overzicht |

5946

NLP in een integratief kader

(Eindwerk Jan BROECKX 2007)

De wind waait over het meer en beroert het wateroppervlak.

De zichtbare gevolgen van het onzichtbare manifesteren zich.

('Innerlijke waarheid', De I Tjing)

1. Snelle inleiding tot NLP

1.1. Wat is Neuro-Linguïstisch Programmeren of NLP?

De naam bevat al een aanwijzing. 'Neuro' verwijst naar ons denken en naar de manier waarop we met ons geestelijk leven omgaan. 'Linguïstisch' slaat op taal; op hoe we met taal omgaan en wat taal met ons doet. 'Programmeren' heeft betrekking op gedragspatronen en doelgericht handelen.

NLP kwam op gang in de vroege laren zeventig toen Richard Bandler, psychologiestudent aan de Universiteit van Californië in Santa Cruz, ging samenwerken met John Grinder, die toen wetenschappelijk medewerker linguïstiek was. Samen bestudeerden (modelleerden) ze drie mensen: Fritz Perls, de vernieuwende psycholoog en grondlegger van de gestalttherapie; Virginia Satir, de stuwende kracht achter de gezinstherapie; en Milton Erickson, de wereldberoemde hypnotherapeut wiens ideeën voortgang vinden in de Ericksoniaanse hypnotherapie. Ze putten ook uit inzichten en ideeën van vele anderen, vooral uit die van Gregory Bateson, de Britse schrijver en filosoof op het gebied van antropologie, cybernetica en communicatietheorieën. Hun eerste modellen behandelden verbale en non-verbale communicatieve vaardigheden. Vervolgens heeft NLP gezorgd voor een serie technieken die zowel op persoonlijk terrein als beroepsmatig gebruikt kunnen worden. Ze worden internationaal toegepast in de wereld van de sport, in het zakenleven, in de handel en in het onderwijs, en ze stellen ons niet alleen in staat ons naar buiten te richten en invloed op anderen uit te oefenen, maar ook ons naar binnen te richten en de verschillende krachten in onszelf met elkaar te verenigen.

Ons lichaam en onze geest lijken onveranderlijk, maar ze veranderen voortdurend, als een rivier. Er is voortdurend beweging. Ieder moment verandert er iets. Onze gedachten en fysiologie zijn nauw met elkaar verbonden: wat we denken en hoe we denken heeft invloed op onze fysiologie. Omgekeerd, onze gezondheidstoestand en lichamelijke welzijn beïnvloeden onze gedachten.

Onze geest, ons lichaam en onze levenskracht komen samen in onze overtuigingen. Datgene wat we geloven heeft vergaande invloed op wat we denken en hoe we handelen. NLP ziet overtuigingen niet in termen van juist of onjuist, maar in termen van bruikbaar of onbruikbaar. Wat zijn de consequenties van je overtuigingen? Wat voor daden vloeien eruit voort? Aangezien we niet alles over de wereld kunnen weten, zijn onze overtuigingen op velerlei gebied niet meer dan een inschatting van dat moment.

Wat we doen is niet altijd in overeenstemming met onze overtuigingen. Getuige een boeiend en beroemd verhaal. Zou de man zijn overtuiging volgen?

Op een gegeven moment, vele jaren geleden, was de grote Zumbrati net over een strak koord over de Niagara-watervallen gelopen. De omstandigheden waren zwaar, het was een winderige dag en hij was erg blij toen hij veilig aan de andere kant afstapte om zijn publiek te ontmoeten, een menigte die hem vol bewondering gelukwenste. Er stond een man te wachten met een kruiwagen.

'Geweldig, zeg!' zei de man. 'U bent een vakman!'

De grote Zumbrati bedankte hem en zei dat het weer de oversteek erg moeilijk gemaakt had.

'Onzin', zei de man. 'Ik wed dat u met die kruiwagen zo weer naar de andere kant loopt.'

Zumbrati protesteerde. 'Ik denk het niet', zei hij. 'De omstandigheden zijn te zwaar.'

Maar de man gaf niet op en bleef maar aandringen dat hij het moest doen. Zumbrati raakte geïrriteerd.

'U gelooft echt dat ik het kan, hè?' vroeg hij de man. 'Ja.'

'Weet u het zeker?' 'Ja.'

'Goed. Ga in de kruiwagen zitten.'

Over de jaren heen is de inhoud van NLP zo gegroeid dat de voorliggende tekst zich noodzakelijkerwijs beperkt tot enkele van de grote lijnen.

1.2. NLP kent vier hoofdprincipes

Het eerste en belangrijkste principe is de relatie tussen mensen, en dan vooral die kwaliteitsrelatie waarbij sprake is van wederzijds vertrouwen en ontvankelijkheid. Ze staat bekend als rapport. Rapport kan zowel van toepassing zijn op de relatie met zichzelf als op die met anderen.

