overzicht |

5940

De psychoanalyse

 

 

Freuds leven (1856-1939)

 

De psychoanalyse is een theorie over de psychologische ontwikkeling en het psychisch functioneren die de nadruk legt op de rol van onbewuste motieven en conflicten bij het menselijk gedrag. Freud ontwikkelde de psychoanalyse deels uit klinische observaties en analyses, maar ook gedeeltelijk vanuit zijn eigen genialiteit.


Freud werd geboren in Freiburg, Moravië, dat in die tijd deel uitmaakte van het Oostenrijks-Hongaars keizerrijk. Zijn vader, een joods wolhandelaar, verhuisde met zijn gezin naar Wenen toen Freud een kleine jongen was. Freud was een zeer goed student en hij ging op 17-jarige leeftijd naar de medische school aan de universiteit van Wenen waar hij de opleiding tot arst volgde. Hij wilde zijn leven wijden aan de studie van de menselijke fysiologie maar joden kregen in die tijd weinig of geen toegang tot de academische wereld.


Toen hij trouwde, moest hij in zijn eigen onderhoud voorzien en zette dus meer een artsenpraktijk op, gespecialiseerd in zenuwstoornissen. Hij realiseerde zich vlug dat veel lichamelijke klachten een psychische oorsprong hadden. Dit besef brachten hem in de loop van verschillende decennia tot zijn verregaande theorieën over de menselijke geest en de connecties ervan met het lichaam.


Invloeden

De drie belangrijkste invloeden op Freud zijn ongetwijfeld:

  1. Enkele jaren na het behalen van zijn einddiploma, werkte en bestudeerde Freud de werking en de effecten van cocaïne. Hij merkte de euforische invloed ervan op en voorzag de mogelijkheid om cocaïne als anestheticum te gebruiken. De vraag is: Was Freud inderdaad cocaïne-verslaafd? En werden zijn theorieën gekleurd door een levenslang gevecht tegen deze verslaving? Vandaar zijn nogal negativistische levensvisie?
  2. Hij liep stage in de psychiatrische kliniek La Salpétrière in Parijs onder leiding van Charcot. Ondanks de korte duur ervan was het een fundamentele periode in de evolutie van de denkwijze van Freud. Het was de basis voor een geleidelijke overgang van anatomie naar psychiatrie. Daarnaast werkte Charcot reeds met de hypnose. Deze revolutionaire psychiater kan bij zijn patiënten zware hysterische symptomen laten verdwijnen door ze onder hypnose te brengen. Een bewijs dat het niet een organische oorzaak maar een onbewuste oorzaak aan de basis ligt van hysterie.
  3. De vriendschap met Breuer. Deze behandelingsmethode werd in Wenen ook al toegepast door Breuer en van 1880 tot 1882 behandelde hij een jonge hysterische patiënte Anna O. Hij merkte dat de symptomen geleidelijk verdwenen naarmate ze onder hypnose de droevige emoties herinnerde die met bepaalde gebeurtenissen uit haar leven verbonden waren. Volgens Freud berusten deze verschijnselen op conflicten waarvan de patiënt zich niet bewust was en die hij, als compromis, uitdrukte door middel van hysterische symptomen. Freud en Breuer schreven samen ‘Studiën über Hysterie’. Daar Breuer weigerde hem te volgen in zijn opvattingen, kwam er weldra een einde aan hun samenwerking.


De Freudiaanse therapie of de psychoanalyse, ontwikkelde zich hand in hand met de persoonlijkheidstheorie van Freud. In deze therapie praat de patiënt tegen de analyst over zijn leven en geeft daarbij zijn onbewuste conflicten prijs. Deze onbewuste conflicten worden door de analyst geïnterpreteerd zodat de patiënt de emotie en de energie los kan laten die met het conflict samenhangen. Freud verklaarde de persoonlijkheidsontwikkeling in termen van hoe een individu de conflicten oplost tussen de onbewuste biologische instincten van het Es, de realiteitsbeperkingen waar het Ich gevoelig voor is, en het morele geweten van het Uber-ich. Volgens Freud is abnormaal gedrag grotendeels het resultaat van een onopgelost conflict in het onbewuste.


