overzicht |

5703

Cranio-Sacrale Therapie


1. Inleiding

Osteopathie (osteo = been, pathie = lijden) is een behandeling vooral gericht op beenderen en gewrichten. Deze empirische behandeling gaat ervan uit dat de verschillende beenderen, o.a. de schedelbeenderen, veel beweeglijker zijn dan dat men klassiek veronderstelde. Niet alleen kunnen zij tal van spanningen ondergaan, zij kunnen op hun beurt, door te trekken aan vliezen en te drukken op zenuwen en vloeistoffen, allerlei spanningen verder doorgeven, tot in de weekste organen. Die beenderen weer de kans geven hun "natuurlijke" stand en spanningstoestand te bereiken betekent dus vaak dat men bepaalde inwendige spanningen opheft, en bepaalde zenuwen bevrijdt, die op hun beurt hun eindorgaan niet meer gaan storen.

De osteopathie werd uitgevonden door A.T. STILL (USA, geboren 1874). Zij omvat 3 grote toepassingsgebieden: de beenderen, het visceraal systeem (ingewanden), en de schedel.

Zijn leerling W.G. SUTHERLAND ontdekte dan dat het cerebrospinaal vocht (CSV, in het Engels CSF, fluid) veel belangrijker is dan men oorspronkelijk dacht: het kan namelijk, zoals elke vochtophoping onder druk, zeer goed bliksemsnel spanningen doorgeven naar de uithoeken van het lichaam, en vertoont daarenboven een cyclische drukverandering, het zogenaamde craniosacraal ritme. Dit CSR is niet alleen belangrijk als diagnosemiddel, het kan ook door allerlei osteopathische manipulaties beïnvloed worden.

Sutherlands leerling John UPLEDGER (Florida, geboren 1933) werkte de craniosacrale osteopathie (CranioSacral? Therapy, CST, Zetel Londen) uit tot een aparte specialiteit.

2. Uitgangspunten:

1. de schedelbeenderen kunnen (zwak) tegenover elkaar bewegen. Ze met de handen bewegen heeft op het CSV, de Dura en de aangrenzende systemen een faciliterend, en daardoor vaak deugddoend effect.

2. het CS-vocht is geen statische vochtmassa, maar vertoont een ritme (Cranio-Sacraal Ritme, CSR, hier is CS=craniosacraal en niet cerebrospinaal!). Dit sinusoidaal ritme bedraagt gemiddeld 2 x 3 seconden. Het kan versnellen, en zelfs stilgelegd worden (gedurende seconden tot minuten). Het CSV wordt voornamelijk geproduceerd in het 1ste en 2de ventrikel, en wordt geresorbeerd in de sinussen van de schedel. De resorptie is constant, de productie verloopt echter sinusoidaal, gelijk een toiletwaterslot: vermindert de druk, dan schiet de productie aan, bereikt de druk een maximum dan valt de productie stil. De gevoelszenuw hiervoor vertrekt vanuit de sutura sagittalis, en gaat, als een lokale reflexzenuw, direct naar de 1ste en 2de ventrikels om er de productie te stimuleren. Het CSR is vertraagd bij inwendige pijn en kwetsuren, en versneld bij angst en gejaagdheid. Het CSR normaliseren is één der doelstellingen van de CST.

3. Er zijn een viertal verklaringen voor het effect van de CST:

1) het faciliterend (vrijmakend) effect op de beenderen van schedel, ruggengraat en bekken, waardoor deze spontaan in een minder "beklemde" en "beklemmende" positie kunnen geraken. Allerlei geknelde en overgeactiveerde zenuwen (en de organen die zij bezenuwen) kunnen op die manier ook tot rust komen.

2) de reflexmatige medewerking van tal van kleine spieren, verbonden aan schedel, wervels, bekken, diafragma's, enz. Daardoor kan het mechanisch effect van zachte druk veel groter zijn dan wat de therapeut zelf uitoefent. De therapie is dus, weeral, slechts een "signaal" voor het organisme, een uitnodiging om zelf "orde op zaken" te stellen.

