overzicht |

5931

Contextuele therapie 

  

 

Fragmenten uit het boek ‘Grondbeginselen van de contextuele benadering’:  


Sinds 1958 heeft de contextuele benadering een organisch ontwikkelingsproces doorgemaakt. De aanzet was de maatschappelijke achtergrond van overbelaste, geïsoleerde en verbroken kerngezinnen. Contextuele therapie is een verhandeling die zich in een rechtstreeks antwoord heeft gericht op de maatschappelijke, politieke en economische werkelijkheid. Deze visie op het gezin is het meest directe antwoord op het nieuws in de dagbladen en sociaaldemografische statistieken. De omstandigheden waaronder het gezin als sociale institutie tracht te overleven, zijn voor iedereen zichtbaar. Echtscheidings­statistieken geven weer dat gezinnen proberen voort te bestaan in het vacuüm dat ontstond, toen de verbinding tussen levensvatbare relaties en intergenerationele geworteldheid werd verbroken en de ethische implicaties van die verbinding verloren gingen. In deze sociale context werden ethische dynamieken als familiale loyaliteit en andere imperatieven die voortkomen uit gemeenschappelijke wortels, hevig op de proef gesteld. In onze huidige sociale context is het gezin nog meer verbrokkeld, en steeds minder vrouwen met kinderen zijn in staat zichzelf boven de armoedegrens te houden. Ethische kwesties, zowel binnen als buiten de familie en tussen familie en de samenleving, zijn nog nooit zo nijpend geweest. Door aan deze bezorgdheden voorrang te geven, neemt de contextuele therapie afstand van het accentueren van abstracte hypothesen zoals ‘structurele’ afwijkingen of ‘rigide communicatieregels’. De belangrijkste lasten van het hedendaags kerngezin zijn complex, maar men kan ze niet eenvoudigweg reduceren tot sequenties van interacties die zich voordoen in het kerngezin of zelfs de grootfamilie. 

  

Door te werken met de balans van geven en ontvangen tussen mensen wordt het minder belangrijk na te gaan wat de waarheid is van wat mensen onderling tegen elkaar zeggen. De cliënten wegen ieder voor zich af wat belangrijk is en wat 'waar' is. Het is trouwens niet aan de hulpverlener vast te stellen wat wel of niet waar is in de relatie tussen mensen. In het domein van de relationele ethiek gaat het om de ethiek van rechtvaardigheid, billijkheid en betrouwbaarheid: hoe men in een relatie billijk ten opzichte van de ander kan zijn. (.........) Het wegen van de billijkheid gebeurt altijd tussen de mensen die met elkaar een relatie hebben. Alleen zij kunnen uiteindelijk door middel van dialoog, het verduidelijken van wat ieders geven en ontvangen inhoudt, bepalen of de relatie billijk is. De hulpverlener kan hierbij behulpzaam zijn door het stellen van vragen over de betrouwbaarheid, over ieders inbreng en hulpvragen, over de gerechtigde aanspraken en verplichtingen. Dan werkt men aan de relationeel-ethische component van de relatie. 

  

  

1. Inleiding 

  

Contextuele therapie is de naam die Ivan Boszormenyi-Nagy heeft gegeven aan de hulpverlening en psychotherapie die voortkomt uit zijn visie op het menselijk leven en op relaties. Nagy integreerde elementen uit het systeemdenken en de psychoanalye in wat hij 'contextuele therapie' noemt. De naam verwijst naar de context, de omgeving waarin menselijk gedrag voorkomt. Contextuele therapie is echter meer dan een richting in de gezinstherapie. Het is een visie die een overstijging is van zowel psychologie als systeemtheorie. Contextuele hulpverlening en therapie gaat op zoek naar de betrouwbaarheid en bereidheid tot zorg in de relaties. Door deze hulpbronnen aan te spreken en te activeren helpt de contextuele hulpverlener of therapeut zijn cliënten een vrij, autonoom en verantwoordelijk persoon te worden. 

  

Nagy liet zich in ruime mate inspireren door filosoof Martin Buber voor wie een mens slechts mens is in relatie tot de andere. De filosofie van Buber is de tegenhanger van die van Sartre, waarin de mens existentieel alleen staat en vaak gewikkeld is in machtsstrijd. Basaal in de filosofie van Martin Buber is de verbondenheid. Het ik-gij (ich-du) concept betekent in essentie dat de mens pas tot mens wordt als hij in relatie treedt met de ander en een werkelijke dialoog aangaat. De mens is geen mens zonder de ander. Nagy gaat verder dan Martin Buber. Zijn uitbreiding van Buber’s denken naar de relatie tussen de elkaar opvolgende generaties, leverde zijn werkwijze ook wel de naam intergenerationeel op. Door aan de ander te geven, door zorg te dragen en verantwoordelijk te zijn voor de ander, met name voor zijn ouders en zijn kinderen, wordt de mens werkelijk vrij en ontvangt hij dus zelf. De weg naar vrijheid en autonomie wordt niet gevonden door eigen belang en positie voorop te stellen, doch door rekening te houden met de belangen en de positie van de ander. Juist door dit te doen wordt het mogelijk de eigen belangen en posities helder te onderscheiden en eventueel in een conflict te verdedigen. Door de belangen van de ander in het oog te houden kan de mens vertrouwen ‘verdienen’. Dit geeft aanspraak op de erkenning van de ander in de ik-gij relatie. Het doel van contextuele therapie is door verbondenheid te komen tot werkelijke vrijheid en autonomie. Afgrenzing van het individu ten opzichte van andere individuen in een systeem, verwerven van persoonlijke groei en succes, vrij zijn van psychosomatische klachten, verbetering van de kwaliteit van het leven staan hierbij als neveneffecten voor ogen. 

  

  

Het fundamentele verschil met andere vormen van therapie (bv. psychoanalyse of cybernetische systeemtherapie) is de weg waarlangs dit doel bereikt wordt, nl. door de ander te geven wat gepast is. Wat is dan geven in een contextueel begrippenkader? Geven wil zeggen: zorg dragen en verantwoordelijk zijn voor een relatie op een manier die gepast is en rekening houdt met de belangen en de positie van de ander. Geven is dus iets anders dan toegeven, conflicten uit de weg gaan, opofferingsgezindheid of de ander manipuleren door middel van schuldgevoel. Wie werkelijk geeft, zal aanspraak kunnen maken op het geven van de ander en op diens erkenning. De balans van geven en ontvangen is het symbool geworden van de contextuele therapie. Daarbij is het fundamenteel dat de armen van deze balans vaak niet even lang zijn. Zo is de positie van een kind ten opzichte van zijn ouders ongelijkwaardig. De ouders zijn verantwoordelijk voor het opvoedingsproces. Door zijn geboorte is het kind in een existentieel onomkeerbare positie ten opzichte van zijn ouders geplaatst, die van nageslacht. De investering die de ouders plegen door het kind op verantwoorde wijze groot te brengen, kan niet door dit kind aan zijn ouders op gelijke wijze worden terugbetaald. Wat het kind wel kan doen, wat gewicht kan leggen op de korte arm van de balans, is van groot belang in de contextuele therapie. Ook de investering van ouders die tekortschieten ten opzichte van het kind, is een belangrijk onderwerp in de contextuele therapie: hoe kan alsnog de balans in evenwicht gebracht worden om tot herstel te komen? 

  

  

2. Basisattitudes en -begrippen voor de contextuele therapie 

  

  

2.1. Veelzijdige partijdigheid 

  

Eigen aan de houding van de contextuele therapeut is de meerzijdige partijdigheid waarbij hij vanuit alle betrokkenen, ook vanuit diegenen die niet aanwezig zijn of zelfs (nog) niet (meer) in leven zijn, naar de situatie kijkt. De spreekkamer zit voor de therapeut altijd ‘vol mensen’, ook al is er in feite slechts één persoon aanwezig. Door beurtelings de verdiensten en de rekeningen van elke partij te bekijken komen we tot de houding van de meerzijdige partijdigheid.  

 

In de contextuele therapie wordt per definitie een contract gesloten met de cliënt én met iedereen die met hem verbonden is, was en zal zijn. Zo is de therapeut niet partijdig voor de cliënt, maar voor de ‘situatie’. De therapeut zal juist bij heftige conflicten, zoals bij scheiding, het tweesnijdend zwaard der veelzijdige partijdigheid hanteren. Praktisch gezien betekent dit, dat de therapeut vastbesloten is om zelfs in een door de cliënt als ‘monster’ beschreven derde, de menselijkheid te ontdekken. In de therapie plaatst de therapeut zich achtereenvolgens achter de belangen en posities van de diverse betrokkenen om daardoor hun positie ten opzichte van elkaar af te bakenen. Hierbij is het principieel niet van belang of men nu wel of niet bij het gesprek aanwezig is.  

Technisch gezien tracht de therapeut dus achtereenvolgens zich in te voelen in elke betrokkene en diens verdienste; datgene wat hij de ander geeft, te erkennen. Indien de therapeut niet in staat is iemands verdienste te erkennen in zijn huidige relatie, dan zal hij tenminste pogen hem te erkennen in zijn positie van slachtoffer. In de relatie tussen ouders en kinderen is dit met name van belang.  

  

In het hierna genoemde voorbeeld komt naar voren dat het vaak pas mogelijk is therapeutisch voortgang te boeken, als de positie van de huidige ouder als slachtoffer ten opzichte van de grootouders is erkend. Dan pas kan een einde worden gemaakt aan parentificatie van het huidige kind.  

