daardoor weinig fundamenteel zelfvertrouwen heeft, krijgt de neiging nog veel meer te schooien om aandacht en bevestiging, en zal zijn gedrag aanpassen aan de verlangens van de anderen. Daardoor neemt het fundamenteel zelfvertrouwen nog verder af. Of iemand die drinkt om zijn negatief zelfbeeld te verdringen krijgt daardoor nog meer problemen, zodat het negatief zelfbeeld nog toeneemt.
    Dergelijke personen hebben het moeilijk in psychotherapie, omdat deze hen juist uitnodigt om in te gaan tegen hun compenserend gedrag, waardoor hun probleem in een eerste fase nog verergert.

Twee soorten "psychotraumata"

Het is belangrijk om in te zien dat er twee soorten frustraties bestaan die iemands leven sterk beïnvloeden kunnen: de aanwezigheid van negatieve ervaringen, zoals agressie, psychotrauma's, slecht voorbeeld, seksueel vergrijp, en de afwezigheid van positieve ervaringen, zoals het onvoldoende krijgen van onvoorwaardelijke waardering.


De vroegere therapeut, de leek (en de journalist) hebben de neiging om vooral belang te hechten aan de aanwezigheid van negatieve ervaringen. Deze zijn het gemakkelijkst om te herkennen (er gebeurde iets waarneembaars), en ook het sensationeelst om te beschrijven. Het is ook aantrekkelijker om ten strijde te trekken tegen het negatieve (de verantwoordelijk wordt dan gesitueerd bij de andere die de fout maakte) dan hard zelf te gaan oefenen in het positieve (de verantwoordelijkheid wordt dan bij zichzelf gelegd). Storende emotionele interpretaties zijn nochtans veel vaker het gevolg van de afwezigheid van het positieve dan van de aanwezigheid van het negatieve.


Voor een deel kan dit populair misverstand verklaard worden door Freuds ongelukkige keuze van het woord trauma (letsel) dat inderdaad iets pijnlijks, kortdurends en zichtbaars suggereert.


Uiteindelijk draait het steeds om het hebben van te weinig fundamenteel zelfvertrouwen, waardoor groei in het algemeen bemoeilijkt wordt, of om een negatieve overdracht, waardoor groei in bepaalde omstandigheden en/of ten opzichte van bepaalde personen bemoeilijkt wordt, bv. in een relatie, of zelfs in de therapie.


Dit zelfvertrouwen moet normaal gegroeid zijn doordat van de ouders tijdens de eerste levensjaren de boodschap van een onbetwistbare waarde ondubbelzinnig en overtuigend is overgekomen naar hun jonge kind. Deze boodschap bestaat uit een onvoorwaardelijke waardering door de ouders, d.w.z. dat zij de boodschap overbrengen dat zij hun kind onvoorwaardelijk goedvinden zoals het is, en geloven in zijn groeivermogen bij manifeste onvolkomenheden. De positieve boodschap komt over op twee manieren:

  1. aanwezigheid van positieve signalen. Dit is de uitdrukkelijke aanwezigheid van positieve, waarderende signalen, in de zin van "wij vinden je het knapste kind dat er is", "wij geloven dat jij alles aankan wat belangrijk is in je leven".
  2. afwezigheid van negatieve signalen


Niet veroordelend reageren als het kind een fout of onhandigheid beging. Ook kan de neiging om negatief te denken over zichzelf gecorrigeerd worden: "Och kom, iedereen maakt wel eens een fout. Ook ik maakte vroeger deze fout. Het belangrijkste is dat je het gedurfd / niet opgegeven hebt. Het belangrijkste is dat je vooruit bent gegaan ten opzichte van vroeger."


De negatieve boodschap kan ook overkomen op twee manieren:

  1. aanwezigheid van negatieve signalen
    het geven van een negatieve boodschap: schuldgevoel, redenen om zich over iets te moeten schamen bv. uiterlijk (tanden, bril, gestalte...) of persoonlijkheid (te lastig, te speciaal, geen echt meisje)
  2. afwezigheid van positieve signalen


Hoewel deze boodschappen uiteraard niet steeds door de ouders gegeven worden, maar ook bv. door broers en zussen, klasgenootjes, leraars, vriendenkring, eerste liefjes, kan men elke latere ervaring steeds terugvoeren naar een vroegere: immers, als men de positieve boodschap voldoende van de ouders had gekregen, waardoor men voldoende FZV had gehad, dan waren broers, zussen, vrienden enz. niet in staat geweest de negatieve boodschap over te brengen.


