overzicht |

5730

TELEFONISCH GROEI INDUCEREN


Aan deze pagina wordt o.m. gewerkt door Myriam Depyper, in het kader van haar eindverhandeling


Door het luisteren naar de verhalen van mensen die onder
soms zware aandoeningen gebukt gaan,
werpen we ook een blik op onszelf.
Ze tonen ons de schitterende mogelijkheden en de
gruwelijke beperkingen van wat het inhoudt mens te zijn.
Erwin Mortier

A.Voor - en nadelen

Tijdens een schematische opstelling van voor - en nadelen kwam ik tot de vaststelling dat de verschillende elementen, kenmerkend voor de telefonische hulpverlening, afhankelijk van de persoon –waarbij ik zowel cliënt(C) als therapeut(T) bedoel - even goed als een voor –of/en een nadeel geïnterpreteerd kunnen worden. Sommige mensen voelen zich bvb. meer op hun gemak in de anonieme sfeer, terwijl anderen een fysieke aanwezigheid als positief of stimulerend ervaren. Een face-to-face contact met een hulpverlener kan voor sommigen als erg bedreigend overkomen. Een nieuwe indeling drong zich dus op, zo heb ik de verschillende elementen van deze soort hulpverlening bekeken zowel vanuit de visie van de cliënt als van deze van de hulpverlener, en er telkens mogelijke consequenties aan toegevoegd.

1.Vanuit de visie van de cliënt:

1.1.Ontbreken van fysieke aanwezigheid.

a.Ontbreken van lichaamstaal van de T: reactie, respons, congruentie van de T?

b.Ontbreken van de eigen lichaamstaal: minder uitdrukking, benadrukking, verduidelijking van het gezegde

c.Stem van de T, volume, timbre:

Stem T als rustgevend
Geen andere afleidingen
Stem als vervelend, scherp, storend ervaren

d.Fysieke aanraking niet mogelijk:

Geen lichamelijke confrontatie/contacten

e.Praten tegen "muur"

Enkel ontladen

g.Taboeonderwerpen: minder omtrekkende bewegingen nodig om tot de kern van de zaak te komen.

1.2.Anonimiteit.

a.Drempelverlagend:

Voor veel mensen is anonimiteit de voorwaarde om hun verhaal te kunnen/durven doen.
Taboe-onderwerpen komen mogelijk vlugger aan bod.
Opbellen voor de lol, om te testen,
Er kan opgebeld worden vanuit de eigen vertrouwde omgeving.

b.Privacy:

Maakt intiem contact mogelijk: In alle vrijheid en veiligheid, zeer persoonlijke en vertrouwelijke zaken ter sprake brengen. Ongemakkelijke gevoelens zoals schaamte en schuld kunnen fysiek verborgen worden.

c.Verkeerde voorstelling van de T:

Door het denkvermogen kan de mens zich vooraf een beeld vormen van een bepaalde persoon en hem zelfs al bepaalde eigenschappen toedichten.

d.Ontgoocheling in het geslacht van de T:

Voor bepaalde, soms geslachtsgebonden, onderwerpen hebben sommige mensen liever een man/vrouw als gesprekspartner.
Bellers willen es de menig horen van een persoon van het andere/het eigen geslacht.
Waar mensen vastzitten in een discussie door de specifieke verschillen tussen man/vrouw, kan het een verrijking zijn om hierover es een persoon van het andere geslacht te spreken.

1.3.Beschikbaarheid.

a.Meestal niet zo tijdsgebonden 24/24,7/7:

Altijd mogelijk
Reden tot uitstel
Het kan altijd nog

b. Directe crisisopvang, depanneren mogelijk

c. Geen regelmaat, niet aangewezen voor meerdere sessies

d. Niet steeds dezelfde hulpverlener:

Geen opvolging mogelijk
Verhaal moet steeds opnieuw verteld worden
Voordeel van een andere mening, een andere benadering

2.Vanuit de visie van de therapeut:

2.1.Ontbreken van fysieke aanwezigheid.

a.Ontbreken van lichaamstaal:

