overzicht |

5450

INDUCEREN VAN INZICHT


INLEIDING

Een belangrijke ingrediënt van de groei-inductie, hoewel niet de enige en zeker niet de belangrijkste, is het induceren van inzicht bij de cliënt.

We zullen deze therapeutische vaardigheid hier bespreken, zonder echter naar de inhoud van de bijgebrachte inzichten te kijken. Dit wordt eigenlijk in rest van deze opleiding beschreven. Er wordt enkel besproken hoe een bepaald inzicht, in de veronderstelling dat dit juist is, op een doeltreffende wijze bij de cliënt kan geïnduceerd worden.

Op het eerste gezicht lijkt het gemakkelijk: de therapeut gaat na welk verkeerd of ontbrekend inzicht er bij de cliënt ontstaat, en brengt dit vervolgens zo didactisch mogelijk over. In praktijk werkt deze eenvoudige techniek niet, alhoewel vele naïeve of eenzijdige therapeuten, zoals trouwens ook vele goedbedoelende amateurs, op deze manier te werk gaan.

Waarom werkt dit eenvoudig systeem niet?


REMMEN OP NIEUW INZICHT

a. Het inzicht komt niet over.

1) Logische redenen

Niets is zo moeilijk als het overbrengen van een nieuw inzicht. Het is trouwens een illusie om een leraar, een boekschrijver, een voordrachtgever te beschouwen als iemand die beschikt over een inzicht dat zijn publiek nog niet heeft, en die dit inzicht overbrengt, zodat na de uiteenzetting de luisteraars het nieuwe inzicht bezitten.

Veeleer kan men zeggen dat de spreker een soort katalysator is, die bij zijn publiek het zelf verwerven, zelf ontwikkelen van een nieuw inzicht katalyseert, d.w.z. het spontane inzichtsproces versnelt. Dit lukt dus enkel als de luisteraar klaar stond om het nieuwe inzicht te verwerven, d.w.z. alle elementen (zowel inzichtelijk als qua ervaring) reeds in zich droeg. Het enige wat de spreker doet is de aanwezige elementen als het ware herschikken in een nieuw model, d.w.z. een nieuwe visie op een bepaald deel van de (eigen) realiteit.

Men kan dus maar nieuwe inzichten overbrengen op gebieden waar de cliënt reeds in zekere mate over gerationaliseerd en geanalyseerd heeft, d.w.z. zelf al een begin van inzichtelijk kader heeft opgebouwd.

Een patiënte lijdt reeds jaren lang aan obsessies en fobieën omdat ze eens bijna een kindje heeft overreden, en zich blijven afvragen is of ze dit kindje al dan niet heeft geraakt. Nog jaren na de feiten wil ze hierover uitsluitsel krijgen, wat niet gemakkelijk is, vermits ze na enige tijd zelfs de datum is vergeten waarop het feit zich precies heeft voorgedaan, zodat ze tal van referentiedata moet zien terug te vinden om deze datum door allerlei associaties terug te kunnen vaststellen, om aldus informatie te kunnen inwinnen bij politie, ziekenhuizen en gerecht. Ze beseft dat haar gedrag storend en zelfs pathologisch is, maar kan er niet van afstappen.

Zij is namelijk overtuigd dat haar obsessie van deze onwetendheid komt, en wil per se aantonen dat het ophelderen van dit punt haar obsessies zal wegnemen. Haar "uitleggen" dat deze obsessie andere psychologische bronnen heeft, en dat het kennen van de datum en het inwinnen der gezochte informatie er niets zal aan veranderen, dat dus dit een projectie is waaraan zij haar angsten koppelt, zal haar niet overtuigen.

2) Psychologische redenen

Zelfs al is een nieuw inzicht juister dan het oudere, er zijn tal van psychologische redenen waarom het niet over zal komen bij de cliënt.

