overzicht | eindwerken

5510
  INTEGRATIE PSYCHOTHERAPIE EN HOMEOPATHIE
Angsten en Fobieën
Eindwerk Ria Crevits  

      

“U moet niet proberen een deel te genezen

zonder het geheel te behandelen.

U moet niet proberen het lichaam te genezen

zonder de ziel erbij te betrekken;

als u het hoofd en het lichaam gezond wilt maken,

moet u beginnen met het genezen van de ziel.

Dit laatste is het belangrijkste.

Laat niemand u overhalen zijn lichaam te genezen,

als hij u niet eerst gevraagd heeft zijn ziel te genezen.

De grootste fout is:

dat men begint met de ziel van het lichaam te scheiden.”


PLATO

 

 

 

 VOORWOORD

 

Enige tijd geleden las ik in een tijdschrift een artikel over fobieën. Dit artikel maakte veel indruk op mij. Tot die tijd was ik me er niet echt van bewust, dat angsten zo hevig kunnen worden zodat ze het leven van een mens volledig gaan beheersen.

Het onbegrip van de omgeving, die het gedrag van fobische mensen vaak afdoet als “aanstellerij”, en het zien dat zo’n fobische toestand bij zeer veel mensen voorkomt, en dat in alle rangen en standen, trof mij.

Voor mij was dit eindwerk dus een gelegenheid om mij te verdiepen in deze materie rond angsten en fobieën.

Waarom ik dit combineer met homeopathie leest u hieronder.

 

Ik maakte een achttal jaar geleden, door een gemeenschappelijke vriend, kennis met een befaamde Nederlandse homeopaat: Mw. Jos van de Heede. Ze heeft: een drukbezochte privé praktijk, leiding over een afdeling in een ziekenhuis te Rotterdam en tevens werkt ze nauw samen met verschillende dokters uit de klassieke of allopathische geneeskunde. Ze is Klinisch Psychologe en volgde daarna vele jaren een opleiding in Duitsland (zowat de bakermat van de homeopathie), waar ze zich specialiseerde in de Klinische en Klassieke homeopathie.

 

Homeopathie was voor mij, tot voor die tijd, onontgonnen terrein en het was dan ook een ontdekking te horen dat de kern van échte homeopathie het doorgronden van de psyche van je cliënt is! In de homeopathie bestaan er voor één probleem verschillende middelen maar de kunst is om het “juiste middel” te geven aan de “juiste persoon” meer bepaald: passend bij zíjn persoonlijkheid, temperament, karakter, constitutie en… het onomkeerbare verleden.

(Ik spreek over “échte” homeopathie omdat dit totaal los staat van de kant-en-klare homeopathische middeltjes in de apotheek of van die velen, die na het volgen van een spoedcursusje, durven te denken dat ze zich homeopaat mogen wanen…)

 

In dit eindwerk hanteer ik alleen de Klassieke homeopathie, wat mijn grootste interesse heeft. Hierbij zoekt de homeopaat slechts 1 middel (“Simplex middel”: bestaat uit één bepaalde stof) en dat in de juiste potentie (daarmee bepaalt hij zelf de sterkte/kracht van het middel). Dit middel pas je toe voor een bepaald ziektesymptoom én daarbij houdt de homeopaat niet alleen rekening met de ziektesymptomen maar evenzeer met de gehéle mens: mentaal, emotioneel en fysiek. (Bij klinische homeopathie gebruikt men een “complex middel” die dus uit verschillende middelen is samengesteld.)

 

Ikzelf ben werkzaam in de wereld van de klassieke geneeskunde en ervaarde dat er bij ons (bepaalde andere landen staan veel meer open voor deze manier van geneeswijze) nog dikwijls zeer neerbuigend wordt gedaan in de richting van homeopathie… al is dat meestal te wijten aan onwetendheid of doordat men deze geneeswijze ervaart als een gevoel van “concurrentie”.

Toch is de openheid opvallend vanuit het kamp van de meeste befaamde homeopaten, waaronder velen zich eerst geschoold hebben in de klassieke geneeskunde, zij zijn er van overtuigd dat de ideale geneeskunde een combinatie is van de klassieke geneeskunde én homeopathie. En ook mijn bescheiden mening gaat ongetwijfeld die richting uit.

 

Toch nog even deze randopmerking meegeven over wat die Nederlandse homeopaat me zei:”Je mag iemand het béste middel toedienen… indien het niet past bij zíjn persoonlijkheid, temperament, karakter en constitutie zal het niet zijn werking doen… mààr… indien je, wel te verstaan bij bepààlde problemen, een optimale therapeut-cliënt relatie hebt uitgebouwd en… je geeft een placebomiddel aan die cliënt… dan is de kans groot dat dit “werkt”! En ook in mijn job, waar de klassieke geneeskunde wordt toegepast, maakte ik al verschillende keren mee dat, voor een bepaald probleem, een placebopilletje werkt… indien de patiënt er in gelooft… en zich begrepen weet!Zo zie je weerom dat, zoals Plato al zei:”Men de ziel niet mag scheiden van het lichaam!”



INHOUDSTAFEL

 

VOORWOORD:     - Waarom dit onderwerp als keuze voor dit eindwerk.

        

 

DEEL 1 : ANGSTEN EN FOBIEËN

Hoofdstuk 1.1.:    - Wat is een fobie?

                                      1.1.1.  Angst

1.1.2.  Depersonalisatie

1.1.3.     Vermijdingsgedrag

 

Hoofdstuk 1.2.:    - De meest voorkomende fobieën.

                                      1.2.1. Agorafobie

                                               1.2.2. Pathofobie/nosemafobie of ziektefobie

                                               1.2.3. Sociale fobieën

                                               1.2.4. Specifieke of enkelvoudige fobieën

 

Hoofdstuk 1.3.:    - Mogelijke oorzaken van een fobie.

                                      1.3.1. De psychoanalyse

                                               1.3.2. De leertheoretische visie

                                               1.3.3. Andere oorzaken

                                                           1.3.3.1. Persoonlijkheid

                                                           1.3.3.2. Gebeurtenissen van levensbelang

                                                           1.3.3.3. Lichamelijke oorzaken

                                                           1.3.3.4. Paranormale geneeskunst

 

Hoofdstuk 1.4.:    - Lichamelijke aspecten van een fobie.

                                      1.4.1. Relatie hyperventilatie en fobieën

 

 

DEEL 2: HOMEOPATHISCHE BENADERING 

Hoofdstuk 2.1.:    - Algemene schets van de juiste betekenis en inhoud van

                              Homeopathie als geneeskunst.

                                      2.1.1. Volgens “van Dale”.

                                               2.1.2. Samuël Hahnemann

2.1.3. Bij een juiste homeopathische geneesmiddelkeuze kijken we naar:

            2.1.3.1. De lichamelijke en psychische symptomen

2.1.3.2. Zowel het karakter/mentaal/emotioneel van de patiënt als het karakter van het geneesmiddel.

2.1.3.3. De oorzaak van de klachten.

2.1.3.4. De modaliteiten.

 

Hoofdstuk 2.2:     - George Vithoulkas: een Griekse wereldbefaamde

                    homeopaat.

2.2.1. De drie niveaus van ziekte en gezondheid volgens George Vithoulkas.

                  2.2.1.1. Het mentale niveau

                        2.2.1.2. Het emotionele niveau

                        2.2.1.3. Het fysieke niveau

 

Hoofdstuk 2.3:     - Veel gebruikte homeopathische geneesmiddelen (15) en

                   hun beelden, ter behandeling van angsten en fobieën.

 

NAWOORD:          - Persoonlijke conclusie.

        

 

DEEL 3: LITERATUURLIJST  








DEEL 1: ANGSTEN EN FOBIEËN

 

 

HOOFDSTUK 1.1.

 

 

1.1. WAT IS EEN FOBIE?

 

Het woord “fobie” stamt van het Griekse woord “phobos”, dat angst betekent.

Bij een fobie gaat het dus om angst. We zijn allemaal weleens bang, maar niet iedereen die bang is, heeft een fobie.

In de psychiatrie worden fobieën ingedeeld bij de neurosen. Een neurose is een krampachtige manier van leven doordat men prikkels uit het bewustzijn houdt, door een bepaalde situatie te vermijden of door prikkels, wanneer deze voorkomen uit het bewustzijn naar het onderbewuste/onbewuste te verdringen.

Als we van een fobie spreken moet er aan twee voorwaarden worden voldaan. Ten eerste moet de angst niet in verhouding staan tot hetgene waarvoor men bang is en ten tweede moeten de gevolgen van deze angst voor de persoon zelf of zijn omgeving onaanvaardbaar zijn. Een angst waar men naar gaat leven.

Enige voorbeelden: Iemand durft de straat niet meer op, omdat hij bij de geringste pijn in het lichaam in paniek raakt uit angst dood te gaan, of iemand steekt de straat over om een aan de lijn zittend hondje, vanwege zijn angst voor honden en die dus  uit de weg wil gaan.

Een aantal angsten worden in onze samenleving meer als normaal aanvaard, zoals hoogtevrees en angst voor spinnen en muizen bij vrouwen. Meestal valt hiermee prima te leven. Hoogtevrees kan, indien dit bijvoorbeeld voorkomt bij een glazenwasser een obsessie worden en dit zal dan beletten verder zijn beroep uit te oefenen. En de angst voor spinnen en muizen is niet meer “als normaal” te beschouwen als dit leidt tot het mijden van alle plaatsen waar zo’n griezelig beest zich ook maar zou kunnen bevinden… wat ook dan tot een obsessie geworden is.

 

Een fobie is dus niet alleen een hevige angst. Samen met de paniek komt het gevoel flauw te vallen, dood te gaan of gek te worden. In de psychologie heet dat gevoel “depersonalisatie”. Dit is zo afschuwelijk om mee te maken, dat men de situatie, waarin met dat heeft ervaren, gaat vermijden. Daardoor wordt het steeds moeilijker om die omgeving op te zoeken, waar men voor ’t eerst door de paniek werd overvallen. Het lijkt alsof de angst steeds groter wordt. Er ontstaan een angst voor de angst. De persoon is als het ware in een vicieuze cirkel terechtgekomen.

Schematisch is dat als volgt voor te stellen:

         situatie – angst – depersonalisatie – angst – vermijden

 

Een fobie bestaat dus uit drie delen: angst, depersonalisatie en vermijdingsgedrag.

Deze worden achtereenvolgens nader belicht.

 

1.1.1. Angst:

 

Als men bang is voor iets of iemand, voelt men zich niet prettig. Dit gevoel is heel nuttig want het helpt iemand weg te lopen als er gevaar dreigt of zich juist voor te bereiden op dat gevaar. De angst die als een soort alarmsysteem werkt, helpt de mens te overleven.

Dit alarmsysteem bestaat uit drie componenten:

-         De cognitieve component: deze zorgt voor het gewaarworden en het onderkennen van gevaar en het voorzien ervan.

-         De lichamelijke component: het lichaam vertoont bepaalde veranderingen, zoals het sneller kloppen van het hart, transpiratie, gejaagde ademhaling, duizeligheid, trillerigheid enz.

-         De motorische component: er vinden spierreacties plaats, zoals vlucht- en vechtreflexen, reflex om te schreeuwen, enz.

Dit alarmsysteem werkt het beste als de prikkel groot genoeg is. Als deze te sterk is, zoals bij een paniekaanval, dan reageert het lichaam niet goed. De vlucht- en/of vechtreflexen blijven uit, de lichamelijke reacties krijgen de overhand. De moed zakt iemand letterlijk in de schoenen, men is verlamd van schrik en angst. Het lijkt alsof men ter plekke neer zal vallen, men raakt in paniek.

 

1.1.2. Depersonalisatie:

 

Depersonalisatie betekent het niet meer weten wie men is. Het gevoel van depersonalisatie kan op verschillende manieren worden beleefd. De één ervaart het alsof men als mens niet meer echt bestaat. De ander verliest elk besef van tijd en ruimte. Weer anderen denken dat ze doodgaan of ervaren een gevoel van zinloosheid.

Alles waaraan de persoon zich altijd heeft vastgehouden, zoals gevoelens, zijn eigen identiteit, structuren, enz. vallen als een kaartenhuis ineen.

De angst die volgt op de depersonalisatie noemt men ook wel “de tweede angst”: het is de angst voor de angst!

 

1.1.3. Vermijdingsgedrag:

 

Als iemand dat afschuwelijke gevoel van depersonalisatie, dat volgt op de paniekaanval, heeft meegemaakt, is hij bang geworden om dat nog eens te ervaren. De situatie waarin dat plaatsvond zal deze persoon gaan vermijden. Als tengevolge daarvan het dagelijkse levenspatroon ernstig wordt verstoord, is er sprake van een fobie. Door het vermijdingsgedrag krijgt de fobie kans zich stevig te nestelen. De mate van zich belemmerd voelen gaat in veel gevallen gelijk op met de mate van de angst.

Als iemand bang is in de lift, kan hij best trappen lopen. Maar bijv. een verpleegster die in een groot ziekenhuis werkt moet met een patiënt, op een brancard of in een rolstoel, de lift nemen waardoor het uitoefenen van haar beroep problematisch zou kunnen worden.

Vermijden is één van de mogelijkheden waarop men met zijn angst of fobie om kan gaan. Men kan natuurlijk ook zijn toevlucht nemen tot alcohol en/of kalmerende middelen, waardoor de angst/fobie wordt onderdrukt. Een andere mogelijkheid is dat de fobicus, die bijv. een fobie heeft om de straat op te gaan, zijn leven zodanig gaat inrichten dat hij bijvoorbeeld altijd door iemand wordt vergezeld als hij de straat op moet. De kans dat de angst wordt gevoeld is dan veel kleiner. Het leven van een fobicus wordt door deze angstvermijdende en angstonderdrukkende methoden steeds moeilijker en onbevredigender. 

 

 

                                              

HOOFDSTUK 1.2.

 

 

1.2. DE MEEST VOORKOMENDE FOBIEEN

 

Er zijn ruim 200 soorten fobieën bekend. In principe kan men voor alles een fobie hebben: voor glas (crystallofobie), voor stof (amathofobie), voor roest (iofobie), voor bloemen (anthofobie), voor sterren (siderofobie), voor knieën (genufobie), dit om maar eens enkele ongewone soorten te noemen.

Circa vier procent van de mensen heeft een fobie en ongeveer één procent kan er niet meer mee leven en heeft hulp nodig.

De meest voorkomende fobieën kunnen we in vier categorieën indelen:

1. Agorafobie of straatvrees: dit is de meest voorkomende fobie.

Vooral vrouwen hebben er last van. Meestal manifesteert deze fobie zich voor het eerst rond het 25e jaar.

2. Pathofobie/Nosemafobie of ziektefobie: Angst voor ziekte van een    speciaal orgaan (hartziekte, hersenbloeding), of voor een speciale ziekte (kanker, AIDS). Deze fobieën komen vooral in de leeftijd tussen de 28 en 38 jaar voor, zowel bij mannen als bij vrouwen. Angst voor een hartziekte komt vaker voor bij mannen en angst voor kanker doet zich meer bij vrouwen voor.

  1. Sociale fobieën: Alle angsten die te maken hebben met andere mensen. Deze fobieën beginnen in of na de puberteit. De voorloper hiervan kan de schoolfobie zijn.
  2. Specifieke of enkelvoudige fobieën: Angst voor een bepaald ding (naalden, messen), situatie (hoogtevrees, claustrofobie, vliegangst), dier (honden, slangen, insecten, muizen), weertypes (onweer, storm).

 

Deze vier categorieën zal ik vervolgens nader beschouwen:

 

1.2.1. Agorafobie:

Agorafobie is de angst om van huis weg te moeten zijn of de angst voor iets dat kan gebeuren als men van huis weg is.

Het woord agorafobie is afkomstig van het Griekse woord “agora” dat marktplaats of ontmoetingsplaats betekent. Dit was in Griekenland de plaats waar mensen elkaar ontmoetten en waar handel werd gedreven. Vanwege het zachte klimaat bevonden zich die plaatsen in de open lucht. In de meer Noord-Europese landen wordt met dit woord de publieke plaatsen aangeduid, waar veel mensen komen en waar men een zekere anonimiteit bezit, zoals supermarkten, restaurants, bioscopen, theaters, kantoren, kerken, enz. Na verloop van tijd is de term agorafobie een verzamelnaam geworden voor een aantal situaties waarin men zich angstig voelt nadat men de veiligheid van het eigen huis heeft verlaten.

Westphal was de eerste die de term agorafobie gebruikte (in 1872) en ook de eerste die de angst als oorzaak van lichamelijke verschijnselen zag. Hij beschreef drie mannelijke patiënten die niet in staat waren door bepaalde straten of over bepaalde pleinen te lopen zonder een intense angst te ervaren en een gevoel het bewustzijn te verliezen.

Uit later onderzoek is gebleken, dat circa 80% van de agorafobici vrouwen zijn. De typische agorafobie-patiënt komt voornamelijk uit de sociale groep met een zekere welstand. De vrouwen in onze westerse maatschappij zijn vatbaarder voor agorafobie, doordat de leefwijze van de middenklasse en een relatieve welvaart het mogelijk maakt zo’n fobie te ontwikkelen. Agorafobie schijnt vrouwen die voor hun levensonderhoud moeten werken niet aan te tasten. Op enkele uitzonderingen na zijn lijders aan agorafobie, mensen die geen zelfstandige bron van inkomsten hebben, maar afhankelijk zijn van werkende ouders of echtgeno(o)t(e). Het komt ook voor bij mensen die hun bezigheden thuis hebben, zodat ze de drukte en bedrijvigheid van de arbeidsmarkt kunnen vermijden. Voorts hebben veel lijders aan agorafobie een gebrek aan assertiviteit, waardoor er een combinatie van algemene sociale angst en agrorafobie ontstaat.

