overzicht |

5721

FOCUSING, FOCUSSEN

blootstelling als experiëntiële ervaring

INLEIDING

In Engels met 1 S (to make a focusing), in Nederlands (focussen) blijkbaar met 2. Vermits "focusing" een Engels woord is = het tegenwoordig deelwoord, de actie van het focussen, en geen Nederlands (het achtervoegsel "-ing" betekent: "de gevolgen van een actie") is focusing taalkundig met 1 S.

zie Wikipedia
zie focusing.org
 
zie Didiers Powerpoint


 

 

A. De factor blootstelling in therapie experiëntieel bekeken

 

1. De experiëntiële benadering

 

Laten we aan de hand van een voorbeeld duidelijk maken waarop de experiëntiële benadering zich richt. Wat is het experiëntiële? We maken ook het belangrijke onderscheid tussen het experiëntiële met een emotie, een lichaamssensatie en een cognitie.

 

‘Je bent een tekst aan het schrijven. Je hebt een discussie meegemaakt en er is iets blijven hangen dat je wilt vasthouden en dat je nu voor jezelf wilt verduidelijken in een tekst. Dit ‘iets’ is jouw punt en je begint het uit te schrijven. Nadat je een en ander ervan op papier hebt gezet, kun je niet meer verder. De tekst stopt. Of beter, de tekst loopt uit op enkele puntjes, want je probeert vooruit te komen. Je weet zeker dat er nog meer van te zeggen is; en je zoekt.’

 

Dit is te vergelijken met een cliënt die in een therapiesessie een punt zoekt uit te spreken, voor zichzelf met woorden duidelijk probeert te krijgen wat een bepaalde probleemsituatie hem ‘doet’ of wat ze voor hem betekent; we denken ook aan therapeutisch schrijven.

 

Je zoekt, want je voelt dat er meer is, maar het is je nu niet duidelijk. Je kunt het niet onder woorden brengen. Er komt geen tekst, enkel puntjes…., enkel …..; enkel stilte en een vage spanning in het lichaam. Dit geldt ook voor de cliënt in de sessie. Je zoekt daar waar je voelt dat er meer is, ergens in jezelf. Je probeert je aandacht daarop te richten. Dat ‘meer’ heb je als een gevoel en dit gevoel is daar als een lichamelijke ongemakkelijkheid.

Je probeert met je aandacht te komen bij de lichamelijke ongemakkelijkheid omtrent dat ‘meer’. Je leest en herleest daartoe de geschreven zinnen, zoals de cliënt vaak in andere woorden herhaalt wat hij reeds zegde. Telkens kom je op de plaats waar de tekst niet verder kan. De tekst loopt evenwel niet zomaar uit op enkele puntjes….., hij loopt uit op enkele puntjes waar je aandacht bij blijft, hij loopt uit op een ….. . Je hebt zo’n ….. niet in woorden maar enkel als een welbepaalde gevoelde spanning, een onopgelostheid, waarmee je contact kunt maken, een gevoelde zin, waarop je je aandacht kan richten of focussen.

 

Het is niet een lichamelijke ongemakkelijkheid zonder meer: in tegenstelling tot een lichaamssensatie gaat een gevoelde zin over iets, het is een onduidelijk gevoel omtrent wat je hoorde in de discussie, het gaat over een probleemsituatie, over hoe jij erin zit, wat ze jou doet, wat ze voor jou betekent. En je voelt het verband, het is niet een weten. Het is een gevoel-van; er zitten betekenissen in, maar nog impliciet en omgevormd. Dat er meerdere aspecten in zo’n punt zitten, merk je als je het begint uit te schrijven of uit te spreken; maar nu, voor je het differentiërend kunt uitdrukken, voel je die diverse gevoelde betekenissen als één geheel: dit noemen we een felt-sense.

 

Een gevoelde zin is niet hetzelfde als een emotie; het is niet zoiets als angst of verdriet. We zegden: wat je verder zou willen schrijven heb je in je; na herlezing van het reeds geschrevene voel je ‘het’ weer. Een emotie zoals bijv. boosheid kan er eventueel deel van uitmaken, maar het belangrijkste van zo’n ….. is dan datgene waarover de emotie gaat. Verder is het zo dat, waar een emotie zoals boosheid altijd hetzelfde patroon impliceert, namelijk willen vechten, een gevoelde zin daarentegen een nieuwe en uniek patroon impliceert. We zullen dan ook zin dat confrontatie in de experiëntiële benadering niet louter bedoeld is om emotie te wekken, maar om iets experiëntieels te wekken. Emotie kan er wel deel van uitmaken: als de cliënt tot nu toe niet kwaad kan zijn ‘er’-over en dat nu wel kan, dan is dat een belangrijk therapeutische moment. Maar het eigenlijke experiëntiële werk gebeurt met het bredere ‘waarover’ van de emotie.

 

Een onduidelijk punt dat men probeert in de focusaandacht te vatten en onder woorden te brengen, is ook niet een verborgen, vroeger gevormde cognitie. Het impliciete is niet iets dat reeds gevormd zou zijn en verborgen en nu aan de oppervlakte gebracht moet worden; het is iets dat verdere vorming vraagt. Maar het functioneert wel in het denken. Bij het overdenken van een probleem brengen we innerlijk ‘dit’ in verband met ‘dat’ en met ‘dat andere’ enz.: verscheidene punten die we in ons hebben als een impliciet gevoel. Het is namelijk onmogelijk om de diverse aspecten van een probleem in expliciete vorm, onder vorm van expliciete cognities, in ons denken te hebben.

 

Keren we terug naar ons voorbeeld van een punt proberen uit te schrijven. Als het zich na een tijdje – doordat je er met je aandacht er bij blijft, er blijft op werken – wel vormt, dus zich inscherpt en opent, dan komen, soms onverwacht, de woorden en de zinnen (symbolisaties), wordt helemaal duidelijk en komt er ook een objectief meetbare lichamelijke opluchting. Mogelijk heb je eerst allerlei verwoordingen geprobeerd, die echter niet of niet helemaal klopten: dat toont aan dat zo’n punt heel precies ‘weet’ welke verwoordingen het moet krijgen en dat dit een talig weten is. Nu met de juiste verwoording, weet je zeker dat dit het was wat je wilde zeggen en weet je het nu ook veel preciezer.

 

In de fysieke ontspanning voel je ook dat je verder bent. De beleving wordt door die verwoording vooruit gedragen (shift). De opluchting komt niet doordat een externe last wegviel, maar doordat er intern een verandering is; je voelt hu de oplossing. Je weet nu bijv. wel welke actiestappen je kunt zetten.

 

Het niveau waar zo’n punt zich vormt, waar de persoon zich probeert op te richten, waar een …..  komt, beweegt en zich oplost (veranderingsstap) in symbolisaties, is het niveau van het experiëntiële.

 

In experiëntiële therapie probeert men specifiek te werken met dit niveau. De uitnodiging aan de cliënt om receptief aandacht te geven aan en te proberen te werken op dit niveau doortrekt de gehele basishouding van de therapeut en zijn interventies en is impliciet aanwezig doorheen de gehele sessie; het is niet een techniek voorbehouden voor bepaalde momenten.

 

In een proces van verdere verwoordingen in interactie met  het experiëntiële niveau en dit mede aan de hand van de relatie met de therapeut en van diens interacties, komt de cliënt stapsgewijze tot klaarheid in zichzelf, tot een nieuwe beleving, tot veranderingsstappen.

 

2. Blootstelling experiëntieel bekeken

 

Blootstelling en confrontatie aan de (angst)beladen situatie die de cliënt geneigd is te vermijden, lijken harde woorden vanuit experiëntiële optiek. Het is trouwens in deze benadering een belangrijk principe zo veel mogelijk de eigen gang van het innerlijke proces van de cliënt te respecteren en te volgen en niets op te dringen.

Anderzijds is ook hier het doel uiteraard dat de cliënt voorbij zijn vermijdingen en weerstanden geraakt en vaak lukt dit niet als men zuiver non-directief cliënts proces zijn eigen gang laat gaan omdat hij dan in kringetjes blijft ronddraaien.

 

Het gaat er dus om de twee principes in harmonie te laten samengaan. Confrontatie en blootstelling kunnen positief zijn, maar kunnen evengoed nefast zijn.

Enkele voorbeelden van foutief confronteren zijn de agorafobische cliënt zonder meer de straat op sturen, een psychoanalytische interpretatie die te vroeg komt, of aan de cliënt zonder meer zeggen: ‘Zie je nu wat je iedere keer doet?’ Zomaar ‘ervoor’ gezet worden, zal de cliënt doen vluchten of het zal hoogstens een cognitief effect hebben; hij ‘ziet’ dat dan wel, maar het staat als het ware voor hem. Die kennis is niet in hem; er is in zijn beleving daaromtrent niets veranderd; de volgende keer zal het even problematisch beladen zijn.

 

Confrontatie en blootstelling zijn positief als ze resulteren in een effect dat autonoom van binnenuit komt. Bijv., na een tijdje zoeken in de hiërarchie van mogelijke actiestappen, stelt de gedragstherapeut iets voor aan de cliënt waarop deze zegt, spontaan: ‘Ja dat, dat zou ik kunnen doen!’ Of de interpretatie van de analyticus komt op het juiste moment en leidt tot een shift, een nieuw inzicht bij de cliënt, en tot verdere associaties. Het juiste moment wordt bepaald door het innerlijk proces van de cliënt (dit is het non-directieve); de therapeut moet dat aanvoelen en kan dan tussenkomen (het directieve).

 

Ook een cliënt-centered reflectie is een voorbeeld van blootstelling: de therapeut geeft namelijk aan de cliënt terug wat deze gezegd heeft en dit teruggeven is hem ‘er’ opnieuw voor zetten en hem aldus uitnodigen tot verdere belevingsontvouwing. De cliënt in therapie doet zoiets ook met zichzelf: therapie is dingen voor zich uit zeggen en ze laten terugkomen; het is voor een groot deel zelfreflectie en dus zelfconfrontatie. In experiëntiële therapie is het spreken ook bedoeld om bij het nog onverwoordbare of bij de ….. kunnen komen en zo’n focusmoment is bij uitstek een moment van confrontatie met zichzelf.

Dat het eigen proces een wezenlijke rol speelt bij de factor blootstelling, zien we ook in het feit van de cliënt die besluit tot therapie en zelf een therapeut gaat opzoeken: hij confronteert zichzelf.

 

Toch maakt het een belangrijk verschil uit voor het al dan niet effect hebben ervan of het gaat om een blootgesteld worden, dan wel om een zich blootstellen. Er is meestal wel een extern aandeel, een voorstel van therapeut bijv. maar de cliënt zelf moet bereid zijn om het voorstel te onderzoeken: het is zijn autonomie die men moet kunnen aanspreken. De cliënt moet bereid zijn om ‘er’ zich voor te stellen of om ‘het’ zich voor te stellen.

Maar nog meer bepalend voor het positief of negatief effect van blootstelling is het autonome antwoord van het innerlijk gevoel van de cliënt op het voorstel: we moeten de autonomie van het belevingsproces kunnen aanspreken.

 

Er tekenen zich dus 3 momenten af:

    1) er komt een voorstel van de therapeut

    2) de cliënt is bereid het te bekijken

    3) daartoe gaat hij innerlijk, in zijn beleving, na wat het voorstel hem doet en welk antwoord hij erop voelt komen.

 

Louter met de concepten blootstelling en confrontatie komen we er dus niet: we moeten werken met deze concepten in relatie tot iets meer. Er is procesjuistheid die gerespecteerd moet worden, namelijk het antwoord van de beleving.

 

Het komt er bij blootstelling op aan het juiste evenwicht te vinden tussen deze 3 momenten: het eerste mag slechts als aanzet fungeren en het derde moet als beslissend gezien worden.

Na het voorstellen van zo’n oefening wacht men best het antwoord af van het innerlijke proces: hoe voelt het daar, wat komt er daar? Als men het op deze manier doet, is het doen zelf van een voorstel geen verstoring van het innerlijke proces.

Integendeel, met louter volgen lukt het vaak niet om weerstanden en vermijdingen te overwinnen, terwijl een voorstel dat op het gepaste moment en op de gepaste manier gebeurt wel het nodige procesrespect opbrengt.

 

Men kan dus in therapie, naast puur experiëntieel luisteren, andere dingen doen, als het criterium blijft: het antwoord van het experiëntieel proces van de cliënt. Dit criterium is het ook wat het volgen van de opeenvolgende belevingsnuances en het experiëntieel confronteren gemeen hebben. Beide zijn therapeutisch en beide hebben hun eigen plaats in zijn nodig in therapie.

Het pure volgen is nodig daar waar de cliënt in goed contact is met de ontvouwingsstroom, daar waar het experiëntiële vanzelf antwoordt. Waar de cliënt echter vastloopt, iets uit de weg blijft gaan en zich herhaalt, is volgen onvoldoende en zal experiëntieel confronteren nodig zijn.

Confronteren is niet iets opdringen en is niet ‘binnenbreken’. Het komt er op aan dat men het punt creëert dat het eigen proces nu nodig heeft en mogelijk kan realiseren, het punt waarop het proces nu vooruitgang zoekt. Blootstelling staat in dienst van het proces. Therapie is ontwikkeling van het eigene, blootstelling staat in dienst daarvan.

 

 

3. Blootstelling in therapie experiëntieel bekeken

 

Therapeutisch efficiënte blootstelling is dus het resultaat van een samenspel van (zelf)confrontatie en procesjuistheid.

 

Hoe gebeurt zo’n blootstelling?

 

In experiëntiële therapie via reflecteren, experiential listening, het punt aan de cliënt teruggeven: ‘Is het zo binnenin?’

 

We zullen zien hoezeer focussen en luisteren met elkaar verweven zijn. Men kan ook aan de cliënt expliciet voorstellen ergens bij stil te staan. Men kan aan de cliënt die angstig is om opnieuw voor de klas te staan, zeggen: ‘Laten we daar even bij blijven, dat moment in de klas bij die moeilijke leerlingen, blijf daar even bij, stel je voor dat je er nu tussen staat en probeer te kijken hoe dat voelt binnenin.’

Dit is de cliënt helpen een ….. zich te laten vormen, een gevoel van de probleemsituatie waarvan de cliënt nu nog niet weet wat er allemaal in zit. We zien hierin ook een voorbeeld van hoe de gedragstherapeutische techniek imaginaire confrontatie kan samengaan met focussen.

 

 

 

In de praktijk kunnen we bij de confrontatie/blootstelling stappen onderscheiden:

-       Op het eerste oppervlakkige, niveau kan men voorzichtig uitnodigen tot ‘kijk wat het je doet’. Dit is de cliënt terug voor de situatie zetten. Het is louter een er-voor-zetten, een taak aanbieden.

-       We komen verder met dan voor te stellen ‘kijk wat je erbij voelt…’ We proberen hiermee de cliënt op het experiëntieel niveau te krijgen. Het is contact maken met ‘wat je voelt’. ‘Wat je voelt’ is op het eerste gezicht een mengeling van duidelijke gevoelens, gedachten en emoties en dan is het belangrijk om te vragen naar wat er naast deze duidelijke dingen in de beleving zou kunnen zijn aan onduidelijkheid, aan …… Wat eerst confrontatie was, is dan een-innerlijk-ruimte-maken, geworden, zodat  het experiëntiële nu zelf kan werken, antwoorden, zich ontvouwen.

 

Deze tweevoudige stap is dus:

-       Eerst ernaartoe komen, erbij aankomen, er door de therapeut bij gebracht of bij gehouden worden. Deze stap mag nog extern bepaald zijn.

-       Dan langzaam erin gaan, in ‘wat het mij doet’, in ‘wat het voor mij betekent’. Deze stap moet intern aan het proces zelf worden overgelaten.

 

 

B. Het focussingproces

 

Focussen betekent aandacht geven aan iets dat aanvankelijk slechts vaag aanwezig is in de beleving. Door daar zorgvuldig bij stil te staan, kan het zich verduidelijken en in interactie met symboliseringen kan het de gepaste uitdrukkingen krijgen.

 

Focusing is een cliëntproces dat ontdekt werd in succesvolle therapie. Bij de vergelijking van geslaagde therapieën met niet geslaagde therapieën is gebleken dat succesvolle cliënten een speciale vorm van zelfexploratie aanwenden. Die zelfexploratiemethode van succesvolle cliënten werd grondig bestudeerd door Gendlin, met de bedoeling daarin de principes te vinden waarmee men minder succesvolle cliënten die cruciale vaardigheden kan bijbrengen.