Geen bevestiging, bekrachtiging van de Cl.
Eigen reacties/bedoelingen kunnen verdoezeld worden.
Belang van een persoonlijke begroeting,bvb een handdruk?

b.Mogelijkheid tot ongemerkt nota's nemen :

Zonder de Cl te storen.
Als eigen geheugensteun.

c.Stem heel bewust leren gebruiken:

Stem en gehoor als belangrijkste instrumenten om antwoord op de volgende vragen te verkrijgen: Wat is de hulpvraag? Hoe voelt de beller zich? Begrijpt hij wat ik zeg?
De manier waarop iets gezegd wordt bepaalt hoe wat gezegd wordt overkomt bij de ander. Het stemgebruik voegt extra informatie aan de boodschap toe en compenseert zo gedeeltelijk het ontbreken van het visuele aspect.
Variatie in intonatie, volume , spreeksnelheid en toonhoogte scheppen tal van expressiemogelijkheden.
Stiltes: Focus.

d.Positief bekrachtigen verwijstekst met woorden:

2.2.Anonimiteit

a.Privacy

b.Minder tegenoverdracht? Professioneler?

c.Geen eigen therapieruimte nodig

d.Hoe een persoonlijke begroeting inbrengen, wat anders meestal via het uitwisselen van de naam gebeurt.

2.3.Beschikbaarheid.

a.Duidelijke afspraken, goede samenwerking met collega's nodig

b.Meerdere sessies meestal onmogelijk

c.Cl kan hulpverleners tegen elkaar uitspelen (valkuil!)

d.Teamwork

e.Ivgl met therapie is het mogelijk dat je in de tijdsspanne van de duur van een therapeutisch gesprek overstelpt wordt met meerdere adembenemende verhalen. Dit overvalt je toch maar; heb je wel voldoende ruimte en adem om dit aan te kunnen? Het is overduidelijk dat luisteren hier de boodschap is, dat de mensen in zo’n geval vooral willen ventileren. Maar dit Luisteren is dan extra moeilijk, je wordt van verhaal naar verhaal gekatapulteerd zonder dat je weet welke richting je uitgaat. Je hebt zelfs geen tijd om deftig te landen, laat staan om de knop om te draaien.


B.Valkuilen en hoe ze te omzeilen

1.Incidentiële gesprekken die niet thuishoren bij hulpverlening

Grappenmakers: Zelf de nodige humor verwijstekst aan boord leggen. Humor
lacht de dingen niet weg, maar je reduceert de ander niet tot het probleem alleen. Humor
gebruiken als manier om de kracht van iemand naar boven te halen.
Toegeven dat ze je liggen hebben en meteen zeggen dat je blij bent voor hen dat ze niet echt
geconfronteerd worden met dat aangebrachte fictieve probleem. Erop wijzen wat de bedoeling is van
de dienst.
Pestbellers,(meestal jongeren die wel een groepje rond zich verzameld hebben): vragen stellen
waardoor ze door de mand vallen. Maar evenzeer ook proberen hier betekenis te geven aan het
gesprek door hen bvb te laten nadenken wat ze hiermee bereiken, voor henzelf, mensen met echte
problemen…,zonder te verwijten of te belerend te klinken. Ook i.v.m. hun eigen
vrijetijdsbesteding, verveling en hoe deze op een constructieve manier in te vullen. Eventueel
gewoon wat kletsen en laten blijken dat je ook voor hen wel tijd hebt. Proberen te ontdekken of
ze bellen met een echt probleem (i.v.m. thuis, school andere) maar dit niet durven, willen
zeggen. Met de nodige humor benaderen.
Seksbellers: Deze mensen (meestal mannen) duidelijk maken dat de dienst geen sekslijn is. Kunnen
detecteren wanneer er toch een onderliggend seksueel probleem bestaat. Het praten over
seksualiteit vereist voldoende respect, alsook in het reine zijn met
de relatie tot onszelf en ons lichaam.

2.Te ver meegaan.