Het onbewuste

De belangrijkste bijdrage van Freud is waarschijnlijk zijn ‘ontdekking’ van een krachtig onbewuste. Het onbewuste is dat deel van de geest dat niet zonder meer toegankelijk is voor de mens. Vanzelfsprekend kon Freud het bestaan van het onbewuste niet rechtstreeks aantonen, het onbewuste is trouwens niet empirisch vast te stellen. Maar op basis van vele waarneembare effecten die het onbewuste uitoefende, kon hij het bestaan ervan postuleren. Een aantal 19de eeuwse denkers waren hem al voorgegaan, maar Freud was wel de grootste promotor van het onbewuste als krachtbron voor ons denken en doen. Vandaar ook de vergelijking met de ijsberg waarbij het bewuste slechts het topje van de ijsberg is en het merendeel van de mentale activiteit bevindt zich onder het bewustzijnsoppervlak.


Voor Freud was het onbewuste de bron van seksuele en agressieve energieën die ons gedrag bepalen. Deze energieën komen voort uit onze biologische aard, maar transformeren zich op een of andere manier tot psychische energie. Freud zag de psychologie als een soort tak van de biologie. Hij redeneerde dus vanuit een organische achtergrond.


Freud zag seksualiteit als een breed spectrum van erotische en levensstimulerende activiteiten die op het liefdevolle en het constructieve gericht waren. Voor hem bevatte seksualiteit, naast de seksuele gedragingen, liefde, sensualiteit, het zoeken naar plezier, de interesses van een persoon en de motivatie om zich aan iets of iemand te hechten. Een soort levensdrift: eros.


Agressie werd ook breed gedefinieerd en bevatte een groot bereik van gedragingen en drijfveren die op schade en vernietiging gericht waren: thanatos of doodsdrift.


Deze seksuele en agressieve energieën in het onbewuste moeten losgelaten worden anders gaan we ontploffen zoals een stoommachine die stoom moet aflaten om niet te ontploffen. Omdat seksuele en agressieve drijfveren moeilijk te verzoenen zijn, en omdat de maatschappij een te vrije uiting van seksualiteit en agressie niet toelaat, is het loslaten van deze energie geen eenvoudige kwestie. Conflicten zijn onvermijdelijk.


Een conflict kan voorkomen tussen de erotische en destructieve krachten in het onbewuste zelf bvb. tegelijk onze ouders liefhebben en haten. Maar ook tussen onbewuste krachten en een bewust deel van onze geest. Zeker in die tijd was een vrije uiting van seksuele en agressieve impulsen sociaal onaanvaardbaar.


Ondanks de problemen die ze met zich meebrengen, kunnen de onbewuste seksuele en agressieve impulsen niet ongedaan gemaakt worden. Ze vormen een essentieel onderdeel van de menselijke natuur. We beschermen ons tegen deze driften door gebruik te maken van psychische afweermechanismen. Deze mechanismen slagen er echter niet steeds in om de driften te onderdrukken. Dit zien we op directe wijze bvb. in het fenomeen van de verkrachting, het prototype van vermenging van agressie en macht met seksualiteit.


Op indirecte manier uiten de driften zich in versprekingen, fouthandelingen en dromen. Volgens Freud is elke droom een wensvervulling.


Toen Freud zijn nieuwe ideeën opperde, was de meerderheid sterk geshockeerd door zijn visie op de mens. Ze waren niet bereid te geloven dat hun denken en doen bepaald werd door psychische krachten waar ze zich niet bewust van waren en die ze niet konden controleren. Zeker dat Freud seks en agressie als de sterkste psychische drijfveren beschouwde.


Volgens Freud is deze reactie te begrijpen en een extra bewijs van de juistheid van zijn theorie: mensen bieden weerstand tegen zijn inzichten omdat ze hen en hun inzichten weerspiegelen op een manier dat ze niet graag hebben. Het feit dat we geen directe ervaring ermee hebben bewijst dat ze verborgen zitten in ons onbewuste.