Agorafobie gaat vrijwel altijd gepaard met aanvallen van hyperventilatie, een benauwdheid tengevolge van verkeerde ademhaling. Het probleem van veel lijders aan agorafobie is niet een angstreactie voor volle theaters, straten, warenhuizen, supermarkten, open pleinen, openbare gebouwen en/of mensenmassa, mààr een hevige angst dat ze een paniekaanval zullen krijgen als ze uit de beslotenheid van hun huis komen, dus de angst voor de angst!

Men voelt zich al van te voren bang, waardoor die situatie het liefst wordt vermeden. De plaatsen, waar men deze angst ervaart, zijn in het algemeen plaatsen waar men het gevoel heeft niet zo maar weg te kunnen lopen. Weglopen kan natuurlijk wel maar het zou sociaal onwenselijk zijn en men zou er sterk de aandacht mee trekken. De typische agorafobicus schijnt namelijk niet te kunnen verdragen dat hij ten overstaan van anderen beroerd en ontdaan wordt of een scène zou maken.

Toename van de angst ervaart vrijwel iedere agorafobicus door reizen met het openbaar vervoer, bij een kassa wachten en door een afspraak waar niet onderuit te komen valt.

Vermindering of zelfs geheel verdwijnen van de angst treedt op door de aanwezigheid van bepaalde mensen, dieren of bepaalde vertrouwde voorwerpen, de nabijheid van een veilige plaats (eigen woning), de nabijheid van de uitgang of wanneer het donker is.

Lichamelijke gewaarwordingen die het meest voorkomen zijn: spanning, angst om flauw te vallen, hartkloppingen, slappe benen, trillen en zweten.

Veel van de onderzochte agorafobici, 83% volgens Burns (zie boek:”Fobieën” – Jet van Bochove en Carry Holzenspies) konden belangrijke gebeurtenissen noemen die hen, in de periode dat de fobie was ontstaan, waren overkomen. De meesten noemden de dood van een familielid, eigen ziekte, het meemaken of getuige zijn van een traumatische gebeurtenis.

 

1.2.2. Pathofobie of nosemafobie:

Pathofobie is de angst voor een ernstige ziekte en neemt een belangrijke plaats in onder de fobieën.

Pathofobie kan tot uiting komen als angst voor kanker (carcinofobie), angst voor een hartziekte (cardiofobie), angst voor AIDS, angst voor een hersenbloeding, enz.

Mensen met een ziektefobie zijn niet echt ziek, maar denken de een of andere ongeneeslijke ziekte te hebben. Hierdoor leven ze in voortdurende spanning. Deze spanning kan weer allerlei lichamelijke verschijnselen oproepen, zoals hartkloppingen, duizeligheid, pijn, enz., waardoor ze er nog meer van overtuigd zijn een ernstige ziekte te hebben. De dagen dat ze niets voelen brengen ze door in bange afwachting van nieuwe symptomen. En langzaam neemt de angst voor een ernstige ziekte het leven in beslag.

Een ziektefobie begint vaak als er iemand in de naaste omgeving aan een hartinfarct overlijdt of als een vriendin een in haar ogen onschuldig knobbeltje in haar borst ontdekt en twee jaar later overlijdt. Zoiets komt hard aan. Men kan het niet goed verwerken en wordt er bang voor. Dan gaat men zich afvragen:”Is mijn hart wel okee? Zou ik ook kanker hebben?” Men begint op allerlei kleine dingetjes en pijntjes in het lichaam te letten en voelt zich steeds vervelender en angstiger worden.

Voor men het weet draait men in een vicieuze cirkel rond: angst voor een ernstige ziekte, door de angst het oproepen van allerlei vervelende lichamelijke bijverschijnselen, die op hun beurt er weer voor zorgen, dat men denkt heel erg ziek te zijn, enz.

Er wordt de laatste tijd veel geschreven over ernstige ziekten als kanker, AIDS, herpes, hartinfarct, enz. Ook de media besteden de nodige aandacht aan deze ziekten. Een overdaad aan informatie kan voor sommige mensen teveel zijn, waardoor ze angstig worden.

 

1.2.3. Sociale fobieën:

Mensen met een sociale fobie hebben eigenlijk een combinatie van angsten die alle betrekking hebben op het omgaan met anderen. Deze angsten kunnen tot uiting komen als faalangst, bloosangst (erenthofobie), trilangst (tremofobie), angst voor praten in het openbaar, angst voor eten en drinken in het openbaar en angst voor de andere sekse (gynofobie en androfobie).

De meeste sociale angsten worden veroorzaakt door een gebrek aan assertiviteit.

Velen met een sociale fobie zijn dikwijls wat te beschermend opgevoed. Ze hebben niet geleerd hoe ze contacten moeten leggen. Het zijn vaak intelligente mensen, die door hun sociale handicap niet goed tot ontplooiing kunnen komen. Ze kunnen niet voor zichzelf opkomen en zijn bang een verkeerde indruk op andere mensen te maken. Ze hebben een gebrek aan zelfvertrouwen en eigenwaarde. Ze denken altijd dat ze door andere mensen worden beoordeeld, dat ze iets waar moeten maken. Omdat ze denken niet aan de gestelde verwachtingen te kunnen voldoen, omdat ze bang zijn te falen, raken ze in paniek. Ze gaan zweten, trillen, blozen en soms zelfs braken. Deze verschijnselen vindt men zo gênant, dat men zich in gezelschap van anderen steeds minder op zijn gemak gaat voelen en steeds meer in zichzelf keert.

Veel lichamelijke bijverschijnselen worden bij vrouwen meer geaccepteerd dan bij mannen bv. trillen en blozen. Als een vrouw bloost vindt de omgeving dat nogal eens charmant (de vrouw zelf niet), een blozende man wordt als vreemd ervaren.

Angsten die als sociale fobieën worden beschouwd, zijn:

faalangst, bloosangst, trilangst, angst voor spreken in het openbaar, angst om te  

eten en drinken in het openbaar, angst voor de andere sekse, telefoonvrees. 

 

1.2.4. Specifieke of enkelvoudige fobieën:

. Aërofobie:

Aërofobie of hoogtevrees is de angst voor de mogelijkheid om naar beneden te vallen bij het zien van een diepe ruimte onder zich, vaak zelfs bij geringe diepte. Er bestaat een gebrek aan overeenstemming tussen wat men ziet en wat het lichaam ervaart, waardoor men als het ware naar beneden wordt gezogen. Als iemand hoogtevrees heeft en gelijkvloers woont in een vlak gebied zonder hoge gebouwen, dan heeft men er meestal geen last van. Dat wordt anders als men op de negende verdieping van een flatgebouw woont of voor zijn werk op grote hoogte moet vertoeven. Bijv. glazenwassers, bouwvakkers, schoorsteenvegers of dakwerkers kunnen hun beroep niet uitoefenen als ze hoogtevrees hebben.

 

. Claustrofobie:

Claustrofobie is de angst voor afgesloten ruimten. Angst en beklemming treden op als iemand zich opgesloten voelt en als het ware afhankelijk is van anderen. De angst het eigen leven aan een ander over te geven of in een hoek gedrukt te worden, waarin men niet wil zijn. Bang zijn om verzeild te raken in een situatie waarin men niet terecht wil komen. Het gaat om verstikkingsangst en de angst dat men op het moment dat men het wil een bioscoop, lift, kerk, tram, trein, bus of restaurant, enz. niet kan verlaten.

 

. Hydrofobie:

Hydrofobie of watervrees behoort tot de aangeboren angsten. Veel kinderen hebben er last van, maar de meesten groeien er op een gegeven moment overheen. Wordt er echter in de angstperiode door ouderen niet juist op deze angst gereageerd, bv. door een luid krijsend kind toch het water in te sleuren, dan bestaat er een grote kans dat het kind deze angst voor water tijdens zijn verdere leven houdt. Veel mensen met watervrees worden naar water toegetrokken. Als ze langs water lopen, zijn ze bang het water ingetrokken te worden. Hydrofobici mijden water van zwembad tot zee. Soms gaat het zelfs zo ver dat ze niet meer onder de douche of in bad durven.

 

 

. Scholionofobie:

Scholionofobie of schoolangst kan zich voordoen als een kind voor het eerst naar school gaat. Bij een schoolfobie speelt vooral de angst om van thuis gescheiden te worden een grote rol, maar ook de vrees “dom” te zijn kan zich voordoen.

Ieder kind wil wel eens niet naar school. Dit kan vele oorzaken hebben: problemen met de leerkracht, ruzie met andere kinderen, huiswerk niet gemaakt, enz. Dat alles is heel normaal en behoort niet tot een scholionofobie of schoolfobie. Wil echter een kind nooit naar school gaan, is het iedere dag ziek of blijft het depressief op bed liggen, dan kan het zijn dat dit kind een schoolfobie heeft.

Onderzoek in Engeland heeft uitgewezen, dat het vooral kinderen van overbeschermende moeders (en vaders) zijn die een schoolfobie krijgen. Deze moeders regelen alles voor hun kinderen, ze laten niets aan de kinderen zelf over, waardoor ze niet leren op zichzelf te staan. Op school voelen ze zich, zonder hun moeder, vreselijk onzeker en onveilig. Ze kunnen niet voor zichzelf opkomen en als het niet lukt, worden ze ziek (braken, diarree, niet eten)… doch de dokter stelt vast dat er met dat kind niks aan de hand is…

Uit onderzoek is gebleken dat kinderen van agorafobische (angst om van huis weg te zijn, angst dat er van huis iets kan gebeuren) moeders eerder een schoolfobie krijgen dan andere kinderen en bovendien dat een schoolfobie vaak de voorloper is van agorafobie op volwassen leeftijd.

Schoolangst komt ook veel voor bij kinderen van 12-13 jaar. De stap van de basisschool naar het voortgezet onderwijs is voor veel kinderen heel moeilijk. Daarbij komt ook nog dat deze kinderen puberteitsproblemen krijgen. Als een kind zich door bepaalde omstandigheden, bv. opvoeding, relatie met moeder, puberteit, te dik, enz., erg onzeker voelt en het voelt zich door een leraar voor schut gezet, dan kan dat al voldoende zijn om een schoolfobie te krijgen.

Ook zien we deze angst in de examentijd opkomen. Het kind voelt zich onzeker en is bang niet te zullen slagen, waardoor het bv. zijn ouders zal teleurstellen. Deze druk is te groot en het kind wordt ziek.

Volgens een Duits onderzoek neemt het aantal schoolfobie-gevallen de laatste tijd toe. Ouders en leerkrachten, maar ook de maatschappij, eisen steeds grotere prestaties van de kinderen. Velen kunnen niet aan deze eisen voldoen en ontwikkelen psychosomatische klachten.

 

. Smetvrees:

Deze angst valt eigenlijk niet onder de fobieën. In de psychologie spreekt men eigenlijk van een dwangneurose. Een dwangneurose wordt gekenmerkt door dwanggedachten en dwanghandelingen, bijvoorbeeld wasdrang, schoonmaakdrang, enz. Het onderdrukken of nalaten van deze dwanghandelingen verwekt onlustgevoelens of angst.

De overeenkomst tussen een fobie en een dwangneurose is dat in beide gevallen de angst voor het gevreesde niet in de verhouding staat tot het gevaar ervan.

Het verschil tussen beide is dat fobici bang zijn voor een bepaald iets of een bepaalde situatie, terwijl dwangneurotici bang zijn voor de gevolgen van hetgeen waarvoor ze bang zijn.

Omdat smetvrees zoveel voorkomt (circa 10% van alle angsten) noem ik dit hier toch.

Smetvrees kan vreselijke vormen aannemen. Er zijn mensen die de hele dag niet anders doen dan schoonmaken en wassen en dan nog de hele dag ongerust zijn over het feit of alles wel echt schoon is. Binnenkomende post wordt ontsmet. Voor het eten en drinken moet men eerst vijf minuten zijn handen wassen (ook wenst men dat meestal van de gezinsleden, visite, enz.)

De afwas moet bijvoorbeeld een precies aantal keren worden gedaan, anders is de vaat in de ogen van de fobicus niet schoon. Gaat tussendoor de telefoon en is men de tel kwijt, dan begint het afwassen weer opnieuw. Zo kan het leven van iemand met smetvrees een hel worden.

 

                                         

                                                        HOOFDSTUK 1.3.

 

1.3. MOGELIJKE OORZAKEN VAN EEN FOBIE

 

Mensen die al jaren aan een fobie lijden hebben meestal voor zichzelf een theorie opgebouwd over het ontstaan van hun fobie. Deze theorie vormt een houvast voor hen.

Bepaalde gebeurtenissen in het verleden, die ongelukkigerwijs samenvielen, zouden er voor hebben gezorgd dat de angst en het daarbij horende gedrag een deel gingen uitmaken van hun bestaan. Iedere keer wanneer er een angstaanval optreedt wordt de opgebouwde theorie bevestigd. Dit geeft voor de fobiepatiënt duidelijkheid over het eigen gedrag. Men kan misschien verkeerde conclusies uit het eigen gedrag trekken. Maar als men dit steeds weer doet krijgt de fobie een reden van bestaan.

De wetenschap weet niet precies waardoor fobieën ontstaan. Psychologen zijn het onderling oneens waar de fobieën vandaan komen. Het niet begrijpen van het eigen gedrag en het niet weten waar de angst vandaan komt, kunnen leiden tot meer angst.

 

1.3.1. DE PSYCHOANALYSE

 

De psychoanalyse gaat ervan uit dat een groot deel van de psychische processen onbewust verlopen. Onze gedragingen zouden een afspiegeling zijn van ons innerlijk. Een probleem als een fobie zou een teken zijn van een innerlijk onopgelost probleem. De fobie zou slechts een symptoom daarvan zijn. Wordt het probleem opgelost dan verdwijnt de fobie vanzelf. Bepaalde gedachten en/of gevoelens zouden we niet aan de buitenwereld prijs willen geven, omdat de ervaring ons heeft geleerd dat er dan conflicten ontstaan. Deze gedachten en/of conflicten komen dan niet in ons bewustzijn terecht, maar in het onbewuste. Zie ook 6551. Het bewustzijn zoekt een andere uitweg en zo kan een fobie ontstaan. Volgens Freud ligt de oorzaak van een fobie in de psyche van het kind tijdens de eerste levensjaren. In deze vroege jaren zou het kind gevoelens ontwikkelen, die in strijd zijn met de eisen die de omgeving stelt.

Door aan onze gevoelens toe te geven –bevrediging van onze driften- zouden we in conflict met onze geliefde omgeving (voor het kind dus de ouders) komen. Het “bewuste ik” moet met het onbewuste driftleven zo omgaan dat beide aan hun trekken komen. Volgens de psychoanalyse zijn al de uitingen op sociaal, cultureel, intellectueel en creatief gebied een voorbeeld van een goed gelukte compromis of zelfs integratie (zie ook Integratie ) tussen het bewuste en onbewuste. Wordt er geen compromis bereikt, dan blijft het onbewuste zoeken naar een mogelijkheid tot uiting en wordt er een schijncompromis of valse integratie gevonden in de vorm van een symptoom. Dit symptoom kan bijvoorbeeld een fobie zijn.

Anders gezegd: voor het innerlijk conflict tussen wat we voor onszelf willen tegenover wat de omgeving van ons verlangt kan een schijncompromis in de vorm van een fobie een oplossing bieden.

Een psychoanalytische therapie zal nooit een oplossing van een symptoom nastreven, maar zal zoeken naar de conflicten van het onbewuste en die trachten op te lossen.


 

1.3.2. DE LEERTHEORETISCHE VISIE

 

De leertheoretische visie gaat er van uit dat ieder gedrag is aangeleerd. Een fobie is dus een aangeleerd hinderlijk gedrag. Het is geen symptoom van een onderliggend probleem, maar het probleem zelf. Dit gedrag kan ook weer worden afgeleerd. Men kan een gedrag aanleren door het te koppelen aan een situatie.

Zo liet een Amerikaanse professor (John Watson) aan een jongetje van één jaar een rat zien. Het jongetje was niet bang. Daarna gaf deze professor, telkens als hij de rat liet zien, een klap op een gong. Het jongetje schrok hevig en begon te huilen. Na verloop van tijd had dat jongetje een angst voor ratten gekregen. Deze angst breidde zich uit tot honden, muizen, konijnen, enz. Aldus werd een fobie aangeleerd.

 

Een gedrag kan ook worden aangeleerd door beloning enerzijds en straf anderzijds. Angst voor straf komt bijvoorbeeld veel voor bij kinderen doordat ze op school (te) lage cijfers halen. Het wordt een fobie als zij  last van deze angst gaan krijgen. Zij zijn dan angstiger voor sommige situaties dan andere kinderen.

 

Een derde leerprincipe is het leren door imitatie. Zijn ouders bang voor sommige huisdieren dan zijn hun kinderen daar eerder bang voor dan kinderen waarvan de ouders die angst niet hebben. Angst is “besmettelijk”. Een voorbeeld: Een vrouw van 45 jaar is bang van onweer en durft tijdens een onweersbui niet alleen te zijn. Deze angst is ontstaan doordat haar moeder (eveneens doodsbang voor onweer) allang voordat de eerste donderslag werd gehoord, haar als kind ’s nachts uit bed haalde. Zij moest onder de tafel gaan zitten. Overdag eveneens hetzelfde tafereel maar daarbij deed haar moeder nog de gordijnen dicht. En ook de dochter gaf haar fobie voor onweer door aan haar kinderen.

Volgens de leertheoretische visie ontstaat een fobie dus door het koppelen van een bepaalde angst aan een situatie (zie ook gedragstherapie ) door imitatie (een ander is bang dus ik word het ook).