1. Vooreerst zal een nieuw inzicht wellicht een bestaande rationalisatie opruimen. Deze rationalisatie had echter een belangrijke emotionele functie: ze moet een neurotisch, ondoelmatig gedrag wettigen. M.a.w., zelfs al zou de patiënt kunnen inzien dat het gedrag dat samenhangt met het oude, verkeerde inzicht ergens verkeerd is, dan nog zal hij dit inzicht niet of maar moeilijk kunnen prijsgeven, omdat het hem beschermt tegen bijkomende frustraties. Het nieuwe inzicht impliceert immers vaak dat de verantwoordelijkheid van de cliënt groter is dan hij graag toegeeft, dat niet het (onbeïnvloedbare) feit de oorzaak is van zijn probleem, maar de (beïnvloedbare) eigen gevoeligheid. Het aanvaarden van een nieuw inzicht heeft vaak voor gevolg dat de cliënt, wil hij voortaan consequent zijn, bepaalde denk- en handelwijzen met voordelen op korte termijn moet prijsgeven, en overschakelen op andere handelwijzen met mogelijke voordelen op lange termijn, maar met risico en vervelende verantwoordelijkheidsgevoelens op korte termijn.

Het bijbrengen van nieuwe inzichten is namelijk een frontale aanval op de vicieuze cirkel van de neurose:

Een neurose (of een neurotische manier van denken en/of handelen) is namelijk een poging om onaangename situaties op te lossen met strategieën (van denken en/of handelen) die het probleem weliswaar op korte termijn oplossen, maar die op langere termijn grotere problemen uitlokken. Of met strategieën die een fantasmatische oplossing bieden, maar die niet overeenkomen met de realiteit, hetgeen op middellange termijn tot nieuwe ontgoochelingen, spanningen en/of conflicten zal leiden. Deze complicaties op lange termijn geven nieuwe emotionele spanningen, zodat weer nieuwe neurotische afweermechanismen nodig zijn. Op die manier is een neurose een vicieuze cirkel, die heel stevig is. Als men hierin neurotische gedachtengangen tracht te vervangen door niet- of minder-neurotische, dan confronteert men de cliënt met datgene dat hij juist trachtte te vermijden, en brengt men dus een wankel bouwsel in onevenwicht, zodat de persoon, uit zelfverdediging, zal trachten zich hiertegen te beschermen. De bescherming die op dit ogenblik de minste moeite vraagt is: de nieuw aangebrachte redeneringen onjuist verklaren, en bijkomende argumenten zoeken voor de vroegere, veiligheid schenkende redeneringen.

Er zijn talrijke voorbeelden waarmee het neurotisch proces kan vergeleken worden: zich in een brandend huis trachten te redden door naar boven te vluchten, een dier dat omgeven is door vlammen en eerder dan door de op dat ogenblik nog kleine vlammen te springen vlucht naar het midden van de brandende cirkel terwijl de naderende vlammen steeds hoger oplaaien, een fietser trachten te vermijden door uit te wijken en een frontale botsing op te lopen, een massa mensen die in paniek wegvlucht, te talrijk in een reddingsboot springen...

Paradoxalerwijze kan men zelfs zeggen dat, hoe juister de nieuw aangebrachte visie, op hoe meer weerstand zij zal stoten bij de betrokkene, wat zwaar frustrerend is voor de therapeut (of partner) die eerlijk verwacht dat de andere overtuigd zal worden door de juistheid der aangebrachte argumenten, en maar niet begrijpt waarom die andere "zo onlogisch" kan zijn, en iets "niet wil begrijpen".

2. Vervolgens is een nieuw denkbeeld soms psychologisch niet aanvaardbaar, omdat het een negatieve zelfbeschrijving inhoudt of schijnt in te houden. Nu wil het ongeluk dat vele psychologische theorieën, vooral psychoanalytische, in een poging om voor alles een eenheidsverklaring te vinden, uiteindelijk voor vele negatieve tendensen van de menselijke geest auto-destructieve hypothesen hebben geformuleerd.

- onze fundamentele neiging tot zelfdestructie - agressie keren tegen onszelf, alles zou gericht zijn naar seksuele bevrediging - we straffen onszelf - we bezorgen onszelf bepaalde pijnen om andere, ergere niet te moeten voelen - mooie motivaties zijn maar gecamoufleerde lagere driften - sommige neigingen zijn uiting van ziekelijke geaardheid, enz.