Vandaar de hypothese dat bijna alle significante emotionele stoornissen naar de vroegkinderlijke tijd en naar het emotioneel optreden van de ouders kunnen teruggebracht worden.


De klinische praktijk wijst echter ook uit dat er heel wat emotionele en psychologische problemen bestaan bij mensen die niets van dergelijke psychotraumata ondervonden hebben, en men ziet anderzijds personen die emotioneel, seksueel en relationeel heel goed functioneren ondanks "traumatiserende" ervaringen als gijzeling, incest, emotionele verwaarlozing.


Deze paradox is te verklaren doordat de afwezigheid van positieve ervaringen veel erger doorweegt dan de aanwezigheid van negatieve. Negatieve erkent men duidelijker als dusdanig en men kan er zich, o.m. door agressie, tegen verzetten. Daarenboven is de afwezigheid van positieve groeifactoren tijdens de jeugd veel frequenter dan de aanwezigheid van negatieve. Het is eigenlijk meer de af- of aanwezigheid van positieve factoren die bepalen zal of eventuele negatieve ervaringen schade zullen aanrichten of niet. Het jarenlang beleven van fundamentele psychologische veiligheid, en het krijgen van welgemeende bewondering, waardering en aanmoediging leiden tot het ontstaan van een FZV, dat tegen heel wat frustraties en "trauma's" bestand is.

 

OPMERKING

Het is belangrijk in te zien dat het effect van het psychotrauma volledig afhangt van de subjectieve beleving van bepaalde levenservaringen, en niet van de objectieve ernst van de gebeurtenis, en zeker niet van de intenties van de belangrijke figuren uit de leefwereld. Vandaar dat een therapeut iemands aangrijpend verhaal over de persoonlijkheid van een ouder, partner, enz. gewoonlijk niet herkennen zal als hij deze persoon effectief ontmoet. Ook zal bij de behandeling van bv. relationele problemen de betrokken partner zichzelf helemaal niet herkennen in de beleving van de ander, en zich daardoor zelfs "valselijk beschuldigd" voelen.


Freud heeft zelfs ervaren hoe de succesvolle behandeling van een psychotrauma, dat achteraf volledig verzonnen bleek te zijn, toch tot een duidelijk gunstig resultaat heeft geleid.


De psychotherapeut is dus geen soort detective, en de psychotherapie geen historische reconstructie waar zoveel mogelijk objectieve gegevens nuttig zijn. De subjectieve beleving van de cliënt is uiteindelijk het enige objectieve criterium.

WAT KAN MEN DOEN OPDAT DE PERSOON HET ANDERS ZOU DOEN?

Al doende laten ervaren dat er andere mogelijkheden zijn

Reeds gekend gedrag adequaat leren toepassen in nieuwe situaties. 

De beleving van de huidige situatie veranderen door de frustratie anders te interpretteren

De beleving van de nieuwe situatie versterken door het bekrachtigen van het besef dat hij het anders kan.

 

 

VOORBEELDEN

Iemand die uitgelachen wordt omdat hij stottert kan daaraan ten onder gaan omdat hij het als zeer pijnlijk ervaart maar hij kan door de frustrator met andere ogen te gaan bekijken juist kracht halen om meer te presteren.

Hij kan de frustrator zien als een waardeloos iemand op persoonlijkheidsgebied die ook tegenover anderen grof doet.

Hij kan het uitlachen als een dienst zien om hem te motiveren om het de volgende keer beter te doen.

Uitendelijk zal de gewezen stotteraar zodanig geoefend hebben en zelfzeker geworden zijn dat hij de anderen  overtreft en zelfs spreekbeurten gaat houden.(Propulsie-effect)

 

Iemand die in zijn jeugd gefrustreerd werd omdat hij steeds minder had dan zijn rijke vriendjes kan hierdoor gemotiveerd zijn om goed te studeren en later  hard te werken zodat hij het uiteindelijk in het leven veel verder brengt dan die vrienden.

 

Het uiteindelijk doel van de therapie is eigenlijk het verwerken van de negatieve overdrachten die de groei belemmeren en het opbouwen of het herstel van het FZV.