Een man mijdt ieder lichamelijk contact met zijn kinderen, knuffelt ze nooit en raakt ze niet aan. Gevraagd of hij een betere vader poogt te zijn dan zijn eigen vader, vertelt hij door zijn vader geregeld fysiek te zijn mishandeld. Nadat aan zijn slachtoffer-zijn in die situatie aandacht is besteed, komt geleidelijk enig lichamelijk contact met zijn kinderen tot stand.  

  

Het principe der veelzijdige partijdigheid heeft belangrijke consequenties als het gaat om de relatie tussen ouders en kind. Reeds in de inleiding is het kind beschreven als zijnde aan de korte arm van de balans. Het kind staat door zijn geboorte in een existentieel onomkeerbare positie ten opzichte van voor- en nageslacht. Afhankelijk, ongelijk, relatief onmondig en loyaal aan zijn ouders als het kind is, is de therapeut ten opzichte van hem verplicht met name zijn belangen zwaar te laten wegen. Wordt in relatietherapie veelal gepraat over macht, emancipatie, interactie, vrijheid etc., in een contextueel ‘relatiegesprek’ vormt de zorg voor de bij de relatieproblemen betrokken kinderen een eerste en zwaarwegend onderwerp van gesprek. De eerder genoemde onderwerpen worden door de therapeut onderkend en ze vormen tevens gespreksinhoud, maar dan wel aan de hand van het ethisch richtsnoer der veelzijdige partijdigheid. Zo is de contextuele therapie in bijvoorbeeld ernstige crisissituaties rond een echtscheiding noch een therapie om bij elkaar te blijven, noch een ‘scheidingstherapie’, maar de therapeut zal de partners in eerste instantie aanspreken als ouders. Het ouderteam van het betreffende kind kan immers niet gescheiden worden. Of er nu als partners wordt verdergegaan of niet, de therapeut bespreekt met de ouders hoe het kind zo min mogelijk slachtoffer wordt van de situatie. Van belang is te onderkennen dat het kind niet alleen door het feit van de echtscheiding wordt getroffen, maar al geparentificeerd is door de al veel langer, daaraan voorafgaande opbouw van wantrouwen tussen de ouders. 

  

Tijdens een bezoek aan België illustreerde Nagy deze meerzijdige partijdigheid met de opvallende uitspraak: “I’m not a parent-beater” waarmee hij zich distantieert van de tendens om ouders (en dan bij voorkeur de moeders) als ‘schuldigen’ aan te wijzen. Dit druist nl. regelrecht in tegen de principes van de meerzijdige partijdigheid.  

  

Vanuit de zekerheid van de cliënt dat de therapeut door deze meerzijdige partijdigheid de rechtvaardige belangen van de omgeving van de cliënt blijft zien, wordt de cliënt ook niet deloyaal door het verhaal vanuit zijn standpunt te brengen. Bv: als incestslachtoffer verwoordde zij dat het haar geruststelde dat de therapeut ook met daders van seksueel geweld werkte. Vanuit de zekerheid die zij heeft dat hij vanuit zijn werkervaring ook nog kan blijven zien dat deze man meer is dan alleen een incestpleger, kan zij haar verhaal vrij verwoorden. Ze moet in hun gesprekken haar vader - zoals ze tegenover de buitenwereld gewoonlijk wel moet doen - niet in bescherming nemen. Haar loyaliteit blijft intact.  

  

 

2.2. Oriëntatie op hulpbronnen 

  

De contextuele therapie richt zich in principe niet op pathologie. Vanuit haar uitgangspunt zoekt zij naar hulpbronnen van waaruit een groter vertrouwen in de relatie is te verkrijgen. Wantrouwen in de relatie ligt ten grondslag aan veel symptomen en pathologie. Uiteraard is het van belang in een contextuele therapie de ernst van de pathologie te onderkennen, zodat de therapeut indien nodig bijvoorbeeld medicijnen kan voorschrijven. Ook volgens Nagy is de therapeut gerechtigd, ja ethisch verplicht, alles te doen wat zijn cliënt helpt. 

  

De oriëntatie van de contextuele therapie is dus gericht op het opsporen van de bron van waaruit nieuw vertrouwen is te winnen. Juist daar waar banden zijn doorgesneden, waar ernstige teleurstellingen zijn opgedaan, waar de cliënt zich ernstig verwaarloosd voelt, liggen vaak de bronnen. Zo worden woede en verontwaardiging van de cliënt gezien als teken van hoop voor het op gang brengen van een dialoog met de ander, juist dus daar waar de emoties het hoogst oplopen en de dialoog gestaakt is. 

  

Het is van belang er hier op te wijzen dat er in het therapieproces een juiste timing dient te zijn. Het in een eerste zitting ‘terugsturen’ van de cliënt naar de moeder op wie hij/zij nu juist (terecht) woedend is, is antitherapeutisch en niet contextueel. De cliënt heeft er recht op door de therapeut erkend te worden in zijn slachtoffer-zijn. Vaak is het nodig de cliënt een moratorium aan te bieden. Het moratorium verenigt in zich de aandrang van de therapeut om te komen tot een nieuwe, verantwoorde manier om een relatie aan te gaan en de ruimte voor de cliënt om dit te doen op zijn eigen wijze en wanneer hij er klaar voor is. 

  

  

 2.3. Het belang van de actie 

  

Het derde fundament van de contextuele therapie is de nadruk op actie, op de daad. Het is de daad die de balans tussen geven en ontvangen in beweging zet, niets anders. Intenties, bedoelingen en gevoelens zijn belangrijk voor het therapeutisch proces, doch reiken niet in de existentie. De daad, met name de gepaste zorg voor de ander, doet dit wel. Het gaan opzoeken van een demente moeder die nooit werd bezocht, het structureren van het dagelijks leven van een kind, het ‘ontschuldigen’ van een overleden ouder door middel van het uitvragen van verdere familie over diens jeugd, het na een scheiding bevorderen van de band tussen de andere ouder en het kind: het zijn daden die het eigen bestaan zin geven. 

  

  

2.4. De vier dimensies 

  

De contextuele therapie onderscheidt vier dimensies in de relationele werkelijkheid van iedere persoon.Het kijken naar de menselijke relaties vanuit de vier dimensies levert een overzichtelijk en bruikbaar kader waardoor het inzicht in een vaak complexe dynamiek verhoogt. Denk maar aan de veelheid van vragen rond een uithuisplaatsing van jongeren of personen met een handicap. Of kijk naar alle ambulante en residentiële voorzieningen waarvan de werkterreinen liggen in de complexiteit van gezinnen in een echtscheidingssituatie, nieuw-samengestelde gezinnen, intra-familiaal misbruik en geweld, opvoedkundige thema’s in gezinnen met opgroeiende kinderen, enz. 

 

2.4.1. De eerste dimensie: de dimensie van de feiten 

  

In de eerste dimensie worden alle feitelijke gegevens die zich in het leven van de mens hebben voorgedaan - en zich momenteel nog voordoen - op een rij gezet. Een bijzonder instrument hiervoor is het genogram. Eén van de doelstellingen van het opmaken ervan is gericht op het in kaart brengen van al dit feitenmateriaal op een zo volledig mogelijke wijze en over de generaties heen.  

  

Nog belangrijke feiten die iemands bestaan beïnvloeden, zijn bv. erfelijke ziekten, lichamelijke gezondheid, invaliditeit, adoptie, grootte van de schulden,  hoe groot is het gezinsinkomen, welke andere bestaansmiddelen zijn er, werkloosheid en scheiding. Onder deze dimensie kunnen de belangrijke gebeurtenissen in iemands leven worden gerangschikt, zoals die ook voorkomen in het ‘life event’ onderzoek in de psychiatrische literatuur, dat zijn neerslag vindt in as IV van de DSM III. Ook het geboren zijn in een bepaald milieu, uit een bepaald ras, met bepaalde historische wortels, valt in deze dimensie.  

 

 

2.4.2. De tweede dimensie: de dimensie van de psychologie 

  

De tweede dimensie beslaat het terrein van de psychologie. Concreet gaat het hier over angsten, wensen, gevoelens, dromen, fantasieën, egosterkte, verwachtingen, geheugen, leerprocessen, enzovoort. Kennis van de psychologie is voor de contextuele therapie erg belangrijk. Het is een hulpbron voor de therapeut. Bv. de angsten en onzekerheden waarmee de cliënt worstelt, benoemen hoezeer de schulden drukken op de cliënt, hoe zijn schuldgevoelens tov zijn gezinsleden hem doen wakker liggen, hoeweel woede, verdriet en schaamte hiermee gepaard gaan. 

  

In de contextuele therapie wordt niet gewerkt met overdracht van gevoelens op de therapeut. De overdracht wordt onderkend, maar zoveel mogelijk daar gelaten waar ze is ontstaan, namelijk in de ‘natuurlijke context’. In de contextuele therapie zal vaak herstel of verandering plaatsvinden van gevoelens en ideeën die mensen over elkaar hebben. Dit is echter niet het doel waarop de contextuele therapeut zich richt. 

  

Een tweede punt van belang is kennis der ontwikkelingspsychologie. Het feit dat bepaalde fasen in de ontwikkeling van het kind buitengewoon kritiek, ja onvervangbaar zijn (denk aan de klassieke hechtingstheorie, theorieën over psychopathische en narcistische karakterontwikkeling etc.), heeft belangrijke consequenties voor het handelen van de contextuele therapeut, met name in de vierde dimensie. 