Dergelijke negatieve theorieën over het menselijk functioneren, die tegenwoordig vervangen kunnen worden door veel constructievere, zijn niet van aard om gemakkelijk door de betrokkene aanvaard te worden.

3. Tenslotte is ook het aanvaarden van een theorie uit de mond van een vreemde een soms een moeilijke opgaaf, want het bewijst nog maar eens de superioriteit van de ander, en het eigen onvermogen, de inferioriteit van jezelf, om de bestaande problemen op te lossen: "als een ander niet tussenkomt, dan haal je het niet". Dit is vroeger reeds beschreven als het aanpassingsconflict, in klassiekere termen: het oedipusconflict.

b. Zelfs al komt het inzicht over, het heeft geen therapeutisch effect.

Vermits het een illusie is om te denken dat de mens gestuurd wordt door zijn inzichten, zijn verstand, moeten we ook niet geloven dat het verwerven van een nieuw inzicht alléén reeds zou kunnen leiden tot een nieuw gedrag. De eigen gedachten zijn namelijk niet meer dan rationalisaties om het gestelde gedrag zo goed mogelijk te wettigen. De keuze voor een bepaalde manier van handelen en/of denken wordt dus gemaakt op onderbewust niveau. Als we er niet in slagen om de on(der) bewuste visies van de realiteit te beïnvloeden, zal onze persoonlijkheid niet veranderen.

Dus niet: van OPVATTINGEN naar GEDRAG, maar van GEDRAG naar OPVATTINGEN

Hoe kan het vervangen van inzichten dan toch nog leiden tot gedragsverandering? Dit lukt alleen als de nieuwe visie de interpretaties van de ons omringende werkelijkheid en van onszelf verandert, zodat onze beleving in de toekomst anders is.

Een patiënte beleefde haar obsessies als tekenen van haar zwakheid en psychische minderwaardigheid. Haar steeds verder afnemend fundamenteel zelfvertrouwen verhoogde haar angsten, zodat ze steeds meer nood had aan obsessioneel denken en gedrag om zichzelf een veilig en degelijk gevoel te geven. De psychotherapeut maakte haar duidelijk dat deze obsessies geen tekenen van minderwaardigheid waren, maar juist blijken van een sterk verantwoordelijkheidsgevoel. Ze aanvaardde deze nieuwe visie met een sterke emotie. Ze kreeg plots een gans ander zelfbeeld, en kwam terecht in een virtueuze cirkel: haar obsessies waren voor haar tekenen van degelijkheid, zodat haar zelfbeeld langzaam positiever werd, en ze steeds minder nood had aan dergelijke obsessies.

Een andere cliënte beleefde de jarenlange bemoeienissen van haar moeder als heel hinderlijk, en ze voelde steeds meer agressie tegenover haar moeder, steeds meer nood om zich tegen haar moeder af te zetten, en zeker niet in te gaan op de bemoeizuchtige commentaren die ze van haar kreeg. In een psychotherapeutische sessie begreep ze dat de bemoeienissen van haar moeder een teken waren van de machteloosheid en zelfs jaloersheid van haar moeder, zodat elke kritiek eigenlijk kon beleefd worden als een soort compliment voor de superioriteit van het gedrag van de dochter in de ogen van de moeder, en de grote nood van de moeder om in de ogen van de dochter een nuttige indruk te maken. Dit bracht de cliënte in een gans andere belevingswereld, en de negatieve spiraal werd langzaam maar zeker omgedraaid naar een positieve. Ze werd veel zelfzekerder tegenover de moeder, en slaagde er onmerkbaar in om de moeder een zekere schrik en ontzag in te boezemen voor de emotionele sterkte van haar dochter.


ENKELE NEUROTISCHE REDENERINGEN ("mythes")

Buiten de logische en psychologische remmen die we zojuist besproken hebben, botst men bij het induceren van neurosevrijer inzicht bij de cliënt vaak op enkele klassieke neurotische redeneringen, die door onze cultuur sterk worden in stand gehouden, en die men moet trachten op zichzelf te vervangen door gezondere redeneringen, zodra men door allerlei spontane illustraties ervan in het verhaal van de cliënt daartoe de kans krijgt.