Het later opbouwen /herstellen van FZW

In normale omstandigheden moet het FZV in de vroegste jeugd geïnstalleerd worden. Later wordt dit veel moeilijker, o.m. omdat een rijpere persoon eerder gemotiveerd is om negatief te blijven denken, want daardoor wordt zijn verantwoordelijkheid (om het zelf te genezen) veel kleiner: hij kan er niets aan doen, want de oorzaak ligt buiten hem, en hij hoeft het niet te proberen, want hij kan het nu eenmaal niet.

Globaal gezien beschikt de therapeut / consulent over een tweetal soorten methodes om op volwassener leeftijd het FZV van iemand te versterken of (weer) op te bouwen: direct het FZV laten ontwikkelen, en indirect door het verwerken van vroegere traumatiserende ervaringen.

 

 

1. direct het FZV laten ontwikkelen

 

a. empathie

Hierbij wordt, zoals de ouders eigenlijk hadden moeten doen, een constante boodschap van onvoorwaardelijke positieve waardering gegeven. De cliënt wordt hierbij niet alleen aangemoedigd in zijn spontane pogingen om te groeien, maar kan dit alles doen en bespreken in een sfeer van waarachtige veiligheid: een fout wordt positief geëvalueerd.

Deze empathische houding is soms de enige ingrediënt in de therapie (bij de Rogeriaanse, "non-directieve" therapie), maar is eigenlijk de basis van elke therapeutische relatie.

 

b. gedragstherapie

Door de persoon te helpen om succesvol steeds moeilijker situaties aan te pakken, hetgeen hij vroeger niet durfde, versterkt men intussen eigenlijk het FZV.

Dat de gedragstherapie, i.c. de systematische desensitisatie, vooral werkzaam is via het ongemerkt heropbouwen van het FZV, verklaart het voor vele gedragstherapeuten onverklaarbare effect van de generalisatie, d.w.z. het verbeteren van het gedrag in angstsituaties die eigenlijk niet werden behandeld.

 

c. autogene training en NLP (neuro-linguïstisch programmeren)

Het onbewuste is eigenlijk zeer beïnvloedbaar als men de regeltjes maar respecteert (He-Vi-Ba-On), Hoewel men zichzelf in principe gelijk welk denkpatroon en emotionele reflex kan suggereren, en aldus storende symptomen leren uitroeien, blijkt in de praktijk dat de persoon zichzelf vooral suggesties geeft om zijn FZV te versterken.

 

d. de persoonlijkheidstraining

Deze is een integratie van tal van werkzame technieken.

Hierbij leert de deelnemer bewust om positiever, d.w.z. constructiever te gaan denken. Hij kweekt zichzelf intensief een bepaalde, optimale mentaliteit aan (de "constructieve tekst" memoriseren), doet tal van oefeningen die het zelfvertrouwen en het geloof in het eigen kunnen vergroten (zichzelf overtreffen, geslaagde groeiprocessen), en leert heel concreet de voorwaarden tot groei aan.

Door de inzichten, bijgebracht door de begeleiders en met de morele steun van de groep kan dit moeizame proces succesvol en met duurzaam effect verlopen.

 

 

2. indirect het FZV herstellen

 

Al deze methodes komen er in feite op neer dat de persoon, spontaan of ondersteund, een rouwproces doormaakt, waarbij de frustrerende herinnering verwerkt wordt.

 

a. overdrachtshantering

In zijn talloze gesprekken met de psychoanalytische psychotherapeut krijgt de cliënt de kans om, via vrije associatie, op het spoor te komen van echte of vermeende vroegkinderlijke frustraties, en deze, al pratend of door het beleven van allerlei overdrachtssituaties, te verwerken.

Freud bestempelde de psychoanalytische therapie dan ook als de verwerking van de overdrachtsneurose: de persoon herbeleeft zijn traumatiserende, frustrerende, blokkerende jeugdervaring in de therapie, met de therapeut als overdrachtelijke tegenspeler, en de verwerking in deze overdrachtssituatie leidt tot een deblokkering, waardoor groei weer mogelijk wordt.