Iedereen staat wel eens in tweestrijd over twee mogelijke keuzes: 'Een deel van mij wil dit doen, maar er is iets dat me tegenhoudt'. Hoe groter de mate van fysieke rapport die iemand met zichzelf heeft, hoe gezonder en beter hij zich voelt, want de verschillende delen van zijn lichaam werken dan goed samen. Hoe meer mentaal rapport iemand heeft met zichzelf, hoe meer vrede hij voelt, want de verschillende delen van de geest zijn eensgezind. Rapport op het spirituele niveau kan zich manifesteren als het gevoel dat iemand tot een groter geheel behoort dat verder reikt dan de individuele identiteit, en dat men zijn plaats in de schepping kent.

Veel mensen beschikken over al het uiterlijke vertoon van succes, maar voelen zich toch ongelukkig. Dikwijls geven zulke mensen anderen ook een ongemakkelijk gevoel. Het lijkt wel of ze de wereld om ons hen ordenen op een manier die hun innerlijke toestand weergeeft. Zo worden externe conflicten door innerlijke conflicten gecreëerd, en de kwaliteit van het rapport dat iemand met zichzelf heeft vormt vaak een spiegel voor wat met anderen wordt bereikt.

Wat iemand ook doet en wat iemand ook wil, succes hebben zal altijd betekenen dat men in contact staat met anderen, en invloed op anderen heeft. Het eerste principe van NLP is dus ervoor te zorgen dat de rapport met zichzelf wordt opgebouwd en vervolgens met anderen.

Het tweede principe is weten wat je wil. Als je niet weet wat je wilt, kun je niet definiëren wat succes is. In NLP noemt men dit het vaststellen van het doel (de outcome). Dit vereist een heel nieuwe manier van denken. Je stelt jezelf consequent de vraag 'Wat wil ik?' en aan anderen 'Wat wil jij?'. Dat is een heel ander uitgangspunt dan vragen als 'Wat is het probleem?' of 'Hoe is dit kunnen gebeuren?'. Veel mensen beginnen met deze laatste vragen, bepalen dan waar de fout ligt en lossen het probleem dan misschien wel op, maar bereiken zelden datgene wat ze echt willen, en helpen anderen dat evenmin te bereiken.

Het derde principe staat bekend als zintuiglijke gevoeligheid. Dat betekent dat de zintuigen worden gebruikt: kijken, luisteren en voelen wat er werkelijk met zichzelf gebeurt. Het is de enige manier om te weten of je op je doel afkoerst. De zintuiglijke feedback gebruikt men om datgene wat men doet zo nodig bij te stellen. In onze cultuur wordt het jammer genoeg als normaal beschouwd niet op dit soort informatie te letten.

Het laatste principe is flexibiliteit in het gedrag: kunnen kiezen uit vele mogelijkheden van handelen. Hoe meer keuzemogelijkheden, hoe groter de kans op succes. Blijf gedrag veranderen tot het doel bereikt is. Dat klinkt eenvoudig, zelfs voor de hand liggend, maar hoe vaak doet men niet precies het tegenovergestelde? Een regering zal vaak vasthouden aan een bepaald beleid, zelfs als duidelijk is dat het niet het gewenste resultaat heeft. In relaties met anderen is dit ook vaak het geval, bvb tijdens ruzies die steeds meer verzanden, maar toch op dezelfde manier blijven doorgaan.

1.3. NLP en haar basisstellingen

NLP vertrekt vanuit enkele vooronderstellingen die de basis vormen van veel NLP-principes. Ze vormen de achtergrond voor de NLP-procedures en –technieken. Dit zijn niet noodzakelijk waarheden. Het zijn overtuigingen die als nuttig worden ervaren bij de communicatie. Men handelt alsof ze universeel waar zijn, waardoor het leven en de interacties met anderen effectiever en verrijkender worden. Het zijn krachtige en zinvolle verklaringen over onze houding tegenover mensen en hun potentieel. Zij zijn afgeleid van het werk van Dr Milton Erickson en Gregory Bateson.

1. De betekenis van je communicatie is het effect dat je bereikt onafhankelijk van je intentie.

Als je de verantwoordelijkheid neemt voor je communicatie, dan verhoog je je mogelijkheden om je gedrag en reacties aan te passen aan het effect dat je communicatie heeft op de andere en aan de respons die hij/zij geeft.

2. Falen bestaat niet, er is alleen feedback.

Miskleunen, of faling zijn etiketten die destructief kunnen zijn, Als je je doel niet bereikt hebt, neem het dan op als een signaal dat je meer informatie geeft om effectiever te kunnen zijn in de toekomst. Falen is informatie, een gelegenheid om te leren.