 

Gendlin verdeelde het focussingproces in 6 verschillende stappen:

-       ruimte maken

-       een gevoelde betekenis laten komen

-       een handvat vinden

-       resoneren

-       vragen/exploreren

-       ontvangen

 

In de praktijk van de gesprekstherapie is het echter zinvoller om in het focussingproces drie grote processen te onderscheiden, die elk op zich zeer nuttig kunnen zijn in een therapeutische begeleiding.

 

1) Het eerste proces is erop gericht om de cliënt de juiste afstand tot zijn beleving te helpen vinden. In deze fase wordt de cliënt begeleid om contact te maken met zijn beleving zonder erdoor overspoeld te worden. Er wordt niet inhoudelijk met de problemen gewerkt, maar verhoudelijk: de cliënt leert een ruimte creëren tussen de problemen en zichzelf, waardoor hij niet meer samenvalt met de problemen, maar zich vanuit een observerend zelf tot de problemen verhoudt.

In dit proces zijn er verschillende stappen te zetten, naargelang de toestand waarin de cliënt zich bevindt. Een cliënt die te ver van zijn belevingen blijft, vraagt om een andere benadering dan een cliënt die te dicht op zijn beleving zit. Het vinden – en behouden – van de juiste verhoudingswijze is een essentieel therapeutisch gebeuren dat in verschillende contexten (als start van een therapiesessie, tijdens het therapeutisch proces, in crisissituaties, als bezinningsmoment) kan worden toegepast.

 

2) Het tweede proces is de kern van het focussingproces. Hierin wordt een gevoelde betekenis gecontacteerd en uitgedrukt in symbolen (woorden, gebaren, tekeningen, beelden,..). In dit proces wordt de cliënt begeleid om de verschillende facetten van zijn beleving naar voren te halen.

Een gevoelde betekenis komt tot vervollediging door de verbinding te laten ontstaan tussen lichamelijke gewaarwordingen, emoties, situaties in de buitenwereld, symboliseringen.

Dat ontvouwingsproces leidt naar een opluchting, een lichamelijk gevoelde ervaring van bevrijding, waardoor er nieuwe energie voelbaar wordt. Echte therapeutische verandering draagt altijd kenmerken van dit proces in zich.

 

3) Het derde proces impliceert het ontvangen van alles wat zich wil aandienen in het ervaringsproces. Mogelijke bewegingen en nieuwe ontwikkelingen in de cliënt kunnen hardnekkige weerstanden in hem oproepen. De meeste voorkomende struikelblokken noemt men in focussingtermen: de interne criticus of interfererende karakters.

Die storende reactiewijzen vragen extra aandacht en begeleiding omdat ze de cliënt op een zijspoor zetten en leiden tot een onproduktief proces wanneer zij de overhand krijgen. Het onderkennen, exploreren en ontkrachten van niet-helpende reactiewijzen bij de cliënt, is een complex en vaak weerkerend proces, waarin met grote zorg verschillende stappen worden gezet.

 

Die 3 macroprocessen kunnen zich in een hiërarchische volgorde aandienen: de cliënt moet eerst de juiste afstand vinden tot zijn problemen vooraleer hij contact krijgt met een lichamelijk gevoelde betekenis en tot de juiste symbolisering kan overgaan. Daarbij duiken de interfererende interactiewijzen doorgaans op wanneer de symbolisering van de gevoelde betekenis bezig is.

Maar die processen kunnen evenzeer in een andere volgorde verschijnen: van bij de aanvang kan een interfererende reactiewijze ervoor zorgen dat de cliënt geen contact kan maken met bepaalde gevoelens, of bij het exploreren van een interfererend karakter kan de cliënt overspoeld raken en moet er gezocht worden naar de juiste afstand. Het gaat dus om verschillende vaardigheden die voortdurend aan de orde zijn en die met wisselende klemtoon op de voorgrond komen.

 

Elk macroproces kan ook  soms apart een volledige sessie benemen, of een bepaald proces kan worden gebruikt als onderdeel in andere therapeutische benaderingen.

 

In wat volgt wordt elk macroproces grondig doorlicht. Er wordt ook aangegeven hoe de therapeut de cliënt op het juiste spoor kan houden of bij moeilijkheden, meer directief de nodige vaardigheden kan introduceren en kan aanleren aan de cliënt.

Per afzonderlijk principe worden ook toepassingsmogelijkheden gegeven en wordt geïllustreerd hoe deze processen er in de praktijk kunnen uitzien.

 

 

 

1. Het vinden van de juiste afstand

 

De cliënt dient een relatie tot zijn ervaringsproces te creëren waarbij hij de juiste afstand vindt ten opzichte van zijn problemen. De juiste afstand wil zeggen: de cliënt kan contact maken met zijn beleving, maar hij valt er niet mee samen.

 

In deze fase werken we niet inhoudelijk rond een probleem, maar verhoudelijk: we helpen de cliënt een comfortabele positie vinden ten aanzien van zijn gevoelens, wat wil zeggen dat ze dicht genoeg komen om ze te kunnen voelen, maar toch op een kleine afstand blijven zodat de cliënt er niet in verzinkt.

Vaak hebben de moeilijkheden die cliënten ondervinden te maken met een verkeerde verhoudingswijze, er is geen juiste afstand tussen de cliënt en zijn beleving. De afstand is ofwel te groot, de cliënt blijft te ver van zijn ervaring, waarbij hij niets voelt; ofwel is de afstand te klein, de cliënt zit er te dicht op, er is geen zelf meer dat zich verhoudt tot het gevoelde.

 

Naargelang de cliënt te ver of te dicht zit in de verhouding tot zijn problemen, dient de therapeut anders te interveniëren.

 

De cliënt zit te ver

 

Signalen

 

Dit proces uit zich wanneer de cliënt;

-       niet weet waarover te praten

-       weinig voelt of zijn gevoel telkens weer betwijfelt

-       lang tijd nodig heeft om contact te krijgen met een gevoel

-       het contact met zijn gevoel gemakkelijk verliest

-       meer in zijn hoofd zit en van daaruit spreekt

-       veel uitlegt aan de therapeut

-       het probleem wegrationaliseert

-       voornamelijk externe autoriteiten citeert

 

Als de cliënt in een verhoudingswijze van te ver van zijn gevoel blijft steken, dient de therapeut actief wegen aan te bieden om de cliënt een andere relatie tot zichzelf te helpen ontdekken.

De vraag ‘hoe voelt dat?’ volstaat meestal niet voor deze cliënten, omdat zij hun lichaam niet kennen als de plaats waarin zij op zoek kunnen gaan naar betekenis. Zij zoeken buiten zichzelf naar betekenissen: bij andere autoriteiten, in theorieën of boeken.

 

 

Lichaamsgerichte aandacht

 

De introductie van iets lichaamsgericht is meestal een noodzakelijke stap om hen in contact te brengen met een nieuwe bron van weten: de eigen innerlijke autoriteit.

 

Een goede manier om de cliënt te begeleiden naar een innerlijke verhoudingswijze kan zijn: de cliënt eerst en vooral met zijn aandacht in zijn lichaam laten gaan. Doorgaans volstaat  het om aan het begin van de sessie de cliënt uit te nodigen met enkele eenvoudige instructies als ‘neem wat tijd om te voelen hoe je in je lichaam zit…’, ‘volg even je ademhaling, gewoon je in- en uitademen, zonder daar iets aan te moeten veranderen…’ ‘wat valt je op als je even met je aandacht door je lichaam gaat?’

 

De therapeut kan de cliënt ook in het begin van de sessie vragen om even de ogen te sluiten en na te gaan hoe de verschillende plaatsen in zijn lichaam voelen. Daarbij krijgen vooral de ademhaling en de gewaarwordingen in keel, borst, maag en buik ruim aandacht. Indien de therapeut de cliënt met een vorm van relaxatie wil laten aanvangen, moet er wel voor gewaakt worden dat er geen te diepe ontspanning ontstaat: focussing vergt immers een heldere concentratie en een alerte ontvankelijkheid.

 

Oskar, 48 jaar, spreekt meestal op een zeer rationeel niveau over situaties uit de voorbije week. Daarbij gaat hij vaak in boeken zoeken naar verklaringen voor wat hij meemaakt. Hij start de 22e sessie met een lang verhaal over een vriend. Hij vertelt veel details dat hij denkt dat hij zich woedend zou moeten voelen en hij koppelt het aan iets dat hij gelezen heeft bij Adler over macht.

 

T: ‘Je denkt dat je je woedend zou moeten voelen….maar je voelt daar geen contact mee…laat alles wat je er rond gedacht en gelezen hebt even rusten, we gaan van voor af aan beginnen bij je lichaam en zien wat zich van daaruit kan aandienen…Neem maar je tijd om je ogen te sluiten, dan begeleid ik je met je aandacht door je lichaam.

 

De therapeut laat de cliënt voelen vanaf zijn voeten en zo systematisch heel het lichaam van onder naar boven, met daarbij telkens de uitnodiging ‘wat wordt je gewaar in dat deel van je lichaam?’ Daarbij laat de therapeut de cliënt blijven bij het pure observeren van wat zich in zijn gewaarwordingen aandient.

 

T: ‘Stel gewoon vast wat je gewaarwordt…(nadat heel het lichaam overlopen is, vraagt de therapeut aan de cliënt om zijn aandacht terug in het centrum van zijn lichaam te brengen)… Wat springt er meest naar voor wanneer je zo heel je lichaam doorlopen hebt?’

C: ‘Dat gevoel in mijn maagstreek…die spanning daar… dat is het meest krachtige.’

 

 

Contrast-ervaring

 

Als de cliënt niet weet waarover te spreken, stel ik soms voor om eens te toetsen of hij zou kunnen zeggen ‘ik voel mij helemaal goed’. Zo’n provocerende uitspraak wordt meestal tegengesproken door een gevoel dat de cliënt in de weg zit.

Dezelfde contrast-ervaring wordt ook opgeroepen door de cliënt te laten zeggen ‘al mijn problemen zijn opgelost.’

Daarop melden zich belevingen van probleemgebieden die dan onderwerpen van gesprek kunnen worden.

 

Lijst maken

 

Het kan ook effectief zijn om samen met de cliënt te doorlopen wat er momenteel in zijn leven bezig is en hem bij elke topic te laten nagaan wat dat oproept. Uit de lijst wordt dan datgene genomen waarbij de cliënt de sterkste gewaarwordingen heeft.

Daarbij is de therapeut steeds alert voor kleine lijfelijke reacties van de cliënt: oogbewegingen, gelaatsexpressie, ademhaling, kleine gebaren, lichaamshouding waarin iets verandert. Het kunnen tekenen zijn van een onderliggende lading waar de cliënt misschien aan voorbij gaat als de therapeut er niet de aandacht op vestigt.

 

Hercontacteren

 

Niet alleen aan het begin van het gesprek kan de cliënt te ver van zijn gevoelens blijven, ook tijdens het gesprek kan hij het contact met zijn gevoel verliezen.

Dan geeft de therapeut opnieuw suggesties als

-       ‘neem even tijd om te voelen hoe dat in je lichaam leeft…’

-       ‘zou je kunnen zeggen: het probleem is helemaal opgelost?’

-       ‘hoe is je ademhaling terwijl je hierover spreekt?’

-       ‘je zegt: het raakt me niet, maar ondertussen maak je een stampende beweging met je been…wat word je daarin gewaar?’

-       ‘voel je in jezelf een verschil wanneer je spreekt over je beleving van je vriend en je beleving van je man?

 

Met dergelijke vragen richt de therapeut de aandacht van de cliënt opnieuw naar binnen en meer in het bijzonder op de gewaarwordingen die zich vanuit zijn lichaam zouden kunnen melden.

 

We kunnen ook de cliënt, die gemakkelijk het contact met zijn gevoel verliest, zijn hand laten leggen op de plek waar hij het in zijn lichaam kan voelen. We laten hem dus letterlijk zijn gevoel vasthouden. Daarbij geven we bijkomend de suggestie naar die plek toe te ademen.

 

 

Op dergelijke momenten wordt de aandacht verlegd van buiten naar binnen en wordt er een begin gemaakt met een innerlijke verhoudingswijze, waarbij de cliënt leert zich te begeven in de positie van een observerend niet-beoordelend zelf, dat bepaalde gebeurtenissen binnen in zichzelf kan gewaarworden.

Geleidelijk wordt er van het observeren van eenvoudige fenomenen (ademhaling) overgeschakeld naar complexere ervaringen (de innerlijke beleving van een conflict).

 

 

De cliënt zit te dichtbij

 

Signalen

 

De tegenovergestelde positie treffen we aan wanneer de cliënt uitdrukt (verbaal of niet-verbaal) dat er te veel op hem afkomt of dat zijn ervaring te intens is. Het is niet uitzonderlijk dat een cliënt plots van een verhoudingswijze van te ver omslaat naar te dichtbij.

 

Signalen zijn:

-       cliënt heeft een aversie voor wat zich meldt

-       hij wordt erg angstig, gespannen, overspoeld door iets waarin hij verzinkt of waarbij hij zichzelf verliest

-       hij identificeert zich helemaal met zijn beleving

 

Dat zijn signalen dat de therapeut hem moet begeleiden om meer afstand te creëren. Er is immers een kleine afstand nodig tussen het zelf en het probleem om een innerlijke relatie mogelijk te maken.

 

Metaforen

 

Bij het begeleiden van een te dichte verhoudingswijze doet de therapeut beroep op de natuurlijke capaciteit van de mens om zich te ‘splitsen’ en maakt de therapeut dankbaar gebruik van de enorme kracht die er kan uitgaan van de verbeelding.

De therapeut moedigt de cliënt aan om in zichzelf delen te onderscheiden, waarover de cliënt vervolgens een zekere zeggenschap kan krijgen of waarvoor hij op bijzondere wijze kan zorgdragen.

Het aanwenden van metaforen om die processen concreter aanwezig te stellen is hierbij onmisbaar (spreken over: afstand maken, zich te ver of te dicht bevinden, is ook reeds beroep doen op metaforen om die processen te beschrijven).

 

Naar gelang de aard van de problemen waarmee de cliënt samenvalt of die hem overspoelen, introduceert de therapeut een andere manier om de disidentificatie of het afstand nemen te faciliteren. De metaforen die daarbij gebruikt worden, moeten passen bij het probleem en bij de leefwereld van de cliënt.

 

Er zijn meerdere manieren om de cliënt te helpen bij het vinden van een juiste afstand.

 

1) Plaatsgeven

 

Uitnodigen om het probleem een plek te geven buiten zichzelf, op een plaats die goed voelt voor de cliënt. Bijv.: ‘kun je eens proberen om dat probleem even een plaats te geven hier ergens in deze ruimte….kijk maar waar jij het even wil neerzetten?’

 

-       Concretiseren: door de cliënt op een papier de naam van het probleem te laten neerschrijven of iets te tekenen en dan dat papier een plaats te geven in de gespreksruimte. Dit is vaak vruchtbaarder dan op fantasieniveau aan te geven waar iets ligt.

-       Metaforen: proces van afstand maken kan ook op fantasieniveau begeleid worden aan de hand van uiteenlopende metaforen:

                   1)  Bij cliënt die vooral op schouders en rug overbelasting ervaart: ‘Als je je  voorstelt dat je gebukt gaat onder een zware rugzak vol problemen, laat ons dan eens kijken wat daar allemaal inzit en stel je voor dat je één voor één die problemen uit je rugzak haalt en hier even neerlegt… voel ook telkens hoe het voor je is wanneer je dat specifieke probleem uitlaadt en neerlegt.’

2)  Bij cliënt die meer centraal in zijn lichaam de ervaring heeft overvol te zitten of het gevoel dat iets hem helemaal beneemt: ‘Stel je voor dat je vanbinnen een ruimte hebt, zoals een kamer, die zo vol staat dat je er niet meer kan in bewegen…. laat ons daarin wat ruimte maken…. kijk maar wat daarin tegenkomt dat teveel ruimte beneemt…stel je voor dat je dat even uit die ruimte kan zetten en een plek geven elders, waar je er nog wel het zicht op hebt, maar waar het niet zo dicht op je zit…hoe voelt dat binnen in je wanneer die ruimte vrijkomt?

-       Bedreiging: als het probleem een echt bedreigend karakter heeft of wanneer het gaat om iets waar de cliënt echt bang voor is. Bijv. bij cliënt overspoeld door angst voor gewelddadige vader, vraagt men haar vader voor te stellen niet alleen in de verste hoek van de ruimte, maar ook rond hem een kooi. Of een cliënt tekent iets dat erg bedreigend is, plakt die tekening daadwerkelijk aan de buitenkant van het venster.

-       Kinderlijk, dierbaar: Als het overspoelende een kinderlijk karakter heeft of een erg dierbaar iets betreft, dan moet men heel andere metaforen inroepen om de juiste afstand te creëren. Bij cliënt die samenvalt met de kwetsuren als kind opgelopen, zou het van weinig meevoelen getuigen om die in de therapieruimte te plaatsen. In zo’n geval moet de plek buiten ook de zorg ervoor verzekeren. Hier kan bijv.: ‘Kan je dat gekwetste kind eens op je knie nemen’, iets van afstand introduceren, terwijl het toch respectvol is voor de gevoeligheid waarmee dergelijk probleem gepaard gaat.

 

Een casus waarin de cliënt op verschillende manieren wordt begeleid naar een betere verhoudingswijze:

 

Sonja, 39 jaar, komt in de 24e sessie zeer gespannen binnen, ze loopt overal tegenaan, ze kan niet meer denken. Ze begrijpt niet waarom ze zo gespannen is, het is immers de eerste dag van de vakantie.

T: ’Laat ons daar samen eens rustig naar kijken…Neem even je tijd om je ademhaling te volgen, als je wil kan je daarbij je ogen sluiten, en volg gewoon het ritme van je in- en uitademen…(stilte)…Je zei dat je erg gespannen was… vraag aan je lichaam wat er is dat je zo spant…’

C: ’Het is wel vakantie maar eigenlijk moet ik in de komende periode ontzettend veel doen, als ik niet uitkijk dan is die maand voorbij en dan kom ik op het einde tot de vaststelling dat ik nergens toe gekomen ben.’

T: ’ Oké, we gaan eens nagaan wat er allemaal ligt dat je aandacht vraagt. Hier is een pak papiertjes…Elke topic die je spanning geeft, krijgt een naam, die je op één van deze papiertjes kan schrijven. Vervolgens kan je dat papiertje, en daarmee ook het probleem, een plaats geven ergens in die ruimte hier, op een afstand van jezelf waarbij je je goed voelt… Wat komt er zo eerst bij je op?’

C: ’In mijn huis is veel werk, er moet van alles hersteld worden…de schrijnwerker zou moeten komen, er is een probleem met de verwarmingsinstallatie, de elektriciteit moet nagezien, ik moet lampen kopen, de gordijnen moeten gewassen worden…’

T: ‘Ja, dat is veel tegelijk, neem voor elk van die bekommernissen een briefje, één voor de schrijnwerker, één voor de verwarming, één voor de elektriciteit, één voor de lampen, één voor de gordijnen, en schrijf daarop telkens dat sleutelwoord…(stilte, C schrijft op briefjes)… Geef nu elk briefje een plek op de grond, of ergens anders in deze ruimte, maar terwijl je elk briefje neerlegt voel je ook hoe dat is om die bekommernis nu ook werkelijk even neer te leggen, je vergeet ze niet, maar je kan ze even laten rusten, je geeft ze een plaats. (C legt de verschillende briefjes op de grond, binnen handbereik, en zucht diep). Oké, dat ligt er. Kijk nu even verder, wat zit er nog dat je spant?’ (stilte)

C: ‘Ik moet een afspraak maken bij de tandarts, er is een kies die behoorlijk zeer doet, ik stel dat altijd maar uit.’

T: ‘Dus de tandarts die je moet contacteren om je kies te laten verzorgen…schrijf dat ook maar op een briefje…(C schrijft) en geef dat ook nu hier een plaats… (C legt briefje neer op tafel naast zich)…Wat nog?’(stilte)

C: ‘Ik moet dringend met mijn kuisvrouw praten (C geeft langere uitleg over probleem met kuisvrouw waarbij de therapeut haar helpt ontdekken wat ze precies wil duidelijk maken aan de kuisvrouw)…ik wil haar duidelijk zeggen dat ze zich moet houden aan wat ik vraag…’

T: ‘Maak ook een briefje voor je gesprek met de kuisvrouw…en leg ook dat nu even neer (C legt dat briefje aan de andere kant op de grond, wat gevolgd wordt door een diepe zucht)…is er nog iets?

(er volgen nog diverse praktische problemen, die elk op gelijkaardige wijze een plek krijgen)

C: ‘Nu voel ik dat mijn eenzaamheid zwaar weegt…Ik mis knuffels…’

T: ‘Laat aan je lichaam weten dat je hoort dat het knuffels mist…en tracht vriendelijk te ademen rond de plek waar je dat gemis voelt…Geef het een zacht, vriendelijke ademruimte daar vanbinnen…’(stilte)

C: ‘Dat doet goed…ik erken dat zelden en dan verhard ik mezelf…dit voelt beter…’(stilte)

T: ‘Is er nog iets?’

C: ‘Ik schrik omdat ik plots geconfronteerd word met mijn vader! Hij wordt oud en behoeftig…er wordt verwacht dat ik de zorg voor hem opneem, maar dat kan ik niet na alles wat hij mij heeft aangedaan (er is incest geweest met vader)…Ik heb zelfs geen zin om hem te bezoeken. Nu ik vakantie heb, heb ik geen excuus meer om het uit te stellen. Het is als een berg waar ik tegenop zie…Het is niet toevallig dat ik daar nu als laatste bij uitkom…Ik kan dat altijd vermijden door het heel druk te hebben.’

T: ‘Je hoeft niet onmiddellijk aan de beklimming van die berg beginnen. We hebben ook nu niet de tijd om erop in te gaan. Als je dat wenst, kunnen we volgende sessie meer tijd nemen voor dat probleem met je vader. Kijk of je nu een stapje achteruit kan zetten en die berg wat voor je kan laten liggen, zonder dat je bij het begin van de vakantie aan die zware klim hoeft te beginnen?’

C: ‘Het is goed dat ik het even aangeraakt heb, maar ik voel dat ik inderdaad mezelf eerst de tijd moet geven om op adem te komen. Ik merk dat het me ontspant om wat achteruit te gaan en die berg daar nog even te laten waar hij is…’

T: ‘Onze tijd is bijna om…Je hebt hier die verschillende briefjes neergelegd…Kijk wat jij ermee wil, wat er voor jou goed voelt om het hier nu af te ronden?’

C: ‘Ik ga ze meenemen en thuis op mijn prikbord hangen in de volgorde dat ik ze wil afwerken.’ (C neemt bedachtzaam de verschillende briefjes één voor één op,waarbij ze luidop verwoordt wat ze daarmee van plan is en steekt ze weg in haar handtas)

T: ‘Neem nog even je tijd om te voelen hoe je er nu bijzit en of het nog iets nodig heeft?’ (stilte)

C: ‘Ik voel me 20 kilo lichter! Ik heb een zalig gevoel dat ik ook ruimte heb om te genieten…ik ga seffens eerst rustig op een terras iets drinken om te vieren dat het vakantie is.’

 

 

De vraag om datgene wat te dicht zit op de cliënt zit wat verder te laten gaan, kan nooit een stereotiepe vorm krijgen. Het is steeds een zoeken, in interactie met de reacties van de cliënt, naar een vormgeving die beantwoordt aan zijn behoeften, terwijl de therapeut evenzeer met een zekere vastberadenheid en vindingrijkheid het proces van afstand scheppen tussen de cliënt en het probleem op gang brengt.

 

2) Achteruitgaan

 

Een andere werkwijze van afstand maken kan gebeuren door de cliënt te laten achteruitgaan, daadwerkelijk of figuurlijk: ‘Laat alles even staan waar het is en ga een stap achteruit, zodat je een beetje afstand krijgt’.

Wanneer de cliënt vooral in termen van overspoeling spreekt, kan volgende metafoor helpend zijn: ‘stel je voor dat je even uit die zee kan stappen en op het strand gaan zitten, van waaruit je kan kijken naar de golven, in plaats van erin te verdrinken’.

 

Een illustratie uit een therapiesessie, waarbij de suggestie om afstand te maken door het probleem op afstand te zetten niet lukt en vervolgens de andere wijze van afstand scheppen door achteruitstappen wel aanslaat.

 

Isabelle, 40 jaar, werkt in de 3de sessie rond een gevoel van doodsangst. Halverwege de sessie krijgt ze stekende pijn in de buurt van haar hart.

 

C: ‘Dat duwt hier (wijst op borstbeen) verschrikkelijk, dat is niet meer uit te houden…dat is zo’n sterke tegenkracht die mij belet om te leven…ik kan bijna niet meer ademen!’

T: ‘Zou je eens kunnen proberen om die tegenkracht wat verder weg te duwen?’

C: ‘Ik zou niet weten hoe ik het zou moeten doen.’

T: ‘Kan je mij een idee geven hoe jij die tegenkracht beleeft, behalve dat ze je belet om te leven? Hoe zit jij daaronder of wat voor gewaarwording geeft het je?’

C: ‘Dat is een geweldig zwaar blok beton op mij, ik heb daaronder geen lucht!’

T: ‘Oké, nu versta ik dat je zoiets niet kan wegduwen! We laten de zware blok waar ze is, probeer je voor te stellen dat jijzelf achteruit gaat…Maak in je verbeelding die stap waarbij jezelf onder die steen uitkomt.’

C knikt reeds terwijl T dit voorstelt (dergelijke kleine signalen geven aan dat we het goede spoor te pakken hebben).

C: ‘Ja, dat voelt goed (diepe zucht)…oef, ik kan herademen…(stilte). Opeens zie ik ook dat die blok beton mijn moeder is die mij altijd belet heeft om te leven!’

 

 

3) Ademen

 

Bij sterke (pijnlijke) lichamelijke sensaties kan een 3de wijze van afstand creëren soms meer aangewezen zijn: de uitnodiging om rond de plek in het lichaam te ademen.

Het creëren van een ademruimte in het lichaam geeft bij veel cliënten een voelbare verschuiving in de beleving van het probleem.

Aan een cliënt die ernstige maagpijn heeft, waardoor hij zich moeilijk op iets anders kan concentreren, stelt de therapeut voor: ‘Laat aan je maag weten dat je er zorg voor zal dragen…Ga met je adem rond die pijnlijke plek, alsof je er een zacht verband rond legt…Kijk of die pijn nu nog iets nodig heeft vooraleer je ze even kan laten rusten…’

 

Ook wanneer de cliënt komt bij iets kostbaars of iets met een tedere kwaliteit, is deze wijze van ruimte maken soms passender dan wegzetten. Op deze manier vindt de cliënt een goede plek voor het probleem in zijn lichaam, terwijl hij er toch niet mee samenvalt.

Bij een cliënte bijv. die in haar buik het enorme gemis voelt nadat haar baby kort voor de geboorte gestorven is, suggereert de therapeut: ‘ Adem op vriendelijke wijze naar die pijnlijke plek toe…kan je met je adem een ruimte maken waarin dat gemis een plaats krijgt?’

 

Soms kan die ruimte die er met de adem in het lichaam gemaakt wordt, nog verbeeld worden met behulp van een metafoor zoals een wieg waarin de pijn gelegd wordt.

 

4) Een goede plek

 

Een vierde mogelijkheid  om het proces van afstand vinden te sturen, kan erin bestaan dat de therapeut aan de cliënt vraagt om contact te maken met een ‘goede plek’.

Die goede plek kan op fantasieniveau worden teruggevonden in een ervaring uit zijn verleden: een beleving waarvan hij zich kan herinneren dat hij zich heel gelukkig heeft gevoeld. Zo antwoordt bijv. een cliënt op die vraag: ‘In de tuin van mijn grootouders stond een grote boom, daarin voelde ik mij geborgen.’

 

Het kan ook iets zijn dat de cliënt zich gewoon voorstelt: op een strand liggend of bezig zijnd met een geliefkoosde bezigheid zoals motorrijden.

 

Vanuit de geliefkoosde plek of bezigheid, die voldoende ontspanning blijft geven, wordt de cliënt uitgenodigd om de problemen gade te slaan.

 

Ook kan de goede plek ergens in het lichaam worden opgezocht: een reumapatiënte die zo overweldigd wordt door haar pijn, krijgt de vraag of er ergens in haar lichaam een plek is zonder pijn. Ze ontdekt dat haar gelaat aangenaam aanvoelt. Terwijl ze haar aandacht in haar gelaat houdt, kan ze verder werken aan haar problemen zonder overspoeld te worden door haar pijn.

 

Deze werkwijze van concentreren op een goede plek en op de daaraan verbonden positieve gewaarwordingen, is zeer helpend bij reële fysieke pijn. Het blijkt zelfs dat er van de beleving van de goede plek niet alleen een pijnstillende, maar zelfs een helende werking uitgaat.

 

Welke werkwijze men ook verkiest om afstand te maken, in geen enkel geval is het creëren van afstand gelijk te stellen met: het probleem wegzetten, vergeten of verdringen. Het is eerder een goede plaats ervoor vinden, waarnaar men steeds op vriendelijke wijze zoekt, in overleg met de gevoelens en de beelden die zich vanuit de cliënt aanbieden. Het gaat om het installeren van een betere verhouding, waarbij de cliënt de ruimte krijgt om naar problemen te kijken in plaats van ermee samen te vallen, waarbij de energie en de helende kracht van het observerende zelf tot ontplooiing kan komen om de problemen het hoofd te bieden en de situatie in de hand te houden.

Pas als die verhoudingswijze van contact hebben maar niet samenvallen er is, kan er gestart worden met het inhoudelijk weten rond het probleem.

 

Ruimte maken

 

Ook zonder dat de cliënt te dicht op of te ver van zijn problemen zit, kan het zinvol zijn om te starten met het proces van ruimte maken om aldus aan het lichaam op een open wijze de tijd te geven om kenbaar te maken wat het allemaal meedraagt.

 

Daarbij wordt eerst de aandacht gegeven aan het comfortabel zitten en wordt de aandacht in het lichaam gebracht door het volgen van de ademhaling. We laten dan de cliënt zichzelf de vraag stellen ‘Hoe gaat het nu met mij? Wat voel ik dat ik op dit moment allemaal meedraag? Wat dient zich aan in mijn gewaarwording?

 

Elke gewaarwording, elk onderwerp, elk gevoel dat zich meldt, krijgt erkenning. Men raakt het even aan en vervolgens geeft men het een plaats, zonder er reeds inhoudelijk op in te gaan. Men kan dat bijv. doen door het even luidop te benoemen, of door er iets van neer te schrijven, zoals iemand een boodschappenlijst maakt zonder dat hij reeds de boodschappen haalt.

Tijdens therapie kan de cliënt luidop de verschillende dingen die hem bezig houden verwoorden en de therapeut reflecteert ze kort. Ook hier kan het krachtiger werken door elke topic neer te schrijven en het papier ook daadwerkelijk een plek te geven in de therapieruimte op de afstand die juist aanvoelt. Men kan daarmee doorgaan totdat men het gevoel heeft dat al die bekommernissen erkend zijn en even neergelegd.

Nadat men alle problemen een goede plaats heeft gegeven, kan het gebeuren dat cliënten diepe ervaringen kennen van vrede, rust, levensenergie of gecentreerdheid, die soms het karakter aannemen van spirituele, transcendente of religieuze ervaringen. Vandaar dat het zeer bevredigend kan zijn om deze stap afzonderlijk te doen, ook zonder verdere uitdieping van een probleem.

 

De focussingstap ‘ruimte maken’ is vergelijkbaar met sommige meditatieve technieken. Men verlegt de aandacht van buiten naar binnen, van spreken naar stilte, van denken naar gewaarworden en men geeft het lichaam de gelegenheid om aan de oppervlakte te brengen wat het vaak allemaal meedraagt. Alles wat zich aandraagt krijgt even aandacht zonder dat men ergens dieper op ingaat. Vervolgens wordt alles neergezet, de persoon komt los van de identificatie met zijn problemen, waardoor er ruimte in hem vrijkomt, waarbij hij een toevloed van positieve energie en lichtheid kan ervaren.

 

Dit proces is helend op zich, het brengt een gewaarwording van een nieuw ik, dat niet aangetast wordt door moeilijkheden, maar in de positie van een observerend zelf een betere omgangsvorm kan vinden tot de problemen.

 

Na de fase van ruimte maken kan men, indien gewenst, uit de lijst van problemen er één uitkiezen om mee verder te werken. Daarmee vangt dan het volgende proces van de focussingbeweging aan.

 

 

2. De volledig lichamelijk gevoelde betekenis

 

De meest gebruikelijke toegang voor de gevoelde betekenis is langs een vage lichamelijk gewaarwording, bijv. een sensatie van spanning, zwaarte, trilling of druk in een bepaalde zone van het lichaam: ogen, keel, schouders, borstkas,maag, buik, of een vaag onbehaaglijk gevoel dat men niet echt kan thuisbrengen, maar dat toch niet verdwijnt.

 

In het voorbeeld van Oscar, kwam hij in contact met de spanning in de maagstreek. We kunnen hier volgen hoe de therapeut de cliënt begeleidt om daaruit een gevoelde betekenis te laten komen:

 

C: ‘Dat gevoel in mijn maagstreek…die spanning daar…dat is het meest krachtige.’

T: ‘Daar wordt je iets krachtigs gewaar…Blijf daar maar bij en kijk maar wat zich daar verder meldt…’

C: ‘Het wil eruit springen, zoals een duivel uit een doos…’

T: ‘Iets wil eruit springen…’(stilte)

C: ‘Haat…maar dat is voor mij heel ongebruikelijk.’

T: ‘Je aarzelt om het woord haat te gebruiken, maar dat springt eruit voor je?’

C: ‘Ja, haat…dat voelt krachtig…dat is het.’

T: ‘Haat…dat woord past het beste bij hoe het voelt…’

C: ‘Dat geeft me ook kracht!’

T: ‘Je wordt gewaar dat je haat vergezeld gaat aan de ervaring van kracht.’

C: ‘Ik heb mij altijd teruggetrokken tegenover die vriend, terwijl hij mij zo vaak gekwetst heeft!’ (vertelt over een voorval waarin hij zich diep vernederd gevoeld heeft)

T: ‘Dat wil je niet meer laten gebeuren… Je wil met kracht tegenover hem blijven staan?’

C: ‘Ja, dat voelt goed…dat is het…(zucht, zit meer ontspannen, stilte)…Het is de laatste keer geweest dat ik hem zoveel macht over mij heb gegeven. Ik zie hem morgen en dat zal ik krachtig duidelijk maken dat ik mij niet meer laat opzij zetten!’ (zet zich rechtop en overloopt verder wat hij wil zeggen aan die vriend)

 

De focusingattitude

 

De therapeut kent waarde aan de lichaamssensatie toe door haar te reflecteren en de cliënt erbij te laten stilstaan. Daarmee introduceert de therapeut de focussingattitude.

Dan komt er meer: de betekenis opent zich verder via symboliseringen en beelden als ‘eruitspringen, zoals een duivel uit een doos’. Opnieuw neemt de therapeut dit zonder meer over en laat stilte (focussingattitude – focusmoment) om het innerlijk gevoelde tijd en ruimte te geven om zich verder te ontvouwen. Vervolgens komt ‘haat’ naar boven, een emotie die in deze beleving vervat ligt.

 

De therapeut geeft de cliënt de gelegenheid om te doorvoelen of de woorden die hij gebruikt ook werkelijk overeenkomen met het gevoel vanbinnen. Daartoe herhaalt de therapeut die woorden – handvatten genoemd – letterlijk. Dit is belangrijk omdat een lichte wijziging in de woorden reeds een andere nuance zou kunnen inbrengen die niet meer overeenstemt met wat de cliënt precies ervaart.

 

Wanneer de cliënt zijn uitdrukkingen gespiegeld krijgt, kan hij toetsen of die uitdrukkingen zijn beleving exact weergeven. Dit toetsingsproces wordt in focussingtermen resoneren genoemd. Daarbij kan de cliënt beamen dat de gebruikte uitdrukking juist is of hij kan ze corrigeren en aanvullen.

 

Vervolgens legt de cliënt een verbinding met de situatie die deze gevoelens bij hem oproepen. Hij onderkent dat zijn vriend hem vaak gekwetst en vernederd heeft. De therapeut laat de cliënt enige ruimte om daarover te vertellen en brengt dan enkele elementen die de cliënt eerder aanhaalde, tezamen.

 

Daaruit komt de groeistap, het nieuwe, waarbij de cliënt duidelijk gewaarwordt (zucht, ontspanning in het lichaam) dat er iets in hem verandert. Die gevoelde verschuiving – in focussingtermen spreekt men van een shift – is een teken dat de betekenis zich volledig heeft kunnen uiten en dat de explicitering van het impliciet aangevoelde geleid heeft tot een wezen-lijke veranderingsstap.

 

Componenten

 

Een volledig gevoelde betekenis ontvouwt zich meestal doorheen vier componenten: een lichamelijke sensatie, emoties, een situatie in de buitenwereld, symboliseringen/beelden.

De volgorde waarin deze zich voordoen is niet zo belangrijk.

 

Cliënten hebben verschillende voorkeuren om te starten met een bepaalde component en om extra over uit te weiden. Wanneer de verschillende componenten zich niet vanzelf ontvouwen, moet de therapeut de ontbrekende componenten evoceren omdat de gevoelde betekenis volledig aanwezig kan komen.

Een gesprek loopt immers vaak vast omdat de cliënt en de therapeut blijven steken in dezelfde component (en), terwijl er langs die weg geen ontwikkeling meer komt. Wanneer de therapeut oog heeft voor de ontbrekende componenten, is hij in staat om het stagnerende gesprek om te buigen in de richting van een vernieuwende beweging.

 

Het ontbreken van een lichamelijke sensatie kan worden uitgenodigd door de suggestie ‘kan je eens nagaan hoe je dat in je lichaam gewaarwordt?’

 

Als de cliënt wel lichaamssensaties heeft, maar verder niets, is het helpend te vragen: ‘Welke emotionele kwaliteiten zitten er in die gewaarwording? Voelt het als iets beangstigend, of iets drukkends, of iets plezierigs, of welke emotionele kleur heeft het?’

 

De verbinding met iets in het leven (situatie) moet altijd tot stand komen, zoniet, dan blijft het een serie vage gewaarwordingen waar de cliënt niet mee vooruitkomt. Die verbinding kan opgeroepen worden door vragen als ‘wat in je leven voelt zo?’ of ‘Kijk of je dit met iets uit je leven kan verbinden’.

 

De symboliseringen dienen zich doorgaans vanzelf aan. Als de cliënt niet tot uitdrukkingen komt, kan de therapeut vragen of er bepaalde woorden, een beeld, een beweging, kleuren of vormen naar boven willen komen (het werken met tekeningen, klei of lichamelijke expressie kan is deze fase een bijzonder uitnodigend alternatief zijn voor een louter verbale benadering, vooral wanneer de cliënt moeilijk tot symboliseren komt, of ook wanneer hij te gemakkelijk hervalt in rationaliseren).

Bij elke symbolisering die er komt, geeft de therapeut de cliënt de gelegenheid te toetsen of die uitdrukkingen zijn beleving juist weergeven. Terwijl de cliënt zich uitdrukt, kan het gevoel ook verder veranderen en komen er nieuwe uitdrukkingen waarmee het gevoelde zich weer verder ontvouwt. Het criterium voor juistheid ligt altijd in de lichamelijke gewaarwordingen van de cliënt.

De kracht van de symbolisering is niet alleen dat daarmee het impliciete naar buiten wordt gebracht. De symbolisering is ook een handvat: heel het gevoel wordt daarmee vastgenomen en kan aan de hand van die uitdrukking opnieuw opgeroepen worden. Cliënten onthouden ook vaak het woord of het beeld dat gepaard ging met een belangrijke verschuiving in hun beleving, om later via dezelfde uitdrukking dat gevoel terug te roepen.

 

 

Verschuiving - Vragen

 

In het focusingproces wordt er gestreefd naar een voelbare verschuiving in de beleving van het probleem. Zolang de cliënt nog met een gevoel van spanning blijft (zichtbaar in gelaatsexpressie, ademhaling, lichaamshouding), ontbreken er nog elementen of zijn de juiste uitdrukkingen nog niet naar boven gekomen. Dan wordt er vriendelijk gewacht bij wat nog onduidelijk is, of de therapeut kan door vragen een verdere exploratie faciliteren.

 

De keuze om bepaalde vragen aan te reiken wordt geïnspireerd vanuit het aanvoelen dat er nog meer nieuws zou kunnen komen vanuit het impliciet aangevoelde. Door de vragen probeert men de lichamelijk aangevoelde opluchting, die er eventueel al lichtelijk kan zijn, nog te versterken of ten volle te laten doorbreken.

 

Het zijn open vragen die gesteld worden aan de lichamelijk gevoelde betekenis en vervolgens wordt er gewacht op wat zich daaruit aandient. Vaak komen er dan nog onverwachte betekenissen aan het licht. Er kan gekozen worden uit verschillende soorten vragen:

 

-       Algemene vragen: ‘Wat is er in dat alles dat mij zo doet voelen?’, ‘Indien ‘het’ zou kunnen spreken, wat zou het dan zeggen?’, ‘Is er nog iets in dat gevoel dat wil opgemerkt worden?’, ‘Wil het nog meer zeggen?’, ‘Wat zit mij in de weg om het ten volle te voelen?’

-       Specifieke vragen: ‘Wat is daarin het ergste?’, wat valt me hierin het moeilijkste?’, ‘Wat is daarin het beste voor mij?’, ‘Wat is de kern van dat probleem?’, ‘Wat is mij daarin het dierbaarst?’

-       Bewegingsvragen: ‘Wat heeft het nodig?’, ‘Wat zou ontspanning kunnen brengen?’, ‘Wat mis ik daar nog in?’, ‘Hoe zou het eruit zien als het opgelost was?’, ‘Als ik hier niet geblokkeerd was, wat zou er dan kunnen komen?’

 

Al deze vragen worden op vriendelijke suggestieve wijze voorgelegd met een introductie als ‘Zou je eens aan dat gevoel kunnen vragen….’, ‘Je kan eens proberen of het hierop wil antwoorden.’

De lichamelijk gevoelde betekenis moet geen antwoord geven, het stellen van de vragen bedoelt eerder de gelegenheid te scheppen om het innerlijke weten ten volle te laten openen. Soms hebben cliënten daarbij geen vragen nodig, dan volstaat de suggestie: ‘Je kan er op vriendelijke wijze bij blijven en zien of er nog meer wil komen of dat er zich nog iets anders wil melden.’

 

De vier illustraties, waarbij de cliënt telkens vertrekt vanuit een andere component, verduidelijken hoe de volledig lichamelijk aangevoelde betekenis zich kan ontvouwen in de praktijk van de gesprekstherapie

 

Start vanuit lichamelijke sensatie

 

Ema, 44 jaar, 18de sessie:

 

C: ‘Ik voel mijn hart zo kloppen.’

T: ‘Iets doet je hart kloppen…(stilte)…Hoe is het om je hart zo te voelen?’

C: (zucht)’Het lijkt op angst, maar het is geen angst.’

T: ‘Angst is niet het woord dat echt past…blijf maar bij het gevoel…’

C: ‘Het is eerder een soort van (haalt diep adem) nervositeit….’

T: ‘Iets dat je nerveus maakt…(stilte)…Tast eens af of dat woord er het best bij past…of dat er nog andere woorden opkomen?’

C: ‘Gespannen verwachting…dat is het! Mijn hart slaat als trommels die iets aankondigen!’

T: ‘Je voelt een gespannen verwachting…heb je een idee wat zich aankondigt?’(stilte)

C: ‘Ik weet wat het is…’t is een feest waar ik morgen naar toe moet…’

T: ‘Dat feest roept spanning op…’

C: ‘Nu voel ik mijn hart nog harder kloppen…ik eh…ik durf het niet echt toegeven, maar eigenlijk ga ik daarnaar toe met de verwachting dat ik de ideale man zal tegenkomen…

T: ‘Dat maakt het spannend! Maar het is geen prettige spanning?’

C: ‘Nee…(stilte)…de spanning is ook de angst dat het weer zal tegenvallen.’

T: ‘Dat heb je al meerdere keren meegemaakt, dat je verwachtingen niet uitkomen…’

C: ‘Dat maakt het des te pijnlijker…’

T: ‘Kan je eens aan je lichaam vragen wat het hier zou nodig hebben om zich te kunnen ontspannen?’

C: (stilte, zucht) ‘Dat ik gewoon naar dat feest ga en geniet van het gezelschap, zonder mij af te vragen of er een huwelijkskandidaat tussen zit…’

T: ‘Kijk eens of je lichaam dat beaamt: gewoon naar het feest, zonder de verwachting van de man van je leven te ontmoeten…’

C: (lacht) ‘Dan lijkt het zelfs een prettig vooruitzicht…ik ken enkele mensen die er zullen zijn en daar vind ik het wel mee…’ (zit zichtbaar ontspannen)

 

Start vanuit emoties

 

Ivo, 32 jaar, 6de sessie

 

C: ‘Ik voel me voortdurend schuldig, beschaamd ook en onrustig.’

T: ‘Hoe word je die gevoelens gewaar in je lichaam?’

C: ‘Dat stuwt in mijn borst…’

T: ‘Een gevoel van stuwing…zoals een drang die een uitweg zoekt?’

C: ‘Ja…(stilte, bloost wat verlegen)…ik heb daar zelfs een beeld bij van een grote moederborst met veel melk…

T: ‘Alsof je overvloed vraagt om te geven…’

C: ‘Ja, dat is! Het gaat mij zo goed…(zucht, stilte)…als ik daarvan niet deel met anderen, voel ik mij ongemakkelijk om wat ik heb.’

T: ‘Het vraagt om te delen met anderen…Is er in dat gevoel nog meer dat vraagt om opgemerkt te worden?’ (stilte)

C: ‘Ja…daar zit nog iets…ik merk dat ik daar verdrietig bij word, maar ik weet niet wat het is.’

T: ‘Geef het maar tijd om zich te verduidelijken…’

C: ‘Opeens denk ik: ‘ik zal nooit kinderen hebben’ (cliënt is homo). Ik heb mij nooit eerder gerealiseerd hoezeer me dat raakt. Dat is het! (diepe zucht)

 

Start vanuit situatie

 

Maria, 56 jaar, 23ste sessie

 

Maria heeft doorgaans een zeer lage dunk van zichzelf. In deze sessie vertelt ze over een situatie op reis waarbij een andere vrouw van de groep haar gezelschap zocht. Ze heeft allerlei verklaringen aangehaald waarom die vrouw in haar geïnteresseerd zou kunnen zijn.

 

T: ‘Neem eens je tijd om alles wat je daar nu al gedacht hebt, even opzij te zetten en zo als ’t ware eens fris te voelen hoe dat voor je is, wat je tegenkomt in je lichamelijke gewaarworden als je terugdenkt aan die situatie met die vrouw op reis…’

C: (stilte) ‘Dat is zo een soort warmte’ (lachend)

T: ‘Het wordt warm in je…’

C: ‘Ja en ook zo…een soort gemoedelijke tederheid maar…heel rustig en traag…’

T: ‘Iets warms, iets gemoedelijks, teder, rustig…’

C: ‘Ja, ontroerend zelfs…(stilte)…ja zo een soort traagheid, zo van op een aardkluit gaan zitten…zo een stuk klei…’

T: ‘Het is ontroerend om je eigen geaardheid, die iets van traagheid heeft, zo tegen te komen…’

C: ‘Ja en het ontroert me ook dat dat er mag zijn…hier (zucht)…Dat was ook zo met die vrouw op reis!... We hadden iets van dezelfde aard of geaardheid die zo anders is dan wat ik meestal tegenkom in mijn omgeving.’(stilte)

T: ‘Misschien is er daar nog meer dat zich aan je wil melden…Zou je eens aan je gevoel kunnen vragen of het nog meer wil, of hoe het graag verder zou gaan? (stilte)

C: ‘Als ik zou durven, zou ik aan die vrouw willen laten weten dat ik het zo fijn vond met haar…maar ik weet niet of ik dat niet te opdringerig vind…’

T: ‘Kan je eerst eens even ruimte laten voor dat idee…hoe voelt dat als je je dat voorstelt dat je haar laat weten dat je het fijn vond…’(stilte)

C: ‘Opwindend…eigenlijk heerlijk…het voelt ook juist om dat tegenover haar te doen.’

T: ‘Het lijkt een opwindend, heerlijk idee…’

C: ‘Hoe meer ik er bij stilsta… hoe prettiger het voelt... oh… je vindt me toch niet dwaas?’

T: ‘Dacht je dat echt?’

C: ‘Nee, het is eerder dat ik… ik heb me in jaren niet meer zo jong gevoeld.’

 

 

Start vanuit symbolisering

 

Rudy, 28 jaar, 29de sessie

 

Rudy spreekt heel vaak in beelden. De therapeut moet meestal veel moeite doen om hem naar een volledige lichamelijk gevoelde beleving te laten evolueren.

 

C: ‘Ik leef met een schaduw die ik niet kan amputeren.’

T: ‘Kan je iets meer zeggen over wat je daarbij beleeft?’

C: ‘Gewoon, dat is een gevoel dat ik altijd heb.’

T: ‘Iets van een onaangenaam gevoel dat je niet kan kwijtraken?’

C: ‘Zoiets…’

T: ‘Misschien kan je nauwkeuriger omschrijven hoe het in jou voelt?’

C: ‘Altijd iets donkers dat me vergezelt.’

T: ‘Wat in je leven ervaar jij als zoiets donkers dat je altijd vergezelt?’(stilte)

C: ‘Ik weet niet of het dat is, meer het eerste waar ik aan denk, dat is de zelfmoord van mijn vader.’

T: ‘De zelfmoord van je vader, die voelt als een schaduw over je leven…neem maar je tijd om te voelen of je lichaam dat beaamt…’ (stilte)

C: ‘Ja, dat heeft me zo beïnvloed, ik ben daar zo door getekend, ik kan dan nooit ongedaan maken…’

T: ‘Hoe voel je die invloed, die tekening in je lichaam?’

C: ‘Ik voel juist het tekort…zoals geen ruggegraat…geen richting in mijn leven.’

T: ‘In je lichaam word je gewaar dat je een vader ontbreekt…geen ruggegraat, geen richting noem je het…en zijn zelfmoord blijft als iets donkers aanwezig.’

C: ‘Het is mij precies iets dat mij ook boven het hoofd hangt…als ik ook wel met zelfmoord zal eindigen…’

T: ‘Het hangt boven je, zeg je en het lijkt je in te fluisteren dat zelfmoord ook jouw uiteindelijke richting is. We moeten daar straks misschien verder op ingaan. Ik zou je nu eerst willen vragen: hoe voelt dat daarbinnen in je? (stilte)

C: ‘Dat is een grote lege ruimte.’

T: ‘Een grote lege ruimte…Waar zit het gevoel van die lege ruimte vooral?’

C: ‘Hm (stilte)…Hier in mijn buik vooral.’(wijst met zijn hand naar de plek)

T: ‘Ja, leg gerust je hand op die plaats waar je het vooral voelt…Komen omtrent die ruimte nog andere kwaliteiten bij je op?’ (stilte)

C: ‘Koud…’

T: ‘Mag ik je een suggestie doen?...Probeer eens met je adem in die ruimte te gaan, zodat je die ruimte als ’t ware verwarmt met je adem. Wil je dat proberen?’

C: ‘Hm…(stilte, diepe zucht)…dat voelt goed…precies of ik maak een vuurtje in die ruimte…ja (glimlacht) zo is het ook een plek waarin ik zou kunnen thuiskomen…’

 

Dit fragment stelt de therapeut voor de keuze om verder te delven naar de stille innerlijke stem – die een gewaarwording is in het lichaam – of om de cliënt te volgen in zijn beleving omtrent wat ‘boven zijn hoofd hangt’ (wat te begrijpen is als een interfererende reactiewijze die ook aandacht vraagt). In dit focussingproces geeft de therapeut prioriteit aan het gronden van de cliënt in zijn eigen lichaam en daar het ontstaan van een goede plek te bewerken.

 

Woorden die vanuit de innerlijke stem komen zijn niet alleen herkenbaar doordat ze meestal vanuit het centrum van het lichaam komen, ze komen ook trager en niet met veel tegelijk, ze klinken verrassend, nieuw en soms irrationeel, maar bovenal: ze geven opluchting en nieuwe energie.

 

Het onderscheid met stemmen van buiten wordt in de volgende focussingfase uitgewerkt.

 

 

3. Onvangen van de beleving

 

De cliënt moet in een vriendelijke verwelkomende attitude kunnen blijven om het nieuwe dat zich in zijn beleving kan melden, te ontvangen.

 

Geïnteresseerd en vriendelijk aanwezig blijven is niet hetzelfde als het goedkeuren en graag hebben. Een cliënt hoeft iets pijnlijks niet graag te hebben, maar kan wel vriendelijk blijven voor dat deel van zichzelf dat die pijn moet dragen. Als de cliënt een oplossing ziet die iets agressiefs inhoudt tegenover een ander, hoeft hij het niet goed te vinden, maar hij kan het wel met interesse beluisteren.

 

Therapeut en cliënt blijven aandachtig aanwezig bij wat zich probeert uit te drukken. Indien de cliënt de neiging heeft om te snel over iets heen te gaan of iets niet echt op te nemen, kan de therapeut uitnodigen tot meer ontvangen, met een suggestie als ‘geef jezelf wat langer de tijd om daarbij te blijven en te kijken hoe dat voelt, zonder dat je het onmiddellijk moet beoordelen of inpassen in wat je al weet’.

 

 

Interfererende karakters

 

Heel vaak duiken er op dit punt interfererende karakters op.

 

Het zijn reactiewijzen die ooit helpend waren voor de cliënt, maar die nu structuurgebonden reactiewijzen zijn: ze komen te pas en te onpas opdagen, ongeacht de omstandigheden; ze houden de cliënt vast in oude gedragspatronen die niet meer overeenstemmen met het heden.

 

Als de therapeut hier niet-directief mee omgaat, blijft de cliënt op steeds dezelfde wijze vastlopen.

De therapeut dient actief tussenbeide te komen om de cliënt te helpen bij:

   a) het identificeren van een interfererende reactiewijze

   b) zichzelf ervan disidentificeren

   c) het te visualiseren, te materialiseren ofwel  er een gezicht aan te geven

   d) te exploreren wat er de functie van was/is

   e) het opzij te zetten ofwel er een nieuwe plaats aan te geven

   f) terug te keren naar dat deel in de persoon dat in de greep zat van het interfererend karakter.

a) Het identificeren van interfererende karakters

 

Interfererende reactiewijzen kunnen

-       enerzijds heel verschillende vormen aannemen zoals: zelfkritiek, zelftwijfel, wantrouwen, rationalisaties, relativering,…

-       maar zijn anderzijds herkenbaar, en daardoor te onderscheiden van een lichamelijk gevoelde betekenis, door hun voorspelbaarheid en hun stereotiepe uitdrukkingen.

 

Een steeds weerkerende stem zegt bijv.: ‘doe niet zo flauw’, ‘wees redelijk’, ‘het zal toch mislukken’, ‘dat mag niet’, ‘je moet zelfstandig zijn’, ‘jij kan ook niets’, ‘wees flink’, ‘dat is te banaal’, ‘dat is geen oplossing’.

Ook kunnen het steeds weerkerende negatieve gedachten of gevoelens zijn: ‘ik ben niets waard’, ‘ik ben geboren voor het ongeluk’, niemand ziet mij graag’.

 

Interfererende reactiewijzen worden gekenmerkt door de onvriendelijke, eisende, neerhalende, deprimerende, zagende, scherpe, snelle, luide toon waarmee ze de zachtere en prillere stem van het innerlijk weten gemakkelijk overstemmen of onderdrukken.

 

De interfererende reacties zorgen dat de cliënt zich slechter gaat voelen, ze houden hem beneden zijn mogelijkheden, ze remmen hem af, ze beletten hem om ten volle te leven of de cliënt kan zich pas goed voelen nadat hij aan hun eisen heeft voldaan. Ze behartigen niet, zoals het innerlijk weten wel vaak doet, de belangen van het kind of het kwetsbare of het vitale.

 

Bijv. wanneer de cliënt aarzelt bij een bepaalde taak: de interfererende stem ‘jij bent lui, jij deugt nergens voor’, terwijl de stem van het innerlijk weten vriendelijk en ondersteunend reageert: ‘je hebt het precies moeilijk met die taak’.

 

De therapeut dient dus eerst en vooral in staat te zijn om het opdagen van een interfererend karakter te herkennen.

Vanuit die herkenning kan de therapeut de keuze maken om:

-       ofwel de storing gewoon even terzijde te laten en de aandacht te richten naar de gevoelde betekenis die zich nog verder kan ontplooien.

-       Ofwel de cliënt te volgen in zijn aandacht voor het interfererend karakter, maar er een alternatieve omgangsvorm mee te helpen ontwikkelen, zoals dat in de volgende stappen verder wordt beschreven.

 

 

b) Laten disidentificeren of afstand nemen

 

Als de cliënt spreekt vanuit een interfererend karakter moet de therapeut een boodschap of een instructie geven waarmee de cliënt geholpen wordt om zich los te maken van de interfererende stem of om die negatieve gedachten en gevoelens te kunnen zien als een deel van zijn persoon waarmee hij niet geheel samenvalt. 

 

Een eenvoudige herformulering door de therapeut kan soms reeds het accent verleggen en de cliënt uitnodigen om niet geheel samen te vallen met de interfererende reactie.

 

De cliënt zegt bijv. ‘ik haat het om zo zwak te zijn!’ en de therapeut reflecteert ‘daar is een deel in jou dat er niet tegen kan als er iets van zwakte zou kunnen komen…kan je eens kijken wat zich zo moet weren?’

 

Naast het benoemen van een deel in de persoon, kan de therapeut de disidentificatie concretiseren door de cliënt te vragen om ‘het’ op fantasieniveau voor zich te plaatsen.

Voor de meeste cliënten leidt dat opvallend snel tot een inzicht, ze zien letterlijk iets voor zich dat geleidelijk meer betekenis voor hen krijgt.

 

De ontdekking van betekenis wordt sterk bevorderd door de volgende stap die meestal nauw volgt op het op afstand zetten.

 

c) Laten visualiseren

 

De therapeut nodigt de cliënt uit tot de beschrijving (concretiseren) van wat hij voor zich ziet wanneer hij de ‘stem’ of de negatieve gedachten op enige afstand zet, of de therapeut vraagt of daar een gezicht bij past of een bepaalde figuur of een personage.

De therapeut kan ook vragen om ‘het’ te tekenen of in klei uit te drukken. Of de therapeut kan de cliënt uitnodigen om uit zijn stoel te komen en met heel zijn lichaam ‘het’ uit te beelden. Of wanneer het een groepstherapie is, kan de cliënt één van de andere groepsleden instrueren om de rol van het personage op zich te nemen of het personage in bewaring te houden.

 

Het is opvallend hoe gemakkelijk cliënten een concrete beschrijving  kunnen geven ‘wat er opdaagt’.

Soms zijn dat reële figuren, zoals ouderfiguren, of figuren die symbool staan voor het strenge, het harde, zoals schoolmeesters, politiemannen, soldaten, oude tantes, directrices.

Soms ‘ziet’ de cliënt een dier of en meer abstracte vorm: een papagaai, een slang, een waakhand, een blok graniet, een hoge muur, een waterval…

 

 

d) Helpen exploreren

 

Een interfererend karakter is een machtig deel van de persoon, dat

-       ofwel ooit werd overgenomen van één van de ouders of van belangrijke gezagsfiguren: geïntrojecteerd deel

-       ofwel werd het in leven geroepen om zichzelf te beschermen of te overleven in moeilijke of pijnlijke omstandigheden: zelfbeschermend deel

 

Het interfererend karakter heeft vaak de belangrijke functie gehad om het kwetsbare kind te helpen en te beschermen, of om ondraaglijke gevoelens in toom te houden.

Maar het blijft dat doen, ook wanneer het niet meer nodig is. Het kan niet nuanceren of differentiëren, het handelt in termen van alles of niets.

 

Met de hulp van de therapeut leert de cliënt ontdekken:

-       hoe het interfererend karakter in zijn leven is gekomen en

-       op welke manier het hem van ‘dienst’ is geweest.

 

Wanneer het interfererend karakter wordt geëxploreerd laat men eerst weten aan de stem dat men gehoord heeft wat zij te zeggen heeft (= erkenning). Dat geeft meestal een meer ontspannen relatie bij de cliënt met het storende deel.

 

Daaropvolgend vraagt men naar de goede bedoelingen van de stem. Wanneer die duidelijker zijn geworden is er betere informatie voorhanden om de volgende stap te zetten.

 

 

e) Een nieuwe plaats geven

 

Wanneer het louter een introjectie is van iets wat de cliënt bij zijn ouders gezien heeft, voelt hij zich meestal snel opgelucht wanneer hij dat doorziet en heeft hij weinig problemen om het los te laten en het opzij te zetten.

Een eenvoudige instructie vanwege de therapeut om ‘het’ verder weg te zetten, of de vraag om ‘dat’ erbuiten te laten, wordt dan meestal positief beantwoord.

 

Wanneer het echter gaat om een deel dat in leven werd geroepen om het kwetsbare kind te beschermen, dan moet de therapeut veel omzichtiger en zorgzamer te werk gaan.

Het zou van zeer weinig respect getuigen om zo’n deel zonder meer opzij te zetten, het is immers ooit een belangrijke bondgenoot geweest. In dat geval dient er eerst een erkenning te zijn van hoe de cliënt geholpen werd met dat interfererende karakter en is het ook zinvol om daarvoor dan uit te spreken.

 

Verder moet hij leren zien in hoeverre hij dat deel nu nog wel of niet nodig heeft: leren differentiëren wanneer er omstandigheden zijn waarin de bescherming of hulp van dat karakter nog steeds van nut is of waarin die hulp juist hinderlijk wordt.

 

Meestal is dit een proces waarin er een machtsverschuiving plaatsvindt: in plaats dat de cliënt in de greep blijft van het interfererende karakter, neemt hij de zeggenschap over het interfererende karakter terug bij zich. De cliënt beslist opnieuw welke plaats hij wil geven aan dat deel van hemzelf.

 

 

f) Terugkeren naar het onderdrukte

 

Hierin wordt de overgang gemaakt naar het deel in de persoon dat onderdrukt of afgeremd werd door het interfererende karakter.

Er wordt onderzocht hoe het is om in de greep te zitten van zo’n streng, veeleisend, bekritiserend deel. Meestal komt er bij de cliënt veel kwaadheid en verdriet boven en vaak ontdekt hij dat hij eigenlijk een begrijpende, liefdevolle, ondersteunende reactie in de plaats wenst.

Voor sommige mensen is het helpend om ook de ondersteuning in een metafoor te gieten: een vriendelijke olifant die de weg vrijmaakt, een hartelijke moedergodin die troost geeft, vleugels rond zich waarmee men zich beschermd weet, enz…

 

De praktijk

 

In de praktijk zijn die verschillende aspecten in het werken met de interfererende karakters niet zo netjes af te lijnen. Het is ook niet steeds noodzakelijk om al die stappen te doorlopen.

Essentieel is dat de therapeut andere wijzen tot in relatie treden met een interfererend karakter kan aanbieden dan hoe de cliënt altijd in dezelfde val loopt. Naargelang de aard en de oorsprong van het interfererende karakter, kunnen bepaalde aspecten meer aandacht krijgen.

Daarbij dient de therapeut:

-       enerzijds te sturen om een nieuwe interactie in de cliënt mogelijk te maken

-       anderzijds zorgvuldig te volgen in de betekenissen die de cliënt aandraagt en de autoriteit omtrent wat juist voelt telkens bij de cliënt te leggen

 

Voorbeelden hoe interfererende karakters verschijnen tijdens de therapiesessies en hoe de therapeut daarop inspeelt met verschillende klemtonen, illustreren hoe het er in de praktijk kan uitzien.

Omdat de fragmenten herleid zijn tot de essentiële stappen in het werken met verscheidene storingen, geven ze een wat vereenvoudigd beeld van het soms moeizame zoeken om een interfererend karakter op afstand te zetten en het beter te leren kennen, onderscheiden van de dieperliggende gevoelde betekenis die de cliënt in zich draagt.

 

Brigit, 28 jaar, werd door haar vader seksueel benaderd vanaf haar 6de jaar tot haar 16de jaar. In de therapie is er een sessie waarbij ze in contact komt met een diep gekwetst gevoel. Terwijl ze daarover spreekt, komt er plots een schrille, spottende stem in haar die zegt: ‘Je moet niet zo overdrijven! Is dat wel waar wat je allemaal zegt?’ (stap a) Dit stem kent ze heel goed, want met die reactie veegt ze meestal haar gevoelens weg.

De therapeut vraagt of ze die stem eens voor zich kan plaatsten (stap b) en dan eens kijken of ze er een gezicht aan kan geven (stap c). Brigit ziet onmiddellijk het gezicht van haar moeder, die telkens zo reageerde wanneer ze als jong meisje probeerde om moeder op de hoogte te brengen van wat vader deed. De therapeut vraagt haar dan of ze dat beeld van moeder die zulke dingen zegt, verder weg kan zetten (stap e) en hij geeft zelf een vervangende boodschap: ‘jij voelde je diep gekwetst vanbinnen, geef dat maar ruimte, laat ons daar verder naar luisteren…’ (stap f). Vervolgens is Brigit in staat om haar kwaadheid en pijn uit te drukken.

 

Hans, 38 jaar, spreekt over zijn ongenoegen tegenover zijn partner. Hij voelt iets van kwaadheid komen, maar snijdt direct zijn gevoel af met een vermaning. ‘Dat is onredelijk tegenover haar, het is niet juist dat ik kwaad ben op haar.’ (stap a) Als de therapeut vraagt of hij datgene dat daar zegt niet onredelijk mag zijn, even voor zich kan zetten (stap b), antwoordt Hans: ‘Maar dat ben ik helemaal! Ik kan dat niet voor mij zetten, want ik ben juist die redelijke man!’

T: ‘Je voelt je helemaal samenvallen met dat redelijke deel, alsof dat onredelijke deel daar helemaal onder weggedrukt zit? Herken je dat zo?’

C: ‘Dat klopt.’

T: ‘Hoe voelt dat onredelijke jongetje zich daaronder?’ (stap f)

C: ‘Eigenlijk is dat heel kwaad, maar het mag dat niet laten merken.’ (begint te wenen)

T: ‘Laat dat jongetje zijn kwaadheid maar uitdrukken.’

C: ‘Verdomd, thuis was er nooit iemand kwaad, alleen verdriet kon thuis…(huilt opnieuw)…ik voel mij zo alleen.’

T: ‘Als je iets van kwaadheid voelde, kwam je in een geïsoleerde positie thuis?’

C: ‘Niemand in de familie toonde ooit kwaadheid, mijn moeder weende wel heel veel, vooral na de dood van mijn vader (Hans was toen 8 jaar) en ik werd gezien als de verstandige, redelijke jongen. Vooral na het overlijden van mijn vader heb ik mij heel redelijk gedragen…iedereen vond dat prachtig dat ik als oudste ook de steun van moeder kon zijn.’ (stap d)

T: ‘Maar eigenlijk was die jongen ook kwaad op vader, op moeder?’ (stap f)

C: ‘Ik wist dat ik het niet zo mocht voelen, want vader kon er niets aan doen dat hij dood was, maar toch, ja, ik was eigenlijk heel kwaad dat hij ons in de steek gelaten had en ik was ook kwaad op moeder dat zij zoveel weende, zij bleef daar helemaal in steken en ze bleef altijd maar zeggen dat vader toch zo’n goede man was…(diepe zucht, stilte)…Ik ben dat beu om alleen maar redelijk en verstandig te zijn! Dat heeft lang genoeg geduurd! (stap e) Verdomd, ik was tenslotte ook maar een kind dat een gewone vader wilde, geen dood ideaalbeeld!’

 

Jan, 32 jaar, kind van een prostituée, herhaaldelijk zwaar misbruikt, onderkent in een latere fase in een therapiesessie dat hij zich afgesloten voelt van mensen. Als hij zijn gevoel tegenover een vriend exploreert, komt er: ‘Pas op, vertrouw maar niemand.’ (stap a). De therapeut vraagt of er een beeld is dat past bij de stem die hem zegt niemand te vertrouwen (stap b en c)Jan ziet een wachter die altijd de ingang bewaakt. De therapeut vraagt of ze een dialoog kunnen aangaan met die wachter om te horen wat zijn goede bedoelingen zijn (stap d). Jan hoort dat de wachter hem behoedt voor indringers.

Bij verder exploreren van de functie van de wachter begrijpt Jan dat hij hem in dienst heeft genomen om te voorkomen dat hij net zo gekwetst kan worden als vroeger toen hij kind was. De therapeut beaamt dat de wachter heel belangrijk was om het kind in hem te beschermen, dat de wachter hem heel goede diensten heeft bewezen. De therapeut vraagt hem de wachter daarom te bedanken voor alles wat hij betekend heeft.

Daarna vraagt de therapeut of Jan de plichtsbewuste trouwe dienaar of en toe vakantie zou kunnen geven (stap e). De cliënt lacht en ziet dat wel zitten: ‘Ik zou misschien met mijn wachter kunnen overleggen of hij echt elk ogenblik nodig is en dan kan ik hem tenminste verlof geven terwijl ik met mijn beste vrienden ben.’ Therapeut: ‘Hoe voelt dat nu voor je als je je voorstelt dat je hem af en toe verlof geeft?’ Cliënt: ‘Het heeft iets bevrijdends, ook minder eenzaam en saai, want tenslotte zat ik wel altijd afgezonderd met die wachter aan mijn deur.’

 

Guus, 42 jaar, spreekt met enthousiasme over een nieuw plan dat er bij hem is opgekomen. Ineens verandert zijn stemming en hij zegt: ‘Och het zal toch niet lukken.’ (stap a)

T: ‘Waar komt dat ineens vandaan?’

C: ‘Ik krijg dat altijd, dat is gewoon zo, dat denk ik: stel je maar niets voor, het wordt toch niets.’

T: ‘Kan je dat ook visualiseren, datgene wat er dan opkomt?’ (stap b en c)

C: ‘Vroeger zakte ik daar helemaal in weg, maar de laatste tijd ben ik daarop gaan letten omdat jij me dat gevraagd hebt, en nu is dat precies zo’n papegaai die altijd op mijn schouders zit en die in mijn oor pikt.’

T: ‘Dus je valt er niet meer mee samen, maar hij komt je wel voortdurend lastig vallen.’

C: ‘Ja en ik krijg die niet het zwijgen opgelegd.’

T: ‘Kan je hem eens vragen waarom die altijd bij je wil zijn?’ (stap d)

C: ‘Die pikt precies in mijn zwakke plekken…’

T: ‘Hij voedt zich vanuit datgene waarin je kwetsbaarder bent?’

C: ‘Hij voorkomt dat ik gekwetst word, of hij zorgt dat ik niet kan ontgoocheld worden…hij is altijd voor.’

T: ‘Aha…hij behoedt je voor ontgoochelingen. Zou je hem kunnen laten weten dat je dat goed gehoord hebt dat hij tracht te voorkomen dat je gekwetst en ontgoocheld wordt.’

C: (ontspant, stilte) ‘Ja…maar hij verhindert ook dat ik nog enthousiast kan zijn, alles sleurt hij erdoor….’

T: ‘Hij heeft veel macht gekregen.’

C: ‘Ik ben gewoon machteloos om hem te doen zwijgen.’

T: ‘Voel je er iets voor om hem uit te beelden hier in klei of in een tekening?’ (stap c)

C: ‘Ik zou hem wel kunnen tekenen, want ik zie hem zo voor me.’

Therapeut geeft aan de cliënt een groot blad papier en wascokleurtjes en de cliënt begint een papegaai te tekenen. Het vermaakt hem zichtbaar om de papegaai uit te beelden.

C: ‘Alleen al door hem zo te tekenen, vind ik hem potsierlijk, helemaal niet zo machtig als ik dacht…Ik ga er ook een kooi bijtekenen waarin ik hem zet. Aan de rand schrijf ik, zoals in een strip, alles wat hij uitkraamt…Ik vind het grappig om hem zo te zien als een stripfiguur.’ (stap e)

T: ‘Het voelt precies alsof jij er nu meer macht over krijgt?’

C: ‘Ja, ik vind hem nu belachelijk.’

T: ‘Wil je hem nog houden, of wat wil je er verder mee?’

C: ‘In die kooi zit hij goed, dan kan ik hem ook wegzetten als hij overdrijft…Ik wil hem nog niet helemaal kwijt, want soms vind ik hem ook grappig, hij heeft een humor waarmee ik populair ben bij de collega’s.’

 

 

Saskia, 46 jaar, ongehuwd, heeft onlangs een man, Rudy, ontmoet die ze graag mag. In de therapiesessie onderkent ze hoe heerlijk ze zich voelt in zijn gezelschap maar onmiddellijk spreekt ze zichzelf toe: ‘Jij bent toch een dwaas en verderfelijk mens!’ (stap a) Wanneer de therapeut daarop ingaat komt er meer van hetzelfde. Dan vraagt de therapeut of ze diegene die haar zo toespreekt eens voor zich kan zetten (stap b) en kijken wat er dan komt. Saskia beschrijft ‘een lange, magere man, helemaal in het zwart gekleed, met een bleek en streng gezicht.’ (stap c)

T: ‘En daarmee ben jij bij wijze van spreken getrouwd.’

C: (heel verrast) ‘Bah, ja! Vreselijk!’

T: ‘Hoe voelt het om met hem te leven?’ (stap f)

C: ‘Eigenlijk verschrikkelijk, wel heel veilig, maar doods. Ik voel me ook vaak alsof ik niet leef, terwijl bij Rudy heb ik voor het eerst een glimp opgevangen van wat leven zou kunnen zijn.’

T: ‘Maar dan komt die andere magere zwarte man je terug tot de orde roepen, waarvan je zegt dat het wel veiligheid geeft.’ (stap d)

C: ‘Ik moet nu ineens aan mijn vader denken…dat was hij helemaal…zorgen dat er geld genoeg in huis was…maar verder niets van plezier, dat was direct verdacht.’

T: ‘Zo is het ook nu verdacht als jij je in iets plezierigs zou kunnen begeven.’

C: ‘Leven zoals mijn vader geeft wel zekerheid…Maar wat heb ik aan die zekerheden terwijl ik mij doodongelukkig voel!’

T: ‘Met die figuur aan je zijde, waarvan je herkent dat hij geïnspireerd is op je vader, is er zekerheid in je leven, maar alsof je dat moeilijk kan verzoenen met iets van levendigheid waarvan je ook even de smaak te pakken krijgt bij Rudy… Kan je eens kijken hoe jij je zou willen verhouden tot die figuur daar aan je zijde?’ (stap e)

C: ‘Hij heeft wel iets positiefs, hij behoudt mij om meer geld uit te geven dan ik heb, daarvoor wil ik hem wel wat in de buurt houden. Maar ik wil mijn leven niet verder met  hem slijten, ik wil ook kunnen genieten en daarvoor is hij een slechte raadgever, dat heb ik al lang genoeg ondervonden!’

T: ‘Wat word je gewaar als je dit zo uitdrukt?’

C: ‘Ik voel me erg opgelucht en veel lichter. Ik heb nu ook het gevoel dat ik beslis wanneer ik hem nodig heb en niet dat hij altijd over mij heerst.’

 

Eigenlijk komt in het werken met de interfererende karakters al het voorgaande terug.

De cliënt moet zich heel veilig voelen in de relatie met de therapeut vooraleer een interfererend karakter zich wil laten kennen, het is immers een belangrijke verdediging waarmee interpersoonlijke onveiligheid werd opgevangen.

 

De therapeut dient de grondhoudingen sterk te communiceren wanneer het interfererend karakter zich meldt: empathie en respect

-       zowel voor het interfererend karakter

-       als voor het onderliggende deel in de cliënt

 

Interfererende karakters hebben vaak de functie gehad om overweldigende emoties binnen de perken te houden, dus die gaan ook terug bovenkomen wanneer we openen wat er onder het interfererende karakter schuilgaat.

Het principe van de juiste afstand vinden tot het interfererende karakter is een essentieel element om de cliënt ermee te laten werken zonder er mee samen te vallen en er toch voldoende contact mee te voelen om het te exploreren.

 

Ook bij het exploreren van het interfererend karakter komen de vier elementen waar een gevoelde betekenis vervolledigd wordt terug: er komt een beeld, dat emoties en lichamelijke gewaarwordingen oproept en daaropvolgend  ontstaat meestal de herinnering aan de situatie waarin het interfererend karakter tot stand is gekomen.

De terugkeer naar het onderliggende deel in de cliënt is gekenmerkt door de situatie waarin hij in de verdrukking raakte, daarbij komen bepaalde emoties en lichaamsgewaarwordingen op de voorgrond en vaak wordt er een nieuw beeld of symbool ingeroepen dat meer tegemoet komt aan de nood van het onderliggende deel.

 

Gedurende gans het werkproces met een interfererend karakter is de authentieke aanwezigheid van de therapeut heel belangrijk: de stevigheid van de therapeut is nodig om zowel het machtige interfererende karakter op te vangen als het diep gekwetste onderliggende kleine kind. Ook dient de therapeut vanuit zijn eigen persoon soms een levendige tegen-boodschap te geven die ruimte maakt voor het helingsproces bij de cliënt.

 

Opvallend is dat sessies waarin er gewerkt wordt met een interfererend karakter, door de cliënt altijd beleefd worden als een belangrijk keerpunt. Onmiddellijk daarna signaleren cliënten voelbare veranderingen in hun leven en op het einde van de therapie wordt er nog vaak verwezen naar dat proces als een sleutelgebeuren, dat in hun herinnering van de globale therapie er levendig blijft uitspringen.

 

Afronding van de therapiesessie

 

Ter afronding van het globale focussingproces wordt de focussingattitude van zorg dragen voor wat er aanwezig is nog eens beklemtoond. De therapeut kan bijv. aan de cliënt aangeven: ‘Laat aan het gevoel weten dat we weldra zullen eindigen en kijk of er nog iets is dat het nodig heeft vooraleer we kunnen eindigen?’

 

Wanneer het proces nog niet helemaal af is, terwijl de sessietijd toch op is, wordt de beleving waarmee er geëindigd wordt, speciaal gemarkeerd of wordt een uitdrukking die tijdens de sessie erg betekenisvol bleek te zijn, nog eens op de voorgrond geplaatst: ‘De uitspraak: met kracht tegenover hem staan leek je bijzonder te raken… daar kunnen we de volgende keer op terugkomen als je dat wenst, of je kan dat zelf bijhouden en ondertussen uitproberen hoe dat verder gaat.’

Vaak beklijfd er ook een beeld dat in de sessie naar boven kwam en wordt er met datzelfde beeld meerdere sessies verder gewerkt.

 

Soms wordt er aan de cliënt gevraagd om ter afronding even na te gaan wat hij vooral wil onthouden uit de voorbije sessie of wat hij mee naar huis wel nemen.

In dat valideringsproces kan de weg die er in de sessie werd afgelegd soms kort worden doorlopen om de cliënt te helpen bij het internaliseren van de stappen die hij nodig heeft om zijn weg te vinden.

 

Ook wordt er zorg gedragen dat de cliënt de vriendelijke houding voor zijn proces na de sessie kan behouden. Daartoe wordt soms een metafoor ingeroepen. Wanneer er iets kwetsbaars bij de cliënt aanwezig is op het einde van de sessie, kan de therapeut voorstellen dat hij dat bij zich draagt als ‘een kindje in een draagzakje’, of meeneemt ‘in een juwelenkistje’.

 

Wanneer zich in de beëindigingsfase nog nieuwe dingen melden, wordt daar niet meer op ingegaan, maar de cliënt wordt eventueel nog wel begeleid om daar een goede plaats aan te geven, waar het kan wachten tot later.

 

Tenslotte kan het zinvol zijn om iets van appreciatie uit te spreken voor het proces dat heeft plaatsgevonden, zelfs wanneer het maar om een klein stapje ging.