Persoonlijkheidstheorie van Freud

Volgens Freud heeft de menselijke geest drie bewustzijnsniveaus:


Freud maakt ook onderscheid tussen het Es, het Ich en het Uber-ich die behalve een klein deel allemaal in het onderbewuste zitten.


Het Es is het belangrijkste reservoir van psychische energie. Het bevindt zich volledig in het onbewuste, en is vanaf de geboorte aanwezig. De energie erin is de bron van motivatie. Het seksuele deel van deze energie wordt de libido genoemd.


Het Es wordt gekenmerkt door primair-proces-denken, waarin logica ontbreekt en tegenstrijdige beelden naar elkaar voorkomen. Het Es werkt volgens het lustprincipe: het eist de onmiddellijke bevrediging van al zijn noden en trekt zich niet aan van de gevolgen ervan. Alleen de reductie van de spanning op het moment dat aan de drift voldaan wordt, is belonend en aangenaam.


Als er geen mogelijkheid is om de drift te voldoen, moet er vervanging gezocht worden. Het Es kan ook een beeld scheppen van het verlangde voorwerp volgens het proces dat bekend is als de wensvervulling. Dit beeld kan de onderliggende drift niet echt bevredigen, de wensvervulling vervangt de realiteit alleen maar door een wens.


Het Ich groeit vanuit het Es om te helpen aan de behoeften van het Es te voldoen. Door de vele frustraties wordt een deel van de energie omgezet in een soort nieuwe instantie die als agent optreedt om een de driften van het Es te voldoen. Het Ich verschaft de praktische kennis en technieken die nodig zijn om doelen te bereiken in de vorm van probleemoplossingsvaardigheden, sociale vaardigheden, taal,… Het Ich leert hoe het Es kan bevredigd worden zonder tegelijkertijd de fysische en sociale limieten van de wereld te overschrijden, zonder steeds weer in botsing te komen met alles en iedereen. Het Ich kan natuurlijk niet altijd ingaan om de voortdurende stroom van verlangens die het Es voortbrengt.


Het ich werkt volgens het realiteitsprincipe: de regel die stelt dat men soms zijn verlangens moet intomen om bevrediging te verkrijgen. De onmiddellijke voldoening (lustprincipe) moet opgegeven worden om op een later tijdstip, op een geschiktere manier in betere omstandigheden (realiteitsprincipe) bevrediging te verkrijgen. Om effectief met de realiteit te kunnen omgaan, moet het Ich secudair-proces-denken ontwikkelen: rationeel denken, lange-termijn-denken. Het Ich moet de alternatieven afwegen, beslissingen nemen, uitstellen, problemen oplossen,..


Mensen met een zwak Ich hebben veel kans om door de fantasieën van het Es gedomineerd te worden, en zijn daardoor niet in staat om met de realiteit om te gaan.

Men heeft de neiging zich met het Ich te identificeren en zich zo van het Es te distantiëren.


Het Über-ich is dat deel van de geest dat zich bezighoudt met de idealen, verwachtingen, opvattingen en met het onderscheid tussen ‘juist’ en ‘fout’. De ontwikkeling ervan stopt na de oedipale crisis.


Het Über-ich bestaat uit twee delen: Het Ich-ideaal streeft naar de kinderlijke perfectie en stelt zeer hoge, soms onmogelijke normen. Het tweede deel is het geweten dat ons overlaadt met schuld als we iets verkeerd gedaan hebben, of denken dit gedaan te hebben.


Omdat het Über-ich zeer vroeg in het leven gevormd wordt, zijn de normen ervan zeer primitief. Daarom voelt men zich als volwassene soms schuldig voor zaken die eigenlijk volledig normaal en sociaal aanvaardbaar zijn. Het geweten heeft ons soms op onbewust niveau aan dat iets niet OK is.