3. Mensen hebben de hulpbronnen om hun doelstellingen te bereiken.

De hulpbronnen zijn kwaliteiten, eigenschappen, houdingen, emoties, die ons toelaten te zijn die we willen zijn, en te bereiken wat we willen. Hulpbronnen die we nu nog niet hebben kunnen we van anderen overnemen. Als het ergens in de wereld mogelijk is, is het voor ieder ook mogelijk. Het is enkel een kwestie van hoe doe ik het.

4. Aan de basis van elk gedrag ligt een positieve intentie.

Er is een verschil tussen het gedrag en de intentie. Het gedrag kan destructief zijn. De intentie die aanleiding geeft tot dat gedrag is positief in de zin dat het wil zorg dragen voor degene die het gedrag vertoont, soms tot op het niveau van overleving. Deze positieve intentie is intra-persoonlijk.

5. Kracht is de kunst om resultaten te bereiken zoals we ze bedoeld hebben.

Kracht heeft hier niet de betekenis van 'controle' of 'macht over', maar heeft alles te maken met het aantal keuzemogelijkheden die we ontwikkelen. Kracht is rolsoepelheid, verschillende opties hebben, zelfstandig, creatief zijn.

6. Mensen maken de beste keuze die ze op dat ogenblik hebben.

Mensen kiezen het beste volgens de informatie die op dat ogenblik beschikbaar is, om te overleven, zich veilig te stellen, plezier te hebben, of om pijn te vermijden.

7. De wereldkaart is niet de wereld.

Wat we van de wereld begrijpen en waarnemen, is onze kaart. Hiermee vinden we onze weg, maar de kaart is geen objectieve weergave van de wereld. Een kaart is een stuk papier met lijntjes, en kleuren, terwijl het terrein bestaat uit aarde, water, stenen. De betekenis die we geven aan onze ervaring is de kaart - de ervaring zelf is het terrein.

8. Er is altijd een andere keuze mogelijk.

Elke ervaring kan beschreven worden op minstens drie verschillende manieren. Als je je perspectief verandert, dan krijg je meer informatie, en verander je de waarneming. Je verhoogt je keuzemogelijkheden Zelfs als je ze niet ziet, hoort of voelt, er zijn andere opties.

1.4. Communicatie volgens NLP

'Echte communicatie is niet de intentie van de communicator,

maar het resultaat dat bereikt wordt.'

NLP profileert zich als een holistisch instrument voor communicatie.

Intentie = wat men wil

Gedrag = wat men doet

Resultaten = wat men krijgt

De 'weerstand' die men tegenkomt, is een boodschap over wat men doet en niet over wat anderen doen. Een niet-flexibele communicator zegt 'Hij begrijpt het niet. Hij biedt weerstand'. Een flexibele communicator vindt de beste manier om begrepen te worden.

1.5. NLP en vaardigheid

Toen NLP in de vroege jaren zeventig ontwikkeld werd, bestond er een hiaat in het psychologisch denken. De behavioristische psychologie van die tijd ging over actie-reactie, stimulus-respons en de interactie tussen omgeving en gedrag. Er waren ook vele op waarden gebaseerde psychologische systemen, die de nadruk legden op overtuigingen, relaties met anderen en zelfverwezenlijking. Er was, vreemd genoeg, geen aandacht voor het hoe - het vaardigheidsniveau. NLP vulde die leemte op met stapsgewijze methodes om uitmuntendheid makkelijk leerbaar te maken.

Hoe wordt gedrag een vaardigheid? Eén antwoord op die vraag is de repliek die de man met een viool onder zijn arm kreeg toen hij de weg naar het Concertgebouw vroeg: 'Oefenen'.

Het NLP-antwoord duidt vier stadia aan voor het leren van een vaardigheid. Het begint met onbewuste onbekwaamheid. In dit stadium is het niet alleen zo dat men het niet kan, maar men heeft het ook nog nooit geprobeerd. Men weet niet eens dat men het niet kan.

Dan gaat men het doen. In het begin, hoewel het al deel uitmaakt van het gedrag, is men er niet erg handig in. Dit is het stadium van bewuste onbekwaamheid. Men weet genoeg om te weten dat men er niet erg goed in is en dat het veel vraagt van de bewuste aandacht. Dit is een ongemakkelijk stadium, maar het is ook het stadium waarin men het meeste leert.

Vervolgens bereikt men het stadium van bewuste bekwaamheid. Men kan het. Men is op het niveau gekomen van een vaardigheid, maar het kost nog veel aandacht.

Ten slotte, als men volhoudt, bereikt men het stadium van onbewuste bekwaamheid, als het gemakkelijk afgaat zonder erbij na te denken. Het gaat gestroomlijnd en als een gewoonte, en het is overgenomen door het onbewuste.

1.6. NLP en logische niveaus

Mensen bouwen op verschillende niveaus relaties op. De Amerikaanse onderzoeker en NLP-trainer Robert Dilts hanteert een serie van wat hij neurologische niveaus noemt die algemeen aanvaard zijn binnen NLP. Ze zijn erg bruikbaar bij het denken over het opbouwen van rapport en bij persoonlijke verandering.