1. Emoties worden veroorzaakt door feiten

De meeste cliënten zijn ervan overtuigd dat hun negatieve ervaringen door feiten worden uitgelokt:

FEIT leidt tot GEVOEL

Daardoor voelen ze zich het slachtoffer van die feiten of toestanden, en zien ze als enige mogelijke afweer die feiten te veranderen of ervoor te vluchten. Het voordeel van deze visie is dat ze uiteindelijk niet verantwoordelijk zijn voor hun probleem, dat ze er eigenlijk niets kunnen aan doen, en dat hun stagnatie begrijpelijk en dus aanvaardbaar is.

Maar eigenlijk wordt ons gevoel niet bepaald door de feiten zelf. Bewijs daarvoor is dat, op andere ogenblikken in ons leven, of bij andere personen, diezelfde feiten gans andere subjectieve belevingen kunnen uitlokken. Ons gevoel wordt immers niet door het feit, maar door onze interpretatie van het feit bepaald:

FEIT leidt via INTERPRETATIE tot GEVOEL

Het voordeel van deze situatie is dat we, waar feit vaak aan onze controle ontsnapte, onze interpretatie volledig in onze hand ligt, zodat wij onze uiteindelijke subjectieve beleving van de realiteit uiteindelijk volledig zelf kunnen bepalen. Nadeel is dat onze verantwoordelijkheid toeneemt, en we onszelf niet langer kunnen beschouwen als iemand die tegenslag gehad heeft.

2. Er zijn maar twee mogelijkheden

In de meeste onaangename levenssituaties waar onze cliënten over klagen zien zij doorgaans maar twee mogelijkheden: de situatie aanvaarden zoals deze is, of te trachten deze te ontvluchten met doorgaans tal van onaangename complicaties als gevolg. Zelden denken ze spontaan aan de derde weg. Bijna elke probleemsituatie bevat de mogelijkheid om er op een constructieve manier aan te ontsnappen zonder ze te moeten aanvaarden of verwerpen. Deze derde weg kan zijn: een integratie, een andere interpretatie (d.w.z. beleving) van de situatie, iets doen aan de oorzaak van het dilemma (bv. de persoon die ons voor het dilemma plaatst anders aanpakken). Dus niet: ja of nee, maar anders.

3. Verantwoordelijkheid is schuldbesef

De meeste cliënten beleven verantwoordelijkheid voor iets als een negatieve zaak: het betekent dat zij schuldig zijn aan al het negatieve dat er zich in deze situatie kan voordoen. Ze weigeren dan ook die verantwoordelijkheid, omdat dit een te groot risico voor mislukking inhoudt. Ook de suggestie "dat het probleem alleen bij hen ligt", die meestal bedoeld is als "het ligt in jouw vermogen het probleem op te lossen" betekent voor hen: "het is jouw schuld dat de onaangename situatie zo is".

Het is nuttig deze redenering te vervangen door een positiever inzicht, namelijk dat verantwoordelijkheid en invloed vooral betekent dat men de situatie in de hand heeft, en dus kan oplossen. Men kan bv. de visie trachten bij te brengen:

Het is inderdaad niet jouw fout dat je zo geworden bent zoals je nu bent. Het is echter wel jouw verantwoordelijkheid als je zo blijft, vermits je kan veranderen.

4. Zich aanpassen is een bewijs van minderwaardigheid

Voor een uitvoerige bespreking hiervan: zie de cursus van het eerste jaar: Aanpassingsconflict.

5. Het bekennen van een probleem is een blijk van minderwaardigheid

Iets dat groei-inductie soms erg afremt is het feit dat de cliënt aarzelt om zijn "fouten" en "stommiteiten" te bespreken met de therapeut/consulent. Daarom is het belangrijk voortdurend als consulent de indruk te geven dat men principieel en onvoorwaardelijk gelooft in de knapheid van de cliënt.


ENKELE VOORWAARDEN VOOR SUCCESVOLLE INZICHTS-INDUCTIE

1. Het nieuwe inzicht moet een positiever zelfbeeld impliceren

Een nieuw inzicht kan maar aanvaard worden, en zal maar effect hebben als het een positiever zelfbeeld veronderstelt bij de cliënt dan de vorige visie.