 

Bij de behandeling van fobieën wordt meestal Gedragstherapie toegepast. Deze therapie heeft de meeste kans op slagen bij de specifieke fobieën en wordt (soms in combinatie met een andere therapie, afhankelijk van de cliënt en therapeut) bij de behandeling van agorafobici gebruikt. De meeste gedragstherapeutische technieken zijn gebaseerd op het principe, dat gevoelens van angst of paniek niet goed samengaan met prettige gevoelens. Bij deze technieken neemt het gebruik van ontspanning om de angst te remmen de grootste plaats in. De behandeling is erop gericht het gedrag van een cliënt in fobie-opwekkende situaties te veranderen, zodat men een leefbare situatie terugkrijgt. 

 

1.3.3. ANDERE OORZAKEN:

 

1.3.3.1. Persoonlijkheid:

 

Iemands persoonlijkheid en het feit dat hij of zij een sterk of zwak zenuwstelsel heeft, spelen een rol bij het vinden van een uitweg voor innerlijke driften.

Fobische patiënten zijn volgens Eyzenck en Gray vaak introvert en onevenwichtig. Ze zijn bijvoorbeeld snel ontstemd, angstig en sceptisch ingesteld.

Een ander onderzoek door Eyzenck heeft uitgewezen, dat het verschil tussen introverte en extraverte mensen wordt veroorzaakt door verschil in de bouw van de hersenen. Introverte typen zouden sneller een onprettig gevoel aan een bepaalde situatie, waarin ze zich op dat moment bevinden, koppelen. Ze zouden eerder een fobie ontwikkelen.

 

1.3.3.2. Gebeurtenissen van levensbelang:

 

In ieders leven komen gebeurtenissen voor waardoor men uit zijn evenwicht raakt. Dit kunnen prettige dingen zijn (zoals de geboorte van een kind, het krijgen van een eigen huis of vinden van nieuw werk) maar ook onprettige (zoals de dood van een naaste, ziekte of ontslag). Voor veel fobici vormt een dergelijke gebeurtenis de start van hun fobie. Deze gebeurtenis op zich is niet de oorzaak, maar de oorzaak van het ontstaan van een fobie is een combinatie van de persoonlijkheid en het koppelen van de angst aan een situatie.

Zo ontwikkelde een man, wiens huis eens zware schade had door stormweer, een stormfobie. Als het hard waaide, werd hij zo bang, dat hij niet meer kon slapen en door het huis liep te ijsberen. Zijn angst werd steeds groter. Hij luisterde naar elk weerbericht en keek steeds naar de lucht of een storm op komst was. Uiteindelijk durfde hij zijn huis niet meer uit, uit angst onderweg door een storm te worden overvallen.

 

1.3.3.3. Lichamelijke oorzaken:

 

Men kan een bepaalde ziekte hebben waarvan men geen vermoeden heeft. Deze ziekte veroorzaakt dat men zich in bepaalde situaties niet goed voelt. Bijvoorbeeld, iemand krijgt door een oogafwijking hoofdpijn en gaat denken aan een hersentumor. Een ander met de ziekte van Menière heeft last van oorsuizen en duizeligheid bij verandering van temperatuur. Wanneer deze klachten op straat optreden, kan straatvrees ontstaan.

Hormoonwisselingen kunnen eveneens een rol spelen bij het ontstaan van een fobie. Zo worden zwangerschap, bevalling en menopauze heel vaak genoemd als het begin van een fobie. Ook de menstruele cyclus speelt een rol. Veel vrouwen zijn een bepaalde periode van de cyclus, meestal kort voor de menstruatie, gevoeliger en dus ook t.o.v. angsten.

Biologische factoren kunnen dus een rol spelen bij het ontstaan van fobieën.

Er wordt hersenonderzoek gedaan omdat er aanwijzingen zijn dat bij het ontstaan en in stand houden van fobieën, stoornissen van de informatieoverdracht in de hersenen voorkomen. Door het toedienen van serotonine (neurotransmitter)  verminderen de fobische klachten. Zie ook de neurosen.

Er is een duidelijk verband tussen hyperventilatie en agorafobie aantoonbaar. Aan circa 80% van de patiënten met agorafobie ligt een aanval van hyperventilatie ten grondslag.

Hypoglycaemie kan ook een oorzaak van een fobie zijn. Symptomen, die door een verlaagd bloedsuikergehalte kunnen ontstaan zijn o.a. trillerigheid, geïrriteerdheid, hoofdpijn, transpireren, hartkloppingen, hongergevoel, depressies en angst..

Volgens de Engelse psychiater Mackarness (zie boek: “Alles behalve verbeelding” v. Dr. Richard Mackarness) zijn veel chronische lichamelijke en geestelijke ziekten te wijten aan een voedselallergie. Een voedselallergie kan de oorzaak zijn van depressies, angsttoestanden, neurosen, hysterie en zelfs psychose en schizofrenie. Mackarness  heeft aangetoond, dat veel van zijn patiënten niet bij een psychiater thuishoren maar bij een diëtist. Zelfs ernstige psychiatrische patiënten werden genezen door een verandering van hun voedselpatroon.

 

1.3.3.4. Paranormale geneeskunst:

 

In de paranormale geneeskunst gaat men er van uit, dat het merendeel van de fobische klachten te maken heeft met vorige levens.

De ziel neemt als het ware de herinnering aan traumatische gebeurtenissen uit vorige levens mee naar het huidige leven.

 

[Opm.: Wat mijn mening daarover is doet eigenlijk niets terzake en ik vond het vanzelfsprekend om ook deze theorieën of visie te noteren in mijn eindwerk… zij het beperkt want dit is geen gegeven dat mij aanspreekt en zodoende zal ik daar in dit eindwerk dan ook niet verder over uitweiden.]

 

 

                                               HOOFDSTUK 1.4.

 

 

1.4. LICHAMELIJK ASPECTEN VAN EEN FOBIE 

 

Een angstreactie gaat altijd gepaard met een lichamelijke reactie. Deze lichamelijke reacties zijn zeer verschillend.

De één gaat, als hij angstig is, erg zweten, de ander wordt misselijk en gaat braken en weer een ander gaat blozen of trillen of krijgt hartkloppingen.

Ons lichaam is aan allerlei invloeden van buitenaf onderhevig en naar gelang de aard van de prikkels wordt ons alarmsysteem ingeschakeld.

Angstemoties activeren via de hypothalamus het sympathische zenuwstelsel en het bijniermerg, waardoor er een sterk verhoogde afscheiding van o.a. adrenaline ontstaat.

Adrenaline verhoogt de hart- en ademfrequentie, remt de darmperistaltiek (voortschrijdende wormvormige samentrekking van de maagwand, waardoor de inhoud wordt voortbewogen), verhoogt de bloeddruk door vernauwing van de bloedvaten, veroorzaakt een bleke koude huid door vernauwing van de huidvaten, vermeerdert de zweetafscheiding, leidt tot algemene spiercontractie o.a. van urineleider, uterus (baarmoeder), maagsfincter en sfincter(of sluitspier) van de urineblaas, verwijdt de bronchiën, verhoogt de bloedsuikerspiegel, verhoogt de spierdoorbloeding en verwijdt de pupillen.

De prikkeling van de sympaticus (autonoom zenuwstelsel) vanuit de hypothalamus geeft verhoogde prestaties door de extra energie die wordt vrijgemaakt, meer bepaald de energie voor de vlucht- of vechtreactie.

Om weer in balans te komen zijn er twee mogelijkheden:

Verbruik van deze energie door vluchten of vechten of activering van het parasympatische zenuwstelsel. Dit laatste bereikt men door ontspanning of eten (angst “weg eten”). Als een angsttoestand lang aanhoudt treden er steeds parasympatische reacties op, waardoor er verschijnselen als misselijkheid, braken, diarree en urinelozing optreden.

Hevige emoties en stress vormen een constante belasting voor het vegetatieve (levensnoodzakelijke functies) zenuwstelsel. De ene mens heeft hier meer weerstand tegen dan de ander. Is deze weerstand laag dan is men vegetatief labiel. Men windt zich snel op, reageert over emotioneel en is angstig. Deze labiliteit kan iemand fobiegevoelig maken en/of lichamelijke klachten veroorzaken, zoals hart- en vaatziekten, maag- en darmstoornissen, lusteloosheid en vermoeidheid.

Men kan vegetatief labiel zijn door aanleg of worden door tijdenlang onder stress te leven.

 

 

1.4.1. RELATIE HYPERVENTILATIE  EN FOBIEËN:

Er bestaat een duidelijk verband tussen fobieën en hyperventilatie. Uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat circa 80% van alle gevallen van agorafobie is begonnen met een aanval van hyperventilatie. Ook blijkt dat vrijwel alle agorafobici tevens last hebben van hyperventilatie. Mensen met een ander soort fobie hyperventileren eveneens nogal eens. Andersom, wie last heeft van hyperventilatie hoeft per definitie geen fobie te hebben. Er zijn namelijk veel mensen met alleen hyperventilatie. Hyperventileren betekent te snel en/of te diep ademhalen, waardoor er een koolzuurtekort in het lichaam ontstaat. Dit tekort veroorzaakt allerlei lichamelijke verschijnselen, zoals hartkloppingen, benauwdheid, kortademigheid, duizeligheid, tintelingen in handen en voeten, droge mond, strak gevoel rond de mond, het gevoel flauw te vallen, wazig zien, gevoel van onwerkelijkheid, het gevoel niet te kunnen slikken, oorsuizen, klam gevoel, slap gevoel in de knieën, het idee gek te worden, bang om dood te gaan. Deze lichamelijke verschijnselen komen niet allemaal tegelijk voor als men hyperventileert.

Een acute hyperventilatieaanval is een zeer angstige ervaring. Als men regelmatig last heeft van hartkloppingen, pijn in de hartstreek en benauwdheid is het begrijpelijk, dat men zich erg ongerust maakt, omdat dit ook de bijverschijnselen van een hartinfarct zijn. Veel mensen met deze klachten ontwikkelen een hartziektefobie (cardiofobie).

Veel artsen herkennen het hyperventilatiesyndroom niet. Veel mensen lopen dan ook van de ene arts naar de andere, echter in veel gevallen zonder resultaat. Dan volgt de diagnose “het zal wel psychisch zijn” en men wordt met kalmeringsmedicatie naar huis gestuurd. Die pillen maken de patiënt wel wat rustiger en suffer, maar genezen  natuurlijk niet of nemen de oorzaak van het hyperventileren niet weg. Daar dit dikwijls de enige manier is waarop de patiënt zich “wat beter voelt” kan hij niet meer zonder die medicatie en raakt hij er aan verslaafd.

Hyperventilatie is geen ziekte, het is een verkeerde manier van ademhalen. Hyperventilatie is een normale reactie van het lichaam op spanning en angst. Een dier spant bij gevaar zijn spieren en gaat dieper ademhalen. Het is klaar voor de vlucht of een gevecht. Bij de Westerse mens is een dergelijke reactie op spanning en angst niet nodig; men heeft niets aan de extra hoeveelheid ingeademde lucht.

Als men een tijdlang onder spanning leeft, gaat men een beetje hyperventileren en bij een zekere overspannenheid wordt dit van kwaad tot erger, totdat men op een onverwacht moment een aanval van hyperventilatie krijgt.

Men is hierdoor dikwijls bang geworden om later de plek te bezoeken waar die aanval heeft plaatsgevonden. Krijgt men later op een andere plek weer een aanval van hyperventilatie, dan komt men in een vicieuze cirkel terecht, die te vergelijken is met die van een fobie: door gespannenheid gaat men hyperventileren, hierdoor raakt men weer gespannen en gaat men weer hyperventileren, enz.

Een aanval van hyperventilatie is een onaangename gebeurtenis. Het is dus heel begrijpelijk dat iemand daar angstig van wordt. Vond de aanval op straat plaats dan durft de betrokkene eigenlijk op den duur de straat niet meer op. Het kan uiteindelijk de angst voor de angst worden.

Waar begint de ellende? Krijgt men dan een fobie omdat men hyperventileert of andersom?

Beide situaties zijn mogelijk, maar uit onderzoek is gebleken dat circa 80% van de agorafobiegevallen is begonnen met een aanval van hyperventilatie. Veel agorafobici weten niet eens dat ze hyperventileren. De meeste zeggen zo maar opeens “niet goed” zijn geworden op straat. Indien zij dit wel hadden geweten, was de angst niet zo groot geworden. Ze ademden namelijk verkeerd. Wordt een aanval van hyperventilatie als zodanig herkend, dan is de paniek niet zo groot. Zeker niet, als men weet hoe men in zo’n geval kan handelen. De oorzaken van een fobie en hyperventilatie komen dus uit dezelfde hoek: spanning en angst.



DEEL 2: HOMEOPATHISCHE BENADERING

 

                                               HOOFDSTUK 2.1.

 

2.1. ALGEMENE SCHETS VAN DE JUISTE BETEKENIS EN INHOUD VAN HOMEOPATHIE (zie ook Homeopathie) :

  

 

2.1.1. Volgens “van Dale”-woordenboek: “Geneeswijze waarbij men als geneesmiddel tegen een kwaal een geringe hoeveelheid toedient van datgene wat bij een gezonde persoon juist de kwaal zou teweegbrengen.”

 

2.1.2. Samuel Hahnemann (1755-1843), een Duitse arts, kunnen we gerust de “uitvinder” van homeopathie noemen.

Hij stelde een aantal belangrijke wetten op, als basis voor de homeopathie:

 

1.     Wet van de MINIMALE DOSERING:

Omdat homeopathische geneesmiddelen een sterke energie in zich hebben werken ze niet alleen lichamelijk, maar ook op een hoger, energetisch niveau. Het raakt zowel het lichaam als de geest en daarnaast alle processen (goede en slechte) die zich in de mens afspelen.

De werking kan daardoor bijzonder krachtig zijn en als gevolg daarvan hebben we van een homeopathisch geneesmiddel maar heel weinig nodig en op die stelling berust deze wet van minimale dosering.

De grondstof voor homeopathische geneesmiddelen komen uit: planten, minerale en dierlijke produkten.

 

2.     Wet van de GELIJKSOORTIGHEID:

Bepaalde stoffen wekken, in onverdunde toestand, bij inname bepaalde ziekteverschijnselen op. Indien diezelfde stoffen op een bepaalde typische manier verdund worden kunnen ze als geneesmiddel tegen die ziekteverschijnselen of klachten gebruikt worden. M.a.w. De ziekte wordt door het gelijksoortige middel genezen.

Wat maakt dat bij gebruik van homeopathiemiddelen, dikwijls in het begin, zelfs de klachten licht verergeren.   

        

3.     Wet van de HOLISTISCHE BENADERING:

Deze wet heeft betrekking op de benadering van de patiënt en zijn ziekte: we benaderen de mens “holistisch”. M.a.w.: We kijken niet alleen naar de ziektesymptomen maar vooral naar de gehele mens!

 

 

 


OPMERKING: Deze derde wet, waarin men in de homeopathie, enerzijds aandacht geeft aan de symptomen maar vooral anderzijds aan de gehéle mens, alvorens een conclusie te trekken en/of passend geneesmiddel te bepalen,  is voor mij de link of integratie tussen homeopathie en psychotherapie!


2.1.3. BIJ EEN JUISTE HOMEOPATHISCHE GENEESMIDDELKEUZE KIJKEN WE NAAR:

 

2.1.3.1.  De LICHAMELIJKE en PSYCHISCHE SYMPTOMEN:

Voorbeeld: Bij reumatische pijnen zijn heel duidelijk lichamelijke symptomen maar bij de meeste aandoeningen zien we ook psychische symptomen optreden.Dat kan droefheid of zelfs overmatige vreugde zijn, maar ook kwaadheid, nervositeit, angst, het gevoel of zelfs de hoop te zullen sterven, vergeetachtigheid, enz.

 

2.1.3.2. Zowel het KARAKTER/MENTAAL/EMOTIONEEL VAN DE PATIËNT als het KARAKTER VAN HET GENEESMIDDEL:

Voorbeeld: We vergelijken even de volgende 3 middelen:

. Pulsatilla (wildemanskruid): Wordt gegeven aan een zachtaardig persoon die bijzonder toegeeflijk is, maar ook snel huilt.

. Ignatia (ignatiusboom): Wordt gegeven indien vooral onverwerkte emoties de patiënt dwars zitten en indien hij op anderen een hysterische indruk maakt. Het lijkt wel of alle getoonde gevoelens overdreven of misplaatst zijn, kortom de patiënt is “één brok zenuwen”.

. Sepia (inkt van de zeekat, is soort inktvis): Wordt gegeven indien de patiënt ook gemakkelijk huilerig is mààr hier is vooral sprake van diep geworteld verdriet dat heel moeilijk naar de oppervlakte te krijgen is. Kenmerkend is ook dat dit verdriet lang onderdrukt is geweest. Maar komt het eenmaal aan de oppervlakte, dan kan de patiënt niet meer ophouden met vertellen wat hij allemaal meegemaakt heeft.

 

2.1.3.3. De OORZAAK VAN DE KLACHTEN:

Het is dikwijls ook belangrijk om ook de oorzaak van de klachten te kennen.

Er zijn een groot aantal oorzaken die klachten kunnen veroorzaken zoals: oververmoeidheid, ouderdom, zwakte, andere ziekten, enz.

[Nooit mogen we binnendringende bacteriën of virussen de schuld geven, want als we door deze micro-organismen ziek worden, hebben we dat vooral aan onszelf te danken. Veel bacteriën en virussen zijn namelijk voortdurend in ons lichaam aanwezig en toch worden we er niet ziek van. Ze hebben vaak zelfs een onmisbare functie in het lichaam.

Maar raakt de lichamelijke en/of psychische balans verstoord, bijvoorbeeld door vermoeidheid, een slecht leef- of voedingspatroon, verdriet, enz., dan kan er een verandering optreden, waardoor de bacteriën en virussen anders gaan reageren. Als gevolg hiervan zien we dan een ontstekingsreactie optreden.] 

        

2.1.3.4. De MODALITEITEN:

Modaliteiten zijn de omstandigheden die de klachten van een patiënt verergeren of de toestand juist verbeteren.

De modaliteiten helpen ons om het beeld dat we van de zieke en van de ziekte krijgen nog duidelijker te maken.