Deze methode lijkt in principe goed, maar is in praktijk zeer omslachtig en tijdrovend. Want hoewel de meest evidente negatieve factoren zijn weggenomen die bij de meeste personen verhinderen dat er spontaan een verwerkingsproces optreedt (menselijk opzicht, verdringing, geen luisterend oor), worden er weinig of geen positieve hulpmiddelen aangereikt, waardoor het proces in de modernere psychotherapievormen erg versneld wordt.


Het trage verloop van de analytische therapie is niet alleen geld- en tijdrovend, maar daarenboven is de evolutie zo traag dat intussen vele complicaties kunnen optreden, zoals echtscheiding, zelfmoord.

 

b. de niet-geposte brief

In deze methode verzoekt men de betrokkene om een brief te schrijven naar de hoofdpersoon betrokken bij het psychotrauma. Deze brief wordt echter niet verzonden, niet alleen omdat deze hoofdpersoon reeds kan overleden zijn, maar ook omdat duidelijk is de beleving van het trauma heel subjectief is, en meestal helemaal niet overeenkomt met de intenties en de beleving van de betrokkene, die daardoor de brief helemaal niet zou (h)erkennen, en door zijn defensieve reacties misschien aan de bron liggen van een nieuwe reeks psychotraumata. Ook is het mogelijk meerdere brieven te schrijven, al naar gelang de fase van het rouwproces. Deze brieven mogen elkaar tegenspreken.


De meest gekozen figuren om een brief naar te schrijven zijn: de vader of de moeder, een (ex-)partner, een overleden kind, enz.

De brief wordt uiteraard wel voorgelezen aan, en (voorzichtig) besproken met de groep of de therapeut, maar het belangrijkste moment is eigenlijk de verwerking die eerder optreedt tijdens het schrijven.

 

c. symbolische probleemverwerking

Het onbewuste is een sterkere gedragsbepalende instantie in de menselijke geest dan het bewuste. Het onbewuste wordt vooral beïnvloed door ervaringen. Nu blijkt dat symbolische ervaringen, even goed als psychodrama of gedragstherapie, een sterke invloed kunnen uitoefenen op de inhoud van het onbewuste. Eeuwenlang heeft de mensheid in via allerlei symbolen en ritualen deze onbewuste dimensie bespeeld. Doch in het begin der nieuwe tijden werden, zowel binnen als buiten de kerk, de meeste vormen van irrationele communicatie als bijgeloof bestempeld, zodat de symboliek en de ritualen uit de westerse cultuur bijna helemaal verdwenen zijn. De katholieke liturgie is daar nog een flauw afkooksel van, maar komt door haar anachronistisch en stroef karakter weinig aangrijpend over,


Daarom hebben de Nederlander Onno van der Hart en andere hedendaagse psychiaters geprobeerd in welke mate het gebruik van ritualen en symbolen een therapeutisch effect zou kunnen hebben, en hun bevindingen waren verbluffend. Zowel voor het verwerken van rouw (bv. plechtig de stoel van je ex-partner stukslaan en verbranden, of juwelen hersmelten en een andere betekenis geven) als bij het verlaten van ernstige pathologieën (bv, bij anorexia nervosa: een korte rituele vasten, gevolgd door een rituele reiniging en een ritueel feestmaal) blijkt het gebruik van symboliek en ritualen, indien gebruikt binnen het kader van een behoorlijke psychotherapie, een indrukwekkend positief effect te hebben.

 

d. emotionele afreageergroepen

Hierbij krijgt de cliënt de kans om de groepsleden en de instructies van de begeleider te gebruiken in het afreageren van zijn vroegere psychotrauma(ís).


De groepsleden dienen als publiek, ook als figuur om overdracht naar te projecteren, en ook als bron van inspiratie en aanmoediging.

Sommige groepen gebruiken dit groepsproces van tijd tot tijd (Gestalttherapie). Andere draaien bijna hoofdzakelijk rond dit proces, zoals Primal Scream, Rebirthing, Sensitivity Training, Psychodrama.


Eén van de beste methodes van herbeleving in groep is de methode van Al Pesso, die we Herbelevingstherapie zouden kunnen noemen. Ze is een geniale integratie van individuele en groepsmatige ingrediënten, van vrijheid en suggesties, van verleden en heden. We zullen ze verder uitvoerig bespreken.

HOE GAAT MEN TE WERK OPDAT DE PERSOON ZOU GROEIEN?