Het hervertalen van gebreken en symptomen naar kwaliteiten (die eventueel te sterk of te eenzijdig kunnen zijn) werkt zeer goed. Het betekent een hele opluchting voor de cliënt, en verandert een vicieuze cirkel heel vaak in een virtueuze.

Jij bent niet autoritair, maar dominant. Jouw dominantie is het onvermijdelijke gevolg van het feit dat je sneller denkt dan de anderen en creatiever bent.

Naïviteit kan naar vertrouwen vertaald worden, zwijgzaamheid naar voorzichtigheid, obsessies naar (te) sterke verantwoordelijkheidszin, depressiviteit naar grote gevoeligheid of sterk verlangen naar een ideaal.

Men moet hierbij de cliënt niets wijsmaken! Het "gebrek" is immers meestal een poging om iets moois of creatiefs te realiseren.

2. Geen gebreken bestrijden, maar compenserende kwaliteiten ontwikkelen

Vermits men storende trekken en symptomen best beschrijft als kwaliteiten, kan men die vervolgens moeilijk gaan bestrijden. Niet alleen zou dit niet consequent zijn, maar daarenboven is het ook niet nodig, vermits wij er als integratieve therapeut echt van uitgaan dat de meeste symptomen en gebreken begrijpelijke constructieve, vaak defensieve pogingen zijn. Ook de cliënt ziet ze als constructief bedoeld, zelfs als hij er de risico's van inziet. We gaan ervan uit dat vele stoornissen eigenlijk kwaliteiten zijn, die onvoldoende zijn gecompenseerd door andere kwaliteiten. Door dit onevenwicht ontstaan er gevaren. Men moet echter het "gebrek" niet bestrijden, dat zou psychologisch toch maar moeizaam lukken. Men moet integendeel de compenserende kwaliteit trachten te bevorderen.

Een vrouw liet zich in haar opeenvolgende relaties veel te veel doen door haar partners, die zelfs tot sadisme durfden te gaan. Ze besefte in de psychotherapie dat deze "zwakheid" eigenlijk een poging was tot liefde, goedheid, begrip, edelmoedigheid, geduld en respect voor de andere. Ze hoopte zelfs dat het een voorbeeldfunctie zou kunnen krijgen, en de partner op zijn beurt aanzetten tot meer liefde. Ze besefte dat het moeilijk was dit "gebrek" af te leren, dat ze trouwens als een van haar grootste kwaliteiten beschouwde. Ze was echter wel bereid te werken aan de ontwikkeling van een compenserende kwaliteit, namelijk dat ze haar goedheid alleen zou "schenken" als ze eerst heel duidelijk haar eigen behoeften terzake kenbaar had gemaakt, en de indruk had dat de partner daar enigszins rekening mee gehouden had.

3. Psychologische aangepastheid

De inhoud van de suggesties, en de manier waarop ze gegeven wordt, moet zoveel mogelijk aangepast zijn aan (1) de fundamentele wijze waarop de cliënt functioneert (oraal, anaal, fallisch), en (2) aan het stadium van de therapie:

  1. een bepaald probleem oplossen
  2. de oplosmethode in het algemeen voor dergelijke problemen
  3. de eigen manier van functioneren
  4. bewuste groei.

Als dit niet aangepast is, dan zal de cliënt weinig positief reageren op de suggestie.

4. Overdracht

Vermits men bij het aanbieden van nieuwe inzichten veel bedreigender kan overkomen dan bij de zuivere empathie, omdat men de cliënt onvermijdelijk wijst op zijn beperkingen, en hem vaak verjagen zal uit zijn comfortabele rationalisaties. Men moet daarom ook zorgen dat men zo positief mogelijk overkomt, door op vele ogenblikken bewonderend te reageren, vooral ten opzichte van de bereidheid openhartig te zijn en zichzelf ter discussie te stellen, als ten opzichte van zoveel mogelijk spontane suggesties van de cliënt. Men moet veeleer diens inbreng herformuleren dan bestrijden, en bij bewustgeworden problemen wijzen op de positieve intentie.