Bijvoorbeeld:          . Hoe zijn de klachten tijdens de evolutie van dag en nacht?

                   . Hoe is de psychische toestand?

                   . Hoe is de voeding?

                   . Welke invloed heeft het klimaat op de klachten?

         . Welke invloed hebben warmte of koude op klachten?

                   . Hebben jaargetijden invloed op klachten?

          . Hoe is de klacht bij verschillende houdingen (staand, liggend, zittend, met of zonder deken)?


Besluit: Alleen wanneer de symptomen, modaliteiten en psyche van de patiënt overeenkomen met het beeld van een bepaald geneesmiddel, kan dit middel ook met succes toegepast worden.

 

 

 

HOOFDSTUK 2.2.

 

2.2. GEORGE VITHOULKAS: een Griekse wereldbefaamde homeopaat.

De Griek George Vithoulkas, Master in de Homeopathy, wordt door vele geneesheren-homeopaten beschouwd als de man, die in de homeopathische wereld met kop en schouders uitsteekt boven de anderen.

Velen noemen hem de opvolger van de grote homeopaten Hahnemann (zie pg. 14) en Kent.

George Vithoulkas beoefent de homeopathie reeds verschillende tientallen jaren en zijn  ervaring op dit vlak vindt geen gelijke, menen andere ervaren homeopaten.

In 1972 stichtte hij het eerste Griekse tijdschrift voor Homeopathie.

In 1976 organiseerde hij het eerste Internationaal Seminarie voor Homeopathie in Griekenland. Een seminarie dat sedertdien jaarlijks wordt gehouden en waar homeopaten van de ganse wereld naartoe komen om wat van zijn kennis te kunnen opdoen, en dat tot op heden.

 

2.2.1. DE DRIE NIVEAUS VAN ZIEKTE EN GEZONDHEID VOLGENS G. VITHOULKAS:

 

In de opbouw van het menselijk lichaam bestaat een hiërarchie, die gemakkelijk herkenbaar is en wordt gekarakteriseerd door drie niveau’s:

1.   Het MENTALE NIVEAU

2        Het EMOTIONELE NIVEAU

3.   Het FYSIEKE NIVEAU (met inbegrip van de seksualiteit, slaap, voeding en de vijf zintuigen)

 

Deze drie niveaus kan men niet van elkaar scheiden, er bestaat een constante interactie tussen.

Voor een homeopaat is het enorm belangrijk om inzicht te hebben in deze drie niveaus, omdat het essentieel is voor de evaluatie en vooruitgang van de patiënt.

 

Binnen deze drie niveaus bestaan er ook hiërarchieën. De drie niveaus kan men voorstellen als drie cilinders, die over elkaar zijn heen te schuiven.

Meest centraal (dus de kern, het bijzonderste) bevindt zich de mentale cilinder, daarboven de emotionele en als buitenste de fysieke cilinder.

Iedere cilinder begint en eindigt op een ander niveau (steeds wat lager), de overlapping is dus niet volledig. Iedere cilinder heeft een eigen hiërarchie en verbinding met de andere niveaus. Hoe hoger we op een bepaalde cilinder ingaan, hoe dieper we het organisme raken. Meer naar het centrum verergert de toestand van de gezondheid, maar naar de buitenkant verbetert de gezondheidstoestand. De meest belangrijke streek, de top van de centrale cilinder, nl. het mentale niveau, staat niet in verbinding met het emotionele of fysieke niveau. De onderkant van de buitenste cilinder, nl. het fysieke niveau, is het onbelangrijkste deel, dat ook niet in verbinding staat met het emotionele en mentale niveau.

Elke prikkel of verandering op een bepaald niveau beïnvloedt mede in mindere of meerdere mate de andere niveaus. Als we het hiërarchische niveau, waarop de storingen zich afspelen, combineren met de intensiteit van de symptomen is het mogelijk zich een idee te vormen over de ernst of diepte van de aandoening van de patiënt. Als het niveau en de intensiteit van de symptomen zich naar boven en binnen verplaatsen in de cilinder(s), dat wil zeggen meer naar het centrum van het wezenlijk mens-zijn (meer naar de kern, het mentale niveau), dan betekent dit een verslechtering van de gezondheid van de patiënt. Als de verschuiving naar beneden plaatsvindt, betekent dit dat de gezondheid van de patiënt verbetert.

 

2.2.1.1. Het MENTALE niveau:

                                     

Dit is het hoogste en meest belangrijke niveau waarop een mens functioneert: het mentale of geestelijke niveau.

De algemene definitie voor dit niveau kan luiden: Het mentale niveau van een mens is het niveau dat veranderingen registreert in begrijpen en bewustzijn.

Op dit vlak speelt het denken van de mens zich af. Uitingen hiervan zijn: rekenen, veronderstellen, bekritiseren, vergelijken, ordenen, plannen maken, communiceren, beschrijven, synthetiseren, enz.

Er is een hiërarchie of rangorde van mentale ziekten. In volgorde van minst naar meest erge zijn dit:

-         afwezigheid

-         vergeetachtigheid

-         concentratiestoornissen

-         slaapzucht

-         paranoïa (illusies, hallucinaties)

-         destructief delirium (waanzin, razernij)

-         krankzinnigheid

Het mentale niveau is het meest belangrijke voor een mens, het is het geestelijke gedeelte, de ware essentie van een mens. Als dat niveau wordt verstoord vraagt die mens zich dikwijls af wat de zin van het leven is.

Van het stadium van geestelijke gezondheid naar het stadium van krankzinnigheid (meest erge in de rangorde van mentale ziekten) zien we een geleidelijk verloop. Er is een hiërarchie van geestelijk functioneren.

Een duidelijk inzicht in deze ontwikkelingsgang is belangrijk voor de vaststelling van de prognose van een bepaald ziektegeval.

 

2.2.1.2. Het EMOTIONELE niveau:

 

Het volgende belangrijke niveau, dat na het mentale niveau komt, is het emotionele niveau.

Op dit niveau worden de veranderingen in het emotionele toestand geregistreerd, ervaren we alle soorten gevoelens. We kennen veel uitingen van gevoel: liefde en haat, blijheid en droefheid, kalmte en rust, vertrouwen en angst, moed en bezorgdheid, enz. Dit niveau beïnvloedt ons dagelijkse leven sterk. Onze gevoelens kunnen ervaren worden als positief of negatief.

Positieve gevoelens brengen de mens naar meer geluk en blijheid. Negatieve gevoelens maken de mens ongelukkig. Hoe meer negatieve gevoelens een mens heeft, hoe ongezonder hij op dit niveau is.

Om de mate van ziek zijn op dit niveau van iemand vast te stellen moeten we nagaan in welke mate hij zich bezighoudt met negatieve gevoelens als onverschilligheid, prikkelbaarheid, angst, overbezorgdheid, moedeloosheid, zelfmoordgedachten, jaloezie, haat, enz.

Positieve gevoelens in een mens geven altijd de tendens tot eenheidsgevoel met de buitenwereld. Zij versterken de emotionele toestand en scheppen positieve condities in de omgeving, waardoor de communicatie met mensen en dus de samenleving wordt versterkt. Als iemand zijn vertrouwen ten opzichte van een ander uitspreekt, komt dat beiden ten goede en schept het een beter psychisch evenwicht.

Dit in tegenstelling met negatieve gevoelens. Indien men bijvoorbeeld een uitdrukking van woede of wantrouwen heeft, die doen een emotionele disharmonie ontstaan, en dat kan uiteindelijk leiden tot ontaarding van de samenleving en die hebben tevens de tendens een isolatie en verwijdering van de omgeving te doen voelen. Een persoon die leeft met gevoelens van angst, moedeloosheid of bezorgdheid zorgt voor vergiftiging van zijn positieve emoties

Iemand die leeft met gevoelens van innerlijke rust, tevredenheid, (zelf)vertrouwen enz. schept voor zichzelf en anderen de beste emotionele voedingsbodem, die alleen maar kan leiden tot versterking van de emotionele toestand.

 

Ook op het emotionele niveau bestaat een hiërarchie van belangrijkheid, nl.:

-         ontevredenheid

-         prikkelbaarheid

-         bezorgdheid

-         angsten, fobieën

-         smart

-         droefheid, depressies

-         lusteloosheid

-         eenzaamheid

-         zelfdoding/depressies

De hoogste toestand van emotionele gezondheid ervaart de mens als een absolute dynamische rust, die samengaat met liefde voor zichzelf, voor de ander en voor zijn omgeving.

Een slechte emotionele gezondheidstoestand ervaart men als een ernstige innerlijke kwelling of depressie, die zo intens kan worden dat alle interesse voor het leven verloren gaat en er een hevig verlangen naar de dood ontstaat.

Zwakte op het emotionele niveau is het grootste gezondheidsprobleem!

 

De mens beïnvloedt zijn omgeving en wordt er op zijn beurt weer door beïnvloed (bijv. Verstoring op emotioneel niveau kan bijvoorbeeld leiden tot oorlog, geweld, terrorisme, massamoorden, racisme en kindermishandeling.)

Onze omgeving beïnvloedt ons het sterkst tijdens onze opvoeding. Ons opvoedkundig systeem (ook betreffende het onderwijssysteem) schiet tekort bij de emotionele vorming van de jeugd, waardoor het emotionele gedeelte in ons is ondervoed en gemakkelijk vatbaar voor stoornissen op emotioneel niveau.

We kunnen stellen dat we in een maatschappij leven waarin menig mens geen contact meer heeft met zijn gevoel.

Indien er, vanaf vroege leeftijd, meer aandacht zou besteed worden aan de emotionele vorming waardoor de mensen op dat niveau dan ook rijper zouden zijn, zouden we meer bestand zijn tegen de moderne epidemieën zoals nervositeit, onzekerheid, bezorgdheid, angsten, fobieën en depressies.

 

2.2.1.3. Het FYSIEKE niveau:

 

De traditionele of allopathische geneeskunde heeft zich altijd op het fysieke niveau, het menselijk lichaam, gericht. Er is diepgaand onderzocht: anatomisch, fysiologisch, pathologisch, biochemisch, moleculair, enz.

Helaas schenkt de traditionele geneeskunde niet veel aandacht aan het feit, dat het menselijk lichaam in zijn complexiteit ook een hiërarchie van belangrijkheid heeft wat betreft zijn organen en systemen.

Het beoordelen van de belangrijkheid van een orgaan kan gemeten worden door na te gaan hoezeer het gehele organisme lijdt als een bepaald orgaan wordt beschadigd. Bv.: Een schram op de hersenen veroorzaakt veel meer schadelijke effecten dan een zelfde schram op het hart en die weer veel meer dan een schram op de huid.

 

Hieronder volgt een lijst van orgaansystemen en hun organen, ingedeeld naar de belangrijkheid:

1.     Het zenuwstelsel, bestaande uit: centrale en perifere zenuwstelsel.

2.     Het circulatiesysteem, bestaande uit: hart, bloedvaten, bloed, lymfevaten en lymfe.

3.     Het hormoonstelsel, bestaande uit: hypofyse, schildklier, bijschildklieren, bijnieren, pancreas, geslachtsklieren en epifyse.

4.     Het spijsverteringssysteem, bestaande uit: lever, pancreas, maag, darmen en bijbehorende klieren.

5.     Het ademhalingssysteem, bestaande uit: longen, bronchiën, luchtpijp, keelholte en neus.

6.     Het uitscheidingssysteem, bestaande uit: nieren, urineleiders, blaas en urethra.

7.     Het voortplantingssysteem, bestaande uit: testikels, zaadblaasjes, penis en prostaat bij de man; eierstokken, eileiders, uterus en vagina bij de vrouw.

8.     Het beenderstelsel, bestaande uit: botten, gewrichten en bindweefsel.

9.     Het spierstelsel, bestaande uit: dwarsgestreept en glad spierweefsel.

10.  De huid.

In deze classificatie zien we dat de eerste vier systemen elk een orgaan bevatten, dat zeer belangrijk is om in leven te blijven.

Allereerst de hersenen, dan het hart, vervolgens de hypofyse en tenslotte de lever. In deze systemen zien we een orgaan, waarvan de functie niet door een ander orgaan kan worden overgenomen. Daarna zien we systemen die twee dezelfde organen hebben, die elkaars functie kunnen overnemen: twee longen, twee nieren, twee voortplantingsorganen en dit zowel bij de man als de vrouw.

Verder naar beneden in de hiërarchie vinden we het skelet, waarvan verschillende delen beschadigd kunnen worden zonder dat het leven in gevaar komt. Hetzelfde geldt voor het spierstelsel en de huid.

Het begrijpen van deze hiërarchie stelt de genezer in staat de richting van een ziekte te herkennen. Als een ziekte in de hiërarchie omhoog gaat, bv. van nieren naar longen, hart en uiteindelijk hersenen/hypofyse, dan is het duidelijk dat er verergering optreedt. Als het tegenovergestelde optreedt, dus een ziekte gaat van hersenen naar lager gerangschikte organen, dan is er verbetering van de gezondheidstoestand.

In de traditionele of allopathische geneeskunde wordt niet overwogen dat de ergere kwalen ontstaan door de onderdrukking van de symptomen van minder erge ziekten. Of de behandeling nu chemisch of zogenaamd natuurlijk is [o.a. homeopathie, fytotherapie (Geneeskrachtige stoffen enkel uit kruiden, waarbij een deel van de plant of zelfs de gehele plant gebruikt wordt om er thee van te maken of er een aftreksel in alcohol van te maken.)], er moet worden verondersteld dat als een ziekte van een minder belangrijk naar een meer belangrijk orgaan gaat, de therapie de ziekte verdiept of erger maakt.

 

Een voorbeeld: Een patiënt lijdt aan chronische bronchitis en chronische verstopping. Bij zorgvuldige navraag van de drie niveaus blijkt dat de patiënt behoorlijk geïrriteerd kan zijn, bang voor het donker is, bang voor ziekte en bezorgd voor de toekomst. Verder is zijn concentratievermogen de laatste tijd duidelijk verminderd.

Op dit moment ligt het zwaartepunt van de symptomen van deze patiënt op het lichamelijke niveau. De therapeut (homeopaat) schrijft een bepaalde therapie voor. Als de patiënt na een aantal weken terugkomt zijn de bronchitis en verstopping duidelijk verbeterd, maar de symptomen van geïrriteerdheid en de angsten zijn toegenomen. De patiënt klaagt over moedeloosheid en kan zich nog slechter concentreren. Zijn vermogen om creatief werk te verrichten voor zichzelf en anderen is een stuk verminderd.

De allopathische arts zal door de verbetering van de bronchitis en verstopping tevreden zijn en vervolgens de patiënt doorverwijzen naar een psychiater. Een goede homeopaat zal onmiddellijk zien dat het zwaartepunt van de ziekte is veranderd van het lichamelijke naar het emotionele niveau, dus dat de gezondheid slechter geworden, ofschoon de hoofdklacht misschien wel voor 90% is verbeterd.

Een echte genezing zal in tegenovergestelde richting verlopen. Eerst zal de concentratie verbeteren en zullen de emotionele symptomen minder worden. Het zwaartepunt zal geleidelijk naar beneden gaan en zich meer concentreren op lichamelijk niveau.

Door het kennen van de hiërarchie en door observatie omtrent het zwaartepunt van de ziekte hebben we een zeer praktische methode om te evalueren.

 

Naar aanleiding van de voorgaande beschouwingen over de drie niveaus van gezondheid en ziekte kunnen we de definitie van gezondheid als volgt formuleren:

GEZONDHEID IS VRIJHEID VAN PIJN, WAARDOOR ER EEN GEVOEL VAN WELBEVINDEN IS OP HET LICHAMELIJKE NIVEAU, VRIJHEID VAN PASSIES OF DRIFTEN OP HET EMOTIONELE NIVEAU EN VRIJHEID VAN EGOÏSME EN HEBZUCHT OP HET MENTALE NIVEAU.

 

 

                                               HOOFDSTUK 2.3.

 

2.3. VEEL GEBRUIKTE HOMEOPATHISCHE GENEESMIDDELEN EN HUN BEELDEN, TER BEHANDELING VAN ANGSTEN EN FOBIEËN:

 

In dit hoofdstuk komen de geneesmiddelbeelden van 15 homeopathische middelen aan de orde, die bij de behandeling van veel voorkomende fobieën belangrijk zijn en dus veel worden toegepast.

 

- De volgende middelen worden in alfabetische volgorde beschreven:

1.       ACONITUM NAPELLUS

2.       ARGENTUM NITRICUM

3.       ARSENICUM ALBUM

4.       CALCIUM  CARBONICUM

5.       CHINA OFFICINALIS

6.       GELSEMIUM SEMPERVIRENS

7.       KALIUM ARSENICOSUM

8.       LAC CANINUM

9.       LOBELIA INFLATA

10.   LYSSINUM (HYDROPHOBINUM)

11.   MANCINELLA

12.   NATRIUM MURIATICUM

13.   PHOSPORUS

14.   STRAMONIUM

15.   SYPHILINUM

 

- Van elk middel wordt achtereenvolgend beschreven:

- Karakteristieken

- Mentaal/Emotioneel beeld

- Modaliteiten

- Behoeften en afkeer

- Algemene en klinische symptomen

- Angsten en fobieën (*)

(*) Het onderdeel “Angsten en fobieën” is toegevoegd met de bedoeling de angstsymptomen van het desbetreffende geneesmiddelenbeeld verder toe te lichten en uit te diepen.

 

 

2.3.1. ACONITUM NAPELLUS:

 

De meeste homeopaten kennen Aconitum als een middel dat wordt gebruikt bij heftige acute ziektetoestanden veroorzaakt door koude droge wind, extreme droge hitte. Deze gaan gepaard met hoge koorts, angst, rusteloosheid en bezorgdheid.

Voor de behandeling van paniekaanvallen is het belangrijk het chronische beeld van Aconitum te kennen.