3) het opwekken van een algemene relaxatietoestand, waardoor patiënt niet alleen gemakkelijk inslaapt tijdens een goede therapie, maar ook algemeen tot rust komt, met allerlei gunstige neurovegetatieve reflexen en tonus-herinstellingen.

4) het psychisch gevoel, de fantasmen dat iemand die zolang met jou alleen bezig is, allerlei emotionele ontladingen erdoor.

Zoals bij homeopathie is er eigenlijk geen direct verband tussen ziekte en behandeling, hoewel natuurlijk pijnen in schedel en ruggengraat, stress en neurovegetatieve problemen veel meer in aanmerking komen voor CST dan bv. infectieziekten of zelfs eigenlijke beender- en gewrichtsletsels. Dit geldt uiteraard niet voor de algemene osteopathie, die trouwens ontdekt werd toen Still zijn zwaar ziek kindje met een infectieziekte probeerde te redden (in de tijd dat er nog geen antibiotica waren!)

Er zijn wellicht nog vele mechanismen die onverklaarbaar zijn. Het is namelijk, zoals de gehele geneeskunde, zowel traditioneel als alternatief, een empirische techniek. Men ontdekt, door te doen en te proberen, bepaalde zaken die werken. Pas later zal men er een verklaring voor vinden.

3. Het klassieke verloop van een behandelingssessie

a. Ontdek het craniosacraal ritme

Alle behandelingen gebeuren op een persoon die zonder hoofdkussen op zijn rug ligt, liefst op werkhoogte (ongeveer 1 m) voor de therapeut, die voor de manipulaties van het hoofd best aan het hoofdeinde zit.

Dat, los van ademhaling en hartslag, de schedelbeenderen en bijna alle andere lichaamsdelen heel zachtjes bewegen met het CSR is een heel recente ontdekking. Het is ontstellend dat zo'n gemakkelijke ontdekking, die elk mens kan doen die een ander aanraakt (en zelfs bij zichzelf) zovele tienduizenden jaren op zich heeft laten wachten. Het zegt misschien iets over het geweld waarmee wij elkaar doorgaans vastnemen.

Dit is trouwens het grootste probleem bij osteopathie, vooral CST: je moet leren zacht aanraken, nauwelijks beroeren. Het is het signaal dat telt. Het is trouwens ook de enige manier om de reacties van het lichaam te voelen. Men gebruikt vaak de vergelijking van een geldstuk: je moet zo hard duwen als de druk van een geldstuk op je huid! En dat is heel zacht, veel zachter dan je denkt. Voortdurend tijdens een CST moet je je druk "terugbrengen naar nul", want spontaan ga je langzamerhand harder drukken, al was het maar door het gewicht van je handen.

In het begin kan je gestoord worden door je eigen ademhaling, die je armen en handen zachtjes doet meebewegen. Tracht dit los te koppelen van elkaar door even te stoppen met ademen, of je ademhalingsritme te veranderen.

In het begin krijg je de indruk dat je je het inbeeldt, zo zacht is het. Maar mettertijd word je veel gevoeliger.

Eerste greep om het te leren ontdekken bij jezelf of de andere: je handen over het achterste deel van je schedel, zoals een koptelefoon.

Soms voel je, tijdens de behandeling, genezingsschokjes (therapeutic pulses). Deze kunnen soms seconden-, ja minutenlang duren. Ze wijzen erop dat het lichaam bezig is met allerlei vliezen en druktoestanden te herschikken. Soms treden ook genezingskronkelingen op, d.w.z. seconden of minuten durende slangachtige kronkelingen van delen van het lichaam (of heel het lichaam), alsof het inwendig bezig is met het herschikken van bepaalde spanningsvelden of gewrichten. Soms lijken deze bewegingen op de herhaling (of neutralisatie) van een vroeger mechanisch trauma. Als therapeut doe je dan gewoon verder, en beweegt zo nodig mee met het lichaam van de patiënt.