Empatisch zijn, meevoelen met de beller maar er niet mee samenvallen.
Eigen blinde vlekken kennen.
De eigen grenzen bewaken en durven confronteren waar nodig, hiertussen balanceren.

3.Niet kunnen scheiden van hoofd - en bijzaken, moeilijk inschatten van de situatie.

Je ervan bewust zijn dat dit één van de verschillen is met psychotherapie geven: dat er hier
onvoldoende tijd is om de situatie grondig te verkennen. Bij de concreet aangebrachte situatie
blijven, het 'hier en nu' zien als het probleemgebied.

4.Eenzaamheid van de T.

Steun, intervisie en supervisie
Contact blijft beperkt tussen hulpverlener en beller:
Geen contact met collega’s: Zelf de hulpvraag vaststellen, de juist aanpak kiezen
Info komt alleen van de beller zelf: Geen context

5.De neiging om raad te geven, vlug naar een 'oplossing' toe willen werken.

"De beller als zijn eigen expert":
Je ervan bewust zijn dat het probleem van de beller is en dat ook hij zelf het best de oplossing
kent die voor hem het meest efficiënt is.
Het tempo van de beller respecteren.
Voor sommige problemen in het leven (vb sterfelijkheid) bestaat geen 'oplossing'. Hier moet
gezocht worden naar een manier van leven die ondanks de onopgeloste problemen bevredigend is.
Deze gebeurtenissen in de juiste context plaatsen, het inzicht in de situatie laten toenemen.

6.Tegenoverdracht.

Je daar bewust van zijn.
Zelfreflectie.
Besluit: het gaat er volgens mij vooral om dat je jezelf blijft, congruent bent, niet gespannen
of bang bent dat je iets fout zal zeggen of doen. Maar ondertussen ook de aangeleerde theorie in
het achterhoofd houdt.

7.Problemen en oplossingsmethode.

Waar ligt het probleem? Dit uitzoeken.
Drie mogelijke situaties:
*Cliënt heeft een probleem:
In relatie met jou
In relatie met een ander,
*Je hebt zelf een probleem:
In relatie met de cliënt
In relatie met een ander: ook dit speelt een rol in de relatie met de cliënt:
*Er is geen probleem.
Consequenties van deze indeling:
*Wanneer het probleem bij de ander ligt moet je het daar laten:
De beller is ok, hij kan het probleem zelf oplossen.
De beller is interessant: het gaat over zijn probleem.
Zwaar of licht, het blijft steeds een probleem van de cliënt!
*Het probleem ligt bij onszelf: daar houden:
Niet vragen “Waarom doet u dat eigenlijk?”, want dit is een eigen behoefte aan tekst en
uitleg. Dit is ok, maar je mag hierbij geen irritatie uiten.
De eigen grens tussen wat je wel en niet kunt accepteren van de beller wordt ermede door
bepaald.
Door privé - probleem kan er onvoldoende resterende aandacht zijn voor de cliënt. (Niet
vergeten dat je zelf ook belangrijk bent!)
*Geen problemen zoeken die er niet zijn: een praktische vraag vraagt een praktisch antwoord.

C.Groeikansen.

1. Door de Cliënt:

1.1.Zelf vragen stellen indien de reactie van de T voor jou onduidelijk is.

1.2.Duidelijk stellen dat je als Cl een T van het andere geslacht wil spreken.

1.3.Zichzelf meer verduidelijken aan de hand van en met behulp van vragen, reacties en empathie

van de T. Hierdoor ook zelf meer inzicht krijgen.

1.4.Taalgebruik. Het kunnen gebruiken van de eigen taal (moedertaal, dialect, dagelijks taalgebruik) veroorzaakt een groter gemaksgevoel om te praten, vergemakkelijkt het verwoorden van gevoelens.

2.Door de therapeut:

2.1.Proberen te reageren zoals je zou doen indien de Cl fysiek aanwezig zou zijn leidt tot meer

congruentie

2.2.Gevoelens benoemen en concretiseren: een aantal kapstokken:

Wat voel je? (emotioneel)
Welke lichamelijke gewaarwordingen?
Welke gedachteassociaties?
Tot wat neig je dan?
In welk (waarneembaar) gedrag uit zich dat reëel?