Het eerste niveau is het omgevingsniveau (waar en wanneer).

De omgeving bestaat uit de plek waar men zich bevindt, en de mensen met wie men samen is. Op dit niveau maken gedeelde omstandigheden rapport. Als men bijvoorbeeld naar een avondcursus over Chinese kunst zou gaan, dan kan men verwachten dat men daar andere mensen met dezelfde belangstelling ontmoet. Men heeft een punt van overeenkomst en een zekere mate van rapport.

Het tweede niveau is het gedragsniveau (wat).

Dit is het niveau van de specifieke, bewuste handelingen: wat men doet. Bij NLP omvat het woord 'gedrag' zowel gedachten als handelingen. Wat men doet is niet willekeurig; gedrag is bedoeld om een bepaald doel te bereiken, hoewel dat niet altijd duidelijk is, zelfs niet voor zichzelf. Misschien wil men zijn gedrag veranderen; het feit dat men rookt of voortdurend boos wordt bijvoorbeeld. Maar soms kan het moeilijk zijn ongewenst gedrag te veranderen omdat het nauw verbonden is met andere neurologische niveaus.

Het derde niveau is het vaardigheidsniveau, het bekwaamheidsniveau (hoe).

Dit is het niveau van de vaardigheid: gedrag dat men zo vaak geoefend heeft dat het consistent, automatisch en vaak een gewoonte geworden is. Hieronder vallen ook denkstrategieën en lichamelijke vaardigheden. Iedereen heeft fundamentele basisvaardigheden, zoals lopen en praten, en daarnaast bewust aangeleerde vaardigheden, zoals wiskunde, sport of het bespelen van een muziekinstrument. Als iemand zijn welslagen beschrijft als 'eenmalig' of 'een toevalstreffer', dan schrijft hij het alleen toe aan het gedragsniveau. Hij gaat er niet vanuit dat hij het steeds weer zal kunnen herhalen; het is nog geen vaardigheid.

Het vierde niveau is het niveau van overtuigingen en waarden (waarom).

Dit is het niveau van wat men voor waar aanneemt en wat belangrijk is. Overtuigingen en waarden sturen het leven in belangrijke mate, waarbij ze werken als toestemming en als verbod. Ieder heeft wel vaardigheden die men wil ontwikkelen, maar waarvan men denkt dat men het niet kan. Zolang men gelooft dat men het niet kan, zal het ook niet lukken. Is er een vaardigheid die men moet leren maar die men niet belangrijk vindt? Als men er geen waarde aan hecht, zal men nooit gemotiveerd genoeg zijn om die vaardigheid te Ieren. Men kan ook conflicterende overtuigingen en waarden hebben, waar handelingen uit voortkomen die elkaar in de loop van de tijd tegenspreken.

Het vijfde niveau is het identiteitsniveau (wie).

Soms hoort men iemand wel eens zeggen 'Zo iemand ben ik niet'. Dat is een uitspraak over zijn identiteit. Identiteit is het zelfgevoel, de essentiële overtuigingen en waarden die definiëren wie men is en wat iemands taak op aarde is. De identiteit is solide, hoewel men haar kan opbouwen, ontwikkelen en veranderen.

Het zesde niveau is het spirituele niveau.

Dit is de verbinding met anderen en met datgene wat de identiteit overstijgt. Rapport op dit niveau wordt in spirituele literatuur beschreven als één zijn met de mensheid, met het universum of met God.

Met welk neurologisch niveau heeft men te maken? Een manier om daarachter te komen is te luisteren naar de taal die mensen gebruiken. Een voorbeeld van hetzelfde thema op verschillende niveaus: iemand studeert psychologie.

Wat gebeurt er als deze niveaus door elkaar worden gehaald?

Een voorbeeld: een kind maakt een fout en een volwassene reageert met 'O, wat ben jij dom'. Wat gebeurt er op zo'n moment? Gedrag wordt naar het identiteitsniveau getild. Maar het verkeerd spellen van een woord of het fout uitrekenen van een som betekent niet dat iemand dom is. Het tragische is dat het kind dat vaak wel gelooft. Dit is waarschijnlijk de meest voorkomende manier waarop ons zelfrespect ondergraven wordt. Kinderen hebben veel talent om te leren en ze hebben de neiging alles te geloven wat volwassenen tegen ze zeggen, vooral als het over hun identiteit gaat. Een kind dat gelooft dat het onhandig is, zal die overtuiging als het ouder wordt gaan uitdragen door onhandig te zijn, niet alleen met borden, maar later misschien ook met woorden of auto's. Hetzelfde patroon kan zich op elke leeftijd herhalen.

Waar het hier om gaat is dat de kritiek moet worden gegeven en ontvangen op het gedragsniveau, niet op het identiteitsniveau. Men kan nog steeds waardering hebben voor iemand terwijl men kritiek heeft op zijn gedrag. De ander zal waarschijnlijk ook handelen naar de kritiek als die terecht is.