De ontwikkeling van de persoonlijkheid

Freud was ervan overtuigd dat de persoonlijkheid tijdens de eerste levensjaren vastgelegd wordt. Het individu doorloopt een aantal psychoseksuele ontwikkelingsfasen, die met een eigen seksueel geladen lichaams- of erogene zone gepaard gaan. In elk fase van de ontwikkeling richt het kind zich speciaal op de lichaamszone die op dat moment de sterkste sensaties produceert. Een persoon die gefrustreerd raakt tijdens een fase of die teveel aan de impulsen toegeeft, vertoont een fixatie in die fase. Het is een overdreven gerichtheid op het lichaamsgebied die in die fase aan bod komt en op de symbolische activiteiten die ermee gepaard gaan.


Dit komt vooral tot uiting als ze zich niet goed voelen, dan grijpen ze terug naar de erogene zone waarin ze gefixeerd zijn. Fixaties oefenen een permanente invloed uit op het gedrag.


De orale fase

Tijdens deze fase, die de eerste 18 levensmaanden omvat, staan eten, zuigen en bijten centraal. De mond is de eerste libidineuse of erogene zone waar de erotische bevrediging en frustraties zich situeren.


Mensen die gefixeerd zijn in de orale fase, laten zich gemakkelijk beet nemen, ze slikken alles. Zij worden dan ook gemakkelijk verleid tot orale activiteiten zoals roken, eten, nagelbijten, of veel praten, vooral als ze in de war zijn. Sommige volwassenen vinden orale activiteiten kalmerend, vooral als ze onder stress staan.


De anale fase

De anale fase begint rond twee jaar, als de zindelijkheidstraining start. Als de ouders hierbij te streng te werk gaan, kan het kind een anale fixatie ontwikkelen. Het wordt gesymboliseerd door een conflict tussen het ophouden en het laten gaan. Een kind kan zich erg inspannen om de faeces op te houden en als gevolg daarvan een vrekkige of compulsief ordelijke en zeer nette persoonlijkheidstijl ontwikkelen. Als de ouders daarentegen het kind gul belonen voor de ‘gift’, dan kan de jongeren ongewoon vrijgevig worden en opgroeien tot een creatieve en productieve persoonlijkheid.


Tijdens de anale fase ontwikkelt het kind een sterke afhankelijkheid ten opzichte van de moeder en wordt zeer angstig als ze afwezig is. Om deze angst op te lossen en te verminderen, introjecteert of internaliseert het kind het beeld van de moeder als de perfectie. Dit beeld wordt het Ich-ideaal, en iedereen is gedoemd om vruchteloos voor altijd naar de hoge normen van dit ideaal te streven. Enkel op die manier kunnen ze zich verzekeren van de liefde van de ouders.


De fallische fase

De fase van 3 tot 6 jaar. De kinderen ontdekken hun genitaliën en ze ervaren erotisch genot door erover te wrijven en ermee te spelen. De genitaliën zijn in deze fase de erogene zone. De jongen ontwikkelt seksuele verlangens naar zijn moeder en wenst alle aandacht van haar. Deze aandacht wil hij niet delen met de vader en de andere kinderen in het gezin. Zij rivaliseren met hem voor de liefde van de moeder. De jongen vreest echter voor de sterke vader en is bang dat hij hem zal straffen door hem te castreren. Vandaar de afschrikwekkende castratieangst. Hij overwint deze angst door de wens om moeder volledig te bezitten op te geven en zich te identificeren met de vader. Hij probeert in alle opzichten op vader te lijken en internaliseert het beeld van vader. Het verlangen naar de moeder en de angst voor de vader worden voorgoed onderdrukt in het onderbewuste. Freud noemde dit proces het Oedipuscomplex naar de Griekse tragedie, Oedipus Rex. Het noodlot van Oedipus die zijn vader doodt en zonder het te weten met zijn moeder hertrouwt. Een jongen is niet gedoemd deze ervaringen te ondergaan maar wel om ze te wensen en angst te hebben voor de gevolgen.