Werkt men vanuit het heden of vanuit het verleden?

In de wereld van de psychotherapie is er nog altijd zware discussie over de vraag of nu eerder het verleden (de vroegkinderlijke trauma's) of het heden ("hier en nu") centraal moet staan bij de emotionele verwerking. Volgens de voorstanders van het heden is het verleden te vaak een uitnodiging om te vluchten in iets dat echt lijkt maar toch irreëel is doordat het niet meer bestaat. Volgens de voorstanders van het verleden ligt daar de kern van het probleem, en als men dit niet aanpakt bij de wortel blijft men aan de oppervlakte.


De waarheid zal wellicht in een integratie van beide visies liggen. Het gaat inderdaad om het heden (en de toekomst), maar het verleden is, evenals de huidige overdrachtssituatie, een uitstekend inspiratie- en oefenterrein om de actuele attitude te veranderen.


De therapeut, die laat werken met het verleden, moet er wel op letten dat de verwerking van het verleden diepgaand genoeg is om tot in het heden voelbare effecten te hebben.


Zo ook is de discussie of men vooraf frustraties moet laten verwerken, of direct nieuwe vaardigheden en zelfvertrouwen inoefenen, een beetje bijkomstig. Het gaat uiteindelijk om het actuele FZV, en wie daarmee begint zal uiteraard mettertijd zijn emotioneel verleden anders bekijken, zoals iemand die het anders leert bekijken zich ook vandaag anders zal voelen.


Hij die beweert dat de psychoanalyse enkel of hoofdzakelijk naar het verleden teruggaat kent haar niet goed, want de essentie van het psychoanalytisch gebeuren speelt zich af in de verwerking van de overdracht. Actueler kan eigenlijk niet.


De therapeut moet dus aanvoelen hoe nuttig of noodzakelijk het is om met dat verleden te werken. De leidraad blijft uiteraard het heden.

Om het materiaal van het verleden te introduceren in de therapie kan men op twee manieren te werk gaan:

 

1) retrograad

Dit wil zeggen dat men vanuit het heden naar het verleden gaat. Men kan het verband helpen leggen door vragen of suggesties. Vragen zoals: "wat roept dit in je op?", "heb je vroeger soms nog dit gevoel gehad", "wie heeft je nog op dergelijke manier aangepakt", "wanneer herinner je je dat je voor het eerst een dergelijke situatie meegemaakt hebt?". Suggesties zoals: "dit lijkt misschien een beetje op wat je moeder/vader je altijd al zei", "het klinkt het beetje zoals je broer/zuster vroeger altijd al opmerkte". Deze suggesties kunnen uiteraard slechts gegeven worden als men al wat gegevens uit de voorgeschiedenis van de cliënt kent. Men kan ook vanuit de overdrachtsrelatie spreken: "soms heb ik de indruk dat je me een beetje als je moeder/vader/ouder/grote broer beleeft".

 

2) anterograad

Dit wil zeggen dat men van het verleden naar het heden komt: men zoekt belangrijke feiten uit het verleden op, en gaat dan na hoe deze vroege ervaringen heden nog kunnen nawerken. Dit gaat het best bij besprekingen (verbalisatie) met 2 of 3.

 

Het motiveren tot emotionele groei

Hier behandelen we de vraag met welke soort argumenten of suggesties je een cliënt kan motiveren om een fase hoger te gaan functioneren (oraal -> anaal -> fallisch -> genitaal).

Her model dat hiervoor gebruikt wordt kan men nalezen in het hoofdstuk van de functioneringswijzen.

 

Belangrijk is als therapeut te beseffen dat:

 

 

 

 

1. Van oraal naar anaal

 

 

Een te begrijpende houding versterkt de betrokken in zijn orale patronen. Je confronteert hem evenmin met zijn negatieve emoties, ook ter vermijding van een verdere neurotisering.

 

 

 

2. van anaal naar fallisch

 

 

  

 3. van fallisch naar genitaal

 

 

Fasen in het groeiproces

 

MODEL VAN DE FUNCTIONERINGSNIVEAUS

Motivatie hangt af van het functioneringsniveau waarop de persoon zich bevindt. Fusioneel, oraal, anaal, fallisch-narcistisch of genitaal. De persoon staat het meest open voor elementen die aansluiten bij zijn niveau.

zie les 4850

 

 

FASEMODEL

 

 

Dit is een model dat aangeeft welke stadia worden doorlopen bij de totstandkoming van de bereidheid van een persoon om gedragingen aan te passen.