Een ander voorbeeld om aan te tonen hoe snel de niveaus door elkaar worden gehaald:

'Wat is het een rommel in huis' (omgeving)

'Ik heb vanmorgen opgeruimd!' (gedrag)

'Dat heb je niet erg goed gedaan!' (vaardigheid)

'Toch wel! Als je had gezien hoe moeilijk het was, zou je attenter reageren' (overtuiging)

' Vind je me onattent?' (identiteit)

Men belandt na een opmerking over de omgeving meteen in een crisis op identiteitsniveau.

Een laatste voorbeeld over het juiste niveau van oplossing. Een man heeft een veeleisende baan als advocaat. Hij loopt constant te klagen dat hij zich niet kan ontspannen, en dat begint zijn gezondheid aan te tasten. Zijn arts en zijn vrienden zeggen hem dat hij op vakantie moet.

Een verandering van omgeving zal hem op korte termijn misschien helpen ontspannen, maar het zal hem niet leren hoe hij zich kan ontspannen. En daar gaat het hem om. 'Hoe' gaat over de vaardigheden. Oplossingen die alleen op korte termijn werken, bevinden zich meestal op het verkeerde logische niveau.

2. NLP en de verschillende scholen

Het is duidelijk dat NLP gestart is als een eclectische cognitieve therapie. Niet alleen werden vrijwel onmiddellijk belangrijke elementen uit de Rogeriaanse en humanistische psychologie toegevoegd, maar inspireerde NLP zich ook op andere bronnen.

Een onderscheidend element van NLP is dat men niet psychologisch moet geschoold zijn om ze te beoefenen.

Sinds jaren is NLP de status van commerciële therapie ontgroeid tot een omvattende 'serieuze' therapie. Ze bewandelt momenteel de weg van de integratie. Net als de integratieve psychologie groeit NLP door telkens nieuwe elementen te integreren.

De drie diepste kenmerken van groei, het fundamentele zelfvertrouwen, het constructief denken en de rolsoepelheid, zijn ook voor de NLP diep geïntegreerde elementen.

2.1. NLP en het fundamentele zelfvertrouwen

Fundamenteel zelfvertrouwen wordt gedefinieerd als het (nog) onbewezen geloof dat we alles (wat belangrijk is) aankunnen op voorwaarde dat:

1. we voldoende lang volhouden

2. we voldoende lessen trekken uit de onvermijdelijke mislukkingen. Deze 'mislukkingen' zijn bruikbaar om het de volgende keer beter te doen! Wanneer we één van deze kenmerken weglaten, leidt dat tot arrogantie, hardnekkigheid.

Alle elementen uit de bovenstaande bepaling zijn belangrijk: aankunnen (dus niet denken dat men het al kan, maar het nog moeten leren, de verwachting hebben het te kunnen), volhouden, en leren uit de mislukkingen.

Laat men één of meerdere elementen uit bovenstaande definitie weg, dan bekomt men een karikatuur, een vorm van arrogantie, zelfoverschatting of roekeloosheid.

De defensieve denker houdt zich voortdurend aan grenzen die hij beschouwt als veiligheidsbakens waarachter een voor hem (te) gevaarlijk gebied ligt. Hij zal dus niet groeien want alles buiten de huidige situatie is te bedreigend. De constructieve denker weet uiteraard dat er theoretische grenzen zijn maar die liggen in de praktijk veel verder dan de gemiddelde medemens denkt. De constructieve denker weet ook dat elke grens een voorlopige grens is. De ervaring leert immers dat van alle methodes om het persoonlijkheidsrendement te doen toenemen (zoals durf, ervaring, voorkennis, intelligentie, volharding, geluk) de durf om het overgangsgebied tussen het huidige niveau en de theoretische grenzen te verkennen de meest werkzame factor is. Uiteraard zijn de andere factoren niet overbodig. Want als men die verwaarloost komt men in situaties van ophitsing, manie, opwinding, roekeloosheid. Maar één ding is zeker: We kunnen veel meer aan dan we denken, het volstaat meestal erin te geloven, de stap te zetten en vol te houden bij de eerste onvermijdelijke mislukkingetjes.

Binnen NLP vindt het fundamentele zelfvertrouwen zijn weerslag in enkele van de basisstellingen:

2. Falen bestaat niet, er is alleen feedback.

3. Mensen hebben de hulpbronnen om hun doelstellingen te bereiken.

8. Er is altijd een andere keuze mogelijk.

En in het vierde principe:

Het laatste principe is flexibiliteit in het gedrag: kunnen kiezen uit vele mogelijkheden van handelen.

Het idee van fundamenteel zelfvertrouwen heeft geen nominatief equivalent binnen NLP, maar de onderliggende fundamentele betekenis is volledig geïntegreerd. NLP vertrekt vanuit dezelfde visie.