b. De tussenschotten losmaken

("Release diaphragms"). Het lichaam bevat een zeker aantal horizontale tussenschotten tussen de organen, tussenschotten die uiteraard doorboord zijn door bloedvaten, zenuwen, darmen, enz. naast het bekende middenrif (respiratory diaphragm) zijn er de bekkenbodem (pelvic diaphragm), de halsbodem (thoracic inlet), de mondbodem, en binnen de schedel vooral het tentorium. Deze worden ontspannen door minutenlang een zachte "greep" uit te oefenen: de ene hand onder de wervels vlakbij het tussenschot, de andere hand zachtjes drukkend op de ventrale aanhechtingsplaats van het tussenschot:

Het losmaken van de tussenschotten kan al veel problemen oplossen. Het vormt een goede voorbereiding om de wervelzuil en de schedelbeenderen aan te pakken.

c. Het losmaken van de wervelzuil

Hiermee wordt niet alleen bedoeld dat de beenderen (wervels) losgemaakt worden, maar vooral dat de dura mater, het harde hersenvlies dat vanuit de schedelholte tot in de laagste ruggenwervels loopt, zich "losmaakt" en eventuele plooien glad trekt. Deze dura wordt in de CST op twee plaatsen losgemaakt: de verbinding tussen heiligbeen (bekken) en lendenwervels, en de verbinding tussen halswervels en achterhoofd: door er de hand onder te leggen, en heiligbeen en achterhoofd zeer langzaam over en weer te kantelen, een beetje tegen hun spontaan ritme in.

d. De schedelbeenderen

Dit is het belangrijkste deel van de CST. Men kan volgende reeks volgen:

1. schedelbasis (achterhoofd: de verbinding tussen schedel en halswervels)

Dit is één van de lastigste grepen. Ze bestaat uit 4 fasen:

  1. het achterhoofd (onder het achterhoofdsbeen thv de eerste halswervel) minutenlang laten rusten op uw geplooide vingers, zonder het te laten rusten op uw hand.
  2. als de spieren van het achterhoofd en de twee bovenste halswervels losgekomen zijn: met ringvingers en pinken het achterhoofd optrekken
  3. als die hoge nekspieren losgekomen zijn: de (2x) 4 vingers langzaam spreiden naar de buitenkant, totdat de nekspieren gans losgekomen zijn (je voelt dit plots spontaan gebeuren)
  4. het hoofd in beide handen laten rusten, en zachtjes optrekken.

2. voorhoofdsbeen (frontaal)

Ringvingers in het putje naast de wenkbrauw, middenvingers op de wenkbrauw, wijsvinger op het voorhoofd boven de neus, en langzaam naar boven (=de zoldering) heffen.

3. wandbeen (pariëtaal)

Let op: dit been ligt erg naar achteren, voorbij de sutuur. Deze greep verloopt in twee keer: eerst met 4 vingers (geen duim) minutenlang naar binnen drukken, dan enkele seconden loslaten en wachten, en dan met diezelfde vingers lichtjes naar boven (=van de schouder weg) trekken. Vermits hun naad met het slaapbeen schuin naar binnen verloopt, maakt het naar binnen drukken hen los van deze slaapbeenderen.

4. wiggebeen (sphenoid)

Dit is een zeer gevoelige plek, want als er te hard of te ruw mee omgegaan wordt krijgt de persoon hoofdpijn. Vingers onder de schedel, en beide duimen op de grote vleugel van het wiggebeen: een klein plekje juist voorbij het putje naast de wenkbrauwen. Eerst enkele minuten zachtjes naar beneden (=naar het oor toe) drukken, dan enkele minuten zachtjes naar boven (=de zoldering, de ogen).