 

C. Besluit

 

Blootstelling, experiëntieel bekeken, is dus een aan de cliënt teruggeven wat hij gezegd heeft, hem ‘er’ opnieuw voorzetten en hem zo uitnodigen tot verdere belevingsontvouwing. Therapie is dingen voor zich uit zeggen, ze laten terugkomen: het is voor een groot deel zelfreflectie, zelfconfrontatie, dus blootstelling aan zichzelf.

 

Aan de hand van een het focusingproces, kan de cliënt daartoe gebracht worden: een blootstelling aan zijn gevoelde betekenis en aan zijn interfererende karakters.

 

Focusing houdt een veelheid aan microprocessen in. De therapeut moet echter niet proberen al die stappen met de cliënt te doorlopen, want dan wordt er meestal voorbijgegaan aan wat wezenlijk nodig is.

Wel is het belangrijk dat de therapeut de verschillende stappen goed in de vingers heeft, zodat hij er een beroep op kan doen wanneer het cliëntproces daarom vraagt. Essentiëler dan de stappen is de houding die voortdurend aan de cliënt gecommuniceerd wordt.

 

Door de focusinghouding wordt de cliënt herhaaldelijk uitgenodigd om met vriendelijke aandacht te luisteren naar zichzelf en zorg te dragen voor wat zich aandient. Op die manier keert de cliënt geleidelijk de taak van de therapeut overnemen en krijgt hij handvatten waarmee hij ‘therapeut’ kan worden voor de ‘cliënt in zichzelf’.

 

D. Bibliografie

 

Handboek Integratieve Psychotherapie; Depestele Fr. en Hermans D., Blootstelling in psychotherapie (1999), I 3.1, p. 18

Gids voor gesprekstherapie; Leijssen Mia; 1995; p. 146-170

Focussen. Gevoel en je lijf; Gendlin Eugene; 1981

Focussen en je dromen; Gendlin Eugene; 1991

 

Appendix 1: oefening om cliënt dichter te brengen

 

Stappen:

 

 

1. Lichaamsgerichte aandacht

 

De cliënt uitnodigen met enkele eenvoudige instructies om met zijn aandacht in zijn lichaam te laten gaan:

- ‘Wat heb je meegebracht, wat gaat er door je heen vandaag?’

- ‘Neem eens wat tijd om te voelen hou je in je lichaam zit…’

- ‘Volg eens je ademhaling, gewoon je in- en uitademen, zonder daar iets te moeten aan veranderen…’

- ‘ Wat valt je op als je even met je aandacht door je lichaam gaat?’

 

Het lichaamsgerichte is meestal een noodzakelijke stap om hen in contact te brengen met een nieuwe bron van weten: de eigen innerlijke autoriteit.

 

2. Contrast-ervaring

 

Als de cliënt niet weer waarover te spreken. Vragen of de cliënt kan zeggen:

-       ‘Ik voel me helemaal goed.’

-       ‘Kun je zeggen: al mijn problemen zijn opgelost?

 

3. Lijst maken

 

Samen met de cliënt doorlopen wat er momenteel in zijn leven bezig is en hem bij elke topic laten nagaan wat dat oproept.

Alert zijn voor lijfelijke reacties (signalen van onderliggende lading): benoemen.

Opschrijven en gewichten op plaatsen (van 0 tot 100 kg).

Dat uit de lijst nemen met de sterkste gewaarwordingen om verder te werken.

 

4. Veilige plek installeren

 

Zie appendix 3.

 

Appendix 2: oefening als de cliënt te dichtbij zit – ruimte maken

 

Beroep doen op de natuurlijke menselijke capaciteit om ‘zich te splitsen’. Gebruik maken van de enorme kracht die kan uitgaan van de verbeelding.

 

Stappen:

 

1. Lichaamsgerichte aandacht

 

-       ‘Het is blijkbaar allemaal nogal zwaar/veel. Kun je eens nagaan waar in je lichaam je die zwaarte of veelte gewaarwordt?’

-       (Bij cliënt die rustiger is) De cliënt zichzelf de vraag laten stellen: ‘ Hoe gaat het met mij? Wat voel ik dat ik op dit moment allemaal meedraag? Wat dient zich aan in mijn gewaarwording?’

 

2. Metaforen

 

Bij schouders of rug overbelast:

-       ‘Als je je  voorstelt dat je gebukt gaat onder een zware rugzak vol problemen, laat ons dan eens kijken wat daar allemaal inzit en stel je voor dat je één voor één die problemen uit je rugzak haalt en hier even neerlegt… voel ook telkens hoe het voor je is wanneer je dat specifieke probleem uitlaadt en neerlegt.’

-       Opschrijven en op tafel leggen (eventueel gewichten op plaatsen).

 

Bij cliënt die meer centraal in zijn lichaam de ervaring heeft overvol te zitten of het

gevoel dat iets hem helemaal beneemt:

-       ‘Stel je voor dat je vanbinnen een ruimte hebt, zoals een kamer, die zo vol staat dat je er niet meer kan in bewegen…. laat ons daarin wat ruimte maken…. kijk maar wat daarin tegenkomt dat teveel ruimte beneemt…stel je voor dat je dat even uit die ruimte kan zetten en een plek geven elders, waar je er nog wel het zicht op hebt, maar waar het niet zo dicht op je zit…hoe voelt dat binnen in je wanneer die ruimte vrijkomt?

-       Opschrijven en andere plaats geven.

 

 

3. Veilige plek installeren

 

Zie appendix 3

 

3. Evaluatie

 

Cliënt  naar ervaring vragen.

 

Appendix 3 – Een goede/veilige plek vinden en installeren - hulpbron

 

‘We gaan nu eerst nog op zoek naar een veilige plek voor je. Zoek een beeld van ‘een veilige plek’ dat je gemakkelijk kan oproepen en dat een gevoel van rust, veiligheid en geborgenheid bij je creëert. Een plaats waar je het veiligst voelt of het liefst zou willen zijn en met wie’

……..

‘Concentreer je op dat beeld en voel de emoties die ermee gepaard gaan en concentreer je op  de plaats waar de aangename gevoelens in je lichaam waargenomen worden. Omschrijf eens wat je voelt en gewaarwordt.’

………….

‘Concentreer je op dat aangename zalige gevoel. Je voelt de warmte, de veiligheid, de geborgenheid. Stel je dat beeld voor van die veilige plek en merk de aangename gevoelens die dit teweegbrengt en sta toe deze waar te nemen. Concentreer je op deze gewaarwordingen.’

…………..

‘Hoe voel je je nu?’

………………

‘Welk woord zou er bij dat beeld passen?

…………

‘Stel je nu nogmaals dat beeld voor terwijl je de aangename sensaties en de veiligheid en geborgenheid gewaarwordt en herhaal binnensmonds 5 à 6 maal het woord dat erbij past.’

………..

‘Denk nog nogmaals een het woord, en het beeld en ervaar de aangename gevoelens. Lukt het?

……………………

Dus ook als het minder gemakkelijk is heb je altijd de mogelijkheid om dat beeld op te roepen.’

 

 

Appendix 4: Ruimte maken - een volledig lichamelijk gevoelde betekenis - verschuiving

 

Therapeut – cliënt contact

 

1. Ruimte maken: aan het lichaam op een open wijze de tijd geven om kenbaar te maken wat het allemaal meedraagt.

 

De cliënt zit niet te dicht en niet te ver van zijn problemen: goede verhouding

-  Aandacht geven aan het comfortabel zitten

-  Aandacht in lichaam brengen door het volgen van de ademhaling.

-  Cliënt zichzelf een aantal vragen doen stellen.

 

‘ Ga rustig comfortabel zitten en even de ogen sluiten. Ga eens met je aandacht in je lichaam en volg eens je ademhaling. Neem even de tijd en voel eens hoe alles in je lichaam leeft en wat het allemaal met zich meedraagt. En wat er zich allemaal aandient.

Stel jezelf eens de vraag ‘Hoe gaat het nu met mij? Wat dient er zich aan in mijn gewaarwording?’

 

2. Erkenning geven

 

-       Elk onderwerp, elk gevoel dat zich meldt krijgt erkenning

-       Even vermelden en een plaats geven (kort verwoorden – reflecteren) zonder er reeds inhoudelijk op in te gaan

-       Na de fase van ruimte maken er één uitkiezen om mee verder te werken

 

3. Focusingattitude:  de volledig lichamelijk gevoelde betekenis laten ontvouwen

 

- De volledig gevoelde betekenis laten ontvouwen doorheen de 4 componenten: een lichamelijke sensatie, emoties, een situatie in de buitenwereld en symboliseringen of beelden (handvatten).

- Door de gepaste vragen de volledig lichamelijk gevoelde betekenis laten ontvouwen

            1) Lichamelijke sensatie: ‘Kan je eens nagaan hoe je dat in je lichaam gewaarwordt?’

            2) Emotie: ‘Welke emotionele kwaliteiten zitten er in die gewaarwording? Welke  emotionele kleur heeft het?’

            3) Situatie: ‘Wat in je leven is zo? Kijk of je dat met iets uit je leven kan verbinden?’

            4) Symbolisering/beelden: ‘Zijn er bepaalde woorden, een beeld, een beweging, kleuren of vormen die willen naar boven komen?’

- De ‘handvatten’ herbenoemen en laten resoneren

 

 

4. Verschuiving – vragen

 

- Komen tot een voelbare verschuiving in de beleving van het probleem

- Wachten op wat er zich aandient:

 

 ‘Je kan er op vriendelijke wijze bij blijven en zien of er nog meer wil komen of dat er   zich nog iets anders wil melden.

 

Appendix 5: Float-back techniek - Connecting the present to the past - Affectbrug

 

Aangewezen bij:

-       Lichamelijke moeilijkheden

-       Moeilijk herinneringen maken

 

Deze techniek is bruikbaar wanneer een cliënt problemen ervaart in het heden, waarvan de therapeut vermoedt dat ze hun oorsprong vinden in vroegere ervaringen, maar de cliënt het verband niet ziet of voelt. Via deze techniek probeert men de cliënt naar die ervaringen terug te brengen.

 

Het idee is dat men het affect, de lichamelijke sensatie en de symboliseringen gaat gebruiken als rode draad, waarlangs de cliënt terug kan gaan naar vroegere ervaringen met dezelfde affectlading, lichamelijke gewaarwordingen of negatieve overtuigingen. Deze manier van werken komt in veel therapieën terug onder een andere naam. Bv ‘affect- of sensatiebrug’ in de hypnotherapie (Watkins), ‘Vasthouden van het anker op de tijdslijn’ in NLP (Dilts) en ‘Primed early recollections’ in Adleriaanse therapie (Kopp).

Het is dus een retrograde manier (in tegenstelling tot een anterograde manier zoals bvb vragenlijst over het onderbewuste) om het materiaal van het verleden te introduceren in de therapie.


Werkwijze

 

Eerst cliënt laten vertellen over een onaangename ervaring (aansluitend bij moeilijkheid).

 

1. Focusingattitude:  de volledig lichamelijk gevoelde betekenis laten ontvouwen

 

- De volledig gevoelde betekenis laten ontvouwen doorheen de 4 componenten: een lichamelijke sensatie, emoties, een situatie in de buitenwereld en symboliseringen of beelden (handvatten).

- Door de gepaste vragen de volledig lichamelijk gevoelde betekenis laten ontvouwen

1) Lichamelijke sensatie: ‘Kan je eens nagaan hoe je dat in je lichaam gewaarwordt?’

            2) Emotie: ‘Welke emotionele kwaliteiten zitten er in die gewaarwording? Welke  emotionele kleur heeft het?’

            3) Situatie: ‘Wat in je leven is zo? Kijk of je dat met iets uit je leven kan verbinden?’

            4) Symbolisering/beelden: ‘Zijn er bepaalde woorden, een beeld, een beweging, kleuren of vormen die willen naar boven komen?’

- De ‘handvatten’ herbenoemen en laten resoneren

 

2. Float Back

 

‘Sluit nu eens de ogen  en veeg het beeld uit. Denk aan het handvat, de symboliseringen en de negatieve gedachten en merk welke gevoelens daarbij opkomen en waar in je lichaam je ze voelt, en laat je gedachten teruggaan naar een vroegere periode in je leven. Je hoeft niet naar iets speciaals te zoeken, laat gewoon je geest terugdrijven en zeg me welke herinnering er opkomt waarin je hetzelfde ervaarde.

 

 

Appendix 6: Ruimte maken - een volledig lichamelijk gevoelde betekenis - verschuiving

 

Therapeut – cliënt contact

 

1. Ruimte maken: aan het lichaam op een open wijze de tijd geven om kenbaar te maken wat het allemaal meedraagt.

 

      -  De cliënt zit niet te dicht en niet te ver van zijn problemen: goede verhouding

-  Aandacht geven aan het comfortabel zitten

-  Aandacht in lichaam brengen door het volgen van de ademhaling.

-  Cliënt zichzelf een aantal vragen doen stellen.

 

‘ Ga rustig comfortabel zitten en even de ogen sluiten. Ga eens met je aandacht in je lichaam en volg eens je ademhaling. Neem even de tijd en voel eens hoe alles in je lichaam leeft en wat het allemaal met zich meedraagt. En wat er zich allemaal aandient.

Stel jezelf eens de vraag ‘Hoe gaat het nu met mij? Wat dient er zich aan in mijn gewaarwording?’

 

 

2. Erkenning geven

 

-       Elk onderwerp, elk gevoel dat zich meldt krijgt erkenning

-       Even vermelden en een plaats geven (kort verwoorden – reflecteren) zonder er reeds inhoudelijk op in te gaan

-       Na de fase van ruimte maken er één uitkiezen om mee verder te werken

 

 

3. Focusingattitude:  de volledig lichamelijk gevoelde betekenis laten ontvouwen

 

- De volledig gevoelde betekenis laten ontvouwen doorheen de 4 componenten: een lichamelijke sensatie, emoties, een situatie in de buitenwereld en symboliseringen of beelden (handvatten).

- Door de gepaste vragen de volledig lichamelijk gevoelde betekenis laten ontvouwen

            1) Lichamelijke sensatie: ‘Kan je eens nagaan hoe je dat in je lichaam gewaarwordt?’

            2) Emotie: ‘Welke emotionele kwaliteiten zitten er in die gewaarwording? Welke  emotionele kleur heeft het?’

            3) Situatie: ‘Wat in je leven is zo? Kijk of je dat met iets uit je leven kan verbinden?’

            4) Symbolisering/beelden: ‘Zijn er bepaalde woorden, een beeld, een beweging, kleuren of vormen die willen naar boven komen?’

- De ‘handvatten’ herbenoemen en laten resoneren

 

 

4. Verschuiving – vragen

 

- Komen tot een voelbare verschuiving in de beleving van het probleem

- Wachten op wat er zich aandient:

 

 ‘Je kan er op vriendelijke wijze bij blijven en zien of er nog meer wil komen of dat er   zich nog iets anders wil melden.

- Door vragen de verdere exploitatie faciliteren

 

-       Zou je eens aan dat gevoel kunnen vragen….’

-       ‘Je kan eens proberen of het hierop wil antwoorden.’

 

- Algemene vragen:

   

-       ‘Wat is er in dat alles dat mij doet zo voelen?’

-       ‘Indien het zou kunnen spreken, wat zou het zeggen?’

-       ‘Is er in dat gevoel nog iets dat wil opgemerkt worden?’

-       ‘Wil het nog meer zeggen?’

-       ‘Wat zit mij in de weg om het ten volle te voelen?’ (zie ook interfererende karakters)

 

Specifieke vragen:

 

-       ‘Wat is daarin het ergste?’

-       ‘Wat valt me hierin het moeilijkste?’

-       ‘Wat is daarin het beste voor mij?’

-       ‘Wat is de kern van dat probleem?’

-       ‘Wat is mij daarin het dierbaarst?

 

Bewegingsvragen:

 

-       ‘Wat heeft het nodig?’

-       ‘Wat zou ontspanning kunnen brengen?’

-       ‘Wat mis ik daar nog in?’

-       ‘Hoe zou het eruit zien als het opgelost is?’

-       ‘Als ik hier niet geblokkeerd was, wat zou er dan kunnen komen?’