  

 

2.4.3. De derde dimensie: de dimensie van de interactie 

  

De interacties vullen de derde dimensie in. Hiertoe behoren de invalshoeken vanuit de systeem- en communicatietheorieën. Begrippen als systeem, machtsstructuren, coalities, homeostase, zondebokmechanismen, communicatiepatronen, enzovoort zijn hier aan de orde. De contextuele therapeut onderkent het belang van de dimensie der interactie. Hij heeft wel degelijk oog voor machtsstructuren, systemen en subsystemen, manipulatie, zondebokfenomenen, feedback-mechanismen en eventueel gebruikt hij ze voor zijn therapeutisch doel. Zo kan een contextuele therapeut bijvoorbeeld een registratie-opdracht geven. 

  

Het doel van een contextuele interventie is echter niet een verandering in deze dimensie. De contextuele therapie poogt altijd een ethisch niveau van interveniëren te bereiken, omdat daar de grootste bron ligt van werkelijke verandering en verbetering van relaties. Verandering in de ethische positie van een relatie gaat echter vaak gepaard met verandering in de dimensie der interactie. Altijd poogt de therapeut een ethisch oordeel te hebben over een verandering in de relatie. Dit vergt dat hij zich losmaakt van mogelijke eigen, moralistische vooroordelen over hoe een bepaalde relatie er uit ‘hoort’ te zien. Pas dan kan hij oog hebben voor de belangen van alle in een conflict gewikkelde partijen en vanuit het richtsnoer der veelzijdige partijdigheid in een bepaalde situatie staan. Zo wordt van de therapeut verwacht dat hij een heldere mening heeft ten opzichte van alle betrokken partijen, ook betreffende ‘veranderingen in de interactie’. 

  

Zo kan blijken dat in het gezin nauwelijks gesproken wordt over de schuldenlast, of omgekeerd: dat dit nog het enige gespreksonderwerp is in de relatie. Het gezinsevenwicht kan grondig verstoord zijn en het nemen van financiële beslissingen kan een machtskwestie worden tussen de partners. Het kan ook dat iemand als (on)schuldige voor de moeilijkheden wordt aanzien door de overige gezinsleden. Betekenisvol is ook de positie waarin de hulpvrager staat tegenover de hulpverlener en diens organisatie.  

  

  

2.4.4. De vierde dimensie: de dimensie der relationele ethiek 

  

De vierde overkoepelende dimensie is de eigenlijke contextuele dimensie die de relationele ethiek omvat. Nagy omschrijft ‘relationele ethiek’ als het leggen van 'een betrouwbare basis voor het omgaan met elkaar, waardoor het vertrouwen, de veiligheid en de solidariteit tussen mensen vergroot'. Het kan hierbij gaan over het vragen om en erkenning geven aan de zorg van anderen en dit op basis van rechtvaardigheid. Aan deze dimensie liggen de begrippen loyaliteit en rechtvaardigheid in de relatie ten grondslag, waarop de volgende paragrafen ingaan. 

  

De relationele ethiek richt zich immers op het uniek menselijk proces van het verwerven van een eerlijke en rechtvaardige balans van geven en ontvangen tussen de mensen. Tenslotte zijn zij het zelf die deze balansen in hun eigen relaties moeten evalueren. Vanuit dergelijke opstelling van de hulpverlener kan elke cliënt zich erkend weten in een contextuele benadering, ongeacht het mens- en wereldbeeld van de betrokkenen.

 

De relationele ethiek beschrijft de in het ‘tussenrijk’ bestaande rechtvaardigheid tussen mensen. Zo wordt de, niet direct zichtbare, eerlijkheid van een relatie in de tijd ontdekt en bezien. De verdienste, het verdiende vertrouwen van de een ten opzichte van de ander en vice versa wordt in kaart gebracht oftewel: de balans van verdiensten wordt opgemaakt. Hierbij houdt men rekening met mogelijke verschillen in verantwoordelijkheden (zoals tussen ouders en kind) en mogelijkheden (zoals intelligentie, fysieke kracht, geslacht etc.). De therapie richt zich principieel op het opnieuw door de betrokken partijen investeren in een relatie, om zo het vertrouwen in die relatie te vergroten, en wel door zorg en gepaste verantwoordelijkheid te dragen voor de ander. Ook als er een onevenwichtige situatie bestaat, stimuleert de therapeut degene die aan de ‘positieve’ zijde staat, om nog meer verdienste te verwerven. In de verticale relatie (ouders - kind) leidt dit, ongeacht of de ouders het beantwoorden, tot volwassenheid ten opzichte van de ouders. In de horizontale relatie, indien beantwoord, tot een verbeterde relatie; indien niet beantwoord, tot de vrijheid om tot scheiding te besluiten. 

  

Door zijn geboorte wordt het kind in een onverbrekelijke, existentieel asymmetrische positie geplaatst ten opzichte van voorgaande en komende generaties. Deze positie geeft wortel aan de primaire existentiële loyaliteit. Verantwoord ouderschap en zorg voor het kind zullen aan deze loyaliteit voedingsbodem geven. Ook indien het kind wordt geadopteerd of opgroeit bij pleegouders, is er door verantwoord ouderschap en zorg sprake van loyaliteit. Deze loyaliteit is een andere dan de eerstgenoemde, primaire existentiële loyaliteit. De hier genoemde loyaliteit kan alleen groeien, als er verantwoord ouderschap is. Ze vindt geen rechtvaardiging in het al dan niet ‘slecht zijn’ van de biologische ouders. De verschillen in verantwoordelijkheid in de ouder-kind relatie zijn fundamenteel voor de therapeut om op een ethisch niveau stelling te kunnen nemen. Eventuele ‘waardevrijheid’ van de interactie wordt erdoor teniet gedaan. 

 

Zo kan in het gezin van een cliënt nagegaan worden hoe elk gezinslid (ook het kleine kind) zijn bijdrage levert aan de oplossing van het financiële probleem en of dit een rechtvaardige bijdrage is die rekening houdt met zijn krachten en mogelijkheden. Er wordt gezien wie door zijn investeringen verdienste verwerft en of dit erkend wordt door de anderen. Er kan ook stilgestaan worden bij de vraag hoe het is als loyale volwassen dochter of zoon tegenover de eigen ouders om in financiële problemen verzeild te raken en hoe ermee wordt omgegaan binnen de respectievelijke gezinnen van herkomst. Het intergenerationele verhaal over financiële kwesties en over schuldenlasten is een belangrijk element in de hulp aan deze cliënt. 

  

Een benadering die zich beperkt tot de feiten van de eerste dimensie laat dus een heleboel andere kansen en mogelijkheden onbenut om de werkelijke draagwijdte van problemen bespreekbaar te maken. Plaats geven aan de overige dimensies kan het welzijn van de cliënt op fundamentelere basis bevorderen en kan zo het ontstaan van verdere problemen voorkomen.

Elk van de eerste drie dimensies heeft invloed op de relationele ethiek (vierde dimensie) en is niet los te koppelen van de andere dimensies. Daardoor is ook de éne dimensie niet belangrijker dan de andere en dient elk ervan evenwaardige aandacht te krijgen van welzijnswerker. Om het met een metafoor te zeggen: een kapstok waar alles aan één haak opgehangen wordt, valt om. Een evenwichtige verdeling over de vier haken behoudt de stabiliteit.

De ordening in de vier dimensies schept ook duidelijkheid in de complexe ‘neven’-verschijnselen van een probleemstelling. ‘Neven’ tussen aanhalingstekens omdat ze vaak zo bekeken worden, maar vanuit de vier dimensies hun evenwaardig belang hebben in het geheel. Dikwijls raken zij juist de kern van het gezinsprobleem en van de verstoorde relaties met de omgeving. Een gebrek aan aandacht hiervoor kan ook een efficiënte hulpverlening in de weg staan.
 

  

Om nog even een voorbeeld te geven: Hoe kan je adequaat omgaan met de woede- en schaamte-uitingen van de cliënt die worden afgereageerd op bureau van de hulpverlener, als je geen oog hebt voor de tweede dimensie? Hoe kan je bij een huisbezoek de onverschillige reactie van de partner begrijpen als je de derde dimensie links laat liggen? Hoe kan je de plotselinge gedragsproblemen van de puber in dit gezin kaderen als jij en de omgeving niet opmerken hoe hij ongezien mee de zorgen van het gezin draagt? 

  

  

 3. Loyaliteit 

  

  

3.1. Het begrip loyaliteit 

  

Loyaliteit is een belangrijk contextueel concept in de vierde dimensie. Loyaliteit heeft een ‘zijns’- kwaliteit. Het verschilt fundamenteel van het psychologisch begrip ‘zich loyaal voelen’, dat te omschrijven is als een voorranggevend gevóel ten opzichte van iemand of iets. Loyaliteit is een bindend fenomeen, iets tussen ‘wij’ en de buitenwereld, waardoor enerzijds een afgrenzing plaatsvindt, en anderzijds een ‘horen bij’ ontstaat.  

  

Primaire loyaliteit ontstaat door de geboorte. Feitelijk dankt het kind zijn existentie aan de ouders: zonder hen zou het niet zijn. Zo heeft loyaliteit wortels in de biologische en erfelijke verwantschap. Zorg en verantwoord ouderschap, hoe gering ook, geven voeding aan de primaire loyaliteit die de generaties bindt. Van zijn kant doet het kind vanaf de eerste levensdag investeringen in de relatie met de ouders door in te gaan op de zorg van de ouders en zo verantwoord ouderschap te stimuleren. In de daardoor tot stand komende spiraal komt loyaliteit tot wasdom. Primaire loyaliteit kan niet worden verbroken: ze is gebonden aan de existentie. Wel kan ze worden ontkend (dimensie II). Dit betekent dat de loyaliteit ondergronds moet gaan: het wordt onzichtbare loyaliteit. Alhoewel iemand zich dan in de tweede dimensie niet loyaal voelt, is hij het toch tot in het diepst van zijn wezen (dimensie IV). 