2.3.Indien moeilijkheid bij de houding en de waarden van de Cl, dit duidelijk verwoorden.

2.4.Heel empathisch zijn: zo meer te weten komen, eigen houding verduidelijken.

2.5.Doorverwijzen veronderstelt voldoende kennis over de bestaande hulpverlening:

aangepast aan het probleem
streekgebonden: sociale kaart

2.6.Soms enkel als uitbreiding/ versterking/ aanvulling van het reguliere hulpaanbod:

Mogelijkheid om nieuwe gezichtspunten/gedragsalternatieven aan te reiken.
Om de periode tussen twee therapeutische sessies te overbruggen.

2.7.De mogelijkheid die de fysieke afstand schept om snel indringend vragen te stellen, aangrijpen.

2.8.Taalgebruik.

Voldoende verstaanbaarheid aan de dag leggen.
Je woordgebruik kunnen aanpassen aan het taalgebruik van de opbeller, of minstens te kennen geven dat je zijn taalgebruik begrijpt.
Stopwoorden en populair woordgebruik vermijden.
Creatief zijn: gebruik van synoniemen en metaforen, bij herhaling je boodschap op een andere manier formuleren.
Creatief omgaan met taal

D.De stem als voornaamste werkinstrument

Gezien de stem in dit soort hulpverlening als voornaamste werkinstrument dient wil ik er nog een apart hoofdstuk aan wijden.

De stem van de hulpverlener:
De hulpverlener heeft enkel en alleen de stem ter beschikking om het hulpverleningsproces te beÏnvloeden:
Met de stem kun je de boodschap versterken of verzwakken.
Door de stem wordt het contact met de beller pas echt persoonlijk.
Voorbeelden:
De oproeper kalmeren: door zelf een gewoon spreektempo aan te houden als de beller gejaagd praat.
Uitnodigen om zijn verhaal te doen: door enkel hmmmm je interesse laten blijken en tevens laten merken dat je nog aanwezig bent
Jouw stem is voor de beller de enige informatiebron om de juiste betekenis toe te kennen aan wat je zegt.
Er steeds van bewust zijn dat de manier waarop je je stem gebruikt overeenkomt met wat je zegt.
Je eigen stemming zo nodig verduidelijken.
Attent zijn voor onbedoelde effecten van je stem door bvb moeheid, heesheid, verkoudheid, en deze melden aan de beller.
Je kan variatie in je stemgebruik oefenen door je stem op te nemen en nadien terug te beluisteren,of via oefenen met een collega.
De stem van de cliënt:
Uit de stem en het stemgebruik kun je eventueel afleiden hoe geëmotioneerd een beller is. Hierbij is het van groot belang om je interpretatie van de stem van de beller te controleren.
Door de indrukken die je over de cliënt opdoet te benoemen en te bevragen
Door attent te zijn op de momenten dat de toon van de stem en de inhoud van de boodschappen verschillende informatie lijken te geven en deze te gebruiken in je interventies.
Paraverbale aspecten van de stem:
De combinatie van paraverbale aspecten is een grote bron van informatie.
Er rekening mee houden dat deze ook veroorzaakt kunnen worden door fysieke factoren, zoals leeftijd, geslacht of een aandoening van de stembanden of luchtwegen.
De stem van de beller kan bij jou sympathie of antipathie teweegbrengen.
Zich daarvan bewust zijn.
Proberen op basis daarvan een oordeel te vermijden.
Stem en emotie.
Geëmotioneerde bellers maken op een bepaalde manier gebruik van hun stem. Deze gebruikswijze kan voor jou een indicatie zijn om de gemoedstoestand van de beller te bepalen.
Voorbeelden van mogelijke stemmingen bij de beller en hoe de stem S(stem)C(cliënt)daarbij klinkt,met telkens mogelijke effecten E(effecten)H(hulpverlener)ervan op de hulpverlener en een voorstel H(houding)H(hulpverlener)om via stemgebruik S(stem)H(hulpverlener) effectief hulp te bieden:
Boosheid/woede:
SC: V(volume):hard, T(tempo):snel, H(hoogte):hoog/overslaand, I(intonatie):stellend, S(stiltes):geen.
EH: Wordt overrompeld, deinst terug, voelt zich aangevallen, neemt afstand.
HH: Rustig blijven, achterover gaan zitten, geen strijd aangaan, cliënt laten spuien, structuur aanbrengen via vraagstelling.
SH: V:neutraal, T:kalm, H:neutraal, I:vlak, S:vrij veel.
Verdriet:
SH: V:zacht, T:langzaam,aarzelend, H:laag, trillend, I:mat, zoekend, S:veel.
EH: Wordt geraakt/is aangeslagen, is betrokken/leeft mee, voelt zich machteloos, is geneigd om het initiatief over te nemen.
HH: Rustig blijven, emoties erkennen maar niet overnemen, stiltes laten vallen.
SH: V:afwisselend, T:rustig, H:neutraal, I:afwisselend, warm, S:veel.
Angst:
SC: V:zacht, T:langzaam , H:laag, I:mat, S:geregeld.
EH: Voelt zich machteloos, neemt afstand/stelt zich koelbloedig op , heeft geen begrip voor de beller.
HH: Rustig blijven, uitnodigende open vragen stellen, beller laten spuien, angst benoemen en onderzoeken.
SH: V:neutraal, T:gemiddeld, H:laag, I:helder, S:weinig.
Paniek:
SC: V:hard, T:snel, gejaagd, H:hoog, overslaand, I:schel, dwingend, stellend, S:geen.
EH: Is geraakt/geschokt, is verward, raakt ook in paniek.
HH: Rustig blijven, beperkt laten spuien, dmv eerder gesloten vragen structuur aanbrengen,afgrenzen.
SH: V:zacht, T:langzaal, H:laag, I:helder, S:geen.
Schaamte:
SC: V:zacht, T:traag, H:laag, I:aarzelend/zoekend, S:veel
EH: Is voorzichtig/afwachtend, voelt zich machteloos, blijft oppervlakkig, heeft geen begrip voor de beller.
HH: Vertrouwen wekken, toetsend/aftastend, erkenning en herkenning bieden, bemoedigend, srellig/krachtig.
SH: V:neutraal, T:rustig/gelijkmatig, H:laag, I:helder, S:korte stiltes

E.Theoretische benadering

Therapievormen die een fysieke aanwezigheid verlangen worden hier automatisch uitgesloten:
vb.fysieke afreageergroepen, haptotherapie verwijstekst,
Integratie van een paar gekende therapeutische benaderingen:

1.Rogers. 5951

1.1 Empathie verwijstekst

1.2.Congruentie

1.3.Non – directieviteit : illusie: oppassen met raad geven!

1.4.Fysieke aanwezigheid: ontbreekt hier, kan gecompenseerd worden door een positieve conversatie

2.De psychoanalyse van Freud verwijstekst

2.1.Overdracht 5951

2.2.Tegenoverdracht 5951

2.3.Zwijgen en luisteren. Stille aanwezigheid tijdig laten merken (hmmm).

3.Cognitieve benadering.

3.1.Oefeningen/ taken opgeven?

3.2.Doorverwijzen


F.Praktijk

A.Organisatie en werking van teleonthaal

Tele- Onthaal is één van de meest laagdrempelige vormen van hulpverlening.
Tele-Onthaal vervult ondermeer volgende functies:
1 Een draaischijffunctie: Tele-Onthaal oriënteert mensen naar het meest passende hulpverleningsaanbod.
2 Een filterfunctie: voor een aantal hulpvragers volstaat Tele-Onthaal als eerste opvang, voor anderen is doorverwijzing wenselijk en soms noodzakelijk.
3 Een overbruggingsfunctie: Tele-Onthaal kan door zijn permanente bereikbaarheid opvang bieden op momenten dat andere hulpverlening niet bereikbaar is.
4 Langdurige steun- en leuncontacten. Sommige cliënten hebben niet zo zeer behoefte aan kortdurende gesprekken, maar hebben over een langere periode behoefte aan steun. Dat kan zijn omdat ze al een vorm van verwerking van het misbruik hebben doorlopen bijvoorbeeld via therapie, maar toch af en toe steun nodig hebben. Bijvoorbeeld als het verleden weer eens opspeelt en ze weer tegen de gevolgen ervan oplopen. Het kan ook zijn dat ze elders een therapeutische behandeling volgen, maar tussen de sessies in af en toe stoom willen afblazen omdat het allemaal te veel is. Voor deze cliënten tele-onthaal een meer langdurige vangnetfunctie vervullen: het creëren van de mogelijkheid om met enige regelmaat of incidenteel een gesprek te hebben. Voorwaarde voor dit soort contacten is dat de cliënt zelf ook actief werkt aan de problematiek. TO wil niet het alibi zijn om in de put te blijven zitten.
In de gesprekken wordt vooral uitgegaan van de situatie in het heden: Wat houdt u NU bezig?
Wat wilt u NU veranderen. Ervaringen uit het verleden die duidelijk doorwerken in het heden
kunnen ook onderwerp van gesprek zijn. In een gesprek kan soms duidelijk worden op welke
specifieke manier u naar uzelf en naar anderen gewend bent te kijken. Bepaalde aspecten waar
mensen nog niet eerder bij stil hebben gestaan kunnen aan de oppervlakte komen. Hoe een gesprek
precies zal verlopen is niet te voorspellen, omdat het gaat om een wisselwerking tussen beller en
hulpverlener.
Het is niet de taak van de hulpverlener problemen van de bellers op te lossen, wel het helpen om nare dingen anders te zien, pijnlijke gevoelens te verwerken of moeilijke situaties anders aan te pakken. Het doel van een gesprek is de klachten en problemen proberen op te heffen, of zoveel te verminderen dat mensen er minder last van hebben.
De problemen waarvoor mensen opbellen zijn heel uiteenlopend. Mijn ervaring is dat de meest
voorkomende oproepen voortspruiten uit eenzaamheid, een gebrek aan een gesprekspartner en een
gebrek aan goede communicatie in hun alledaagse leefwereld.
De aanpak is gericht op de sterke en gezonde kanten van de mens: op de mogelijkheden, in plaats
van op de beperkingen.
Hierbij wil ik ook vermelden dat met de technische vooruitgang naast telefonische hulpverlening
het gebruik van nieuwe media, in dit geval chatten via email ook mogelijk is.

B.Eigen ervaringen.