Aconitum past klinisch zeer goed bij snel opkomende heftige ontstekingsprocessen en andere acute ziektetoestanden na blootstelling aan (droge) koude, enz. Tegenwoordig zien we cultuur-shocks of maatschappij-shocks, dus geen ontsteking van het fysieke lichaam, maar van de geest. Daarom is het belangrijk het mentale/emotionele beeld van Aconitum te kennen. Aconitum wordt vaak gegeven na een psychische shock. Het geneesmiddelenbeeld van Aconitum hierna is dus anders dan dat na een acute ziekte.

 

Essentie:

Patiënt denkt te zullen dood gaan, grote angst ervoor.

 

Karakteristieken:

- Enorme paniek, angst en rusteloosheid vooral na traumatische gebeurtenissen, waarbij iemand oog in oog heeft gestaan met de dood.

- Plotseling en heftig optredende symptomen vooral door koude en koude, droge wind.

- Robuust, gespierd en vitaal type.

- Droge mond, heeft intense dorst naar koud water. Alles behalve water smaakt bitter.

- Rood, blozend gezicht dat bleek wordt bij overeind komen of duizelig bij overeind   komen.

 

Mentaal/Emotioneel beeld:

- Meevoelend en extrovert. Ondanks het robuuste uiterlijk toch erg gevoelig voor psychische shocks, in het bijzonder als er sprake is van schrik of vrees.

- Aconitum wordt vooral gegeven na traumatische gebeurtenissen, waarbij de patiënt het gevoel heeft dood te gaan. Dus enorme schrik in samenhang met hevige angst voor dood. Bijvoorbeeld: Opgesloten in lift -> gebrek aan frisse lucht -> ademnood -> angst om dood te gaan. / Of: Na roofoverval / Getuige van moordaanslag / Na aardbeving.

 

- Deze shocks kunnen angsten en fobieën teweegbrengen, zoals: claustrofobie, angst voor mensen, angst voor donker, angst dat overal plafond zou instorten (na aardbeving), maar vooral angst voor de dood.  

- Dergelijke patiënten kunnen niet vertellen wat er met hen aan de hand is. Het meest waarschijnlijk is, dat zij steeds weer voelen dood te gaan.

- Het kan ook leiden tot een overdreven bezorgde reactie t.o.v. familieleden en vrienden. Ze reageren dan ook overdreven als die ander iets overkomt. Vanwege deze enorme invoelende aard is het horen van slecht nieuws niet goed voor deze patiënt.

- Ze leven (te) sterk met de ander mee.

 

Modaliteiten:

- Verergering: door koude, hitte, koude droge wind, ’s nachts, in warme gesloten ruimten. - Verbetering: door frisse lucht en zonder dekens.

Algemene en klinische symptomen:

- Hartkloppingen, duizeligheid, eenzijdige gevoelloosheid, tintelen of doofgevoel (gezicht/lichaam), blozen, flauwvallen, trillen zweten.

- Barstende hoofdpijn: kokend gevoel in hoofd, meestal in achter- en voorhoofd of na angst en onrust. Erger: door overeind komen. Beter: door liggen.

- Buikpijnen: uitstralend naar de borst.

- Urineverlies na schrik of vrees: bijv. bij pasgeborenen door het geboortetrauma.

- Plotselinge ontsteking van teelbal (man)/eierstok (vrouw)

- Overgevoeligheid voor geluid.

- Rode, hete, droge huid, weinig transpiratie, veel dorst naar koud water.

 

Angsten en fobieën:

- Aconitum is een zeer belangrijk middel voor angsten en fobieën na traumatische gebeurtenissen. Het belangrijkste bij die angsten is het gevoel/angst om dood te gaan.

 

Deze angst om dood te gaan (dikwijls de constante gedachte dat het hart zal begeven) kan extreme vormen aannemen en de zekerheid daarvan kan zich uiten doordat patiënt expliciete voorbereidingen neemt. Ook andere angsten (bv. claustrofobie, voor donker, voor menigte, ongelukken,enz.) doen zich voor maar altijd in combinatie met angst voor de dood (bv. ’s nachts na kort ingeslapen te zijn, schiet men in angstzweet wakker en is men in paniek om dood te gaan, de ademhaling werkt wel goed.) Soms krijgt men een verschrikkelijke nachtmerrie in plaats van wakker te worden. Het komt ook voor dat, als hij wakker wordt en op wil staan, hij niet in staat is de ledematen te bewegen. Hierdoor ontstaat ook een enorme angst en paniek.

In alle gevallen of situaties zien we een enorme angst. Deze angst gaat naar het onbewuste en door een lichte provocatie, bijvoorbeeld slaap, komt de crisis.

 

 

2.3.2.  ARGENTUM NITRICUM

 

Essentie:

Mentale zwakte met een emotionele staat van opwinding, nervositeit en impulsiviteit.

Hoofdmiddel tegen te grote impulsiviteit.

 

Karakteristieken:

- Verwachtingsangst en onzekerheid, die gepaard gaat met diarree, opgezwollen buik, boeren of veelvuldig urineren.

- Sterk verlangen naar suiker en zoet (vooral ’s avonds), maar verdraagt het niet.

- Altijd gehaast, nerveus en impulsief.

- Sterke behoefte aan frisse lucht, kan geen warmte verdragen.

- Lijken ouder dan ze zijn, ook kinderen.

- Splinterachtige of stekende, rauwe pijnen.

 

Mentaal/Emotioneel:

- De Argentum Nitricum patiënt is vrolijk, amicaal, extrovert persoon; een levensgenieter: houdt van lekker eten en seks; houdt van mensen om zich heen en van praten, vertelt dan ook alles tijdens het eerste gesprek.

- Hij is mentaal zwak, terwijl de emoties vrij sterk zijn. Hij controleert zijn gevoelens niet en is opvliegend, zelfs tot op het niveau van impulsief.

- Hij reageert op elk idee dat in hem opkomt, hoe belachelijk dat idee ook is (bv. op ijzerdraadje in stopcontact te steken: als hij op het punt staat dit te doen, komt hij met een schok tot zichzelf.)

- Die patiënt wordt tijdelijk geobsedeerd door zulke irrationele gedachten, daarna verdwijnen ze. Een lichamelijke schok of een plotselinge beweging valt samen met het moment dat het idee verdwijnt.

- De plotselinge impulsen leiden tot allerlei angsten en fobieën.

- Hij zoekt emotionele ruimte in zijn leven. Als er iemand naast hem zit en die is niet ontvankelijk, voelt hij zich opgesloten (“claustrofobie”): er is een emotionele muur.

- Hij is erg invoelend en lijdt met de anderen mee. Dit wordt gemakkelijk een soort hypochondrie (Argentum is een van de hoofdmiddelen daartegen). Elk klein symptoom is voor hen een ernstige ziekte en dat is een obsessie.

- Er zijn twee oorzaken voor het ontwikkelen van het Arg.N.-beeld: 1) Men wordt mentaal zwakker en daardoor angstiger. Of: 2) Tengevolge van een shock in de directe omgeving, zoals dood (bv. door hartproblemen) of ziekte (bv.door kanker) in de familie- of vriendenkring.

 

Modaliteiten:

- Verergering door: warmte in elke vorm, zoetigheden, ’s nachts, na het eten, tijdens de menstruatie, liggen op de rechterzijde.

- Verbetering door: frisse lucht (o.a. ook autorijden met open raam), koude baden.

 

Behoeften en afkeer:

- Sterk verlangen naar: suiker en zoet (vooral in de avond en tijdens de menstruatie), zout en zout voedsel, oude kaas.

- Afkeer van: vet en varkensvlees.

 

Algemene en klinische symptomen:

- Diarree door anticipatie (bv. Als men op het punt staat naar afspraak, bioscoop te gaan)

- Duizeligheid met trillen, hartkloppingen en gevoel flauw te vallen.

- Enorme periodieke zwakte (gevoel van zelfs te moe om aan te kleden).

- Algemene tendens tot vorming van zweren op de slijmvliezen, wratjes.

- Hoofdpijn na langdurige mentale inspanning. Geleidelijk opkomend en plotseling weg.

- Zure smaak in de mond.

- Heesheid, want hij praat veel en graag en daardoor zwakte van stem.

- Volgevoel (maag) en/of opgezwollen gevoel (hoofd, ogen, buik).

- Koude in onderarmen tijdens menstruatie.

- Neuromusculaire klachten (trillen (vooral als men op de rechterzijde ligt), verlammingsverschijnselen, coördinatiestoornissen (vooral in benen)).

- Urine verlies (komt veelvuldig voor).

 

Angsten en fobieën:

- Alle angsten/fobieën gaan gepaard met impulsen.

. Bijv.: Hoogtevrees en een impuls om van een hoog gebouw af te springen, niettegenstaande angst voor hoge gebouwen in het algemeen want hij heeft zowel angst om van grote hoogte af te vallen àls opdat hoge gebouw op hem zou vallen als hij er langs loopt.

. Angst voor smalle voetgangersbruggetjes over een beekje, claustrofobie gaan vaak samen met hartkloppingen.

. Angst in bioscoop, theater. Hij zit steeds op achterste rij bij uitgang, omdat hij bang is er niet levend uit te geraken. Agorafobie.

. Angst om flauw te vallen: hij is vooral bang flauw te vallen als er  niemand bij hem zou zijn, en op den duur durft hij zijn huis niet meer uit te komen.

. Sociale fobieën.

. Hypochondrie door overbezorgdheid om ziek te worden.

 

 

2.3.3. ARSENICUM ALBUM

 

Essentie:

Een diepgewortelde onzekerheid. Deze onzekerheid is een gevoel van kwetsbaarheid en weerloosheid in een schijnbaar vijandige wereld. Vanuit die onzekerheid ontstaat de afhankelijkheid van anderen , de bezorgdheid en de angst.

 

Karakteristieken:

- Sterke rusteloosheid t.g.v. grote bezorgdheid. Die rusteloosheid is niet fysiek maar mentaal.

- Vele angsten zoals voor: de dood, dieven, financieel verlies, onverwachte dingen, donker, alleen zijn.

- Brandende pijnen. De huid voelt koud aan maar men voelt “branden van binnen”, wat beter wordt door warmte.

- Kouwelijkheid: en ook daardoor behoefte naar warmte. Waardoor alles beter gaat behalve het hoofd.

- Dorst naar kleine slokjes drank, warm of koud.

- Zeer sterk ruikende uitscheidingen uit neus en ogen (kadaverachtig geur).

- Frequente verkoudheden met waterige scherpe afscheiding.

 

Mentaal/Emotioneel:

- Het Arsenicum type is onzeker, rusteloos, kritisch, netjes, ordelijk, kieskeurig, plakkerig, gierig, bezitterig, zelfzuchtig. Hij wil alles onder controle houden, wil zekerheid want “je weet nooit wat er kan gebeuren”. Is een parasitair type: kan vrijgevig lijken, maar altijd met de verwachting van een wederdienst (manier van bezitterigheid).

. In het beginstadium is hij rusteloos (door innerlijke bezorgdheid) en dorstig en treden veel symptomen periodiek op. Vooral ’s morgens geïrriteerd (in kleine dingen), ontevreden en bezorgd. Tendens naar kieskeurigheid, zelfzuchtigheid en gierigheid.

 . In het volgende ziektestadium treedt sterke angstige rusteloosheid op, die kan zo erg worden dat er paniek(aanvallen) kan ontstaan. Er ontstaat dwangmatige kieskeurigheid, perfectionisme en bezitterigheid.

. Na dit stadium ontwikkelt zich een extreme bezorgdheid over de eigen gezondheid. Deze bezorgdheid zit heel diep en gaat samen met de angst om dood te gaan. Iedere keer als hij iets voelt (hoe miniem ook) denkt hij dat hij dood zal gaan en raakt hij in paniek. Dat maakt hem uitermate afhankelijk van anderen. Hij klampt zich dan ook vast aan die anderen. Hij wil constant mensen om zich heen die hem kunnen helpen en aan wie hij wat heeft.

De bezorgdheid is in wezen gebaseerd op de zorg voor zichzelf (men is bang die anderen, waarvan men zich afhankelijk voelt en nodig heeft, te verliezen).

. Tenslotte treden uitputting, wanhoop, afkeer van het leven, depressies en apathie op, die kunnen leiden tot zelfdoding. In deze laatste stadia kunnen alle voorafgaande karakteristieke symptomen als rusteloosheid, kieskeurigheid, dorst en periodiciteit verdwijnen.

 

Modaliteiten:

- Verergering door: koude, koude dranken en spijzen, ’s nachts, periodiek.

- Algemene verbetering door: warmte, warme dranken, hoofd lager leggen.

Enkel hoofdpijn beter door koelte, frisse lucht en koude toepassingen.

 

Behoeften en afkeer:

- Verlangen naar: vette, zure spijzen en dranken (speciaal citroenen), soms brood en alcohol, meestal warme dranken.

- Afkeer van: zetmeelspijzen, bonen en erwten.

 

Algemene en klinische symptomen:

- Alle soorten van koorts: hoge, lage, periodieke, hectische (grote temp.schommelingen).

- Bij acute ziekten: gewoonlijk bezorgd en rusteloos. Is erg kouwelijk en uitgeput. Indien extreem uitgeput: bij in bed liggen gooit die onrustig hoofd heen en weer, vraagt steeds om beetje water en klaagt en vraagt steeds om van alles (willen orde en netheid).

- Huidaandoeningen met veel jeuk en branden, zoals eczeem, psoriasis, netelroos, zweren, herpes.

- Periodieke hoofdpijnen.

- Hooikoorts (met heftig niezen).

- Verkoudheid en ontstoken ogen met extreem stinkende waterige afscheiding.

- Bronchitis, astma, dyspnoe (kortademigheid): beter door rechtop zitten.

- Hyperventilatie

- Aandoeningen van het maagdarmkanaal (mond, keelholte, maag, darmen): zweren (diep en erg pijnlijk), braken en diarree.

- Leverstoornissen

- Zwelling van de testikels

 

Angsten en fobieën:

- De belangrijkste angst van dit Arsenicum-beeld is de angst om dood te gaan, meer bepaald door diarree of door braken, omdat hij zich zo zwak voelt.

Het idee om dood te gaan veroorzaakt een onverdraaglijke zielsonrust, vooral ’s nachts.

- De angsten nemen enorm toe bij alleen zijn.

- Angst voor dieven, kanker (men denkt vele malen per dag dat men kanker heeft, al heeft men eenvoudige fysieke klachten).

- Angst om iemand te verliezen die dicht naast hem staat (en voor eigen belang nodig heeft). Toont weinig zorgen als het een vreemde aangaat. Toch komt hij sympathiek, meevoelend en bezorgd over.

 

 

2.3.4. CALCIUM CARBONICUM

 

Karakteristieken:

- Verstoorde “bescherm”-functies en gebrek aan stabiliteit in de ruimste zin van het woord. Problemen met “afweermechanismen” (o.a. snel kouvatten).

- Een “koude, klamme, zachte handdruk” is de handtekening van een Calcium-patiënt.

- Snel moe en veel transpiratie bij de geringste inspanning (vooral klimmen of trap oplopen). Transpiratie: voorkeur voor hoofd en nek, vooral ’s nachts (nat hoofdkussen).

- Langdurige, sterke en te vaak optredende menstruatie, met name bij kouwelijke vrouwen.

- “Verzuring”, dit manifesteert zich in alle uitscheidingen en lichaamssappen. Calcium Carbonicum heeft een sterke invloed op het zuurbase evenwicht van het lichaam.

 

Mentaal/Emotioneel:

Angsten/fobieën:

- Bij kinderen:

. Serieus: nemen alles serieus, hebben groot verantwoordelijkheidsgevoel.

. Ze werken hard op school en zijn aanvankelijk pienter, ambitieus. Maar uiteindelijk worden ze moe van het harde werken, geestelijk moe en er ontstaan concentratiestoornissen. Ze worden rusteloos en willen van school af.

. Ze zijn vaak bezig met bovennatuurlijke zaken, het onbekende, het hiernamaals en stellen er vragen over. Deze vragen komen voort uit angst. Ze hebben dan ook vaak nachtmerries en worden gillend wakker (ook volwassen). Ze hebben angst voor donker, onweer, muizen en ratten.

. Na het 16e jaar treedt hoogtevrees en duizeligheid op hoge plaatsen op, wat zo sterk is dat ze daar ook nachtmerries over hebben.

- Bij volwassen:

. Zeer gesloten.

. Vitaal, assertief, sterke persoonlijkheid: Ze werken hard en hebben een groot verantwoordelijkheidsgevoel (t.o.v. werk, familie, organisaties).

. Zijn mensen waar veel van afhangt, die betrouwbaar zijn en waarop men kan terugvallen. Maar: als de verantwoordelijkheden zich opstapelen en de stress vat op hen krijgt, komt de angst opzetten. De grootste vijand voor de Calcium-patiënt is dan ook voortdurende stress en over inspanning, zowel geestelijk als lichamelijk. Ze maken zich dan ook zorgen of ze het vol kunnen houden en zijn bezorgd over de toekomst, maar toch gaan ze door tot ze uitgeput raken.

. Als ze eenmaal uitgeput zijn, zien we een plotselinge verandering in de gezondheid. Ze worden erg angstig en denken dat er iets met hen is en worden erg bezorgd over hun gezondheid.

. Ze hebben veel angsten: hoogtevrees en duizeligheid op grote hoogte, zelfs als ze anderen op een gevaarlijke plaats zien worden ze angstig. Angst voor: onweer, donker, de toekomst, infecties en microben, armoede, claustrofobie.

. Het emotionele niveau raakt door deze angsten helemaal verstoord. Door overspannenheid, verdriet, antibiotica of sterke drugs worden de angsten veel sterker en ontstaan er fobieën, die hun hele leven kunnen gaan beheersen. De bezorgdheid over hun gezondheid is enorm.