 

Er zijn twee met elkaar samenhangende uitgangspunten.

 

Het eerste stelt dat motivatie geen kwestie is van al dan niet aanwezig zijn, maar dat er verschillende stadia zijn te onderscheiden voor het ontwikkelen van motivatie voor een bepaald gedrag.

 

Het tweede is dat motivatie van cliënten beïnvloedbaar en te ontwikkelen is door hulpverleners.

 

Dat model bestaat uit zes fasen.

De eerste drie omvatten de ontwikkeling van de motivatie tot verandering.

 De laatste drie de eigenlijke gedragsevolutie.

 

Het model kan in een cirkel voorgesteld worden, die zich desgewenst een aantal keren herhaalt tot het nieuwe gedrag bestendigd is.

 

 

 

 

1/ Voorbeschouwing (precontemplatie): op dit niveau bestaat er (nog) geen intentie tot verandering. De persoon is zich vaak niet bewust van het probleem. Anderen zoals een ouder, partner of leerkracht kunnen zich juist wel bewust zijn van het probleem. ( Vb. drinken, blowen, te weinig bewegen, te weinig studeren ). In deze fase kan de persoon ook niet-comtemplatief zijn of

anti-contemplatief.

 

 

2/ Overpeinzing (contemplatie): hier is de persoon zich bewust dat hij een probleem heeft. De motivatie om er iets aan te doen is aanwezig, maar er wordt door de persoon nog geen actie ondernomen.

 

 

3/ Besluitvorming (voorbereiding): op dit niveau maakt de persoon echt plannen om iets aan het gedrag te gaan doen.

 

 

4/ Actie: hier onderneemt de persoon daadwerkelijk actie om het gedrag te veranderen.

 

 

5/ Volhouden of consolidatie: op dit niveau probeert de persoon de bereikte verandering te bestendigen en niet terug te vallen. Het nieuwe gedrag moet een plaats vinden in het leven en geïntegreerd worden met andere activiteiten.

 

 

6/ Terugval: in de meeste gevallen is de persoon niet in staat om de bereikte situatie van bij de eerste poging volledig vast te houden. Terugval komt geregeld voor à het proces begint dan opnieuw. Fouten zijn kansen om uit te leren.

 

 

 

 

In de eerste plaats verschillen de niveaus in de mate van gerichtheid op gedragsverandering van de cliënt.

De tweede dimensie wordt gekenmerkt door de kwaliteit van de contactname in de behandeling.

Gemeenschappelijk element is dat de motivatie van de cliënt niet als een vaststaand persoonskenmerk van de cliënt wordt beschouwd, maar als een door de hulpverlener te beïnvloeden neiging om zich in een hulpverleningsrelatie op een bepaalde manier te gedragen.

 

 

Voor de hulpverlener is het van belang te weten in welk stadium de cliënt verkeert en op een flexibele manier de juiste interactie te kiezen.

Als een goed bedoeld advies of interventie of methode niet aansluit bij het stadium waarin een cliënt zich bevindt, kan dat weerstand, afhaken of mislukking uitlokken.

Iemand confronteren met het effect van zijn gedrag heeft bijvoorbeeld geen zin in fase 1 maar wel in fase 2.

 

 

 

Dit model wordt algemeen gebruikt bij de behandeling van verslavingen en bij studiemotivatie doch kan eigenlijk gelden als universeel bruikbaar metamodel.

 

Motivationele Gespreksvoering

 

Wijst erop dat de cliëntgerichte benadering van Rogers (1959), met de drie basisvoorwaarden van
 
empathie
onvoorwaardelijke positieve aanvaarding 
echtheid 
de best getoetste theorie is omtrent verandering.

 

 

De motiverende gesprekstechnieken van Miller (1992) integreren inzichten en technieken van Rogers (1959).
Toch is er een verschil met de klassieke 'Rogeriaanse stijl'. 
Hoewel de motiverende gesprekstechniek als cliëntgericht omschreven kan worden, is de aanpak meer 'directief' qua aansterking.
De therapeut  heeft een duidelijk doel voor ogen en volgt systematisch een aantal strategieën en technieken om dat doel te bereiken.
De therapeut  biedt eigen advies en feedback aan als dit gepast is.
Hij maakt selectief gebruik van empathische reflecties om bepaalde processen te versterken.
Hij zoekt de discrepantie te vergroten en te sturen zodat een positieve gedragsverandering wordt uitgelokt.