2.2. NLP en constructief denken

Constructief denken is een manier van denken die uiteindelijk leidt tot het realiseren van de sluimerende mogelijkheden in onszelf en in de realiteit rondom ons. Het is ook een vorm van rationeel denken, omdat de eventuele onnauwkeurigheden die in dat denken zitten op termijn een voordeel betekenen ten opzichte van “logische” gedachten, die er eerder toe neigen ons te houden op de plaats waar we al zitten. Constructief denken verschilt van logisch denken dat eerder deductief is: wiskundig, bewijsmatig.

Constructief denken is die manier van denken waarbij op het geschikte ogenblik de geschikte vragen worden gesteld en zo snel en volledig mogelijk worden beantwoord. Wat is echter geschikt? Hierbij hangt alles af van het doel dat men op dat ogenblik wil bereiken. Enkele kenmerken van het constructief denken zijn: effect-evaluerend, rationeel, proactief, reflecterend, empatisch.

Het idee van constructief denken zit diep ingebed in NLP. Getuige de basisprincipes:

Het eerste principe: de kwaliteitsrelatie van wederzijds vertrouwen en ontvankelijkheid, die bekend staat als rapport

Het tweede principe: weten wat je wil.

Het derde principe: als zintuiglijke gevoeligheid.

Het vierde principe: flexibiliteit in het gedrag.

en de basisstellingen:

3. Mensen hebben de hulpbronnen om hun doelstellingen te bereiken.

4. Aan de basis van elk gedrag ligt een positieve intentie.

5. Kracht is de kunst om resultaten te bereiken zoals we ze bedoeld hebben.

6. Mensen maken de beste keuze die ze op dat ogenblik hebben.

8. Er is altijd een andere keuze mogelijk.

Dit is de tweede grote pijler van de integratieve psychologie die volledig geïntegreerd is in NLP. De basisprincipes en –stellingen zijn een uitmuntend voorbeeld van constructief denken. Ze zijn voor de volle 100% constructief gericht.

2.3. NLP en rolsoepelheid

Met deze term wordt in de integratieve psychologie de psychische en ook fysische beweeglijkheid aangeduid waarmee iemand in een andere "rol" kan stappen, dus het omgekeerde van zijn stroefheid. Vele mensen die argumenten aanhalen waarom ze een bepaald gedrag niet kunnen doen, zijn in feite excuses aan het voorwenden omdat ze een bepaalde gedragsverandering niet goed durven door te voeren, zelfs al zijn ze met hun gezond verstand overtuigd dat dit zou moeten. Hun rolstugheid is een uiting van hun defensiviteit. Het is een soort geestelijke verlamming die hen verhindert om anders te handelen dan voorheen, zelfs al staat hun gezond verstand achter de beslissing. Rolsoepelheid is dus de bereidheid tot groeien, dus tot het verleggen van grenzen, wat zich ook in "onschuldige" spelsituaties zal manifesteren.

Dit is eigenlijk een andere omschrijving van het derde principe van NLP, de flexibiliteit in het gedrag.

Hoewel het termen uit de integratieve psychologie zijn, is de inhoudelijke betekenis van het fundamentele zelfvertrouwen, van het constructieve denken en van de rolsoepelheid een uitermate belangrijk vertrekpunt voor NLP.

Hierna volgt een beschrijving van twee voor de NLP belangrijke modellen, het outcome-model en de 8-step communication frame. Ze zijn een perfect voorbeeld van de toepassing van dit vertrekpunt.

2.4. Outcome-model van NLP

Een destructieve denker zal als hij wordt geconfronteerd met een probleem, zich heel vlot richten op het probleem zelf. Hij stelt zich vragen als

Het is duidelijk dat als hij ze beantwoordt, hij een goede analyse heeft van het probleem, maar eigenlijk is hij nog geen stap verder. Mogelijks heeft hij de schuld bij iemand gelegd en de strafmaat bepaald, maar het probleem zelf is er nog steeds.

Een constructieve denker daarentegen richt zich niet op het probleem, maar op het gewenste resultaat. Hij stelt zich vragen als

Dit is een heel andere benadering. Dit is de invalshoek van een constructieve denker met fundamenteel zelfvertrouwen. NLP heeft hiervoor een model opgesteld, het Outcome-model.

De basis van het Outcome-model is de goede vormgeving van het gewenste resultaat. Deze voorwaarden zijn

  1. Uitgedrukt in positieve termen: de formulering moet positief zijn
  2. Binnen de controle van het individu: Ligt het binnen de mogelijkheden van het individu? Is het onafhankelijk van anderen?
  3. Zintuiglijk waarneembaar beschreven: Is het testbaar? Is het concreet genoeg?
  4. In de gepaste context gezet: Waar? Wanneer? Met wie?
  5. Ecologisch: Creëert het geen nieuwe problemen voor het individu? Is het sop de kool waard?