. Er ontstaat angst voor: de dood, elke ziekte, gek te worden. Als de pathologie zich verdiept, worden de fysieke symptomen en de eerste angsten minder of verdwijnen zelfs. Ze zijn volledig uitgeschakeld door de angsten. Ze worden slapeloos.

 

Modaliteiten:

- Verergering door: inspanning (mentaal en fysiek), klimmen of trappen oplopen, koude, vochtige koude (weer, baden), na coïtus.

- Verbetering door: droge warmte.

 

Behoeften en afkeer:

- Sterk verlangen naar: zoet en suiker, zachtgekookte eieren, zout (vooral de angstige typen), deegwaren.

- Afkeer van: vet, slijmerig voedsel, koffie.

 

Algemene en klinische symptomen:

- Twee typen: dik en mager.

. Dik: pafferig, met koude klamme handen en voeten, vaak moe.

. Mager: smal gezicht dat bedekt is met zeer fijne rimpeltjes (structuur van horizontale en verticale lijnen), meer actief.

- Trage ontwikkeling bij kleine kinderen: traag sluitende fontanellen, trage groei, laat lopen.

- Sterke, zure transpiratie (nek, achterhoofd) bij kleine kinderen (vooral ’s nachts), zuur ruikende faeces.

- Veel verkoudheden met bronchiale complicaties, chronische bronchitis, vergrote, harde lymfeklieren in de nek, oorproblemen bij kinderen.

- Duizeligheid (Calcium is hoofdmiddel bij deze klacht) bij snel omdraaien (hoofd of lichaam), bij omhoog gaan of klimmen, op hoge plaatsen.

- Benauwdheid bij trap op- of aflopen.

- Hoofdpijn na inspanning, beter door liggen of rustig zijn.

- Poliepen (bij neuspoliepen is dit een hoofdmiddel).

- Constipatie (waarbij geen aandrang).

- Slapeloosheid na 3u ’s nachts.

- Artritis (gewrichtsontsteking): pijnen beter door droge warmte, erger bij liggen en vocht en koude.

- Kuitkrampen: erger door liggen, ’s nachts. (Pijn of kramp bij trap oplopen.)

- Vergrote eetlust met obesitas (zwaarlijvigheid). Eten door leeg gevoel in de maag of nerveus eten. Ook andere problemen met eten mogelijk: boelemie, anorexie.

- Afgebrokkelde nagels.

 

         2.3.5. CHINA OFFICINALIS:

 

Karakteristieken:

- Overgevoeligheid op alle drie niveaus (mentaal, emotioneel en fysiek). Gevoelig voor geluid, pijn en tocht. Nerveuze irritatie met uitputting.

- Gesloten, apathisch, onverschillig, zwijgzaam.

- Circa 70% zijn vrouwen.

- Sterke angst voor grotere dieren (honden, schapen, paarden, koeien, kippen).

- Slapeloosheid door grote verbeeldingskracht.

- Periodiciteit ’s nachts. Bijvoorbeeld: hoofdpijn, koliekpijnen, neuralgieën.

- Klachten door verlies van vitale vloeistoffen: vooral bloedingen, ook diarree, braken, menstruatie, buitensporige melkafscheiding, zaadlozingen en etteringen.

 

Mentaal/Emotioneel:

- Gesloten, apathisch, onverschillig, zwijgzaam, nerveus geprikkeld en geïrriteerd maar sterke fantasie: dikwijls dichters, schilders, artiesten.

- Op het moment dat men door de irritatie heen prikt, is deze verdwenen. Als ze bijvoorbeeld doorhebben dat iemand echt in hen is geïnteresseerd, verdwijnt de irritatie.

- Heeft veel warmte, liefde en volle aandacht nodig.

- Ze vertellen hun problemen pas als ze iemand volledig vertrouwen. Ze zetten anderen aan om naar je toe te komen.

- Zijn de trouwste patiënten.

- Ze kunnen hun waardering of een bedankje niet uiten en zeggen nooit dat iets heeft geholpen.

- Ze hebben moeite om hun gevoelens te uiten en met genegenheid te tonen.

- Zeggen veel met weinig woorden en niet vaak.

- Schrijven alles voor zichzelf op: gedachten, gevoelens, dagboek, gedichten.

- Zeer gevoelige mensen, ook gevoelig voor kleuren, geluiden, geuren, tocht. Groot gevoel voor schoonheid.

- Overdag vaak problemen met mensen op het werk.

- ’s Nachts leven ze in een soort droomwereld (sterke fantasie). Hebben het gevoel ’s nachts alles te kunnen regelen, alles goed te doen. Voelen zich dan bijv. de beste dichter van de wereld en daar zijn ze trots op. Dan weten ze precies wat te moeten doen om te herstellen wat ze die dag verprutst hebben. ’s Nachts kunnen ze in hun fantasieën hun gevoelens uiten en voelen ze zich gelukkig.

- Ze overdenken ook de gebeurtenissen van de voorafgaande dag maar zien alleen de fouten.

- Kinderen:

. De ouders kunnen het kind niet aan.

. Het kind wil alleen zijn of de natuur ingaan, dat geeft hem een paradijselijk gevoel. Het kan zijn gevoelens naar de ouders toe niet uiten. Kan geen waardering tonen met woorden wel met gedichten of cadeautjes. Erg geïrriteerd.

. Het is zeer moeilijk een kind met dit China Officinalis-beeld te ondervragen: het kijkt niet naar je, praat niet tegen je, wel tegen de moeder, wordt dan kwaad en zegt tegen de moeder: “Waarom heb je me hier mee naar toe genomen? Ik ben toch niet ziek?” Is erg agressief.

- Relaties:

. Als een tiener/puber merkt dat zijn seksuele gevoelens naar boven komen, vinden ze dat heel angstaanjagend. Ze hebben een sterke angst voor het instinctieve, een afkeer van seksualiteit, ook daarom hebben ze een angst voor dieren.

. Een relatie met een China Offic.-patiënt is moeilijk omdat ze nooit een compliment, een aardig woordje, een dank je wel geven… hoewel ze dit wel willen.

- Als de pathologie zich verdiept (of het ziektebeeld verergerd) en het mentale vlak bereikt, krijgen ze last van versprekingen.

Als hun conditie nog slechter wordt, raken ze uitgeput op het mentale vlak en worden apathisch.

. Ze hebben slechte sociale contacten, zijn wantrouwend, denken dat anderen hun vijand zijn. Krijgen waandenkbeelden: voelen dat er steeds iemand achter hen is of zijn bang dat dit zo is. Ook in acute gevallen, bijvoorbeeld bij een ernstige darmontsteking.

- In het laatste stadium denken ze aan zelfdoding, maar ze hebben niet de moed dit te doen.

 

Modaliteiten:

- Verbetering door: volle aandacht

- Verergering door: vluchtige aandacht, tocht, fruit, melk, theedrinken, verlies van lichaamssappen.

 

Behoeften en afkeer:

- Verlangen naar: koude dranken, sterk gekruid eten, frisse dingen.

- Afkeer van: fruit, bier, brood, boter, vet warm eten en vlees.

 

Algemene en klinische symptomen:

- Kouwelijk, zwak. Gevoelig voor geluid, tocht en koude.

- Periodiciteit, vooral ’s nachts.

- ’s Nachts sterke eetlust. Overdag veel minder eetlust maar als ze beginnen eten krijgen ze honger.

- Ernstige hoofdpijn vooral ’s nachts. Na verlies van lichaamsvloeistoffen hoofdpijn en duizeligheid.

- Langdurige bloedingen (mond, neus, darmen, uterus).

- Spastisch colon. Colitis (ontsteking van dikke darm) met veel flatulentie, diarree of obstipatie. Zwelling van de buik, braken en pijn vooral door eten van fruit en eieren. Zwelling of pijn van de maag na thee drinken. Lever- en miltvergroting.

- Zenuwpijnen, heuppijnen: erger door aanraken, periodiek. Kunnen ontstaan na langdurige ziekte en in overgangsperiode.

- Koorts, periodiciteit en ziekte van Menière.

 

Angsten en fobieën:

- China Offic. is het hoofdmiddel voor angst voor grotere dieren: het is een zeer grote angst, ze zijn bang voor het instinctieve, de seksualiteit ervan. Ze hebben er een afkeer van. Het is voor hen echt onmogelijk om van dieren te houden, ze gaan ze zelfs uit de weg (wel niet bang voor insecten).

 

 

2.3.6. GELSEMIUM SEMPERVIRENS:

 

Karakteristieken:

- Verlamdheid of gevoel van verlamming, zowel op mentaal als op emotioneel en fysiek niveau. Spierzwakte. Afgemat gevoel. Trillen uit zwakte of door angst. Snel moe. Trage geest. Geheugenzwakte.

- Plankenkoorts met trillerigheid, fysiek en emotioneel. Examenvrees, angst voor spreken in het openbaar, enz.

- Griep met wat lagere koorts dan bij het toepassen van de middelen Acconitum en Belladonna (ongeveer 38,8°) en geen dorst. Afzakking der oogleden, lusteloosheid, zwakte, trillerigheid van de ledematen (knieën, benen). Warmteaanvallen, afgewisseld met koude rillingen, meestal langs de ruggegraat. Tijdens een koortsrilling is urineverlies mogelijk.

- Occipitale (achterhoofd) hoofdpijn, beter door overvloedig urineren van bleke urine.

- Diplopia (dubbelzien) tijdens de hoofdpijn en zwakke stem na hoofdpijn.

 

Mentaal/Emotioneel:

- Gevolgen van angst en vrees. Plankenkoorts. Anticipatie met diarree. Zeer verlegen, hebben geen zin om met anderen te communiceren en om te gaan, omdat ze te weinig energie hebben om een gesprek te voeren. De energie ontbreekt ze, de energie om het hoofd te bieden aan de verantwoordelijkheden en de spanningen van het leven. Dit kan zelfs ontaarden in lafheid en het ontwijken van mensen.

- Bij openbare optreden of examen voelen zij zich psychisch en lichamelijke zwak (verlammingsgevoel, trillen, hartkloppingen). Ook een mentale zwakte ervaren ze: soort traagheid en tenslotte verwarring, niet alert, slecht geheugen door vermoeidheid. Ze putten zichzelf gemakkelijk mentaal (emotioneel en fysiek) uit, ontevredenheid, angst, hoofdpijn, droefheid en depressie. Verbetering klachten door veel drinken van water en dus overvloedig urineren van bleke urine (is a.h.w. uithuilen).

- Ze zijn nerveus en angstig door emotionele opwinding. Snel opgewonden door plotseling lawaai, onweer en slecht nieuws. Hysterisch en praatziek en emotionele opwinding. Soms hebben ze angst voor een neergaande beweging (bv. in lift, vliegtuig).

 

Modaliteiten:

- Verergering door: emotionele opwinding, slecht nieuws, vochtig weer, mist, in voormiddag.

- Verbetering door: overvloedig urineren, frisse lucht, voortgaande beweging, stimulering.

 

Algemene en klinische symptomen:

- Laag uithoudingsvermogen.

- Door kleine alledaagse zorgen, een beetje spanning raakt hij in een zwaktetoestand met trillen en verlamdheid, trage en zwakke geest en zwakke spieren.

- Achterhoofd hoofdpijn, uitbreidend naar boven over het gehele hoofd. Tijdens de hoofdpijn meestal ijskoude voeten. Gemakkelijk bloedaandrang in het hoofd. Hoofdpijn beter door overvloedig urineren. Gevoel dat hoofdpijn niet te verdragen is, bang dat hij er zijn verstand van verliest. Zwakte van ogen en afhangende oogleden, dubbelzien tijdens hoofdpijn.

- Hooikoorts in het voorjaar.

- Gevoel van dikke, verlamde tong.

- Moeilijke spraak, geen dorst, slapeloosheid door opwinding.

- Diarree en veelvuldig urineren na vrees, schrik, opwinding. Dit kan leiden tot tijdelijk niet kunnen urineren.

- Bij mannen frequente zaadlozingen zonder erectie ’s nachts of tijdens het produceren van stoelgang.

 

Angsten en fobieën:

- Gelsemium Semp. is hoofdmiddel bij plankenkoorts, examenvrees.

- Angstig en nerveus voor de dingen die gaan komen.

- Sociale fobie (gaat situaties uit de weg).

- Vliegangst, angst in een lift t.g.v. angst voor neergaande bewegingen.

- Angst voor verliezen van zelfcontrole.

 

 

2.3.7. KALIUM ARSENICOSUM:

 

Karakteristieken:

- Hoofdmiddel bij intense angst voor hartziekten, hij slaapt met de handen op het hart als een soort bescherming.

- Astma met angstaanvallen, erger ’s nachts. Wordt wakker met angsten en benauwdheid.

- Verergering door melk (diarree).

- Droge huid met veel, vaak ernstige huidsymptomen, jeuk, branderigheid.

 

Mentaal/Emotioneel:

- In eerste instantie hetzelfde type als een Kalium carbonicum-type: business man, robuust, sterke zelfcontrole, eerlijk, recht door zee, volgt zijn principes en is snel geïrriteerd.

- De Kalium Ars.-patiënt beantwoordt nauwelijks vragen die hem worden gesteld of beantwoordt ze op een korzelige manier. Hij heeft graag mensen om zich heen en is wat minder op zichzelf gericht en minder egoïstisch dan de Arsenicum album-patiënt.

- Veel angsten (zoals voor hartziekten, grote groepen mensen, alleen zijn, dood, naderend onheil, kanker).

 

Modaliteiten:

- Verergering door: melk, kou op het hoofd, koude, koude dranken, ’s nachts (periodiek: 2-3u)

Algemene en klinische symptomen:

- Veel huidziekten, vooral aan het gezicht, zoals: eczeem, acne, psoriasis, (rechtszijdige) herpes, snel om zich heen vretende zweren, huidkanker, droge huid, branden (tong, huid)

- Linkszijdige hoofdpijn.

- Sinusitis.

- Astma met angstaanvallen.

 

Angsten en fobieën:

- Angst voor hartziekten (is hoofdmiddel).

- Plotselinge paniekaanvallen met angst om de dood (zoals bij de Aconitum napel.-patiënt maar bij deze is de angst om hartziekte niet zo intens, de Kalium arsen.-pat. heeft ook minder angst om op dit moment dood te gaan dat die Acon.-pat.). Ze willen eerst E.C.G. laten maken. Tussen de aanvallen zijn ze heel redelijk, ze schamen zich dat ze die aanvallen krijgen en proberen het voor zichzelf te houden, maar het overvalt ze.

- Angst in grote groepen mensen.

- Angst voor kanker.

- Als er angsten zijn, zijn de fysieke klachten (bv. astma) zeldzaam.

- Ze komen bij de homeopaat met de angst dat er echt iets aan hun hart is, en indien er wordt aangetoond dat er niets aan hun hart is, zeggen ze bijvoorbeeld dat ze werden gestuurd door iemand anders i.v.m. hun sinusitis.

 

 

2.3.8. LAC CANINUM:

 

Essentie:

Lac caninum is hondenmelk.

 

Karakteristieken:

- Zeer sterke angst voor slangen die zich uit in dromen, waanvoorstellingen en visioenen over slangen.

- Wisselende klachten bijv. erge hoofdpijn verplaatst van de ene kant van het hoofd naar de andere kant en vice versa.

- Soort hittegevoel in de ledematen en overgevoelig voor aanraken.

- Vergeetachtig en afwezig.

- Depressiviteit.

- Glanzend en gepolijst uiterlijk van bijvoorbeeld zweren en keel.

 

Mentaal/Emotioneel:

- Nerveus rusteloos en gevoelig. De Lac caninum-patiënten kunnen geïrriteerd en dwars zijn, vooral bij tegenspraak. Ze zijn depressief met gebrek aan zelfvertrouwen, denken dat iedereen op hen neerkijkt en dat wat ze zeggen een leugen is.

- Fysiek zwak. Ze ondernemen veel, maar volharden nergens in. Ze zijn ontevreden en willen niet leven.

- Kinderen gillen en huilen ’s nachts.

- Vergeetachtig en afwezig. Soort verwarde geest. Zwak geheugen.

- Ze doen boodschappen en vergeten het gekochte mee te brengen. Ze vergeten woorden of letters of schrijven er te veel op. Ze vergeten wat zojuist is gelezen, kunnen niet op de juiste woorden komen, hebben een slechte concentratie.

- Ze hebben een zeer sterke fantasie, daardoor ontstaan veel waanvoorstellingen over slangen, spinnen, e.a. kruipende dieren, verschrikkelijk kwade gezichten. Ze worden gekweld door deze waanvoorstellingen, die vooral in het donker opkomen.

- Ze hebben het gevoel iets vreemds te zien, denken iets gezien te hebben. Ze zijn bang dat ze visioenen krijgen van dingen waar ze bang voor zijn. Gevoel van alles is onecht. Gevoel alsof hun neus niet van henzelf is. Als ze praten, hebben ze het gevoel dat ze het niet zelf zeggen. Wat ze willen wordt geen werkelijkheid.

- Ze hebben slecht contact met hun lichaam (etherisch lichaam los van het stoffelijke). Ze hebben het gevoel dat ze zweven (zowel bij lopen als liggen). Door de zwevende sensaties ontwikkelen ze angst voor krankzinnigheid.

- Als de pathologie zich verdiept, ontstaat er aftakeling van het verstand en treden ernstige angsten op. Eerst angst voor controleverlies, daarna woede uitbarstingen.

 

Modaliteiten:

- Verergering door: liggen op de linkerzijde en door koude.

- Verbetering door: koud vriesweer (ook daardoor verbetering van reumatische pijnen.)

 

Behoeften en afkeer:

Zeer sterk verlangen naar zout, verlangen naar peper, sterk gekruid eten, melk. Behoefte aan warme dranken.

 

Algemene en klinische symptomen:

- In acute gevallen: hoge koorts, uitgeput, niet meer willen leven.

- Slapen op de rug met een been opgetrokken of met opgetrokken knieën naar het gezicht.