Hoe bepaalde situaties opvangen?
Een persoon zit in een voor haar uitzichtloze situatie, ziet alles negatief, blijft tijdens het gesprek maar doordrammen. Iedere (mogelijk positieve) interventie wordt afgewimpeld, wordt zelfs meestal niet gehoord...Deze persoon voelt zich slachtoffer en blijft heel hardnekkig vasthouden aan die rol. Ik dommel bijna in slaap, mede door de hitte (juli 2006), verlies mijn geduld...
Van oraal naar anaal laten groeien, maar hoe? Metacommunicatie is hier aangewezen: Hoe is dit gesprek voor jou? Wat betekent het voor jou om je verhaal nog es te kunnen vertellen? Voor mij komt dit gesprek vooral over als het ledigen van een overvol gemoed, klopt dat een beetje? Ik heb moeite om me nog langer op jouw verhaal te concentreren want ik heb last van de hitte, werkt dat ook op jouw gemoed?...
Zelf het gespek in handen houden. Horen wat misloopt en leren zien wat wel goed gaat.
Hoe knelpunten oplossen?
De waarden en normen van de beller komen in botsing met deze van mezelf. "Alle homo's zijn viezeriken, ze zijn nog geen kogel voor hun kop waard!"
Niet ingaan op de inhoud van het gezegde. Deze aanpak gaat over het hier en nu. Wel vermelden dat jij een andere mening toegedaan bent maar dat deze hier niet ter zake doet. De beller eventueel afleiden naar een ander onderwerp van het gesprek: "Hoorde ik jou daar ook niet zeggen dat....?"
In geval van erge provocatie, van te grote tegenstrijdigheden: vermelden dat jij op deze manier niet langer een gesprek kunt voeren met deze persoon, eventueel doorverwijzen naar een gesprek met een volgende vrijwilliger.
Reageren vanuit een soort nieuwsgierigheid: "Jij neemt wel een heel bijzonder standpunt in, hoe komt dat zo?"
Het gesprek stokt.
Betreft het een probleem ivm de relationele band? Dan kunnen volgende intervisies een oplossing bieden: Ophelderen van misverstanden, exploreren van relationele kernthema’s, aanbrengen van nieuwe relationele ervaringen, meegaan met de weerstand. Metacommunicatie kan hier als hulpmiddel dienen: Is er iets wat ik gezegd heb dat jou geraakt heeft?....
Betreft het een probleem van procedurele aard: dan is het opsporen op inhoudelijk en procedureel vlak de boodschap. Is het thema te gevoelig? Weet de beller zelf niet duidelijk hoe de vork aan de steel zit?...
Supervisie, intervisie, zelfreflectie, steun.
Supervisie met stafleden onder de vorm van een gesprek over een bepaalde oproep, tijdens de navorming met de groep, naar aanleiding van een geschreven verslag, tijdens een evaluatiegesprek.
Intervisie met collegavrijwilligers in toevallige ontmoetingen tijdens de luisterbeurten (er zijn meestal twee mensen aanwezig), met collegastudenten, met andere personen waarbij toevallig een onderwerp ivm een probleem van een beller of een probleem met de beller zelf ter sprake komt. Hierbij steeds de anonimiteit van de beller waarborgen.
Zelfreflectie na een gesprek: Willen en durven zien waarom jij op een bepaalde manier reageerde, waarom je bepaalde gevoelens kreeg bij een gesprek, of dit meer voorkomt...Zelfreflectie: zowel een stevig zelf, als een uitgebouwd observerend zelf, zijn vereist om zich te kunnen verhouden tot zichzelf als subject en object(afstand nemen en jezelf bekijken).
De steun die verleend wordt door zowel groepsleden verwijstekst (het verwelkomen van nieuwe vrijwilligers, moed inspreken, zelfvertrouwen schenken...) staf (vorming, supervisie, goede organisatie...), familieleden (investeren van vrije tijd, support, opvang...)zijn noodzakelijk om dit werk te doen en vol te houden.
Dit ondersteuningssysteem is noodzakelijk; intervisie, leermomenten en overleg zijn belangrijk om je blinde vlekken tijdig te herkennen en een vangnet te bieden voor gevoelens die zich kunnen opstapelen, alsook om te behoeden voor een geïsoleerde positie.
Remedies van niet-professionele aard zoals een evenwichtig opgebouwd leven leiden en energie blijven steken in persoonlijke, familiale, amicale , maatschappelijke en culturele aspecten vormen een noodzaak om de nodige brandstof voor dit werk te kunnen opbrengen.

G.Literatuur/Bronnen

  1. A.Benjamin Het helpende gesprek 1969 De Toorts, Haarlem
  2. Peter de Jong en Insoo Kim Berg De kracht van oplossingen 2001 Swets & Zeitlinger Lisse
  3. Hans Janssen Als praten bij je werk hoort 1987/1999 Boom, Amsterdam
  4. Mia Leijssen Gids voor gesprekstherapie 1995 De Tijdstroom, Utrecht
  5. Frank Peters Altijd gehoor 1995 NIZW, Utrecht
  6. Rigter Jakop Psychologie voor de praktijk 1998 Coutinho, Bussum
  7. Alfred Vannesse De binnenkant van het gesprek 1990 Lannoo, Tielt
  8. Conny Vercaigne Wanneer spreken moed vraagt 2003 Davidsfonds,Leuven
  9. Vrijwilligerswerk bij teleonthaal Westvlaanderen
  10. http://www.tele-onthaal.be/