 

 

5. Afronding van sessie: attitude van zorg dragen

 

    -    Attitude van zorg dragen voor wat er zich heeft aangeboden: verwelkomende attitude

 

‘ Laat aan het gevoel weten dat we weldra zullen eindigen en kijk of er nog iets is dat het nodig heeft?’

 

-       Wanneer proces nog niet helemaal af is, wordt de beleving waarmee er geëindigd wordt, speciaal gemarkeerd of wordt de uitdrukking die tijdens de sessie erg betekenisvol bleek te zijn nog eens op de voorgrond geplaatst.

 

‘ De uitspraak……….. leek je bijzonder te raken…, daar kunnen we de volgende keer op terugkomen als je dat wenst, of je kan het zelf bijhouden en ondertussen uitproberen hoe het verder gaat.’

 

-       Appreciatie voor het proces uitspreken

 

‘ Je hebt heel goed gewerkt vandaag en een aantal belangrijke stappen gezet. Is er iets dat je uit deze sessie zou willen meenemen of dat je geleerd hebt?’


Appendix 7: Interfererende karakters

 

Actief tussenbeide komen als interfererende karakters zich aandienen

 

1. Identificeren van interferende karakters

-       Ze kunnen veel verschillende vormen aannemen (zelfkritiek, zelftwijfel, wantrouwen, rationalistaties, relativeringen,…

-       Ze zijn zeer herkenbaar door hun voorspelbaarheid en hun stereotiepe uitdrukkingen

-       Soms steeds weerkerende stemmen: ‘Doe niet zo flauw’, ‘wees redelijk’, ‘het zal toch mislukken’, ‘wees flink’, ‘dat is te banaal’

-       Soms steeds weerkerende negatieve gedachten: ‘ik ben niets waard’, ik ben geboren voor het ongeluk’, niemand ziet mij graag’.

-       Gekenmerkt door een onvriendelijke, eisende, neerhalende, deprimerende, zagende, scherpe, snelle, koude, luide toon.

 

2. Laten disidentificeren of afstand nemen

-       De cliënt helpen zich los te maken ervan door het zien als een deel van zijn persoon waarmee hij niet geheel samenvalt.

 

‘Daar is een deel in jou dat ……. Kun je dat deel even bekijken en voor je plaatsen?’

 

3. Laten visualiseren

-       Cliënt laten beschrijven van wat hij voor zich ziet

-       Cliënt vragen het te tekenen of uit te beelden

-       Cliënt vragen als er een bepaald gezicht bij past, of een bepaald figuur of personage

 

4. Helpen exploreren

-       Cliënt helpen ontdekken hoe het I.K. in zijn leven is gekomen (geïntrojecteerd deel of zelfbeschermend deel)

-       En op welke manier het hem van ‘dienst’ is geweest

 

Kan je eens vragen waarom die altijd bij je wil zijn?’

 

5. Een nieuwe plaats geven

-       Bij introjectie (ouders – opvoeding) meestal voldoende met  instructie ‘het verder te zetten’ of ‘dat er buiten te laten’, ‘af en toe vakantie laten nemen’.

-       Bij beschermend stuk zorgzamer tewerk gaan : ‘op schoot vast houden’, ‘in mandje leggen en koesteren’

 

6. Terugkeren naar onderdrukte en verder exploreren

    -    Overgang maken naar het deel dat onderdrukt werd

-       Nagaan hoe het is om in de greep te zitten van zo’n streng, veeleisend en bekritiserend deel

-       En hoe het voelt om er van bevrijd te zijn

 

Appendix 8: Lichamelijke hulpbron installeren

 

Om verschuiving te stimuleren. Ook ter afsluiting van sessie.

 

-       Na focusing de cliënt vragen ‘het ongemakkelijk stuk’ opzij te zetten.

-       Je vraagt de cliënt de focussingattitude te houden en een sterke zithouding aan te nemen.

-       Je vraagt om eens te zitten als een sterke bloem.

-       Welke bloem?

-       Wat het lichamelijk met je doet? Waar in je lichaam voel je deze sterkte het best? Vragen om enkel lichamelijke gevoelssensaties te omschrijven.

-       Focussing op dat aangename.

-       Tracking: verslag uitbrengen van het lichamelijke gevoel.

-       Veel terugkoppelen lichamelijke sensaties

-       Beweging suggereren. Je voelt de warmte stromen en ook alle andere delen van je lichaam op warmen, kracht geven…

-       Nog meer sterkte installeren. ‘En je voelt de sterkte, en het zijn aangename krachtige sensaties.

-       Ankeren van sterkte, warmte, troost… Duim/middenvinger – tong/verhemelte - …

 

 

-       Eventueel dit krachtige tegenover het ongemakkelijke zetten en vragen wat het doet, wat het nodig heeft,….

 


Appendix 9: Lichamelijke hulpbron – felt sense

 

Om beweging of shift te stimuleren  (Peter Levine: de chemie van het sympathische ZS en parasympathische laten gebeuren – alchemie)

 

-       Herinnering aan iets die ongemak of spanning veroorzaakte

-       Focussen – lichaamsgerichte aandacht (emotie, lichaam)

-       Aandacht naar lichaam (tracking)

 

-       Vraag: Wat zou helpen hierbij? Wat zou het kunnen oplossen? (bvb. harde muziek beluisteren, vloeken, eens goed mijn gedacht zeggen, iemand die mij troost,…): positieve ervaring.

-       Focusing op positieve ervaring – lichaam: Waar voel je dat in je lichaam? Waar voel je de kracht?

-       Tracking lichaam

-       Ankeren van sterkte, warmte, troost… Duim/middenvinger – tong/verhemelte - …

 

-       Switchen naar spanningsgevoel.

 

-       Het positieve en negatieve samenbrengen: wat doet het als je het samen brengt? Focussen – felt sense op nieuwe ervaring

 

Levine Peter; Waking the tiger: Hulpbronnen installeren is de genezingsvortex versterken. Daardoor zal de traumavortex meedraaien (Draaikolk). Hulpbronnen zijn als vitamines. Er blijft altijd stukje gezondheidsvortex over en hulpbronnen versterken het.

 

Appendix 10: Veilige ruimte installeren – Felt sense

 

Exploreren van veilige ruimte

 

-       Vragen om een veilige cirkel aan te wijzen (ogen gesloten of open)

-       Heb je er een beeld over? (glazen koepel, muur,…)

-       Kijk eens naar die koepel. Kijk maar rond.

-       Wat doet het met je? (rust, warm, veilig,..)

-       Waar voel je dat in je lichaam? Hoe voel het?

-       Je voelt de aangename rust, veiligheid ook in je lichaam en je kijkt naar de koepel. (goed ervaren, felt sense)

-       De tijd geven…

-       Ankeren van veilig gevoel. Zo kan je het gemakkelijker oproepen.

-    Als de cirkel niet helemaal toe is, vanuit felt sense van de gesloten delen (stukken  veiligheid)  de openingen dichten. Zo tot goed gevoel komen.

-    Bij veiligheidstekort: ‘Doe eens alsof het helemaal dicht is….’

-    Oefenen thuis. Oefenen met hulpbronnen zijn als vitamines innemen.

 

Geen voorbeelden geven. Laten gebeuren. Elk heeft zijn eigen koffer…

 

Leerdoelstellingen: Blootstelling experiëntieel benaderd - Focusing

 

      _         Wat bedoelen we met experiëntiële benadering?

-          Hoe kunnen we blootstelling interpreteren vanuit experiëntiële benadering?

-          We kunnen in het focussingproces 3 grote processen onderscheiden. Verklaar.

-          In de eerste fase werken we niet inhoudelijk, wel verhoudelijk. Leg uit.

-          Welke technieken gebruiken we als de cliënt te ver zit? En als hij te dicht zit?

-          In de tweede fase ontvouwt de gevoelde betekenis zich doorheen 4 componenten. Verklaar. Hoe ga je tewerk?

-          In het derde proces duiken er dikwijls interfererende karakters op. Verklaar.

-          Hoe kan de therapeut dan actief tussenbeide komen om de cliënt te helpen?

-          Hoe kan je tewerk gaan als het proces nog niet helemaal af is, terwijl de sessietijd op is?

 



OPMERKINGEN


!!! Opletten met cliënten die aanleg hebben voor psychose en dissociatie !!! (> zie DES )

Omdat het cruciaal is de juiste afstand (zie handleiding voor het focussen, 1. ruimte maken) te bewaren, houdt het een gevaar in deze techniek toe te passen bij zij die dit moeilijk kunnen.

Graag een woordje uitleg hierbij door één van de experten van de academie…

 

Beknopte samenvatting van het boek “FOCUSSEN gevoel en je lijf” (Eugene Gendlin)

 

> Focussen is een proces waarin je contact met een bijzondere vorm van innerlijk lichamelijk gewaarzijn tot stand brengt. Dit innerlijk gewaarzijn omschrijft Gendlin als een ‘ervaren gevoel’ (= felt-sense).

Een ervaren gevoel is géén emotie! We herkennen emoties. We weten wanneer we boos zijn, of verdrietig, of blij. Een ervaren gevoel is iets dat je eerst niet herkent, het is vaag en mistig. Het lijkt zinvol, maar niet bekend. Het is een lijfelijke zingeving.

 

> Gebruik maken van de positieve, richtinggevende, op het leven georiënteerde kracht die eigen is aan het eigen lichaam. Indien je het ervaren gevoel de kans geeft zich te vormen, kun je werken met méér dan je met je verstand kunt begrijpen.

 

> Uitgangspunt: “je lichaam weet het, jij niet!”

De moeilijkheid zit in je lijf, is van fysieke aard. Als je er verandering in wilt brengen, zul je een proces van verandering op gang moeten brengen dat zelf ook van fysieke aard is.

 

> Als je door middel van de verschillende stappen (zie verder) ruimte geeft aan het ervaren gevoel, dan zal dit gevoel ‘verschuiven’ (= shift).

Een verschuiving gaat altijd gepaard met een gevoel van opluchting en ontspanning.

 

> Bij het focussen moet je nemen wat er komt.

Analyseren wordt vermeden, vaak is de volgende stap van het lichaam geen logische!

 

> Oefenen baart kunst!

Wanneer je leert focussen, zul je ontdekken dat het lichaam zijn eigen gang gaat en je zo antwoorden geeft op veel van je problemen.

 

Handleiding voor het focussen

 

>> Voorbereiding: Probeer een comfortabele situatie te scheppen. Als je wordt gehinderd door kleine lichamelijke ongemakken, zal dat andere dingen die je lichaam je wil vertellen verdoezelen.

 

1.      Ruimte maken

2.      felt-sense

3.      houvast

4.      resoneren

5.      vragen

6.      ontvangen

 

 

1.      Ruimte maken

- Stel jezelf de vraag: “Hoe voel ik me nu?”.

- Blijf stil. Luister, laat dat wat in je opkomt rustig opkomen.

- Som de problemen en probleempjes op. Stapel ze ‘voor je’ op, doe een stap achteruit en bekijk ze op afstand.

- Blijf je problemen opstapelen, totdat je iets hoort zeggen: “Ja, afgezien van dit alles voel ik me best.”

 

(Probeer niet ieder probleem dat je maar kunt bedenken op te sommen, maar bepaal je uitsluitend tot datgene wat je op dit moment gespannen houdt.)

(In deze fase bijt je je nog niet in een bepaald probleem/gevoel vast!)

 

>> Alvorens de aandacht te richten op een ervaren gevoel, is het belangrijk de juiste afstand te vinden: dicht genoeg om het gevoel te kunnen exploreren, ver genoeg zodat je niet met het gevoel samenvalt.

 

Vind in bovenstaande tekst:

Appendix 1: oefening om de cliënt dichter te brengen.

Appendix 2: oefening als de cliënt te dichtbij zit (ruimte maken).

 

2.      felt-sense

Voor een deel is het een kwestie van jezelf het zwijgen op te leggen, om te luisteren en te voelen. Je kunt goede resultaten bereiken door geduldig te zijn.

(Suggestie: zie verder voor de 7 instellingsfactoren.)

 

- Laat je innerlijke voelhorens in je binnenste afdalen - voorbij alle details die je kunnen afleiden of op een dwaalspoor brengen, voorbij al het gebabbel en gesnater in je geest – totdat je de enkele omvattende uitstraling vindt die het insluit.

 

(Op dit moment proberen we niet logisch te redeneren. We proberen er alleen maar achter te komen hoe deze hele kwestie aanvoelt!!!)

 

3.      houvast

Wat is de ‘hoedanigheid’ van het ervaren gevoel?           

Wat je wilt is de kern van het ervaren gevoel. Van dat hele iets wil je de speciale hoedanigheid die eruit spreekt.

- Misschien past een combinatie van woorden het best, of er kan een plaatje opkomen, … Laat het op je af komen, precies zoals het is. Of probéér voorzichtig een woord.

- Wanneer een woord of een beeld klopt, noemen we dat een houvast.

 

- Meestal geeft het vinden van het juiste houvast maar een lichte lichamelijke verschuiving, net genoeg om je te vertellen dat het klopt.

 

4.      resoneren

Kijk of de houvast en het ervaren gevoel precies op elkaar passen.

- Vraag eventueel (maar antwoord niet zelf): “Klopt het?”

- Er zal een voelbare reactie optreden: een diepe zucht, opnieuw een voelbare ontspanning die je duidelijk maakt dat de woorden juist waren.

(Het kan gebeuren dat deze bevestigende gewaarwording, dat het precies goed is, niet optreedt. Probeer in dat geval het gevoel nauwkeurig af te tasten. Wacht opnieuw af en laat al de wachtende woorden uit het gevoel opwellen die er beter bij passen. Zie 3. Houvast)

- Vergeet niet telkens naar het gevoel terug te keren en erbij te blijven!

- Zodra je merkt dat het houvast en het ervaren gevoel met elkaar in overeenstemming zijn en de woorden het gevoel precies weergeven, laat je jezelf een minuut lang voelen.

- Zolang de verandering aan de gang is – ontspannend, verschuivend, vorderend – doe je niets. Gun je lichaam de tijd om zijn werk te doen.

GA NIET TE SNEL!

 

5.      vragen

In deze fase vraag je het ervaren gevoel rechtstreeks wat het is.

- Je gebruikt het houvast om je te helpen het ervaren gevoel steeds opnieuw levend aanwezig te doen zijn.

- Nu kun je vragen wat het is.

- Het ervaren gevoel zal zich zelf roeren, bij wijze van antwoord. En uit deze beroering zal dan een antwoord naar boven komen.

(Aan je ervaren gevoel ‘open vragen’ stellen is zoals het stellen van een vraag aan iemand anders. Je vraagt iets en dan wacht je…)

(Er is een duidelijk verschil tussen het opdringen van woorden of beelden aan een gevoel, of ze er spontaan uit laten komen! Zodra je ze aan het gevoel opdringt, verstik je het en verhinder je dat het zijn ware aard toont.)

(Meestal zal je denken eerst antwoorden. Herhaal de vraag tot het ervaren gevoel zich roert!)

 

(Wanneer het ervaren gevoel zich niet roert, kan het nuttig zijn even te stoppen met focussen en er later naar terug te keren.)

 

6.      ontvangen

Wat er bij het focussen ook komt, verwelkom het! Als je bereid bent de boodschap op een vriendelijke manier in ontvangst te nemen, zul je er vaker een krijgen.

Je zult spoedig op een diepgaande manier ervaren dat wanneer dat wat er met een verschuiving meekomt eenmaal verwelkomt is, er een andere verschuiving zal komen.

 

- Geef het op dit moment voldoende ruimte om te kunnen ademen. Laat het tot ontwikkeling komen. Voel het. Sta erbij stil.

 

Aanvulling

 

>>> Alvorens aan het focussen te beginnen, kan het waardevol zijn te  oefenen op lichamelijk gewaarzijn.

 
Suggesties:

o        bodyscan

o        voorwerpen omschrijven a.d.h.v. verschillende zintuigen

o       

 

 

>>> Volgens mezelf de ideale attitude om aan focusing te doen uit het  “Handboek meditatief ontspannen” (Jon Kabat-Zinn):

 

Volgende 7 instellingsfactoren vormen de belangrijkste pijlers van de bewustzijnstraining.

 

1.      Niet-oordelen

2.      Geduld

3.      Eindeloos beginnen

4.      Vertrouwen

5.      Niet-streven

6.      Acceptatie

7.      Loslaten

 

 
Focussen en microprocesanalyse
focussen en procesanalyse