  

Het is van belang het begrip loyaliteit niet te moraliseren, alsof de contextuele therapeut van oordeel ware dat het ‘iets goeds’ of ‘iets slechts’ zou zijn. Met het begrip ‘loyaliteit’ worden de diepste motiverende krachten beschreven die in het leven mogelijk zijn, zonder waarde-oordeel hierover van de therapeut. Wel zal de therapeut pogen in een bepaalde situatie zich een ethisch oordeel te vormen over de gevolgen van loyaliteitsproblemen ten opzichte van een derde partij. 

  

Een voorbeeld:Een meisje in een kindertehuis vertelt haar begeleider dat haar moeder een kreng is, dat ze bijna elke dag werd geslagen en uitgescholden door haar. Ze zegt: ‘Als ik je wat beter ken, zal ik je eens een foto van dat kreng laten zien’. 

  

  

3.2. Verticale en horizontale loyaliteit 

  

De elkaar opvolgende generaties worden verbonden door verticale loyaliteit. Door haar existentiële waarde blijft deze levenslang bestaan. Het is een drijfveer in de existentie. Ook tussen vrienden en partners ontstaat loyaliteit. Die vindt haar fundament in de eerlijkheid van de relatie, in de balans van geven en ontvangen. Deze zgn. horizontale loyaliteit mist het asymmetrisch karakter van de verticale loyaliteit. De relatie is principieel symmetrisch. De verdiensten van de een ten opzichte van de ander worden als het ware met een balans met even lange armen gewogen. Ook hier is de basis van de loyaliteit de verdienste, het verdiende vertrouwen. Men is dus niet loyaal op basis van macht. 

  

Horizontale loyaliteit kan, in tegenstelling tot verticale loyaliteit, worden verbroken. Telkens wanneer er sprake is van een kruising van verticale en horizontale loyaliteit, is er sprake van een prioriteitskeuze: ben ik loyaal aan verticale of aan horizontale loyaliteit.  

Het ontstaan van loyaliteitsconflicten is inherent aan het bestaan. Het kind gaat, naarmate het opgroeit, immers steeds meer horizontale loyaliteiten aan. In de contextuele therapie poogt men deze loyaliteitsconflicten helder en scherp te krijgen en men helpt de cliënt de beide loyaliteiten ten opzichte van elkaar in evenwicht te brengen. 

  

Een vrouw komt in therapie met de klacht dat ze eenzaam, slapeloos is en geen relatie kan aangaan. Bij navragen vertelt ze al jaren haar nu demente en invalide moeder niet te bezoeken, ‘omdat deze toch niets voor haar heeft gedaan en betekend’. Pas wanneer ze na gesprekken aan haar moeder enige zorg kan geven, komt haar sociale leven op gang. Met name als verticale loyaliteit ‘onzichtbaar’ is geworden, kunnen loyaliteitsconflicten onleefbaar worden. Het eerste doel in de therapie is dan deze weer zichtbaar te maken. Belangrijke ‘life events’, zoals geboorte, adolescentie, volwassenheid, huwelijk, partnerschap, vriendschap, geboorte van een (klein)kind, zijn momenten waarop het nodig is verticale en horizontale loyaliteiten opnieuw in evenwicht te brengen. Deze gebeurtenissen dragen de mogelijkheden in zich om verbroken en gestokte dialogen opnieuw op gang te brengen en om een hernieuwde poging te ondernemen tot vertrouwen in de relatie. 

  

  

Voor een goede horizontale relatie is het belangrijk dat de partner de verticale loyaliteiten van de ander respecteert en hem de ruimte geeft openlijk loyaal te zijn. Is deze ruimte er niet, dan zal de verticale loyaliteit ondergronds moeten gaan of er ontstaan heftige loyaliteitsconflicten. Een belangrijk gevaar schuilt in het aangaan van een hechte relatie met het gezin van herkomst van de partner ten koste van die met het eigen gezin van herkomst. Opnieuw een situatie waar de loyaliteit onzichtbaar wordt. Een goede partnerrelatie vereist een voortdurend in evenwicht brengen van verticale en horizontale loyaliteit. Het is een nooit eindigend proces. 

  

De keuze voor een bepaalde partner kan een daad van rebellie zijn ten opzichte van het gezin van oorsprong, dus gefundeerd in onzichtbare loyaliteit. Feitelijk gezien is er dan geen sprake van een positieve partnerkeuze. De keuze van deze partner is eigenlijk geen keuze voor deze partner, maar tegen of op een ondergrondse manier voor het gezin van herkomst. Er is dan een blijvende ondergrondse verbintenis, door de partnerkeuze, met het gezin van herkomst. Soms verwerpen beide partners hun verticale loyaliteit. De kern van de relatie is dan het gezamenlijk verwerpen van de verticale loyaliteit geworden. Er wordt niet een wezenlijke relatie met de ander aangegaan: de ene guerrilla-beweging sluit zich bij de andere aan. Het is ook mogelijk een partner te kiezen om de wens van de ouders te honoreren . De partnerkeuze vindt dan plaats op een moment van nog onvoldoende afgegrensd zijn ten opzichte van het gezin van herkomst. 

  

  

3.3. Onzichtbare loyaliteit 

  

Zoals beschreven, is het onmogelijk te ontkomen aan de verticale loyaliteit. Wat gebeurt er dan, als mensen hun relatie met ouders en adoptie-ouders doorsnijden, zeggen niets meer met ze te maken te hebben, zich onverschillig voelen of tonen? Deze ouders ontvangen niet waar ze ethisch recht op hebben. Zij maken aanspraak op terechte zorg en aandacht van hun nu volwassen kinderen, maar de loyaliteit is onzichtbaar geworden. Deze onzichtbare loyaliteit zal nu, als een guerrilla, tot een ernstige aantasting van andere, met name horizontale, loyaliteiten leiden. 

  

Een vrouw keert geregeld terug naar haar man die haar ernstig mishandelt, tegen alle adviezen van haar hulpverleners in. De vrouw bleek een incestueuze relatie met haar vader te hebben gehad. Haar man is fysiek ernstig bedreigd door zijn pleegouders. Het is alsof iemand een ladder oploopt waarvan de sporten zijn doorgerot. Geen enkele sport blijft in stand behalve de verticale. Zo ligt onzichtbare loyaliteit ten grondslag aan huwelijks- en relatieproblematiek. Daarom ook is een relatietherapie die alleen de horizontale verbinding beziet, gedoemd te mislukken. Het doel van de contextuele therapie is: onzichtbare loyaliteit zichtbaar maken, de cliënt in staat te stellen openlijk loyaal te zijn en door middel van actie de balans in beweging te brengen en zo zijn recht, te verdienen. 

  

  

3.5. Gespleten loyaliteit 

  

Verticale loyaliteit kan worden gespleten. Dit treedt op, wanneer een kind moet kiezen tussen zijn ouders. Van nature is het kind loyaal aan beide ouders. Het verenigt in zich twee verschillende voorgaande generaties en is erfgenaam van het legaat van beide generaties. Wanneer het kind deze niet beide openlijk kan beheren, treedt gespleten loyaliteit op. Met name wordt de loyaliteit gespleten, als de keuze van het kind voor de ene ouder een verraad aan de andere inhoudt. 

  

Het kind raakt gevangen in het wantrouwen dat tussen de beide ouders heerst. Hoe subtieler en bedekter de uitingen van wantrouwen tussen beide ouders, hoe meer de loyaliteit wordt gespleten. De situatie is voor het kind onhanteerbaar: het doet het nooit goed. Een kind staat op vrijdag verloren bij de ingang van de school. Zijn ouders zijn gescheiden en kennelijk werkt de weekendregeling voor de kinderen niet. De ouders verwijten elkaar zich niet aan de afspraken te houden. Ze schelden elkaar uit. Het kind zegt: ‘Als ik niet weet bij wie ik hoor, ben ik niemand’. 

  

Gespleten loyaliteit is een triadisch begrip. Het gaat er niet om of een of beide ouders ten opzichte van het kind ‘goed’ of ‘slecht’ zijn. Mogelijk zijn ze beiden goed. Het is de kwaliteit van de relatie van de ouders, die bepaalt of deze al dan niet tot gespleten loyaliteit bij het kind voert. Hoe meer wantrouwen er is in deze relatie, hoe verder de loyaliteit wordt gespleten. 

  

Het kind probeert altijd gespleten loyaliteit teniet te doen. Zo zal het bijvoorbeeld bemiddelen tussen de ouders of de aandacht afleiden. Als deze hulp van het kind niet door de ouders wordt gezien en erkend, vindt destructieve parentificatie plaats. Deze wordt nog vergroot, als het kind impliciet of expliciet ervan wordt beschuldigd de oorzaak te zijn van de echtelijke onmin. Bv. in de afscheidsbrief, gevonden na de suïcide van een adolescent, staat: ‘Ik hoop dat met mijn dood de grond voor de chronische conflicten, die sedert mijn geboorte hebben bestaan, is weggenomen. Ik wens jullie vrede toe.’ 