 

We zullen in een integratieve benadering uitgaan van deze basis
en deze aanvullen met bijkomende ingrediënten uit de verschillende psychologische richtingen,
Dit alles op maat van de cliënt. Naargelang de fase waarin de cliënt zich bevindt, is een verschillende
therapeutische benadering en techniek van toepassing . Hierbij overlopen we zowel het gevoel ( lichamelijk en emotioneel ),
het denken om te komen tot een bijsturen van het gedrag. 

 

De kenmerken van een duurzaam veranderingsproces

- langzaam

 

 

- verloopt in verschillende stadia of fasen en over verschillende functioneringsniveaus heen

 

- ambivalentie en weerstand zijn normale verschijnselen

 

 

- terugval is heel waarschijnlijk en kan een mogelijk leermoment zijn

 

 

 

Randvoorwaarden voor de therapeut :
 - geduld
 - onafhankelijk van eigen resultaat / beloning
 - flexibel : juiste aanpak in elke specifieke fase
 - gericht op opbouwen van intrinsieke motivatie van cliënt 
=   de ander laten scoren
=   berggids, niet degene die naar boven draagt
      =   vermijd houding van deskundige, sympathieke, eindverantwoordelijke
 
Randvoorwaarden voor de cliënt – voor ,tijdens en na de therapie :
- voldoende lijdensdruk
- voldoende kennis van de problemen
- voldoende gevoel van vrijheid om zelf te beslissen
- voldoende zelfvertrouwen en fierheid
- voldoende gevoel van competentie en haalbaarheid
- voldoende verantwoordelijkheidszin en wilskracht
- voldoende gevoel van interne attributie en intrinsieke motivatie
- voldoende uithoudingsvermogen
- voldoende vermogen te genieten van het resultaat
- voldoende recuperatiecapaciteit bij terugval
 
Het belang van de persoonlijke keuzevrijheid
Mensen ontwikkelen weerstand ontwikkelen wanneer ze voelen dat hun persoonlijke keuzevrijheid beperkt wordt en ze geconfronteerd worden met alles wat ze niet meer kunnen of niet meer mogen.
Mensen houden er niet van, ondanks alles, in hun persoonlijke keuzevrijheid, bedreigd te worden.
De persoonlijke keuzevrijheid sluit nauw aan bij het gevoel van eigenwaarde.
Vanuit deze achtergrond kijkt de integratieve therapeut op een andere wijze naar mensen met een chemische afhankelijkheid en probeert hij op een motiverende wijze hen zelf te laten beslissen met hun gebruik anders om te gaan of eventueel te stoppen. Hij verlaat dan ook de confronterende en agressieve stijl en keert terug naar de accurate empathie waar met passende reflecties mensen hun eigen proces doormaken en hun eigen beslissingen kunnen nemen.
Toepassingen:

Zie :

 

"Motiverende gespreksvoering bij studiemotivatie"

http://www.caleidoscoop.be/inhouden/inhouden09/art09_5_28.html

 

 

“ Motiverende gespreksvoering en cliëntgerichte benadering in de verslavingszorg ”

 

 

http://www.sosnuchterheid.org/infotheek/Motiverende%20gespreksvoering.htm

 

Website en boeken:

 

 

http://www.motivationalinterview.org/library/index.html#powerpoint

http://www.motivationalinterview.org/clinical/whatismi.html

http://www.motivationalinterview.nl/nl/index_files/WatisMI.htm

http://www.motivationalinterview.nl/nl/index_files/BoekenCDsenDVDs.htm

 

BESLUIT

Indien de cliënt op de één of andere manier aangeeft dat hij wil groeien en daartoe de hulp van de therapeut inroept kan de therapeut de psychotherapie richten op de groei.

 

Wil een psychotherapie een groeiproces als resultaat hebben dan moet de psychotherapeut er in slagen:

 

 

 

De 3 aspecten van het leerproces zijn hier dan tegelijkertijd aanwezig