- Brandende en pijnlijke voetzolen, steken de voeten uit het bed.

- Klachten na narcose (operatie).

- Hoog cholesterolgehalte met hypertensie.

- Overgevoeligheid van de huid, kunnen in bed de aanraking van lakens niet verdragen, vingers tegen elkaar is zelfs pijnlijk.

- Ernstige fotofobie: gevoelig voor kunstlicht en zonlicht.

- Het gevoel alsof geluiden en lawaai van heel ver komen.

- Veel hoofdpijn symptomen, kloppende hoofdpijn: maar men braakt er niet bij.

- Koude in de neus, met afgewisselde groene afscheiding (een neusgat dicht, andere vrij en lopend). Bij slikken komt er vocht in de neus.

- Pijnlijke keel (bij slikken en uitstralend naar de oren) die gevoelig is voor externe druk, begint en eindigt vaak met de menstruatie.

- Niets smaakt goed, behalve zoute en sterk gekruide voeding. Altijd hongerig, zelfs vlak na de maaltijd. Flauw gevoel in de maag. Krakende kaken als men eet.

- Ontstoken borsten, heel pijnlijk, erger door schokken.

- Menstruatie te vroeg en te overvloedig met gezwollen pijnlijke borsten.

- Eierstokpijnen, afwisselend links en rechts (beter door strekken van lichaam).

- Pijn in de baarmoeder, uitstralend naar boven.

- Clitoris snel geprikkeld door kleding en druk. Verhoogd seksueel verlangen. Snel orgasme. Uitzonderlijk uitgeput na seks.

- Lumbago en ischias, zeer gevoelig voor aanraken en pijnen die wisselen van heup naar heup.

 

Angsten en fobieën:

- In chronische gevallen heeft de Lac caninum-patiënt veel angsten.

- Zeer grote angst voor slangen. Die angst voor slangen ontstaat in of na de puberteit.

- Angst om te vallen, voor de dood, ziekten, naderend onheil, hersenletsel, hartziekte, aardbeving, onweer, donker, alleen zijn, om gek te worden.

 

 

2.3.9. LOBELIA INFLATA:

 

Karakteristieken:

- Psychogene dyspnoe (ademhalingsproblemen door psychische oorzaken en invloeden ontstaan) met koude van het hele lichaam, koud zweet, hartkloppingen, bloeddrukdaling en het gevoel dood te gaan.

- Zeer grote gevoeligheid voor tocht. “Tocht” is een “gefixeerd idee”: “Het tocht = dùs ik word benauwd!” (Bijvoorbeeld niet kunnen werken in een kantoor met airco.)

- Symptomen door onderdrukking van afscheidingen.

- Chronisch braken met goede eetlust, misselijkheid, overvloedig zweten en duidelijke uitputting.

 

Mentaal/Emotioneel:

- Lobelia inflata-patiënten zijn kalm, serieus, fatsoenlijk, doorgaans erg precies, letten op details.

- Zij voelen zich snel gekwetst, houden er niet van op te vallen en letten steeds op hun gezondheid – hypochondrisch.

- Al bij lichte benauwdheid is er grote angst om dood te gaan, waardoor zij in paniek raken.

- Soms ook angst voor slangen.

 

Modaliteiten:

- Verergering door: tocht, koude baden, liggen, ’s nachts, knelling (bv. door kleding), aanraking, inspanning. Erg gevoelig voor verandering van atmosfeer (omgeving waarin men leeft en ademt) en temperatuur.

- Verbetering door: frisse lucht

 

Behoeften en afkeer:

Behoefte naar: zoet en vet.

 

Algemene en klinische symptomen:

- Tuberculose tendens in de familie en in eigen ziektegeschiedenis. Vaak een geschiedenis van niet goed behandelde longproblemen, bijvoorbeeld pneumonie. Soms TBC op jongere leeftijd.

- Moeilijke ademhaling als: de menstruatie niet op tijd doorkomt of door inspanning of als men van streek is. Een enorme verergering door koude of tocht (dyspnoe). Soms zien we een constante dyspnoe of moeilijk ademhaling, die alleen door tocht verergert. Tijdens de dyspnoe heeft men een gevoel van druk op de oren (van binnen naar buiten), een constant drukkend gevoel in de borst en een constant gevoel van droogte in de mond zonder dorst.

- Symptomen door onderdrukking van afscheidingen, zoals krampachtige pijnen in de buik en sacrum (heiligbeen) met grote verergering door aanraken. Pijn in de rug, waarbij men niet kan liggen van de pijn (is aanraken van het lichaam). Het sacrum is extreem overgevoelig.

- Neuralgieën (zenuwpijnen), meestal linkszijdig met verergering door aanraken.

- Rechtszijdige sinusitis.

- Verdraagt geen strakke kleding.

- Brok in de keel, diep zuchten.

- Sensatie van druk in de borst.

- Soms gevoel van flauw te vallen van de pijn.

- Gevoel alsof het hart zal stoppen met kloppen.

-  Pijnen in de baarmoeder, vagina en buik, beter door optrekken of over elkaar slaan  van de benen en door liggen op de linkerzijde.

- Zwangerschapsbraken, met het gevoel dat men na het braken zal flauwvallen.

- Slaapstoornissen.

- Bij ontwennen nicotineverslaving.

 

Angsten en fobieën:

- Enorme angst en bezorgdheid, zelfs al paniek door een beetje benauwdheid, die niet te verklaren is, want de larynx (strottenhoofd) is nagenoeg schoon.

- Paniekgevoel want: tijdens de dyspnoe treden gevoelens op van doodgaan, duizeligheid, een samentrekking in de keel, een druk in de borst, dichtzitten van de neus en het niet kunnen ademhalen.

- Sterk aanwezige angst om dood te gaan bij gevoel van flauw te vallen (ijskoud met koud zweet, bloeddrukdaling).

(Opm.: . Lobelia-patiënt wordt het meest verward met de Lachesis-patiënt. De Lachesis-patient heeft ook verergering door liggen, ’s nachts, knellende kleding en een brok in de keel en een afkeer en verergering door aanraken. Het mentale beeld van Lach. is echter geheel anders. De Lach.patiënt is levendig, sterk, extrovert, praatziek en warmbloedig. De Lob.patiënt heeft een zeer grote gevoeligheid voor tocht en grote bezorgdheid i.v.m. zijn gezondheid en is zeer precies, kalm en serieus.

. Gedurende de acute crisis kan Lobelia worden verward met Carbo vegetabilis vanwege de koude, bloeddrukdaling, koud zweet, ongerustheid en hartkloppingen, maar de Carb-v.patiënt wil tocht en wind in zijn gezicht.

. soms verwart men Lobelia met Ignatia in verband met het diepe zuchten. De Ign.patiënt is erg gesloten, de Lob.patiënt daarentegen niet.)

 

        

2.3.10 LYSSINUM (HYDROPHOBINUM)

  

Rabiesnosode-slijm van een hondsdolle hond.

 

Karakteristieken:

- Overgevoelige zintuigen. Vooral sterke overgevoeligheid voor licht en geluid.

- Hydrofobie. (Verergering van alle klachten door het zien of horen van stromend water.)

- Lyssofobie. (De ziekelijke vrees aan hondsdolheid te lijden na een beet van een (al dan niet hondsdolle) hond.

- Hoofdpijn na een hondenbeet, mentale emoties of inspanning. Hoofdpijn erger door het geluid of het zien van stromend water, of zien van helder licht.

- Angst om te stikken, zelfs zonder eten in de mond. Grote moeite met slikken, zelfs vloeistoffen.

- Blauwachtige verkleuring van wonden.

 

Mentaal/Emotioneel:

- Alert, snel en bewust. Lyssinum-patiënten reageren, praten en denken snel; zijn kritisch en opgewonden; hebben overgevoelige zintuigen.

- Sterke irritatie. Vitterig. Niets is goed. Impulsiviteit met heftigheid.

- Ze worden woest, slaan en bijten en hebben een enorme kracht van binnen die er niet uit kan. Zij vloeken en schelden en hebben een geladen, verwilderde, heldere, angstige blik in de ogen.

- Ze zijn emotioneel en hard, maar gevoelig.

Uit de overgevoeligheid ontwikkelen zich angst- en paniektoestanden. Zij hebben voorgevoelens dat bepaalde zaken niet goed zullen gaan en hebben angst voor het horen van slecht nieuws.

- Lyssinum-patiënten kunnen niet tegen opgesloten worden en raken daarbij volledig in paniek. (Zij worden wagenziek in auto’s, treinen, bussen en vliegtuigen door er opgesloten te zijn.)

- Angst om te stikken, zelfs zonder te eten. Zij hebben het gevoel alsof ze steeds iets moeten doorslikken.

- Verder kan voorkomen bij Lyss.patiënten: hydro- en lyssofobie, angst voor spiegels, alleen zijn, gek te worden.

 

Modaliteiten:

- Verergering door: water (het slikken, zien, horen, denken aan), wateroppervlakten zien, zonnehitte, aanraking.

- Verbetering door: hete stoom of heet water (bv.Turks bad, Sauna)

Hoofdpijn beter door frisse lucht.

 

Behoeften en afkeer:

- Behoefte naar: zout.

- Afkeer van: vet en drinken.

 

Algemene en klinische symptomen:

- Intolerantie voor: zonnehitte, glinsterende objecten, opwinding en slecht nieuws.

- Pijnlijke keel. Constante behoefte aan slikken. Grote moeite bij het slikken van grote pillen. Gevoel dat de tong de hele mond vult en hen doet stikken.

- Constante behoefte aan urineren en aandrang tot stoelgang bij het zien of horen van stromend water.

- Convulsies (stuipen) door schitteringen of terugkaatsend licht van water en spiegels, zelfs door het denken aan vloeistoffen en door de lichtste aanraking ervan.

- Sterke storing in seksuele energie: Sterke seksuele opwinding. Mannen hebben heftige pijnlijke erecties en steeds zaadlozing. Vrouwen hebben een overgevoelige vagina.

Of onderdrukking van de seksuele gevoelens.

 

Angsten en fobieën:

- Hydrofobie: Sterke angst voor water, het horen van water, het zien van water, het denken aan water. Ze kunnen er helemaal door in paniek raken.

- Lyssofobie: Angst voor hondsdolheid na een beet van een (hondsdolle) hond. Ze zijn niet bang voor honden maar ze willen liever geen honden zien, omdat ze hen doen denken aan de lyssofobie.

- Angst om te stikken: ze moeten altijd een fles water bij zich hebben in geval van verstikking. Ze drinken met kleine teugjes als ze het gevoel hebben te stikken. Ze kunnen flauwvallen als ze geen water bij zich hebben, al kan het zijn dat ze het nooit gebruiken. Angst dat iets in hun keel blijft steken, als ze slikken. Grote moeite bij het moeten doorslikken van grote pillen. Gevoel alsof de tong de hele mond vult, waardoor ze kunnen stikken.

- Claustrofobie: Ze zitten in een bioscoop, theater, restaurant, enz. steeds vlak bij de uitgang. Als het paniekgevoel op komt, moeten ze naar buiten. Wagenziekte door opgesloten gevoel in auto, trein, bus, vliegtuig.

- Angst:voor alleen zijn, om gek te worden, voor het horen van slecht nieuws, voor spiegels.

 

 

2.3.11. MANCINELLA

 

Karakteristieken:

- Veel kwellende angsten, vooral angst voor krankzinnigheid en bang dat er iets ergs gebeurt. Erger in het donker en ’s nachts.

- Plotseling verdwijnen van gedachten; vergeten van het ene op het andere moment wat ze wilden gaan doen. Mentale zwakte.

- Gevoel van ijzerdraad strak rond de hersenen, uitstralend naar beneden, een idee-fixe.

- Meestal aandoeningen van het ademhalingsstelsel, zoals verkoudheid, bronchitis, astma, sinusitis en psychogene dyspnoe.

 

Mentaal/Emotioneel:

- Mancinella-patiënten zijn joviaal, aardig, verlegen, schuchter, introvert en hebben gebrek aan zelfvertrouwen. Ze hebben een zwakke persoonlijkheid en geen kracht. Zijn zeer snel gekwetst maar zullen hun kwaadheid niet uiten. Ze huilen veel, zijn erg bezorgd en hebben zelfmedelijden. Ze voelen geen verlichting door hun huilen. Ze hebben een zwak geheugen en een trage geest. Ze hebben tegenzin in werken; hebben geen zin in te antwoorden; alles wordt voor hen als vervelend ervaren. Ze hebben een zwakke wil, zijn mentaal zwak, niet impulsief (zoals Argentum nitricum Pat.).Plotseling verdwijnen hun gedachten: zij vergeten van het ene op het andere moment wat ze wilden doen.

- Door mentale zwakte en de zwakke wil kunnen bepaalde idee-fixes ontstaan, die hen kwellen. Zo ontstaan allerlei angsten, vooral ’s nachts en in het donker. Angst in het donker en angst dat er in het donker iets is, wat dus niet alleen een angst is maar ook een idee-fixe.

- Door hun zwakke persoonlijkheid hechten ze zich sterk aan de mensen waarmee ze samenleven. Ze zijn sterk afhankelijk van hun partner. De partner moet hen beschermen. Ze kunnen niet alleen slapen. Ze hebben een sterke angst dat er iets zou kunnen gebeuren. Ze maken zich ook bezorgd om anderen, omdat ze zich temidden van hun gezinsleden en familieleden zeker voelen. Daarom zijn ze erg angstig dat hen iets zou overkomen.

- Ze weten dat ze een zwakke wil en verstand hebben. Ze willen sterk zijn en zich sterk voordoen en daarom presenteren ze naar buiten toe een beeld van kracht en hardheid. Al voelen ze zich vanbinnen zwak, hebben weinig zelfvertrouwen en zijn snel gekwetst en verlegen. Ze houden van kleine gezelschappen en hebben een angst voor grotere mensenmenigten.

- Als de pathologie erger wordt, wordt men steeds zwakker en gaan ze denken dat hun verstand niet goed werkt. Des te meer ze aan deze gedachte toegeven, des te meer ze strijden. Dan kan er op een nacht de gedachte ontstaan gek te worden en bijv. hun kind te vermoorden. Ze kunnen deze gedachte niet meer uit hun hoofd zetten. Men kan het lijden in hun ogen zien. Angst om bijv. hun kind te doden, nog extra als dit samengaat met angst voor krankzinnigheid.

- Het is donker vanbinnen bij Mancinella-patiënten, al hebben ze eigenlijk geen donkere persoonlijkheid. Ze zeggen dat ze vanbinnen de duivel in zich voelen en dat die deze idee-fixes veroorzaakt.

- Ze hebben ook een abnormale seksualiteit. Ze hebben veel dromen met slangen (is het symbool van de seksualiteit). Ze worden gemakkelijk onderdrukt door anderen, speciaal door de seksuele partner (waardoor ook de angst naar boven komt).

- De meeste angsten komen ’s nachts op. Ze schreeuwen dan ook zelfs soms van de angst. Ze doen de lichten aan, willen met iemand praten, willen zichzelf overtuigen dat ze niet gek aan het worden zijn. Mancinella is het hoofdmiddel bij angst om gek te worden, die angst in combinatie met angst voor de duisternis en/of abnormale seksualiteit en/of het gevoel “bezeten te zijn van de duivel”.

- Mancinella-patiënten hebben ook allerlei optische waanvoorstellingen die hen angst aanjaagt.

- Zoals zoveel mensen in onze samenleving zijn de Mancinella-patiënten ook bezig met “wat goed en fout is” maar, daar zij een zwakke geest, wil en persoonlijkheid hebben, voelen zij de strijd van goed en fout veel sterker aan. Ze worden a.h.w. het slachtoffer van de eisen van onze samenleving. Patiënten met het Mancinella-beeld komen dan ook steeds vaker voor.

- Door het veelvuldig strijden worden ze depressief. Het leven heeft geen waarde meer voor hen. Ze willen er een eind aan maken (en denken dan ook dat die duivel dat tegen hen zegt.)

 

Modaliteiten:

- Verergering: ‘s nachts en door het drinken van koud water.

- Verbetering door: bewegen en dansen (in hun eigen huis).

 

Behoeften en afkeer:

- Behoefte aan: koud water maar dit verergert de symptomen.

- Afkeer van: wijn, alcohol, vlees, brood.

 

Algemene klinische symptomen:

- Vrouwenmiddel (circa 70%).

- Kouwelijk (meestal).

- Oorzaak: doorgaans een nare ervaring.

- Abnormale seksualiteit.

- Huidsymptomen: acne, erythema (roodheid vd huid m.b.t. de bloedsomloop), grote blaren, zweren, branden.

- Ademhalingsproblemen: sinusitis, bronchitis, dyspnoe, astma, verkoudheid.

- Colitis (ontsteking van de dikke darm)

- Soms grote dorst voor de menstruatie.

- Soms niet kunnen verdragen van strakke kleding.

- Speciaal na slapen: pijnlijke stijve nek, nauwelijks de nek kunnen bewegen.

- Beter door bewegen: als ze muziek in hun eigen huis horen dan gaan ze dansen (daardoor angsten beter).

 

 

Angsten en fobieën:

- Hoofdmiddel bij angst voor krankzinnigheid: De hele dag speelt de tegenstrijdigheid door hun hoofd van gek worden en niet gek worden, wat een enorm lijden voor hen betekent… een kwellende angst. (Strijd vanbinnen tussen henzelf en de duivel, waardoor ze denken gek te worden.)

- Hoofdmiddel bij angst om hun kind te doden: Het is geen impuls om hun kind te doden zoals bij andere beelden (bv.:Nux-v., Merc., Sulph. En Arg-n). Het is de angst om gek te worden en dan hun kind te doden.  

- Angst voor de duivel: Een strijd tussen hen en de duivel, die hen moe maakt. Ze voelen duivelskrachten die hen overmannen.

- Angst om ’s nachts buiten te gaan.