Een onvolledige oplossing van het Oedipuscomplex, als de jongen er niet in slaagt zich te identificeren met de vader, kan resulteren in problemen die het gevolg zijn van zwakke morele normen of een slecht gedefinieerde seksuele identiteit.


Bij de meisjes spreekt men van een Electracomplex, naar de Griekse tragedie Electra, waarbij een vrouw de dood van haar moeder beraamt. Een klein meisje houdt van haar moeder maar begint op een zekere leeftijd te beseffen dat ze geen penis heeft omdat haar moeder haar gecastreerd heeft. Het meisje ontwikkelt penisnijd, en verlangt ernaar seksuele omgang te hebben met haar vader als een manier om zijn penis te delen. Als oplossing zal ze zich identificeren met de moeder, dus een beetje moeder worden, om zo indirect de penis van vader te delen.


Tijdens de fallische fase worden deze de typische geslachtsgebonden trekken van vader en moeder overgenomen.


De latentiefase

Van 6 jaar tot aan de puberteit. Een periode van relatieve psychoseksuele rust na de Oedipale omwenteling. Er moet ontzettend veel geoefend worden in fantasie en spel. Het kind vermijdt het andere geslacht maar blijft geïnteresseerd in seksorganen en grapjes die met seks en met het lichaam te maken hebben.


De genitale fase

Begint met de hormonale veranderingen van de puberteit. Er ontwikkelt zich een sterke interesse voor heteroseksuele relaties met mensen buiten het gezin. Dit resulteert in een huwelijk en de reproductie, dus eigen kinderen.


De dynamiek van de persoonlijkheid

Conflict

Het Es, het Ich en het Über-ich zijn voortdurend in conflict met elkaar. Het Es eist steeds onmiddellijke voldoening, dus conflicten met de buitenwereld zijn niet te vermijden. Bovendien verwerpt het Über-ich de eisen van het Es. Het Ich speelt hierbij een moeilijke rol van bemiddelaar.


Angst

Angst doet dienst als waarschuwingssignaal voor een dreigend conflict. Freud beschreef 3 types van angst:


De angst is dus telkens een signaal dat er iets niet klopt, dat er iets verkeerd is. Vele angsten zijn echter het gevolg van onbewuste dreigingen, die een evenwichtig individu niet zouden mogen hinderen.


Angst moet als een waarschuwing geïnterpreteerd worden. Angst signaleert gevaar. We zijn echter meestal vooral naar methodes aan het zoeken om de angst te bedwingen dan met het afhandelen met de onderliggende bedreiging. Trouwens angst is op zich ook al onaangenaam.

Afweermechanismen

Afweermechanismen zijn technieken die het Ich toepast om zichzelf tegen deze angsten te beschermen. Deze verdedigingen werken grotendeels onbewust. Ook het Ich is grotendeels onbewust, de ‘onderhandelingen’ met het Es en het Über-ich gebeuren buiten het bewustzijn.


Freud beschouwt deze afweermechanismen, alhoewel ze de realiteit kunnen vervormen en ontkennen, toch overwegend als normale en nuttige omgangsmechanismen. Freud onderscheidt de volgende afweermechanismen:


Verplaatsing en sublimatie kunnen we beschouwen als de meest gezonde afweermechanismen.


De Psychoanalyse

De Freudiaanse therapie of psychoanalyse ontwikkelde zich hand in hand met de persoonlijkheidstheorie van Freud. In deze therapie praat de patiënt tegen de therapeut over zijn leven en geeft daarbij zijn onbewuste conflicten prijs. Deze worden door de therapeut geïnterpreteerd zodat de patiënt de emotie en de energie kan loslaten die met het conflict samenhangen.


De persoonlijkheid ontwikkelt zich in termen van hoe een individu de conflicten oplost tussen de onbewuste biologische instincten van het Es, de realiteitsbeperkingen waar het Ich gevoelig voor is en het morele geweten van het Über-ich. Volgens de Freudiaanse theorie is abnormaal gedrag grotendeels het resultaat van een onopgelost conflict in het onbewuste. De oorzaak ligt ver onder de bewustzijnsgrens en meestal verbruikt de patiënt veel energie om het conflict onderdrukt te houden. Het doel van de psychoanalyse is om het onbewuste conflict bloot te leggen en toegankelijk te maken voor het Ich, waardoor de verdrongen energieën van de psyche vrijgelaten kunnen worden en de persoon efficiënter met de omgeving kan omgaan.


Er worden verschillende technieken en processen gebruikt in de psychoanalyse. Ze hebben allemaal tot doel om het onbewuste materiaal in het bewuste te brengen.


De vrije associatie

Freud verliet vrij snel de hypnose als behandelingsmethode omdat niet alle patiënten onder hypnose gebracht konden worden en ook omdat het gunstig effect soms van korte duur was en verdween bij het ‘wakker worden’. Hij ging over op de vrije associatie.


Bij de vrije associatie noemt de patiënt alles wat in zijn geest komt, zonder materiaal te censureren. Hij vertelt, spreekt, nu eens geordend, dan weer ordeloos. Hij zwijgt ook wel eens. De analyst luistert en spreekt soms: een woord ter aanvulling, een vraag, een woord herhalend, een woord van commentaar of interpretatie.


Men wisselt woorden. Het is onbetwistbaar de patiënt die het meest spreekt. De woorden van de analist worden er des te kostbaarder door.


Het is de grondregel binnen de analyse. De fundamentele regel die het proces structureert. De patiënt wordt gevraagd alles wat in zijn geest komt uit te spreken. Elke inval mee te delen zonder iets over te slaan, af te wijzen, aan kritiek te onderwerpen. Hij wordt tevens gevraagd welke gevoelens opgeroepen worden gedurende het vrij associëren.


Met de hulp van de analyst laat de patiënt de gedachten vrij bewegen van het ene onderwerp naar het andere, zelfs als de verbanden weinig zinvol lijken of pijnlijk en vervelend zijn. Het doel van de vrije associatie is om de afweermechanismen van de patiënt te omzeilen door een diepgaande verkenning van het voorbewuste. Zo kunnen fragmenten van het onbewuste bereikbaar worden voor interpretatie.


De vrije gelijkzwevende aandacht

De analyst luistert bijzonder. De analyst luistert anders, niet met toegescherpte gelokaliseerde aandachtigheid. Hij houdt het bij een verstrooide aandacht bij een vlottende, verglijdende, een gelijkzwevende aandacht. Een eigenaardige aandacht waarbij de analist poogt alle vooroordelen, verwachtingen, voorkeuren opzij te schuiven. Hij laat de totaliteit van het discours tot hem komen, zonder te selecteren en zonder zich erom te bekommeren of hij wel alles zal onthouden. Hij weet dat niets verloren gaat en dat alles, ten gepaste tijde en in de juiste verbanden, wel weer zal opdoemen. Hij luistert met een soort ‘derde oor’.


De analyst hoort het verhaal, maar luistert naar zijn onbewuste wensen. Hij hoort iets anders dan de onmiddellijk voor de hand liggende betekenissen van de woorden. Hij volgt de patiënt in alle wendingen van zijn verhaal. Vooral met de aandacht op fouthandelingen of ‘Fehlleistungen’, stiltes, bijzonder woordgebruik en op alles wat uit het onbewuste doorschemert. Fehlleistungen zijn versprekingen, vergissingen, te laat komen, vergeten, enz.


Droomanalyse

Freud geloofde dat de dromen een bijzonder goede toegang vormden tot het onbewuste, omdat de afweermechanismen verzwakt zijn gedurende de slaap. Dromen zijn ‘de koninklijke route naar het onbewuste’.


Freud maakte een onderscheid tussen de manifeste, voor de hand liggende droominhoud en de latente, verborgen, onderliggende droominhoud. De latente inhoud bestaat uit motieven en wensen die zo onaanvaardbaar zijn dat ze zelfs in een droom niet rechtstreeks tot uiting konden komen. De latente inhoud wordt omgezet in manifeste inhoud door de droomarbeid. De droomarbeid maakt gebruik van symbolen, van de verdichting en verschuiving.


De verschuiving is het mechanisme waarbij gevoelens voor een onbereikbaar of verboden object of persoon worden verschoven naar een ander die beter bereikbaar is. Met de verdichting worden verschillende zaken uit de latente inhoud ‘verdicht’ tot één gegeven in de manifeste inhoud.


Een droom is een wensvervulling en met de droom kunnen verdrongen frustraties en wensen ‘gelost’ worden. De patiënt vertelt de droom en associeert verder op bepaalde gedeelten van de droom. Zo krijgt de analyst meer inzicht in de onderliggende ‘ziekmakende’ dynamiek.


Weerstand – manifestaties van afweer

Het proces van de vrije associatie wordt geblokkeerd door weerstanden, manifestaties van afweer, zodra er zich gedachten aandienen die verbonden zijn met verdrongen herinneringen of wensen. De afweermechanismen werken volop.


Naarmate de afweermechanismen verzwakken tijdens de analyse, komt de angst naar boven. Om deze angst te ontlopen worden allerlei handelingen gesteld die de behandeling blokkeren. Ze zijn niet op de afspraak of veel te laat, zeggen dat ze niet gedroomd hebben of vervallen in monologen die weinig relevant zijn voor de analyse. Deze weerstand dient eigenlijk om de neurose van de patiënt te beschermen. De psyche van de patiënt probeert de angst te onderdrukken die opgewekt wordt door het loslaten van de onderdrukte impulsen.

Om de weerstand te overwinnen zal de analist dit gedrag, de weerstand, interpreteren en de patiënt op deze manier bewust maken van wat zij vermijden en wat ze proberen te doen. Als dergelijke interpretaties op het juiste moment gegeven worden, kunnen ze leiden tot emotionele inzichten bij de patiënt.


Overdracht – tegenoverdracht

Overdracht verwijst naar een manier van reageren tegenover de anderen die niet gebaseerd is op de relatie zelf, maar op invloeden uit het verleden. Naarmate de analyse vordert, dragen sommige patiënten onbewuste gevoelens van liefde of haat die zij hebben tegenover hun ouders, geliefden of andere belangrijke mensen, over op de therapeut. We spreken van positieve overdracht als de gevoelens bestaan uit liefde, overdreven sympathie of bewondering. Negatieve overdracht als de gevoelens bestaan uit vijandigheid of afgunst. Het is een vorm van weerstand en kan door de patiënten gebruikt worden om de behandeling te blokkeren. De attitude van een patiënt is vaak ambivalent, met een mengeling van positieve en negatieve gevoelens.


De interpretatie van de overdracht vormt een sleutel naar een succesvolle psychoanalyse, omdat ze de patiënt de gelegenheid biedt om de meest verdrongen emoties in het bewuste te brengen en er op een realistische manier mee op te gaan.


Analysten staan niet toe dat patiënten hun overdrachtsgevoelens te lang blijven aanhouden. Zij blijven onpersoonlijk en professioneel en proberen de patiënten weer op zichzelf te richten. De analist kan erop reageren met de vraag: ‘Wat zie je als je een beeld probeert te vormen van mijn gezicht?’ Misschien antwoordt de patiënt dat hij zijn gezicht ziet als kwaad met gefronste wenkbrauwen. Dan zal de therapeut reageren met: ‘ Waar doet dit je aan denken?’ Gaandeweg wordt het voor de patiënt duidelijk dat hij in de analyst een bedreigende vaderfiguur of een ander autoriteitsfiguur uit de kindertijd zag.


Overdrachtsgevoelens van de analyst op de patiënt wordt tegenoverdracht genoemd. Deze gevoelens kunnen schadelijk zijn voor het proces, want de analyst wordt verondersteld steeds een neutrale observator te blijven, die interpretaties aanbiedt als het nodig is maar steeds op een intellectuele, objectieve manier.

Sommige analytici stellen dat een patiënt naar een andere analyst moet doorgestuurd worden bij ernstige tegenoverdracht, anderen geloven dat interpretatie van de tegenoverdracht zowel de analist als de patiënt te goede kan komen.


Er wordt dan ook van psychoanalytici geëist dat ze zelf een intensieve psychoanalyse ondergaan om er zeker van te zijn dat ze niet met veel onopgeloste conflicten zitten.


Katharsis

De oplossing van de overdracht kan leiden tot katharsis, een belangrijke emotionele ontlading waarbij de patiënten opeens inzicht krijgen in hun relatie met de analyst, en nog veel belangrijker, hun vroegere relaties met hun ouders. Deze ‘ontsluiting’ van verdrongen herinneringen betekent een belangrijke doorbraak in de analyse en leidt tot verdere exploratie van verdrongen herinneringen en verlangens.


De genezing bestaat uit het verwijderen van de psychische spanning door de verdrongen herinneringen te deblokkeren en inzicht te verwerven in de problemen van de patiënt.


De katharsis wijst erop dat de psychoanalytische therapie rust op twee basisstellingen: ten eerste dat problemen veroorzaakt worden door verdrongen onbewuste conflicten en ten tweede dat deze problemen verholpen kunnen worden door de onbewuste conflicten in het bewustzijn te brengen en van hun energie te ontdoen.


De interpretatie – het duiden

Binnen het geheel van de interventies van de analyst, bekleedt de interpretatie een belangrijke plaats. We spreken in de analyse van duiding of interpretatie als doorheen het gemanifesteerde gedrag of het gesproken woord, de latente betekenis, de onderliggende context verduidelijkt wordt. Men tracht het psychisch achterland in het verhaal te tonen. Deze interpretatie richt zich vooral op het onbewust gebleven verlangen en het fantasma waarin het belichaamd wordt.


Naast de droom worden ook de vergissingen, versprekingen, klachten, wensen en andere symptomen geduid. Duiden is dus van toepassing op alle onbewust materiaal dat het merkteken draagt van het diepere conflict. Freud wees er herhaaldelijk op dat droominterpretatie niet als kunst op zich mocht beoefend worden. Elke duiding moet afgestemd zijn op de totale analyse.


Interpreteren is niet iets toevoegen aan het verhaal. Het gaat om hetzelfde verhaal. Het wordt nu gelezen van de andere kant. Zo wordt het onbewuste bewust. Het is de bedoeling het verlangen dat zich indirect laat kennen, expliciet te tonen. Het verlangen was het voorwerp van ontkenning, het verhulde zich, maar door de interpretatie wordt het nu erkend als verlangen.


Technische regels voor de duiding


Praktische regels


Psychotherapie volgens de psychoanalyse

Uitgangspunten


Doelen


Kenmerken van de therapie


Bijdragen van de psychoanalyse


Beperkingen van de psychoanalyse


Moderne verbeteringen


Zware kritiek op de psychoanalyse


Vanuit neurologische hoek werden er sinds 1990 veel kritieken geüit op de oorspronkelijke observaties en behandelingen van Freud en van andere medici zoals Charcot en Breuer. De diagnose "hysterie" zou meestal verkeerd geweest zijn, en er zouden veel betere neurologische diagnoses kunnen gesteld worden. Ook blijkt Freud sommige zaken bewust verzwegen en verdraaid te hebben. Dit trekt niet noodzakelijkerwijze de psychoanalytische theorie in twijfel, maar roept enorm veel vervelende vragen op... Zie 5941.html.

SPECIALE VORMEN VAN PSYCHOANALYSE

 

Naast de Freudiaanse richting zijn er nog enekle andere belangrijke vormen van psychoanalytische benadering: (nog uit te werken)

 

1. De Jungiaanse analyse

 

2. De Lacaniaanse analyse

 

3. De Transactionele analyse (TA), o.m. van Berne