  

  

3.6. Loyaliteit en legaat 

  

De verworvenheden van voorouders en ouders, baten en lasten, in materiële en immateriële zin, vormen hun erfgoed voor de huidige generatie. Zo maken scheiding van de ouders, adoptie, genetische bijzonderheden of afwijkingen, oorlog, ras, geloof, seksuele geaardheid, eventuele discriminatie en de wijze waarop de vorige generaties daarmee omgingen, deel uit van dat erfgoed.  

  

Met de contextuele term legaat wordt de ethische verplichting omschreven om met het erfgoed datgene te doen wat een bijdrage levert aan de kwaliteit van het bestaan van navolgende generaties. Dat behelst de verplichting en het recht om het ‘goede’ te behouden en vorm te geven en om het ‘slechte’ te verlichten. Tot dat laatste behoren het verzachten van rigide, moraliserende tradities en het voorkomen van opnieuw opgroeien van kinderen in ernstige parentificatie. Bv. een dochter die in haar jeugd ernstig onder het alcoholisme van haar moeder heeft geleden, werkt nu als hulpverlener in de verslavingszorg. Indien het legaat in die zin wordt opgenomen door een individu, ontstaat persoonlijke vrijheid. Het bestaan van het legaat vraagt vaak creativiteit, ook omdat ieder individu in principe twee soms nogal verschillende en in zich weer verdeelde legaten beheert.  

  

Het is van belang het begrip legaat af te grenzen van het begrip delegatie. In tegenstelling tot legaat is delegatie geen contextueel begrip. De term delegatie is door Helm Stierlin ingevoerd in 1974. Hij beschrijft hiermee de persoonlijke eisen en verwachtingen van vorige generaties ten opzichte van de huidige. Bv. een vader die zegt tegen een van zijn dochters op zijn sterfbed: ‘Mijn grootste wens zou in vervulling gaan, als jij in het klooster zou gaan ; je bent zo toegewijd en godsdienstig; het past goed bij je.’ 

  

  

3.7. Loyaliteit en adoptie: loyaliteitsdilemma’s 

  

Het is een biologisch feit dat het kind in de moeder is gegroeid. De existentie van het kind zou niet zijn zonder de biologische moeder, die uiteindelijk heeft besloten de zwangerschap te volbrengen met alle psychosociale en lichamelijke gevolgen van dien voor haarzelf. Hierdoor is het kind verplicht aan de biologische moeder, méér dan aan de biologische vader. Zijn bijdrage tot de existentie is wellicht alleen genetisch geweest. 

  

Daarnaast raakt het adoptiekind verplicht aan de adoptie-ouders. Door hun zorg en verantwoord ouderschap krijgt zijn existentie zin en inhoud. Zowel in psychologisch als in sociaal-cultureel opzicht is het kind erfgenaam van het legaat van de adoptie-ouders. Het is van belang te onderkennen dat een adoptiekind geen biologisch kind is, dat zijn existentie van elders komt en dat er een primaire loyaliteit bestaat van het adoptiekind naar zijn oorsprong. Ontkenning hiervan kan tot ernstige verstoring leiden van de relatie tussen adoptie-ouders en adoptiekind. Een adoptiekind zal vaak zijn primaire loyaliteit ontkennen om zijn adoptie-ouders geen verdriet te doen. De primaire loyaliteit gaat dan ondergronds en wordt onzichtbare loyaliteit. Hoe meer de adoptie-ouders een gepast loyaal-zijn naar de primaire loyaliteit kunnen toestaan, hoe beter de relatie tussen adoptiekind en adoptie-ouders zal zijn. Het toetsen van mythen aan de realiteit, het op zoek gaan naar zijn oorsprong, het te weten komen van de omstandigheden waarin de adoptie plaatsvond (was het een gevende daad van de moeder?), het zich op de hoogte stellen van hoe het nu met de biologische moeder is, het bezien of er iets gedaan kan worden door het kind voor haar, het aanbieden van zorg, zijn voor het adoptiekind wegen om openlijk loyaal te zijn en vrijheid te verwerven. De relatie tussen adoptie-ouders en adoptiekind zal hierdoor verbeteren, alhoewel adoptie-ouders veelal het tegenovergestelde vrezen (dimensie II). 

  

  

 4. De rechtvaardigheid 

  

  

4.1. Kort historisch perspectief 

  

Daar de rechtvaardigheid in de relatie de hoeksteen is voor de contextuele therapie, is het belangrijk te beseffen dat de rechtvaardigheid zoals wij die kennen, historische wortels heeft. In onze streken vond vóór de komst van de Romeinen de rechtspraak plaats op grond van het ‘oog om oog, tand om tand’-principe, met als gevolg bloedwraak. Met de komst van de Romeinen kwam hierin verandering. Voor ieder vergrijp werd een nauwkeurig omschreven straf of vergelding vastgelegd. Zo 

ontstond het beeld voor rechtspraak van de geblinddoekte maagd : vergrijp en straf afwegend met een balans. Nog steeds steunen onze rechtspraak en ons rechtvaardigheidsbesef op de Romeinse rechtsnorm, zij het dat ze nog weer door het christendom zijn beïnvloed. 

  

  

4.2. De rechtvaardigheid als relationeel ethisch richtsnoer 

  

Nagy heeft de rechtvaardigheid tot de hoeksteen van zijn visie gemaakt. Het gaat hierbij om een relationele rechtvaardigheid, niet om een intrapsychisch rechtvaardigheidsgevoel, noch om moralisme. Een relatie is rechtvaardig, als de balans over langere tijd in evenwicht is en als de balans van geven en ontvangen recht doet aan eventuele asymmetrie. Bij verstoring in een relatie wordt met name in de vierde dimensie, die van de relationele ethiek, naar de stand van de balans gekeken en naar mogelijkheden om deze opnieuw in evenwicht te brengen. 

  

  

4.3. Relationele schuld versus intrapsychisch schuldgevoel 

  

Het ik-gij concept van Martin Buber impliceert dat als ‘de orde van het menselijk bestaan’ wordt geschonden, er schuld in de relatie ontstaat. Deze existentiële schuld ontstaat na uitbuiting van de ene mens door de ander. Zij ontstaat dus als er geen recht wordt gedaan aan de balans van geven en ontvangen. Bij uit balans zijn ontstaat ‘schuld’ van de een ten opzichte van de ander. Relationele schuld is dus een begrip uit de vierde dimensie. Alleen door een daad, door actie in de vorm van verantwoordelijkheid voor de ander en oprechte zorg, kan de balans omtrent deze relationele schuld in beweging komen. Schuldgevoel ten opzichte van iemand (dimensie II) gaat niet noodzakelijkerwijs gepaard met relationele schuld (dimensie IV). Zo is het uit de psychoanalyse en de gezinstherapie bekend dat het mogelijk is een kind tijdens zijn ontwikkeling dermate te parentificeren dat het zich schuldig gaat voelen aan de problemen tussen de ouders (dimensie II) en geremd wordt in de eigen ontwikkeling.  

  

Parentificatie en een gestoorde persoonlijkheidsontwikkeling kunnen leiden tot de afwezigheid van schuldgevoelens, tot ‘ongevoeligheid’ ten opzichte van derden. Het individu is als het ware dermate tot slachtoffer gemaakt in zijn eigen jeugd, dat hij nu het (destructieve) recht voelt om een ander tot slachtoffer te maken. Het bovenstaande illustreert het belang voor de therapeut om schuldgevoel en relationele schuld streng te scheiden en helder te krijgen. Of er nu sprake is van schuldgevoel of juist niet, altijd beziet de contextuele therapeut de horizontale en de verticale balans. Hij poogt niet het schuldgevoel te verminderen als doel op zich. Altijd ziet hij de persoon in de context en, ongeacht of de cliënt aan de positieve of negatieve kant staat van de balans van verdienste, probeert hij hem te bewegen tot het verwerven van verdienste door het ondernemen van actie. Is er sprake van existentiële schuld van de cliënt ten opzichte van de ander, dan wordt deze door de therapeut ‘erkend’. Vervolgens wordt gekeken, hoe de cliënt deze kan delgen. Een hulpbron voor de therapeut ligt in de vorige generatie. Wellicht is erkenning door de ouders van wat hun kind hun heeft gegeven, een gewicht dat de schaal in beweging brengt (deparentificatie). 

  

Een voorbeeld: een chronisch psychotische patiënte had in een heftige crisis haar kind gedood. Door justitie werd zij, toen ze opnieuw zwanger was, gedwongen opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Met haar behandelaar kwam ze tot de conclusie dat het voor het kind het beste zou zijn als het in een adoptiegezin zou opgroeien. Na de geboorte deed ze afstand van haar kind. Haar ‘psychiatrisch toestandsbeeld’ verbeterde dramatisch. De adoptie is hier, gezien de context, te zien als een belangrijke, existentieel-gevende daad van moeder aan kind. De patiënt betaalde op haast bovenmenselijke wijze haar schuld af. De balans kwam in beweging. 

  

  

4.4. De twee rechten aan het kind: het natuurrecht en het recht te geven 

  

Ieder kind maakt aanspraak op zorg en verantwoord ouderschap. Zonder ouderlijke zorg zou het al snel jammerlijk omkomen. In de ontwikkelingspsychologie, de pedagogie, de psychoanalyse en de systeembehandelingsliteratuur is terug te vinden hoe met het kind om te gaan. Het kind heeft van nature recht op een goede opvoeding, recht om niet verwaarloosd te worden, recht om niet tot het zwarte schaap gemaakt te worden, recht op afgegrensde subsystemen, recht op een gestructureerd leven, recht op voedsel, recht op zijn ouders enz. Toch is het zeer belangrijk het kind niet alleen aan de ontvangende kant te situeren. Het kind is ook te zien als een grote bron van natuurlijk vertrouwen. Vanaf de geboorte investeert het vertrouwen, in de hoop ouderlijke zorg te ontvangen en zo te overleven. Ook als het kind niet ontvangt, gaat het door met geven. Zeer jonge kinderen geven al actief aan hun ouders, door bijvoorbeeld op schoot te kruipen als een ouder verdrietig is, of door de aandacht af te leiden en de ouder tot een spelletje te dwingen. Het is in onze cultuur ongebruikelijk het kind als gevend te zien. Veel van zijn gevend gedrag wordt niet onderkend. Het kind heeft er niettemin recht op kinderlijke zorg aan de ouders te geven en de ouders hebben de verantwoordelijkheid het kind deze optie tot geven te verschaffen. Zorg voor de ouder - mits gepast en niet de grenzen van het kind overschrijdend - kan een bijdrage leveren aan zijn ontwikkeling. Fundamenteel hierbij is echter of deze zorg ook wordt waargenomen. Het niet erkennen van kinderlijke zorg is een vorm van verwaarlozing. 

  

  

 4.5. Destructief recht 

  

Het gerechtigd zijn tot destructie uit zich o.a. in het ontbreken van schuldgevoel bij existentiële schuld, in het niet waarnemen van geven door het kind en het exploiteren van een volgende generatie: kortom, in het tot slachtoffer maken van de ander. Het gerechtigd zijn tot destructie komt voort uit de verwaarlozing van het natuurrecht van het kind, zoals hiervóór beschreven. Een kind dat de zorg en het verantwoord ouderschap waar het recht op heeft, niet krijgt, kan méér aanspraak maken en alsnog verwachten ze te krijgen. Het is als het ware ‘te veel gerechtigd’. Dit disproportioneel gerechtigd zijn wordt gerechtigd zijn tot destructie genoemd, of destructief recht.  

  

Het destructief recht ontstaat bij vroegkinderlijke verwaarlozing, parentificatie, gespleten loyaliteit etc. M.a.w. in situaties waar het vertrouwen van het kind niet met vertrouwen wordt beantwoord. Het recht tot destructie wordt door het verwaarloosde kind beleefd als het recht om alsnog ergens, op anderen, het tekort aan zorg en verantwoord ouderschap te verhalen. Nemen we bijvoorbeeld het vroeg verwaarloosde kind dat volwassen is geworden. Nog steeds zal deze mens pogen de tekorten te verhalen, mogelijk op zijn partner of op zijn kind. In de afrekening wordt een onschuldige derde betrokken en tot slachtoffer gemaakt. Dit verhalen op een onschuldige derde wordt als de ‘roulerende rekening’ aangeduid. Daarbij worden de rollen tussen ouders en kind op destructieve wijze omgedraaid: destructieve parentificatie.  

  

Niet elke rolwisseling tussen ouders en kind (parentificatie) is echter destructief. Als in een gezin het kind bijvoorbeeld tijdelijk een ouderrol op zich neemt, dit door de ouders gezien en erkend wordt en de mogelijkheden van het kind niet overschrijdt, kan het een bijdrage leveren aan een gezonde ontwikkeling. Maar als parentificatie voortvloeit uit een zgn. roulerende rekening, als er een exploitatietekort op het kind wordt verhaald, is er sprake van destructieve parentificatie. Deze is compleet als de zorg van het kind voor de ouders niet alleen niet door hen wordt gezien, maar het kind op impliciete of expliciete wijze ervan wordt beschuldigd de bron te zijn van de problemen van de volwassenen. Zo komt het recht tot destructie de wereld in.  

Bv. een echtpaar in relatietherapie weigert aanvankelijk in te gaan op de suggestie van de therapeut om hun nog jonge kinderen mee te brengen voor een gezinszitting. ‘We willen dit onze kinderen besparen, ze merken toch niets van onze conflicten’, zeggen de ouders. Als ze later toch meekomen, blijken de twee kinderen om de beurt te waken. Als er veel stemverheffing is, gaat er één naar beneden. ‘Ik kan niet slapen’, zegt hij dan. De ouders sturen hem naar boven met de mededeling dat hij stout en lastig is. 

  

Kort samengevat: er wordt als het ware een drain gelegd op het natuurlijk vertrouwen van het kind. De stroom van vertrouwen die normaliter naar het kind toe gaat, keert van stroomrichting om. Het kind wordt ‘drooggelegd’. Zijn destructief recht gedraagt zich als een ‘erfelijke’ eigenschap, als ieder individu van de op hem volgende generatie poogt te krijgen wat hij zelf heeft gemist. De nieuwe generatie zal dan weer hetzelfde pogen. Zo kan een roulerende rekening over vele generaties heen gepresenteerd worden en zich in velerlei gedaanten vertonen: drugsgebruik, psychiatrische symptomatologie, scheiding, incest en psychosomatische ziekten. 

  

  

4.6. Van destructief recht naar verdiend recht 

  

Contextuele therapie brengt een proces op gang, waarbij de cliënt niet meer steunt op zijn destructieve recht, doch zijn eigen recht gaat verdienen. De cliënt wordt ertoe bewogen om door middel van actie de balans opnieuw in evenwicht te brengen. Het doel van de contextuele therapie is altijd om vertrouwen te mobiliseren ten opzichte van wantrouwen en om het doorgeven van roulerende rekeningen aan de volgende generatie te stoppen. Zo is bijvoorbeeld een alcoholist niet bereid te stoppen met drinken in verband met levercirrhose, doch wellicht wél als hij zich bewust wordt van het verdriet en de zorg van zijn kinderen. 

  

Een dialoog tussen de generaties met als doel een betere toekomst is fundamenteel in de contextuele therapie. Het ‘teruggaan naar vorige generaties’ staat in dienst van de toekomstige generaties. Contextuele therapie kijkt dus niet terug, maar vooruit. In de contextuele behandeling van een kind met symptoomgedrag bijvoorbeeld zal op een bepaald moment in de therapie uitgebreid worden stilgestaan bij het exploitatietekort dat de ouders in hun jeugd hebben opgelopen. Pas wanneer er voldoende ruimte is geweest voor hun verdriet en pijn, is het mogelijk hun zicht te geven op de manier waarop ze nu hun kind tot slachtoffer maken, op de roulerende rekening. Weerstand tegen het bespreken van zo’n exploitatietekort beziet de contextuele therapeut in het licht van onzichtbare loyaliteit naar de grootouders. 

 

Ten overstaan van de cliënten probeert hij een verbinding te leggen tussen het exploitatietekort van de ouders toen en dat van het kind nu. Het recht op destructie van de ouders wordt erkend met het doel het te brengen tot verantwoord ouderschap. Uitgaande van het recht tot destructie, wordt, zonder moralisme, ook elke stap of actie van de ouder, hoe klein ook, in de richting van verantwoord ouderschap door de therapeut erkend. Dit proces van erkennen door de therapeut van verbetering van ouderschap of van zorg voor behoeftige ouders wordt door Nagy ‘crediting’ genoemd. Er komt een proces op gang, waarbij de cliënt steeds minder leunt op destructief recht, zichzelf op een ethisch niveau meer waarde geeft (‘self-validation’) en beter functioneert dan van hem te verwachten zou zijn, gezien de balans van rechtvaardigheid. 

  

Dit proces versterkt zichzelf, daar de cliënt bemerkt dat door het aan de ander geven wat hem toekomt, het juist beter mogelijk is de eigen belangen en posities te onderscheiden en te verdedigen dan wanneer men de ander tot slachtoffer maakt. Dit in elkaar grijpen van zichzelf waarde geven door zorg voor de ander en de eigen positie onderscheiden is de therapeutische spiraal die contextuele therapie zo effectief maakt. Het is van belang er hier op te wijzen dat de ‘kost voor de baat uitgaat’: de cliënt investeert daar waar dat het moeilijkste is, waar wantrouwen heerst en de weerstand tegen hervatten van de dialoog het grootst is. Waar de grootste verwijdering is, liggen de rijkste bronnen en veelal zal dit zijn tussen ouders en grootouders of tussen ouders en kinderen. Zelfs als er niet een nieuwe dialoog ontstaat, geeft de cliënt zichzelf waarde door een poging te hebben gedaan in die richting en verdient hij een stukje recht. 

  

  

4.7. De tijd en de verticale relatie: balans in beweging 

  

De balans tussen de generaties is voortdurend in beweging. Met het voortschrijden van de tijd zijn er steeds verschillende verantwoordelijkheden en opties betreffende de zorg voor elkaar en het geven en ontvangen van de ene generatie ten opzicht van de andere. Bij de geboorte heeft het kind het natuurrecht er te mogen zijn en recht op zorg en ouderschap. Het kind heeft tevens het recht te geven aan de ouders en hiervoor erkend te worden. Het is onmogelijk voor het kind de ouders op gelijke wijze terug te betalen voor existentie, zorg en verantwoord ouderschap. Wel is het mogelijk voor het kind aan de ouders te geven, bijvoorbeeld door de ouder te troosten bij verdriet. Het kind hiertoe de gelegenheid geven en ervoor te erkennen maakt deel uit van verantwoord ouderschap. Het geeft het kind de mogelijkheid de balans in beweging te brengen. 

 

Naarmate het kind opgroeit, ontstaat er een meer symmetrische positie ten opzichte van de ouders. Hoewel de existentiële asymmetrie blijft bestaan, is een vrij symmetrisch geven en nemen wel mogelijk in dat waardevolle tijdperk van het kruisen der levenslijnen. Daarna is er ten dele sprake van een omkering van verantwoordelijkheid. Van het kind kan worden verwacht dat het gepaste zorg geeft aan de ouder op een ziekbed, bij invaliditeit en sterven, daarbij rekening houdend met de belangen en positie van de ouder. 

  

Naarmate de dialoog meer heeft gehaperd en er onverwerkt leed is, zal het voor het volwassen kind met omgekeerde verantwoordelijkheid moeilijker zijn om te geven. De balans raakt steeds meer uit haar evenwicht. Met de dood van de ouder lijkt de mogelijkheid tot dialoog afgesneden. Toch is het mogelijk postuum aan de ouder te geven. Men kan bijvoorbeeld de herinnering zuiveren door op zoek te gaan naar de achtergronden van de ouder en verre familie op te zoeken en te ondervragen, door het verzorgen van een graf etc. Het zijn alle manieren om zichzelf waarde te geven. 

 

Een belangrijke weg voor het kind om een verstoorde balans in evenwicht te brengen is het doorgeven van zorg aan de volgende generatie: zelf existentie voortbrengen en verantwoord ouderschap op zich nemen. Nogal eens is vrijwillige kinderloosheid het gevolg van het stokken van de balans van geven en ontvangen tussen de generaties en leidt herstel van evenwicht tot de wens kinderen te krijgen. Daarnaast kan ook het niet op de wereld zetten of het afstaan van een kind ter adoptie een gevende daad zijn, bijvoorbeeld als voldoende zorg en ouderschap niet aanwezig zijn. De contextuele therapie probeert hierin inzicht te verschaffen op ethisch niveau, zowel voor de moeder als voor het met loyaliteitsdilemma’s in de wereld staande adoptiekind. 

  

Andere manieren van geven aan het nageslacht zijn adoptie en pleegouderschap. Ook bij het ontbreken van directe nakomelingen is het mogelijk aan het nageslacht te geven: in de vorm van cultuur, zorg voor de natuur, sociaal-medische voorzieningen etc. Het zijn even zovele mogelijkheden om waarde te geven aan het eigen bestaan. 

  

  

4.8. De tijd en de horizontale relatie: balans in beweging 

  

Fundamenteel verschillend van de ouder-kind relatie is de relatie met een partner/vriend: gelijkwaardig en symmetrisch. De armen van de balans zijn even lang. Opnieuw gaat het hier om de rechtvaardigheid van de relatie, de eerlijkheid en de balans van geven en ontvangen. De kwaliteit van de relatie wordt bepaald door deze balans die over langere tijd in evenwicht dient te zijn. Als de balans te ver, te lang, naar één kant is doorgeschoten, kan er een einde komen aan partnerschap of vriendschap. 

  

Destructief recht dat is voortgekomen uit een asymmetrische ouder-kind relatie, kan zijn weerslag vinden in de horizontale relatie. De partner wordt als onschuldige derde tot slachtoffer gemaakt. Hij moet als het ware de exploitatietekorten alsnog aanvullen. Destructief recht is dan de verborgen kern van het echtelijk conflict en dient in verticale richting te worden verlicht/verzacht. 

  

In de horizontale relatie is het mogelijk vertrouwen te verdienen ten opzichte van de ander. Datgene wat de relatie tot relatie maakt, is het proces van wederzijds ten opzichte van elkaar vertrouwen verdienen. Dat is de kern van een horizontale relatie. De contextuele therapeut richt zich op dit proces van vertrouwen verdienen. Bij relatieproblematiek brengt hij, evenals in de ouder-kind relatie, de zichzelf versterkende spiraal op gang van zichzelf waarde geven door zorg voor de ander en het gaan zien van de eigen belangen en positie. Een belangrijke taak van de therapeut is het schiften van verticale en horizontale problematiek. 

Een voorbeeld: een echtpaar komt in therapie vanwege voortdurende promiscuïteit van de man. De man had na de dood van zijn vader een hechte relatie gehad met zijn moeder. Toen moeder een nieuwe man vond, is hij na heftige conflicten met zijn stiefvader in een pleeggezin geplaatst. Sedertdien is het contact met moeder verbroken. 

  

In horizontale symmetrische relaties bestaan vaak onvermijdelijke belangentegenstellingen. Deze worden in een contextuele therapie aanvankelijk scherper en duidelijker. Via het principe der veelzijdige partijdigheid verbetert de therapeut vervolgens het ‘management’ van deze conflicten. De horizontale relatieproblematiek wordt daarbij altijd óók bezien vanuit de positie van (eventueel ongeboren) kinderen. Soms kan een symmetrische horizontale relatie relatief asymmetrisch worden, door bijvoorbeeld invaliditeit na een auto-ongeval. Het dan op juiste wijze in evenwicht brengen van de balans is zeer moeilijk. Het zoeken naar een evenwicht door beide partners bepaalt de spankracht van de relatie. 

  

  

5. De visie van de contextuele therapie op opname en op de man-vrouw relatie 

  

  

5.1. Contextuele therapie en intramurale zorg 

  

Soms is opname in een psychiatrisch ziekenhuis of kindertehuis onvermijdelijk. Vanuit contextueel oogpunt is dit pas het geval indien in de natuurlijke context op een bepaald moment onvoldoende hulpbronnen kunnen worden aangeboord. Het blijft van groot belang de relatie tussen degene die is opgenomen, en de context niet te verbreken: het proces van geven en ontvangen wordt anders namelijk gestopt. 

 

Opname op zich leidt in het algemeen al tot een verslechtering op de balans van de opgenomene. Datgene wat deze namelijk geeft aan de context komt tot stilstand, zoals bemiddeling tussen de ouders of warmte. De context blijft geven, bijvoorbeeld door bezoek, wat op zich weer een beschuldiging (van ziekte) inhoudt. De mogelijkheid van de opgenomene om zich te beroepen op het recht tot destructie wordt geleidelijk vergroot. Activiteiten van het kind om aan de ouders te geven, hoezeer parentificerend ook, worden onmogelijk gemaakt door separatie of opname. Toch zijn de ouders en hijzelf de enigen die de balans mogelijk weer in beweging kunnen brengen, niet iemand anders. 

  

  

5.2. Contextuele therapie en man-vrouw relatie 

  

In contextueel opzicht bestaat er tussen man en vrouw een fundamenteel verschil, namelijk dat alleen de vrouw de mogelijkheid heeft een kind te baren en te zogen. 

 

In onze westerse maatschappij is het traditionele man-vrouw patroon doorbroken. Soms geraakt de optie van de vrouw om existentie voort te brengen op de achtergrond. Man en vrouw hebben beiden recht op een carrière, een gelijkwaardige positie in de maatschappij en een gelijke verdeling van taken in opvoeding en dagelijkse beslommeringen. Het is vanuit contextueel oogpunt juist om de man bij opvoeding en opgroeien van kinderen te betrekken. Tijdens de zwangerschap groeit het kind in en door de vrouw. Zwangerschap en geboorte houden ook nu nog risico’s in zich. Door dit geven aan het kind, door het lopen van deze risico’s heeft de vrouw bij de geboorte van het kind een groter verdiend recht dan de man. Zij heeft meer geriskeerd en meer gedaan ten opzichte van de nieuwe existentie. Het is van belang dit te onderkennen. Vervolgens is het aan de man om ten opzichte van zijn kind en partner de balans in evenwicht te brengen door zorg en verantwoord ouderschap. Met gepaste zorg voor de vrouw tijdens de zwangerschap kan dit proces beginnen. De vrouw verdient nog meer vertrouwen door haar partner de mogelijkheid van een goede relatie met het kind te geven. Het afsnijden van de man van het kind, vanuit een bezitterige of zogenaamd beschermende positie van de vrouw, is onjuist. Juist het vertrouwen in de relatie tussen man en vrouw bepaalt de kwaliteit van de nieuwe existentie. Het in evenwicht brengen van de balans van geven en ontvangen in het kader van een nieuwe existentie die op zich tevens een opnieuw afwegen van verticale loyaliteiten vergt, is een ingrijpend en moeilijk proces. 

  

  

6. De contextuele therapie: verdiende vrijheid 

  

De contextuele therapie interesseert zich niet primair voor symptoomgedrag. Principieel richt ze zich tot hulpbronnen van waaruit een situatie verbeterd kan worden. Uiteraard wordt de ernst van symptoomgedrag onderkend en worden gepaste maatregelen genomen. Elk symptoomgedrag, of het nu psychose, drugsgebruik, suïcidepoging of fervent spijbelen is, wordt echter bezien in het licht van het recht tot destructie. De bron van het symptoomgedrag is voor de contextuele therapie dit recht tot destructie. De therapeut poogt zowel de symptoomdrager minder te doen leunen op dit recht, alsook de bronnen van vertrouwen opnieuw tot leven te brengen en de stroom te doen toenemen. In de derde dimensie behoren het veranderen van interactiesequenties, registratie van klachten etc., zeker tot de mogelijkheden voor de contextuele therapeut. Van eminent belang blijkt het dat de therapeut een ethische grondpositie inneemt. Het is dus geen eerste doel van de contextuele therapie om symptoomgedrag te veranderen. Het gaat erom door middel van verdienen van recht in relatie met de ander persoonlijke vrijheid te verwerven. 

  

Het individu verdient dit recht door de ander te geven waar deze recht op heeft, óf hij het nu claimt of niet. Gepaste zorg en verantwoordelijkheid voor een relatie is de manier waarop het geven gestalte krijgt. De ander geeft de een waar deze recht op heeft, waarna de een weer in staat is om aan de ander te geven. Op deze wijze ontstaat een spiraal waarin beide individuen in de relatie zichzelf waarde geven ten opzichte van de ander (‘self-validation'). Door de ander te geven waar deze recht op heeft, ontstaat op de wat langere termijn ook in dimensie II een gevoel van zelfwaarde. Het weerspiegelt de in de vierde dimensie ontstane relationele vrijheid. De mogelijkheden om op bevredigende wijze nieuwe relaties aan te gaan worden zo vergroot. Tevens ontstaat de vrijheid horizontale relaties af te breken met mensen die met het individu ondanks zijn investeringen op destructieve wijze blijven omgaan. Verworven en verdiende vrijheid maakt het voor het individu ook mogelijk zijn belangen en positie beter te beschermen en te verdedigen. Zo zijn het gevoel (dimensie II) van zelfwaarde en het opkomen voor de eigen belangen vaak het gevolg van contextuele therapie, ook al is deze dus niet direct daarop gericht. Verdiende vrijheid uit zich onder andere in een gevoel van eigenwaarde, een beter opkomen voor de eigen positie en belangen, het verdwijnen van psychosomatische klachten en psychiatrische symptomatologie en het openstaan voor nieuwe relaties en levensopties. 

  

  

7. De meerwaarde voor de hulpvrager en voor het hulpverleningsproces 

  

Tijdens het opmaken van het genogram en het ecogram worden meteen ook alle potentiële hulpbronnen in kaart gebracht. Door deze te exploreren op hun beschikbaarheid, hun betrouwbaarheid en door de afbakening van de verschillende terreinen waarin ondersteuning nodig is, legt de hulpverlener meteen ook de basis voor de uitbouw van een ondersteunend geheel. Deze bronnen liggen veelal in de persoonlijke leefomgeving van de cliënt maar vinden we daarnaast ook in de bestaande hulpverlenings­instanties. Voor het mobiliseren van deze krachten doen we een duidelijk appèl op de cliënt om hierin op een gepaste manier zelf actie te ondernemen. Zijn zelfwaardegevoel en zijn autonomie zullen hierdoor vergroten.

De hulpverlener zou erkenning kunnen geven, maar erkenning wint aan kracht en effect indien de hulpverlener de cliënt ertoe kan bewegen om zelf deze erkenning te formuleren naar diegene die investeert in zorg voor hem. Het maakt een hemelsbreed verschil voor een achttienjarige zoon die mee de zorg opneemt voor zijn terminaal zieke moeder dat hij van haar hoort hoezeer ze zijn inzet waardeert dan wanneer de therapeut dit doet. De wederkerigheid in de balans van geven en ontvangen tussen de moeder en de zoon neemt hiermee in belangrijke mate toe.

De uitspraak 'het beter willen doen dan mijn ouders' of 'mijn kinderen doe ik niet aan wat mijn ouders mij hebben aangedaan' klinkt elke therapeut al te bekend in de oren. Deze wens voor de volgende generatie en de wil om zelf daadwerkelijk de destructieve elementen om te buigen in plaats van ze onder vorm van 'traditie' verder te zetten, zijn de aangrijpingpunten waarop de hulpverlener verder kan verkennen: wat wil je bereiken, hoe wil je dit doen, wat heb je daarvoor nodig, wie kan je daarbij helpen, welke inspanningen hebben jij of anderen hiertoe reeds geleverd, wie heeft gezien wat je al hebt geïnvesteerd, heb jij al opgemerkt dat anderen ook een bijdrage hebben gedaan, wat hindert je om deze verandering te bereiken, enz. Hoe vaak de wens tot doorbreking van de oude 'familiegewoonten' ook geuit wordt, daarnaast volgt dikwijls de onmacht omdat de overgeërfde patronen niet zo eenvoudig te doorbreken zijn omwille van roulerende rekeningen of van loyaliteiten. Sommige destructieve overervingen kunnen doorbroken worden op eigen kracht, soms is de hulp en de ondersteuning van een hulpverlener die hier oog voor heeft noodzakelijk of blijkt residentiële hulp nodig. 
 

 


8. De meerwaarde voor de hulpverlener 

  

Ook Nagy meent dat de opdracht voor de hulpverlener er niet in bestaat om "filosofische vragen van epistemologische aard te beantwoorden". Het doel van de hulpverlening is volgens hem dan ook niet alleen "het verbeteren van communicatie, het begrijpen van onbewuste behoeften­configuraties of drijfveren, het corrigeren van verkeerde cognities, of het oplossen van concrete problemen", maar hoofdzakelijk "mensen in staat te stellen een bevredigend constructief leven met anderen te leiden en hun nakomelingen toe te staan hetzelfde te ervaren, met het oog op de overleving van het nageslacht."  

  

In de dagelijkse praktijk van het welzijnswerk geeft men zelden aandacht aan de nog aanwezige constructieve elementen in een moeilijk functionerend geheel en focust men vaak exclusief op de problemen die zich tonen. In tegenstelling tot veel andere benaderingen worden in de contextuele visie ook de positieve krachten in de schijnwerpers gezet. Ook de kleine en schijnbaar onbelangrijke bijdragen die op zorg en verbinding wijzen, krijgen bijzondere aandacht. 

Denk maar bijvoorbeeld aan de aanmelding van een multiproblemgezin. De veelheid van problemen die zich tegelijkertijd voordoen is soms onoverzichtelijk en de uitgeputte hulpverleners lopen kris kras doorheen het verhaal van dit gezin. Door af te stappen van een eenzijdige visie op de kluwen van problemen, heeft men de ruimte om eens te kijken naar wat nog wél goed loopt in dit gezin. Dit is eerder afwijkend van de klassieke benadering, maar het werpt een heel ander licht op de zaak. Van hieruit krijgt de hulpverlener zicht op wat anders over het hoofd gezien wordt: de ondanks alles oprechte bekommernis en zorg van de ouders voor hun kinderen, het feit dat de ouders in hun moeilijke situatie toch iets blijven betekenen voor elkaar, de solidariteit die onder de kinderen heerst, de oudste zoon die de maaltijden bereidt, de buurvrouw die af en toe een handje toesteek, de bekommernis van de grootouder die soms wat geld toestopt, de leerkracht die de kinderen een warm hart toedraagt, de huisarts die mee een oogje in het zeil houdt, enz. Uit al deze hulpbronnen kunnen belangrijke ondersteuningen gefilterd en gecoördineerd worden. 

  

___________________________________________________________ 

  

  

Literatuur 

  

Bowen, M. (1965), Family Psychotherapy with Schizophrenia in the Hospital and in Private Practice. In : I. Boszormenyi-Nagy R J.L. Framo, Intensive Family Therapy. Brunner/Mazel, New York. 

Boszormenyi-Nagy, I., B. Krasner (1980), Trust-based Therapy : A Contextual Approach. American Journal of Psychiatry, 137 (7), 767-775 

Boszormenyi-Nagy, I. (1972), Loyalty Imp1ications of the Transference Model in Psychorherapy. DMA Archives of generation, psychiatry, 27, 374-380. 

Boszormenyi-Nagy, I. (1965), The concept of change in Conjoint Family Therapy. In : A.S. Friedman er al., Psychotherapy for the whole family. Springer, New York. 

Boszormenyi-Nagy, I., B.R. Krasner (1986), Betneen Give and Take. Brunner/Mazel, New York. 

Boszormenyi-Nagy, I., G.M. Spark (1973), Invisible Loyalties. Harper R Row, New York. 

Boszormenyi-Nagy, I. (1977), Mann und Frau: Verdienstkonten in den Geschlechtsrollen. Familien Dynamik, 2, 1-10. 

Buber, M. (1958), Ich und Du. Charles Scribner & Sons, New York. 

Buber, M. (1966), The Knowledge of Man; A Philosophy of the Interhaman. Harper & Row, New York. 

Buber, M. (1957), Guilt and Guiltfeelings (1948). Psychiatry, 20, 114-129 

Eerenbeemt, E.M. van den (1984), De samenvallende belangen van ouders en kinderen. Sjow, 12 (6). 

Fairbairn, W.L.D. (1954), An Object Relations Theory of the Personality. Basic Books, New York. 

Friedman, M. (1985), The Healing Dialogue in Psychotherapy. Aronson, New York. 

Heusden, A. van (1983), In het voetspoor van I. Nagy. Tijdschrift voor Psychotherapie, mei. 

Heusden, A. van, & E.M. van den Eerenbeemt (1983), Balans in beweging: Ivan Boszormenyi-Nagy en zijn visie op individuele en gezinstherapie. De Toorts, Haarlem. 

Oele, B.L. (1983), Ongeschreven wetten. Eindreferaat APZ Vogelenzang. Bibliotheek Vogelenzang. 

Pas, A. van der (1979), gesprek met Ivan Boszormenyi-Nagy. In: A. van der Pas, Gezinsfenomenen. Samsom, Alphen aan den Rijn. 

Pas, A. van der (1982), De humane verdeelsleutel. TMW’, Kwartaaluitgave Wel-zijnsweekblad, 36 (4), 29-34. 

Schluter, Th.H.M. (1987).Jeugdhulpverlening in het perspectief van de contextuele benadering. Wijn, Utrecht. 

Stierlin, H. (1974), Separating Parents and Adolescents. Quadrangle, New York. 

Werkgroep DSM III (1982), Nederlandse vertaling DSM III. Swets & Zeitlinger, Lisse. 

Willi, J. (1975) Die Zweierbeziehung. Rowohlt, Reinbeck.