Om de goede vormgeving mogelijk te maken werden enkele kaders opgesteld.

Kader van het gewenste resultaat

1.   Wat wil je?

Om het gewenste resultaat nog beter te omschrijven, meer diepgang te geven, om te komen tot iets wat de persoon werkelijk wenst, kan een bijkomende stap worden gezet, namelijk het bepalen van de Outcome sequitor. Dit is eigenlijk de meta van het resultaat, het doel van het doel als het ware. Wat zal het bereiken van het resultaat nog meer doen?

2.   Bewijs:

Hoe zul je weten dat je het resultaat bereikt hebt? Wat zul je zien, horen, voelen?

3.   Context:

Waar, wanneer, met wie wil je dat resultaat bereiken?

4.   Ecologie:

Hoe zal dit je leven beïnvloeden? Levert het niet hebben van het resultaat je enig voordeel op? Wat zijn de voor- en nadelen van het bereiken van het resultaat?

Probleemkader

1.   Wat houdt je tegen om het gewenste resultaat te bereiken?

2.   Hoe doe je dat?

Interne staat (gevoelens)

Intern proces (beelden, geluiden, woorden, gewaarwordingen)

Extern gedrag (wat doe je?)

3.   Trigger:

Wat is de aanstoot tot het ervaren van het probleem of obstakel?

Wat zie, hoor, voel je dat het probleem doet ontstaan, in jouw ervaringswereld?

4.   Ecologie:

Hoe trek je voordeel uit dit obstakel/probleem?

Kader van de hulpbronnen

1.   Over welke hulpbronnen beschik je nu al om je gewenste resultaat te bereiken?

2.   Welke hulpbronnen of vaardigheden heb je nodig?

Het kader van het plan

1.   Maak stap voor stap een plan om het resultaat te bereiken:

a) verander elementen van de probleem ervaring

b) breng hulpbronnen in het geweer die je uitgekozen hebt

c) ga naar buiten en leer of verwerf de vaardigheden/hulpbronnen die je nodig hebt

2.   Wat is de eerste stap die je zal zetten om dit resultaat te bereiken?

3.   Wanneer?

2.5. 8-step communication frame

NLP definieert echte communicatie als het resultaat dat bereikt wordt. Opdat het resultaat ook maximaal het gewenste kan zijn, werd een communicatiekader bepaald. Het bestaat uit 8 stappen.

1.   Set the frame

Bepaal het kader waarbinnen de communicatie plaatsvindt. Dit kan zowel concreet (een plaats, bvb een kerk), abstract (bvb een opleiding) als conceptueel (bvb een meeting) zijn. Het kader bepaalt wat kan en niet kan. Zo is een kerk niet de geschiktste plaats om te voetballen bvb.

2.   Rapport

Hoe maakt men kwaliteitsvol contact?

Vertrouwen geven, luisteren, veiligheid creëren, … .

Wat is het raakvlak?

3    Informatie verzamelen en uitwisselen

Welke informatie is toepasselijk (en welke niet)?

Wanneer beschikt men over precieze informatie?

Herken de juiste informatie.

4    Outcome & Outcome sequitor

Wat is precies het doel van de communicatie?

Wat is het belang?

Wat wil je?

Wat zijn de consequenties?

In functie van het doel kan men nagaan wat de mogelijkheden zijn die ter beschikking zijn.

5    Resources (bronnen)

Welke middelen zijn ter beschikking?

Hoe schakel je die in?

6    Actie / Interventie

De eigenlijke actie. De toepassing van de bronnen om het doel te realiseren.

7    Future Pace (controle)

Ervoor zorgen dat je oogst wat je hebt gezaaid.

Quality Control.

Behoud van effectiviteit.

8    Ecologie (houding)

Dit is een stap die bij elke andere stap dient te worden uitgevoerd. Het is dus eerder een onderliggende houding.

Is het sop de kolen waard?

Zit je op het juiste spoor?

Het is duidelijk dat dit kader doorspekt is met constructief denken, fundamenteel zelfvertrouwen en rolsoepelheid.

2.6. Voorbeeld processen uit NLP

Om af te sluiten worden nog twee processen geschetst die binnen de NLP met veel succes worden toegepast, het phobia proces en het fast phobia proces. Het zijn technieken om een cliënt te helpen met het verwerken van trauma's of fobieën. Deze voorbeelden werden gekozen om nogmaals het constructieve denken aan te duiden, maar ook vanwege de grote herkenbaarheid met EMDR.

Trauma of phobia proces

1.   De cliënt denkt aan een traumatische ervaring terwijl de therapeut focust op de cliënt ('kalibreert' in NLP-termen)

2.   De therapeut zorgt voor rapport met de cliënt en voor een sterk gevoel van zekerheid en veiligheid bij de cliënt.

Plaats op dit moment een sterk positief anker (=het handvat uit de focussing-techniek maar gekoppeld aan een fysieke gewaarwording) dat de hier en nu gevoelens van bekwaamheid, het vermogen om goed voor zichzelf te zorgen, en het vertrouwen in zichzelf benadrukken.