5. slaapbeen (temporaal)

Dit zeer belangrijke been (het hersententdak, waarop de hersenen rusten, hangt er vooraan aan vast) wordt in 3 stappen behandeld: (1) vooreerst bewegen rond de voor-achteras: het hoofd rust op de handen (met gekruiste vingers) van de therapeut, met beide mastoid-uitsteeksels op de duimen. Deze duimen bewegen na enkele minuten zoals twee ruitenwissers samen naar links en na een pauze naar rechts, en zo enkele malen heen en terug. (2) dan rond de verticale as (door de oren): de middenvinger in het oorkanaal, de wijsvinger op het jukbeen de ringvinger op het mastoied. Eerst voelen hoe de spontane CSR-beweging is. Meestal "draaien" beide oren parallel. Soms echter draaien ze tegen elkaar in: het ene kloksgewijs als het andere tegenkloksgewijs draait. Dit wijst op een onaangename spanning in het hoofd. De behandeling bestaat erin de beweging een aantal seconden aan één kant te blokkeren. Na enkele seconden (of minuten) stilstand herneemt spontaan de normale, symmetrische beweging. (3) oortrekken: men plaatst de duim in de oorgang, de 4 vingers tegen elkaar onder de oorschelp, en trekt beide oren zeer zachtjes naar postero-lateraal (dus schuin naar achteren en van het lichaam weg).

6. kaakgewricht (temporo-mandibulaire junctie)

De bedoeling is de spieren rond het kaakgewricht te ontspannen. Men doet dat in 2 bewegingen: (1) het kaakbeen minutenlang zachtjes aandrukken naar boven (=het voorhoofd), door de middenvingers in het putje vlakbij de hoek van de onderkaak te plaatsen, en vingers 2 en 4 ernaast. (2) het kaakbeen minutenlang zachtjes wegdrukken (naar de keel toe) door vingers 2 tot 4 enkele centimeter hoger te plaatsen.

7. Craniosacraal ritme stilleggen

De ritmische drukschommelingen van het cerebrospinaal vocht kan tijdelijk (enkele seconden tot minuten) op een vrij eenvoudige wijze stilgelegd worden: het volstaat de gekruiste handen onder het achterhoofdsbeen te leggen en een drukverhoging uit te oefenen (het gewicht van het hoofd volstaat meestal). Er wordt dan een lichte samendrukking van het vierde hersenventrikel gerealiseerd. Let op: niet op de temporale beenderen drukken, want dit geeft erge misselijkheid.

De indicatie van deze ingreep is o.m.: zware migraine of neurovegetatieve stoornissen. Het mag uiteraard niet toegepast worden bij schedeltraumata of hersendoorbloedingsstoornissen.

4. Pijnonderdrukking

Een andere techniek die men ontdekt heeft is het onderdrukken van pijn door "bundelen van energie": men legt twee vingers (wijsvinger en middenvinger, lichtjes gespreid) zo dicht mogelijk bij de pijnlijke plek, en de wijsvinger van de andere hand aan de "tegenovergestelde" zijde van het lichaam of lichaamsdeel. Deze vinger richt men "wijzend" naar de pijnplek. De veronderstelling is dat er energie uitgaat van de tweede hand naar de eerste hand, die vlakbij de pijnlijke plek ligt. Na een kwartier of langer zal de pijn verdwijnen, ook al heeft ze maanden of jaren geduurd.

De ontwikkelaars van deze spectaculaire techniek deden dit eerst op het hoofd, en dachten dat er stromingsprocessen ("energieën") plaats grepen in het CSV. Doch die techniek werkt even goed op andere lichaamsdelen en ledematen, waar geen CSV zit. Het is dus duidelijk iets anders. Misschien speelt zelfhypnose een rol.

Het blijkt trouwens dat in plaats van de "uitstralende" vinger meerdere vingers, de hele hand, of zelfs het hele lichaam van de therapeut (die bv. achter een zittende patiënt staat) kunnen gebruikt worden. Ook de ontvangende gespreide vingers kunnen vervangen worden door een volledige hand.

5. Wanneer en hoe lang CST toepassen?

Eigenlijk kan men niets misdoen. Het is als een "kuisbeurt". Men loopt alles af, en staat wat langer stil waar het nodig is. De duur van elke "greep" wordt bepaald door wat men voelt: