menu |

5821

OVERZICHT VAN HULPVERLENING

IN VLAANDEREN

(met aandacht voor vaak gebruikte afkortingen) 


BIJZONDERE JEUGDZORG 

a.   TOEGANGSPOORTEN 

1.   COMITÉ BIJZONDERE JEUGDZORG (CBJ) 

2.   BEMIDDELINGSCOMMISSIE 

3.   JEUGDRECHTBANK (JRB)

Misdaad Omschreven Feit (MOF)  

Problematische OpvoedingsSituatie (POS)  

 

b.   DIENSTEN 

1.   PRIVÉVOORZIENINGEN 

2.   GEMEENSCHAPSINSTELLINGEN 

 

 

GEZONDHEIDSZORG - multidisciplinair team (MDT) 

1.   CENTRUM GEESTELIJKE GEZONDHEIDSZORG (CGG) 

2.   KINDERPSYCHIATRISCHE DIENST (K-DIENST) 

3.   CENTRUM AMBULANTE REVALIDATIE (CAR) 

 

 

ALGEMEEN WELZIJNSWERK 

1.   CENTRUM ALGEMEEN WELZIJNSWERK (CAW) 

2.   BOND VOOR GROTE EN JONGE GEZINNEN (BGJG) 

3.   SOCIALE CULTURELE ORGANISATIES 

4.   SPECIALE VZW’S 

 

 

KIND EN GEZIN 

1.   ALGEMENE DIENST 

2.   CENTRUM VOOR KINDERZORG EN GEZINSONDERSTEUNING (CKG) 

3.   VERTROUWENSCENTRA VOOR KINDERMISHANDELING (VK) 

 


HANDICAP 

Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH) 

a.   FINANCIEEL VLAK 

1.   PERSOONLIJK ASSISTENTIE BUDGET (PAB) 

2.   MATERIËLE HULP 

 

b.   DIAGNOSTIEK 

1.   CENTRUM ONTWIKKELINGSSTOORNIS (COS) 

2.   CENTRUM MENSELIJKE ERFELIJKHEID (CME) 

 

c.   (SEMI-) RESIDENTIËLE ZORG 

1.   SEMI-INTERNAAT 

2.   KORTOPVANG 

3.   CENTRUM VOOR OBSERVATIE-, ORIËNTERING EN BEHANDELING (OOBC) 

4.   INTERNAAT 

Medisch Pedagogische Instelling (MPI) 

 

d.   AMBULANTE DIENSTEN 

1.   PLEEGZORG 

2.   THUISBEGELEIDING 

3.   CENTRUM AMBULANTE REVALIDATIE (CAR) 

4.   VRIJETIJDSBESTEDING 

5.   DAGCENTRUM

 

 

ONDERWIJS 

a.   BUITENGEWOON ONDERWIJS 

totaal intelligentiequotiënt (TIQ) = gemiddelde van verbaal intelligentiequotiënt (VIQ) en performaal (=non-verbaal) intelligentiequotiënt (PIQ) 

 

1.   BUITENGEWOON KLEUTER ONDERWIJS (BUKO) 

TYPE 2: KLEUTERS MET EEN MATIGE EN ERNSTIGE MENTALE HANDICAP 

TYPE 3: KLEUTERS MET GEDRAGS- EN EMOTIONELE PROBLEMEN 

TYPE 4: KLEUTERS MET EEN FYSIEKE HANDICAP 

TYPE 5: KLEUTERS DIE OPGENOMEN ZIJN IN EEN ZIEKENHUIS 

TYPE 6: KLEUTERS MET EEN VISUELE HANDICAP 

TYPE 7: KLEUTERS MET EEN AUDITIEVE HANDICAP 

2.   BUITENGEWOON LAGER ONDERWIJS (BULO) 

TYPE 1: KINDEREN MET EEN LICHT MENTALE HANDICAP 

TYPE 2: KINDEREN MET EEN MATIGE EN ERNSTIGE MENTALE HANDICAP 

TYPE 3: KINDEREN MET GEDRAGS- EN EMOTIONELE PROBLEMEN 

TYPE 4: KINDEREN MET EEN FYSIEKE HANDICAP 

TYPE 5: KINDEREN DIE OPGENOMEN ZIJN IN EEN ZIEKENHUIS 

TYPE 6: KINDEREN MET EEN VISUELE HANDICAP 

TYPE 7: KINDEREN MET EEN AUDITIEVE HANDICAP 

TYPE 8: KINDEREN MET ERNSTIGE LEERSTOORNISSEN 

3.   BUITENGEWOON SECUNDAIR ONDERWIJS (BUSO) 

OV 1: SOCIALE VORMING VOOR INTEGRATIE IN EEN BESCHERMD LEEFMILIEU 

(Kinderen uit type 1 – type 7) 

OV 2: ALGEMENE EN SOCIALE VORMING EN ARBEIDSTRAINING VOOR INTEGRATIE IN EEN BESCHERMD LEEF- EN ARBEIDSMILIEU 

(Kinderen uit type 2 – type 7) 

OV 3: ALGEMENE SOCIALE EN BEROEPSVORMING VOOR INTEGRATIE IN EEN GEWOON LEEF- EN ARBEIDSMILIEU 

(Kinderen uit type 1, 3, 4, 6 of 7) 

OV 4: CF. REGULIER SECUNDAIR ONDERWIJS 

(Kinderen uit type 3, 4, 5, 6 of 7) 

 

b.   GEÏNTEGREERD ONDERWIJS (GON) 

1.   TYPE 3 – TYPE 8: MOGELIJK GON VAN 1 JAAR, NA REÏNTEGRATIE UIT BUO 

2.   TYPE 1: MOGELIJK TOT GON NA REÏNTEGRATIE UIT BUO 

3.   TYPE 2: MOGELIJK TOT GON NA REÏNTEGRATIE UIT BUO 

4.   TYPE 4, TYPE 6 OF TYPE 7: WEKELIJKS 2 UUR (2 JAAR PER ONDERWIJSNIVEAU) OF 4 UUR (HELE SCHOOLLOOPBAAN) 

 

c.   INCLUSIEF ONDERWIJS (ION) 

 

d.   ONDERWIJS AAN HUIS 

1.   PERMANENT 

Commissie van advies voor het buitengewoon onderwijs (CABO) 

2.   TIJDELIJK 

 

 

CENTRUM VOOR LEERLINGENBEGELEIDING (CLB) 

 

 

LOKALE PROJECTEN 

 

 

PRIVÉPRAKTIJKEN 

 

 

ZELFHULPGROEPEN 


 

 

ACHTERGRONDINFO ROND HULPVERLENING 

(voor concretere info bvb. contactgegevens kan je terecht op www.desocialekaart.be

 

BIJZONDERE JEUGDZORG 

a.   TOEGANGSPOORTEN 

1.   COMITÉ BIJZONDERE JEUGDZORG (CBJ) 

Hoofdopdracht: 

Voorkomen dat gerechtelijke tussenkomsten in problematische opvoedingssituaties (POS) noodzakelijk worden en dat jongeren in probleemsituaties verzeild raken. 

Diensten: 

Preventiecel: algemene preventiecampagnes 

Bureau BJ: beslissingen inzake hulpverlening aan minderjarigen of gezinnen, in de vorm van ambulante begeleiding van de minderjarige en zijn gezin of door verwijzing van de minderjarige naar een voorziening. Daarnaast kan het comité ook op andere voorzieningen een beroep doen om de hulpverleningsactie op touw te zetten. 

Voorwaarde:  

Vrijwilligheid of m.a.w. toestemming met het hulpverleningsaanbod. 

Organisatie:  

Een consulent van de sociale dienst ontvangt de vragen en organiseert de hulp. 

 

2.   BEMIDDELINGSCOMMISSIE 

Opdracht: 

Laatste verzoeningsinstantie in geval vrijwillige hulpverlening dreigt te mislukken. De taak is om door overleg en overreding een minnelijke schikking tussen de betrokkenen tot stand te brengen. 

Organisatie:  

Eén van de partijen stelt een bemiddelingsverzoek op en bemiddelaars met een bijzondere pedagogische deskundigheid bespreken dit op één van hun zittingen. De bemiddelingscommissie organiseert zelf geen hulpverlening, maar kan wel aan diensten vragen om over het verzoek een dossier op te stellen. 

 

3.   JEUGDRECHTBANK 

Hoofdopdracht: 

1.    Burgerrechtelijke bepalingen betreffende minderjarigen (bvb. huwelijk van minderjarigen, toewijzing bij echtscheiding, …) 

2.    Bijstand van de minderjarige: maatregelen t.a.v. de minderjarige als hij een Misdaad Omschreven Feit (MOF) heeft gepleegd, maatregelen t.a.v. de ouders ter bescherming van de minderjarige, optreden in gevallen waarbij zich een problematische opvoedingssituatie (POS) voordoet (wanneer het vrijwillig niet lukt). 

 


b.   DIENSTEN 

1.   PRIVÉVOORZIENINGEN 

BEGELEIDINGSTEHUIZEN: residentiële opname van uitsluitend minderjarigen 

GEZINSHUIZEN: residentiële opname van voornamelijk minderjarigen om hen een gezinsleven te bezorgen 

ONTHAAL-, ORIËNTATIE- EN OBSERVATIECENTRA: opname van minderjarigen voor observatie, voor het zoeken naar gepaste hulp en bijstand en opname van minderjarigen die niet terug naar hun huis kunnen of niet direct kunnen doorgestuurd worden naar het parket of de jeugdrechtbank 

DAGCENTRA: minderjarigen opnemen tijdens bepaalde uren van de dag en de gezinnen waartoe ze behoren ambulant begeleiden 

THUISBEGELEIDINGSDIENSTEN: minderjarigen en gezinnen waartoe ze behoren ambulant begeleiden 

DIENSTEN VOOR BEGELEID ZELFSTANDIG WONEN: minderjarigen die zelfstandig wonen ambulant begeleiden 

DIENSTEN VOOR PLEEGZORG: diensten die de plaatsing van minderjarigen in pleeggezinnen organiseren 

 

2.   GEMEENSCHAPSINSTELLINGEN (gesloten of halfopen) 

Hoofdopdracht: 

1.    Pedagogisch: gericht op integratie 

2.    Vrijheidsbeperkend: waarborgen van de veiligheid van de jongere zelf en de samenleving 

 

 

GEZONDHEIDSZORG 

1.   CENTRUM GEESTELIJKE GEZONDHEIDSZORG (CGG) 

Opdracht: een extramurale en kleinschalig georganiseerde tweedelijns verzorgingsvoorziening die op multidisciplinaire wijze ambulante geestelijke gezondheidszorg verleent aan personen wiens geestelijke gezondheid verstoord is. Het gaat over personen met ernstige geestelijke gezondheidsproblemen of met geestelijke gezondheidsproblemen die een ernstig risico tot chroniciteit in zich dragen. 

Hoe: multidisciplinaire benadering zowel in diagnostiek als in behandeling. 

Wie: individuen, gezinnen, echtparen. 

Aanbod: brede waaier van begeleidings- en therapievormen (individuele gesprekstherapie, gezinstherapie, kinderpsychotherapie, gedragstherapie, cognitieve therapie, medicamenteuze therapie, sociotherapie, …). 

 

2.   KINDERPSYCHIATRISCHE DIENST (K-DIENST) 

Opdracht: een multidisciplinaire derdelijns voorziening onder de neuro-psychiatrie voor observatie en behandeling van kinderen, die ofwel dringende hulp in geval van crisistoestand, ofwel een observatie of een actieve behandeling vergen. 

Wie: kinderen met extreem internaliserende of externaliserende problemen. 

 

3.   CENTRUM AMBULANTE REVALIDATIE (CAR) 

Opdracht: proces van interdisciplinaire diagnostische en therapeutische interventies gericht op personen met een stoornis en hun omgeving. Het beoogt een adequater persoonlijk en sociaal functioneren van de persoon, het gezin, de school, het werk en andere maatschappelijke situaties en een betere afstemming van deze omgeving op de specifieke noden van de persoon. 

Wie: mensen met een stoornis of een ernstig vermoeden ervan (ontwikkelingsstoornis, auditieve stoornis, spraakstoornis, hersenletsel, gedragsstoornis, …). 

Wat: NOK-centrum (voor spraak-, taal en gehoorrevalidatie), revalidatiecentra of Psy-5-centra (voor revalidatie van minderjarigen met een verstandelijke handicap of psychische stoornis). 

Organisatie: multidisciplinair met de nadruk op een intense samenwerking. 

 

 

ALGEMEEN WELZIJNSWERK 

1.   CENTRUM ALGEMEEN WELZIJNSWERK (CAW) 

Wat: het CAW is een eerstelijnsdienst die open staat voor mensen met vragen en problemen. Ze bieden mogelijkheden voor consultatie rond opvoeding, soms aangevuld met vormingsaanbod, zoals oudercursussen en praatgroepen. Daarbij houdt het CAW de drempel bewust zo laag mogelijk. Het CAW is er voor iedereen, en zeker voor mensen die meer kwetsbaar zijn wegens kansarmoede, thuisloosheid, scholing, leeftijd, afkomst, … De CAW-hulpverleners ondersteunen in de eerste plaats de mogelijkheden die de mensen zelf hebben. Welke oplossingen kunnen mensen zelf vinden en met de steun van hun omgevingsnetwerken? Ondersteuning van het CAW betekent ook: mensen sterker maken om hun basisrechten te realiseren. 

 

2.   BOND VOOR GROTE EN JONGE GEZINNEN (BGJG) 

Opdracht: brug tussen afdelingen en nationaal beleid, info verlenen over o.a. gezinsvakanties, gezinsspaarkaart, kinderoppasdienst, … 

 

3.   SOCIALE CULTURELE ORGANISATIES 

KAV, SVV, KVLV, KWB, … 

 

4.   SPECIALE VZW’S 

Opvoedingstelefoon, … 

 

 

KIND EN GEZIN 

1.   Algemene dienst 

Opdracht: Vlaamse openbare instelling met een eigen raad van bestuur die de opdracht heeft om het welzijn van het jonge kind in Vlaanderen te behartigen. Preventieve zorg (medische, psychosociale en pedagogische dienstverlening voor alle aanstaande ouders en gezinnen met kinderen tot 3 jaar), kinderopvang (toezien op de kwaliteit van opvanginitiatieven), dienstverlening voor kinderen in moeilijke leefsituaties. 

Wie: gezinnen met kinderen jonger dan 3 jaar, voor sommige aspecten 6 jaar en voor een heel specifieke doelgroep 12 jaar. 

 

2.   Centrum voor Kinderzorg en Gezinsondersteuning (CKG) 

Wat: opvang en ondersteuning bieden bij kinderen in probleem of crisissituaties. Begeleiding aan huis (minimum 1 huisbezoek per week), dag- of nacht opvang met gezinsbegeleiding, dag- en nachtopvang met gezinsbegeleiding. De keuze gaat naar de minst ingrijpende hulpverleningsvorm voor het kind en het gezin. Het CKG biedt, op een gerichte en doordachte manier, ondersteuning aan gezinnen bij de dagdagelijkse opvoeding van de kinderen. Het werkt ook samen met reeds betrokken hulpverleners of verwijst het gezin door voor meer gespecialiseerde hulp. 

Wie: de dienst richt zich tot gezinnen, in al hun diversiteit, met kinderen van 0 tot 12 jaar die een hulpvraag stellen omdat het opvoedingsgebeuren voor de ouder(s) en/of het kind vastloopt (ernstige risicosituatie) of dreigt vast te lopen (probleem in wording) en waarvoor met een tijdelijk hulpaanbod voldoende perspectief is op verandering. 

 

 

3.   Vertrouwenscentra voor kindermishandeling (VK) 

Wat: het is een meldpunt voor alle mogelijke situaties van geweld op kinderen. Iedereen (zowel hulpverleners als mensen uit de omgeving van het kind) die een vermoeden of een ongerustheid heeft over verwaarlozing of mishandeling van een kind, kan contact opnemen met een VK. 

Werkwijze: wanneer een situatie wordt aangemeld, probeert het team een inschatting te maken van wat er juist aan de hand is en een inschatting te maken van de ernst en de opvang van het probleem. 

 

 


HANDICAP 

Het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH), voorheen Vlaams Fonds, richt zich naar personen met een handicap. De kernopdracht bestaat erin de nodige maatregelen te treffen en voorzieningen te erkennen waardoor de persoon met een handicap op een volwaardige manier kan participeren in de samenleving en zich daarin kan ontplooien. Om in aanmerking te komen voor bijstand vanuit de door het VAPH erkende organisaties moeten personen met een handicap een toegangsprocedure doorlopen. Een persoon met een handicap meldt zich met een vraag en een multidisciplinair team beslist of hij/zij in aanmerking komt om beroep te doen op een voorziening van het VAPH. 

 

a.   FINANCIEEL VLAK 

1.   PERSOONLIJK ASSISTENTIE BUDGET (PAB) 

Personen met een handicap die mits een redelijke assistentie in hun thuissituatie kunnen wonen, kunnen  een PAB aanvragen. Ze krijgen dan een som geld die ze vrij kunnen besteden aan hun persoonlijke assistentie en de organisatie ervan. Een multidisciplinair team (MDT) stelt samen met de betrokkenen een aanvraag op met de aard en het aantal uren van de gewenste assistentie en vult enkele redzaamheidsschalen in.  

 

2.   MATERIËLE HULP 

Ouders van kinderen en jongeren met een handicap kunnen financiële tegemoetkomingen krijgen voor de aanschaf van hulpmiddelen of voor aanpassingen die kunnen bijdragen tot hun sociale integratie. Het gaat steeds om de meerkosten die er zijn ten gevolge van de handicap. 

 

b.   DIAGNOSTIEK 

1.   CENTRUM ONTWIKKELINGSSTOORNIS (COS) 

Wat: dienst verbonden aan een dienst Kindergeneeskunde van een Universitair Ziekenhuis met als taken: vroegtijdige detectie van kinderen met ontwikkelingsstoornissen, gerichte oriëntering (therapie, aanpak, hulpmiddelen, onderwijs, behandeling, …), toegepast wetenschappelijk onderzoek om de kennis omtrent specifieke ontwikkelingsstoornissen te verhogen. 

Wie: kinderen tot 7 met een vastgestelde ontwikkelingsstoornis waarrond meer onderzoek moet gedaan worden, met een voorgeschiedenis of hoog risico op ernstige ontwikkelingsstoornissen, met autismespectrumstoornissen. 

 

2.   CENTRUM MENSELIJKE ERFELIJKHEID (CME) 

Wat: Erfelijk karakter van aandoeningen bestuderen, zoeken naar maatregelen ter voorkoming van erfelijke ziekten en handicaps, advies en ondersteuning aan ouders, wetenschappelijk onderzoek op het domein van de genetische stoornissen. 

 


c.   (SEMI-) RESIDENTIËLE ZORG 

1.   SEMI-INTERNAAT 

Wat: kinderen met een handicap die thuis of in een pleeggezin wonen, kunnen buiten de schooltijd opgevangen en begeleid worden in een semi-internaat. De meeste kinderen hiervan gaan naar school. 

 

2.   KORTOPVANG 

Wat: kinderen en jongeren met een handicap kunnen zowel overdag als ’s nachts voor opvang en begeleiding in een voorziening voor kortverblijf terecht. Meestal is dit een deel van een internaat. 

 

3.   CENTRUM VOOR OBSERVATIE-, ORIËNTERING EN BEHANDELING (OOBC) 

Wat: een centrum dat zich richt op kinderen en jongeren met een verstandelijke handicap en voornamelijk met gedrags- en emotionele stoornissen. 

Opdracht: grondige multidisciplinaire observatie en onderzoek op (neuro-)psychiatrisch, psycho-pedagogisch en sociaal vlak tijdens een residentiële opname, eventuele behandeling, verslag en advies. 

 

4.   INTERNAAT 

Wat: residentiële opvang, begeleiding en behandeling van kinderen en jongeren met een handicap. De meesten gaan overdag naar school, voor de anderen wordt er vervangende dagactiviteiten, begeleiding en verzorging georganiseerd. 

Bvb. Een Medisch Pedagogische Instelling (MPI) kan voor een voltijdse begeleiding van een kind zorgen, vaak is er een samenwerkingsverband tussen het MPI en een school voor buitengewoon onderwijs. 

 

d.   AMBULANTE DIENSTEN 

1.   PLEEGZORG 

Wat: plaatsing van personen met een handicap in een gezinssituatie. 

Opdracht: werving en selectie van kandidaat-pleeggezinnen, begeleiding en ondersteuning aan het pleeggezin, band tussen het kind en het natuurlijk gezin herstellen, onderhouden of versterken, contacten met betrokken hulpverleners coördineren. 

 

2.   THUISBEGELEIDING 

Wat: bijstand verlenen in de opvoeding aan gezinnen met een persoon met een handicap (verstandelijk, motorisch, auditief, visueel, autisme, gedrags- en emotionele problemen). 

 

3.   CENTRUM AMBULANTE REVALIDATIE (CAR) 

 

4.   VRIJETIJDSBESTEDING 

Wat: ontwikkelen, begeleiden en bevorderen van aangepaste vrijetijdsbesteding voor personen met een handicap. 

 

5.   DAGCENTRUM

Wat: zie hierboven bij privé diensten

 

 


ONDERWIJS 

a.   BUITENGEWOON ONDERWIJS 

Hoe komt een kind in het buitengewoon onderwijs terecht: er gebeurt een onderzoek psychologisch, medisch, sociaal en schools vlak. Er wordt advies gegeven omtrent het verhelpen van eventueel geconstateerde moeilijkheden (bvb. individuele hulp bij de taakleerkracht, overzitten, hulp van paramedisch personeel, …). Een verwijzing naar het buitengewoon onderwijs kan ook een advies zijn (= niet bindend, wel richtinggevend in het belang van het kind). Er wordt een attest uitgeschreven waarin de aard, bvb. BuBaO, en het type, bvb. type 1, beschreven staat. De ouders zijn vrij een school te kiezen overeenkomstig het attest. Het busvervoer is echter pas gratis als de dichtstbijzijnde school wordt bezocht van het net dat men verkiest.  

 

1.   BUITENGEWOON KLEUTER ONDERWIJS (BUKO) 

TYPE 2: KLEUTERS MET EEN MATIGE EN ERNSTIGE MENTALE HANDICAP 

TYPE 3: KLEUTERS MET GEDRAGS- EN EMOTIONELE PROBLEMEN 

TYPE 4: KLEUTERS MET EEN FYSIEKE HANDICAP 

TYPE 5: KLEUTERS DIE OPGENOMEN ZIJN IN EEN ZIEKENHUIS 

TYPE 6: KLEUTERS MET EEN VISUELE HANDICAP 

TYPE 7: KLEUTERS MET EEN AUDITIEVE HANDICAP 

 

2.   BUITENGEWOON LAGER ONDERWIJS (BULO) 

TYPE 1: KINDEREN MET EEN LICHT MENTALE HANDICAP 

TIQ (totaal intelligentiequotiënt = gemiddelde van VIQ of verbaal intelligentiequotiënt en PIQ of performaal intelligentiequotiënt): 60 - 80 

TYPE 2: KINDEREN MET EEN MATIGE EN ERNSTIGE MENTALE HANDICAP 

TIQ (totaal intelligentiequotiënt = gemiddelde van VIQ of verbaal intelligentiequotiënt en PIQ of performaal intelligentiequotiënt): < 60 

TYPE 3: KINDEREN MET GEDRAGS- EN EMOTIONELE PROBLEMEN 

TYPE 4: KINDEREN MET EEN FYSIEKE HANDICAP 

TYPE 5: KINDEREN DIE OPGENOMEN ZIJN IN EEN ZIEKENHUIS 

TYPE 6: KINDEREN MET EEN VISUELE HANDICAP 

TYPE 7: KINDEREN MET EEN AUDITIEVE HANDICAP 

TYPE 8: KINDEREN MET ERNSTIGE LEERSTOORNISSEN 

TIQ (totaal intelligentiequotiënt = gemiddelde van VIQ of verbaal intelligentiequotiënt en PIQ of performaal intelligentiequotiënt): > 60 

 


3.   BUITENGEWOON SECUNDAIR ONDERWIJS (BUSO) 

OV 1: SOCIALE VORMING VOOR INTEGRATIE IN EEN BESCHERMD LEEFMILIEU 

(Kinderen uit type 1 – type 7) 