- Angst voor donker en angst dat er iets in het donker is.

- Angst voor dode mensen en begrafenissen: het is een verschrikkelijke ervaring voor Mancinella-patiënten om naar een begrafenis te gaan. Alle duistere elementen in hen komen dan naar boven.

- Angst voor kanker: een idee-fixe dat ze zelf kanker hebben.

- Angst dat er iets ergs zal gebeuren.

- Angst om te gaan slapen.

 

 

2.3.12. NATRIUM MURIATICUM

 

Essentie:

Introvertie, die voorkomt uit een gevoel van grote kwetsbaarheid door emotionele kwetsing. Emotioneel zeer gevoelig. Natrium muriaticum-patiënten creëren een muur van onkwetsbaarheid.

 

Karakteristieken:

- Vermagering (vooral rond de nek), meestal ondanks grote eetlust.

- Chronische droogte van de slijmvliezen met neiging tot kloofvorming. Gebarsten lippen, droge rode tong, harde droge faeces, droge vagina.

- Huid te droog of te vettig. Acne, jeugdpuistjes, droge handpalmen, eczeem aan de binnenzijde van de ellebogen,eczeem aan de haarrand.

- Niet kunnen plassen in de nabijheid van anderen.

- Lang vasthouden van negatieve ervaringen. Klachten na onverwerkte emoties. Opgekropt verdriet. Verdriet, teleurstelling, vernedering, belachelijk worden gemaakt, enz. wordt slecht verwerkt. Niet kunnen loslaten.

- Bedroefd, depressief. Troost verergert.

- Afscheidingen van de slijmvliezen, meestal doorzichtig of wittig lijkend op wit van een ei. Witte huiduitslagen.

- Periodiciteit. Migraine, astma, op malaria lijkende griep, emotioneel.

 

Mentaal/Emotioneel:

- Natrium muraticum-patiënten zijn gevoelig en kwetsbaar; heel zuiver en sterk op het mentale en fysieke niveau. Ze hebben een groot verantwoordelijkheidsgevoel en een grote objectiviteit; zijn kieskeurig en perfectionistisch.

- Ze ervaren alle levensindrukken diep, terwijl het besef en het begrip over het leven steeds toenemen.

- Ze genieten van gezelschap en voelen zicht prettig door emotionele contacten met anderen. Ze houden van zinnige, diepe gesprekken. Ze zijn snel gekwetst door hun grote gevoeligheid. Na meerdere keren te zijn gekwetst, leren ze behoedzaam te worden en gaan ze zich geleidelijk afsluiten voor emotionele ervaringen. Ze houden tevens van introverte bezigheden: boeken lezen, naar muziek luisteren. Ze zijn eenzelvig en lossen zelf hun problemen op. Het voornaamste belang in het leven wordt: niet te kwetsen en niet gekwetst te worden. Hier lijken ze koud en overdreven objectief t.o.v. anderen.

- Ziektestadia: eerst fysiek (o.a. gastritis (maagontsteking), migraine, herpes op de onderlip), deze ziekten ontstaan na een periode van introvertie, die volgt op ernstig verdriet of vernedering. Afwisselend kan de patiënt hysterisch worden en reageren op iedere invloed uit de omgeving (overgevoeligheid door geluid, licht, sigarettenrook). Bij zulke patiënten zien we vaak allergieën en eczemen.

- Bij Natrium-m.patiënten zien we ook vaak neurologische stoornissen.

- Als de emotionele kwetsbaarheid pathologisch wordt, wordt de patiënt depressief. Een depressie die ontroostbaar is en zelfs suïcidaal kan worden. Deze depressie is een soort hysterische reactie. Muziek kan verbetering of verslechtering geven, hetgeen van de omstandigheden afhangt. Als de emotionele controle wegvalt, wordt de patiënt irrationeel en het emotionele gaat overheersen. Er vindt afwisseling plaats tussen fysieke symptomen en stemmingen. Onredelijke depressie wordt afgewisseld met onredelijke vrolijkheid. Als de objectiviteit wordt verstoord, treden er op het emotionele niveau uitersten op.

- Geleidelijk verdwijnen de karakteristieke symptomen: er is geen verlangen naar zout meer, geen afkeer van slijmerig voedsel meer, geen verergering door de zon meer.

- Als de pathologie zich verdiept, is de eerste angst die zich ontwikkelt claustrofobie. Tegelijk met de claustrofobie ontstaan idee-fixes. Men gaat veel opvatten als goed en slecht, juist en verkeerd, correct en incorrect, geschikt en ongeschikt.

- Er ontstaat een hypochondrische reactie, speciaal met betrekking tot hartziekten. Ook een angst voor besmetting door microben kan optreden.

- In het laatste stadium ontstaan schaamteloosheid, exhibitionisme, vuile praatjes. Het dwangmatige controle-mechanisme faalt en men zegt alles, wat vroeger werd verworpen, openlijk. Natrium-m.patiënten verliezen bij de ontwikkeling van krankzinnigheid meestal hun mentale controle niet, maar schaamteloos gedrag kan voor komen.

 

Modaliteiten:

- Verergering door: warmte in het algemeen, vooral bedrukkende omgeving, zon, hitte aan zee, mentale inspanning (lezen), na eten, vooral in voormiddag; migraine aanvallen (vooral tussen 10u-15u); astma aanvallen (vooral tussen 17u-19u).

- Verbetering door: frisse lucht, koude wasbeurten en koude toepassingen in het algemeen, frisse lucht aan zee, bij zo min mogelijk eten; lumbago beter door stevige druk of harde ondergrond.

 

Behoeften en afkeer:  

- Behoefte naar: zoute en hartige spijzen, vis (haring), bouillon, bitter.

- Afkeer van: slijmerig en te vet eten, brood, kip, tabak.

 

Algemene en klinische symptomen:

- Constitutionele constipatie aanleg (droge slijmvliezen).

- Hoofdpijn, migraine. Periodiciteit (om de dag of telkens of derde dag, enz.). Van zonsopgang tot zonsondergang (migraine aanvallen tussen 10u-15u), beter door bedrust, frisse lucht en na menstruatie; erger door warme kamer, bewegen van de ogen en lezen.

- Neiging tot verhoogde werking van de schildklier (hyperthyreoidie).

- Gevoel van haar op de tong.

- Overgevoeligheid voor geluid, licht en sigarettenrook. Gevoelig voor muziek.

- Overprikkeling circulatiesysteem, hartkloppingen, aritmieën.

- Chronische anemie (bloedarmoede). Gastritis (maagontsteking).

- Allergieën: ogen, neus, huid, sinussen.

- Eczeem, vooral langs de haarrand.

- Bronchitis en astma. Astma-aanvallen meestal tussen 17u-19u.

- Neuralgieën: onder meer linker oog, linker intercostale (tussen de ribben) zenuwen.

- Multiple sclerose.

- Artritis (gewrichtsontsteking).

- Malaria in het verleden.

- Constitutiemiddel bij kinderen met ontwikkelingsachterstand. (Lopen en praten laat, maken spreek- en schrijffouten. Mager, slecht groeiend, eczeem , herpes op de lippen.

 

 

Angsten en fobieën:

- Claustrofobie: is de belangrijkste angst voor een Natrium-muriaticum-patiënt

. In de beginstadia genieten Nat-m-pat. een betrekkelijke emotionele vrijheid en ergeren ze zich aan alle beperkingen door anderen opgelegd. Later veroorzaakt hun eigen kwetsbaarheid dat ze zich afsluiten. Als ze dezelfde soort gesloten ruimte buiten zichzelf bemerken, zoals ze van binnen hebben gecreëerd, worden ze angstig.

- Agorafobie.

- Hypochondrische neiging, vooral tot hartziekten. Deze hypochondrie staat in verband met de kieskeurigheid die we bij Natrium-muriaticum-patiënten aantreffen, die houdt een zorgelijke dwangmatige aandacht voor details over gezondheid in.

- Ook de angst om besmetting door microben ontstaat door deze kieskeurigheid. Wordt gedreven door een dwangmatige behoefte om besmetting te vermijden: Steeds schoonmaken, handen wassen en alles desinfecteren. Het is geen gevoel van afkeer, dat we wel zien bij andere middelen (zoals bij: Sulph., Puls., Merc., Phos. Tub.)

- Angst voor donker, hartziekte, de dood, onweer, mensenmenigten, krankzinnigheid, voor dreigende ziekte.

 

        

2.3.13. HOSPHORUS

 

Essentie:

Het principe van diffusie. Diffusie is het proces van verspreiding in de omgeving, zoals rook in de lucht en een theezakje in het water. Bij de Phosphorus-patiënt gebeurt dit met zijn energie, zijn bewustzijn, zijn emoties en zelfs zijn bloed. Het is alsof hiervoor –fysiek, emotioneel en mentaal- geen barrières bestaan. Daarom is de Phos.-patiënt kwetsbaar voor alle soorten invloeden. Hij heeft geen schild.

 

Karakteristieken:

- Overgevoelig voor alle indrukken van buitenaf. Kwetsbaar voor alle soorten invloeden, zoals geuren, geluid, aanraking.

- Veel onrust, gevoel van beklemming en angsten: angst voor onweer, storm, gezondheid, naderend onheil, donker, schemer, enz.

- Brandgevoel en hittesymptomen overal: maag, borst, rug, huid, handpalmen, enz.

- Sterke bloedingsneiging. Bijna ieder letsel of iedere stress resulteert in een bloeding. De wanden van de bloedvaten zijn zwak en laten gemakkelijk toe dat het bloed zich in de omringende weefsels verspreidt. Het is symbolisch voor de algemene essentie van Phosphorus. De warmte en helderheid die Phosphorus-patiënten bezitten, verspreiden zich vrijelijk naar buiten, met weinig gevoel voor afsluiting.

- Willen gemasseerd en gemagnetiseerd worden. Zeer gevoelig en ontvankelijk. Beter gevoel door druk en wrijven.

- Zeer snel uitgeput, zowel mentale, emotionele, als fysieke uitputting. Lusteloos en apathisch. Beter door slapen. Nerveus en trillerig.

- Verlangen naar koude spijzen, ijs en koud water die, als ze warm worden in de maag, worden uitgebraakt.

- Phosphorus-patiënten kunnen warm en kouwelijk zijn. Handen in warm water veroorzaakt misselijkheid en verkoudheid. Hoofd beter door koude aanwendingen (bv. koud washandje in de nek bij neusbloedingen).

- Moeten vaak wat eten vanwege een duizelig of leeg gevoel in het hoofd, de maag of de buik. Worden ’s nachts wakker van de honger.

- Hoest (met pijnlijke keel), die verergert bij overgang van warm naar koud (en vice versa) en door lachen, praten, zingen, eten en liggen op de linker zijde.

Mentaal/Emotioneel:

- Phosphorus-patiënten zijn warm, vriendelijk, extrovert, gevoelig, artistiek, muzikaal, intelligent, verfijnd, geliefd in groepen. A.h.w. de “ideale patiënten”.

- Zwak, lang, mager, smalle borstkas, nerveus, ontvankelijk, willen graag gemagnetiseerd worden.

- Zijn zeer snel mentaal uitgeput door lichamelijke of geestelijke inspanning. Ze zijn rusteloos en kunnen niet stilzitten.

. In het eerste ziektestadium overheersen de fysieke symptomen (bloedingsneiging, beter door slaap, dorst, verlangen naar chocolade, zoet, vis en zout).

. In het volgende stadium nemen de fysieke symptomen af en het rusteloze en de angsten nemen toe. Er ontstaat een sterke bezorgdheid voor het welzijn van anderen (vriend of vreemde): de ware sympathie. Dit kan pathologisch worden, waardoor het de energie van de patiënt doet verdwijnen. Er is ook sterke bezorgdheid voor eigen gezondheid, alsmede angst voor donker/schemering, alleen zijn, onweer. Deze angsten zijn eerst tamelijk zwak en worden nog bevestigd door dorst en verfrissende slaap.

. In het daarop volgende ziektestadium worden Phosphorus-patiënten overweldigd door onrust en angsten. Waren de angsten eerst gemakkelijk te besturen door geruststelling, nu vinden zij het steeds moeilijker om zich te ontspannen. De angsten kunnen leiden tot hyperventilatie en ze beletten zelfs ontspanning tijdens de slaap. Ze worden in dit stadium vermoeid en met grote angst wakker. Er is angst voor naderend onheil, voor een dreigende ziekte (bv.kanker), uiteindelijk voor iedere ziekte, voor ongelukken en de dood. Geleidelijk ontwikkelt zich een behoefte aan gezelschap, vanwege de angst voor de anderen dood. Er verdwijnen nu veel bevestigende symptomen op het fysieke niveau.

. In het laatste stadium krijgen Phosphorus-patiënten een totale zenuwinzinking of een beroerte (apoplexie). De angsten verminderen en mentaal ontstaat er een degeneratie. Ze krijgen concentratiestoornissen; ze zijn niet in staat samenhangend te denken of te begrijpen wat anderen hebben gezegd. Ze zijn onverschillig voor gezelschap en voor de omgeving. Uiteindelijk ontstaat seniliteit of zwakzinnigheid. Een ander algemeen einde van de Phosphorus-patiënten is het krijgen van een beroerte waarbij veel mentale vermogens verloren gaan.

 

Modaliteiten:

- Verergering door: fysieke en mentale inspanning, liggen op de linkerzijde, schemer, warme spijzen en dranken, onweer, storm, weersverandering, aanraken.

- Verbetering door: slaap, koude dranken en spijzen, ijs, wassen met koud water, massage en wrijven, liggen op de rechterzijde.

 

Behoeften:

- Behoefte naar: chocolade, zoet, zout, hartig, vis, koude dranken (hebben veel dorst) en ijs.

 

Algemene en klinische symptomen:

- Vlamt snel op en is snel uitgeblust, zowel mentaal als fysiek.

- Congestieneiging (bloedaandrang), blozen.

- Tinteling aan de vingertoppen (magnetisch).

- Allerlei bloedingen met helderrood bloed: neusbloedingen, hematurie (urineren met bloed er in), bloedende aambeien, bij doorhoesten, bij braken, maagbloeding, in stoelgang, bloeduitstortingen, sterke bloedingsneiging.

- Menstruatieklachten: te vroege menstruatie, langdurige en overvloedige menstruatie, amenorroe (in plaats van menstruatie een neusbloeding).

- Dorst en verlangen naar zoet.

- Hartklachten.

- Longaandoeningen. Pneumonie, TBC (vroeg stadium).

- Hoesten, heesheid: erger door spreken, lachen, zingen, eten, bij overgang naar koude lucht, liggen op de linkerzijde.

- Maagklachten: maagontsteking, maagbloeding. Beter door koude dranken en spijzen, ijs.

Angsten en fobieën:

- Angst voor dreigende ziekten: Sterke bezorgdheid voor de eigen gezondheid. Ze zijn zeer vatbaar voor suggestie, zodanig dat als ze iets over een bijzondere ziekte horen, ze zich ongerust maken deze ook te kunnen krijgen. Ze zijn echter snel gerust te stellen.

- Angst voor onweer: bij onweer gaan ze onder tafel zitten.

- Angst voor donker.

- Angst voor dieven.

- Angst voor naderend onheil.

- Tenslotte ontstaat de angst voor de dood: een paniektoestand omtrent het idee dat de dood aanstaande is. Ze voelen zich alsof ze dood gaan, speciaal als ze alleen zijn. Er ontstaat grote paniek, hyperventilatie, opwinding, hartkloppingen en behoefte aan gezelschap. De behoefte aan gezelschap kan zo sterk zijn dat het hen het huis uitjaagt om vrienden op te zoeken om mee te praten. Ze hebben geen behoefte om met mensen over hun gezondheid te praten, zoals bij Arsenicum album-patiënten. Phosphorus-patiënten voelen de behoefte om met iemand over iets –wat dan ook- te praten, teneinde de paniek te verlichten.

 

 

2.3.14. STRAMONIUM

 

Karakteristieken:

- Veel angsten. (Zie hieronder bij “Angsten en fobieën”.)

- Overgevoelig voor schel licht, spiegelende en schitterende voorwerpen en oppervlakten. Deze overgevoeligheid kan spastische toestanden, delirium en angst veroorzaken. Sterk vergrote pupillen. Behoefte aan licht (angst voor donker).

- Pijnloosheid van de meeste klachten. Men verwacht meer pijn, de pijn wordt niet gevoeld.

- Grote woordenvloed afgewisseld met akelig lachen. Rood gezicht. Eerst onecht lachen, daarna woede uitbarsting.

- Gezicht rood en heet. Handen en voeten koud.

- Spastische aandoeningen na onderdrukte huiduitslagen en uitscheidingen in het algemeen. Onderdrukkingsmiddel.

- Symptomen na een plotselinge shock, zoals een ernstige schrik of angst, een emotionele shock, hoofdletsel of koorts, die de hersenen aantast.

 

Mentaal/Emotioneel:

- De Stramonium-patiënt is geladen met angst, geweld en duisternis.

- Hij is heftig en vertoont een agressief gedrag. Hij is gewelddadig, vernielzuchtig en boosaardig. Hij kan van het ene op het andere moment razend en zelfs spastisch worden. Tijdens het delirium zien we het kapotsmijten van glaswerk, ramen en meubilair; evenals bijten, slaan, wild verscheuren van kledij, gillen en vloeken. Hij is zich dan niet bewust van zijn omgeving en zelfs niet van zijn eigen lijden. Hij kan op dat moment ook een bovenmenselijke kracht vertonen. Ook kan het dat hij op dat moment de impuls krijgt om anderen of zichzelf te doden. Als de acute manie afneemt, vervalt hij afwisselend in angst en wanhoop.

- Omgekeerd kan hij ook de angst hebben dat iemand anders hem iets zal aandoen. De angst om verwond te worden.

- Het geweld kan ook van binnen zitten (is inwendig kwaad). Hij toont zich dan niet boosaa