OV 2: ALGEMENE EN SOCIALE VORMING EN ARBEIDSTRAINING VOOR INTEGRATIE IN EEN BESCHERMD LEEF- EN ARBEIDSMILIEU 

(Kinderen uit type 2 – type 7) 

OV 3: ALGEMENE SOCIALE EN BEROEPSVORMING VOOR INTEGRATIE IN EEN GEWOON LEEF- EN ARBEIDSMILIEU 

(Kinderen uit type 1, 3, 4, 6 of 7) 

OV 4: CF. REGULIER SECUNDAIR ONDERWIJS 

(Kinderen uit type 3, 4, 5, 6 of 7) 

 

b.   GEÏNTEGREERD ONDERWIJS (GON) 

1.   TYPE 3 – TYPE 8: MOGELIJK GON VAN 1 JAAR, NA REÏNTEGRATIE UIT BUO 

 

2.   TYPE 1: MOGELIJK TOT GON NA REÏNTEGRATIE UIT BUO 

 

3.   TYPE 2: MOGELIJK TOT GON NA REÏNTEGRATIE UIT BUO 

 

4.   TYPE 4, TYPE 6 OF TYPE 7: WEKELIJKS 2 UUR (2 JAAR PER ONDERWIJSNIVEAU) OF 4 UUR (HELE SCHOOLLOOPBAAN) 

 

c.   INCLUSIEF ONDERWIJS (ION) 

Wat: kinderen met een BuO-attest volgen les in het reguliere onderwijs. De kinderen worden niet verondersteld te voldoen aan de eindtermen van het regulier onderwijs. 

 

d.   ONDERWIJS AAN HUIS 

1.   PERMANENT 

Wat: soms kunnen kinderen omwille van een handicap permanent niet naar school. Deze kinderen kunnen gedurende vier uur per week thuis onderwijs krijgen. 

Wanneer: de leerling moet recht hebben op BuO en er is een gunstige en gemotiveerde beslissing nodig van het CABO. 

Hoe: aanvraag indienen bij het Centrum voor LeerlingenBegeleiding (CLB). 

 

2.   TIJDELIJK 

Wat: bij afwezigheid wegens ziekte of ongeval hebben leerplichtige kinderen uit het buitengewoon lager onderwijs recht op tijdelijk onderwijs aan huis gedurende 4 uur per week. 

Voorwaarden: minstens 21 dagen afwezig, schriftelijke aanvraag van de ouders, medisch attest en afstand school-thuis is minder dan 20 km. 

 

 

CENTRUM VOOR LEERLINGENBEGELEIDING (CLB) 

Opdracht: een tweedelijnstdienst die moet bijdragen tot het welbevinden van de leerlingen. Dat moeten ze doen in functie van het heden en met het oog op de toekomst (leren en studeren, onderwijsloopbaan, preventieve gezondheidszorg, psychisch en sociaal functioneren). 

Werkwijze: men werkt vraaggestuurd. De vraag kan zowel van de leerling, als de ouders, als de school komen en betreft een vraag naar informatie, advies, ondersteuning of begeleiding. Het CLB is niet verplicht om op elke vraag in te gaan, maar er zijn wel twee grote krachtlijnen in het verzekerd aanbod namelijk: optimaliseren van de eerstelijnsbegeleiding en van de samenwerking van de actoren inzake leerlingenbegeleiding (scholen ondersteunen bij het uitbouwen van een adequate schoolinterne leerlingenbegeleiding en versterken van de draagkracht van leerkrachten, schoolintern en extern samenwerking stimuleren, ondersteunen van scholen om projecten uit te bouwen die kansarme leerlingen beter kans geven) en informatieverstrekking (structuur en organisatie van het Vlaamse onderwijs, onderwijsaanbod, aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt, welzijnsvoorzieningen, gezondheidsvoorzieningen. 

 

 

LOKALE PROJECTEN 

 

 

PRIVÉPRAKTIJKEN 

Logopedisten, kinesitherapeuten, psychotherapeuten, (kinder)neurologen, (kinder)psychiaters, orthopedisten, psychologen, … 

 

 

ZELFHULPGROEPEN 

Er bestaan vele tientallen verenigingen rond de meest uiteenlopende problematieken. De vzw Trefpunt Zelfhulp tracht al deze verenigingen te inventariseren (www.zelfhulp.be).