3.   Vraag de cliënt één van de eerste keren te identificeren dat hij/zij de fobische of traumatische ervaring doormaakte.

Pas op met wat je zegt. Vragen naar de eerste ervaring kan een veroordeling van zichzelf uitlokken en het onderbewustzijn blokkeren.

Geef opdracht aan de cliënt om het eerste plaatje (beeld, foto) vast te leggen van de vroegere ervaring. Dit eerste plaatje is er één van net voor de gebeurtenis.

Vraag de cliënt om zichzelf vroeger tot in detail te zien in dit eerste plaatje, net voordat de stress of het overstuur raken begint.

Het is van het allergrootste belang dat de therapeut de cliënt blijft observeren, kalibreren (focussen) en niet toestaat dat hij terugvalt en de fobische/traumatische gevoelens gaat herbeleven.

Indien dat toch begint, breng de cliënt direct terug in de veiligheid van het hier en nu waar hij bekwaam is, zelfvertrouwen heeft, volwassen is, etc en begin na een korte ontspanning opnieuw met het proces.

4.   Laat de cliënt een gezichtspunt kiezen wat hem toestaat zichzelf te zien zitten met de therapeut, in het hier en nu.

Laat dan de cliënt naar een film kijken waarin zijn jongere zelf 'acteert' in de ervaring die er toen was. Je kan een tv- of bioscoopscherm inbeelden waarop de cliënt de film kan zien die gaat over de vroegere ervaring.

5.   Houd het anker (= herhaal de fysieke gewaarwording van het handvat) en gebruik de stem en woorden om de dissociatie uit stap 4 auditief te begeleiden.

Vraag aan de cliënt het gefixeerde beeld te laten bewegen, en er een film van te maken. Zeg hem dat hij er iets belangrijks en nieuws van zal leren.

Terwijl de cliënt naar zichzelf kijkt, die op zijn beurt kijkt naar zijn jongere zelf in de film, versterkt de therapeut de dissociatie voortdurend op een verbale manier, bvb "Terwijl je verder gaat met naar jezelf kijken in deze stoel, veilig en comfortabel bij mij, die vanuit deze stoel zit te kijken naar het jongere zelf in die ervaring van toen …"

Als je kalibreert dat de cliënt terug begint te vallen in de traumatische gevoelens, versterk dan de dissociatie en het anker (= benadruk de fysieke gewaarwording van het handvat). Als dat niet voldoende werkt, breng je de cliënt terug in het hier en nu, herstel het gevoel van veiligheid en vertrouwen en begin opnieuw.

Je kan gebruik maken van de submodaliteiten om de dissociatie te versterken: maak het filmscherm klein, ver weg, zwart/wit, het beeld onscherp, enzovoort tot de cliënt een meer normale voorstelling kan verdragen.

De film mag meerdere keren afgespeeld worden.

6.   Als de cliënt gedaan heeft met naar de film te kijken, laat dan het anker los en vraag om terug in zijn lichaam te komen hier en nu.

Laat de cliënt vanuit dit perspectief naar het jongere zelf kijken op het einde van de ervaring.

Laat de cliënt het jongere zelf troosten en verzekeren dat hij de beste keuze gemaakt heeft die hij toen kon maken. Dat hij het beste gedaan heeft wat hij kon doen en dat hij ten zeerste wordt gewaardeerd omdat hij, mede doordat hij dit doorgemaakt heeft, geworden is tot wat hij nu is.

Laat de cliënt zijn jongere zelf gerust stellen dat alles in orde komt en dat hij het kan weten omdat hij zijn toekomstige oudere zelf is.

Als de jongere zelf gerust gesteld is, vraag dan aan de cliënt het jongere zelf terug te integreren in zichzelf in het hier en nu.

7.   Beëindig het proces met een test door de cliënt te laten terugdenken aan het originele trauma/fobie.

Het phobia proces kan men indien nodig verscheidene keren doen. Maar opgelet, als er uiteindelijk nog fobische reacties of traumatische gevoelens zijn, is dat een indicatie dat achter de reacties of gevoelens een positieve intentie schuilgaat. Als de reacties of gevoelens te veel 'voordelen' opleveren is eerst een herkadering nodig.

Fast phobia proces

Dit proces is enkel geschikt voor enkelvoudige fobieën die de identiteit van de persoon niet raken.

Alvorens hiermee aan de slag te gaan, controleer of de cliënt wel degelijk van de fobie af wil, dat hij de fobie niet meer in zijn leven wil. Check de ecologie, wat er gebeurt in de cliënt zijn leven indien hij deze fobie niet meer heeft.

1.   Identificeer de fobie of fobieachtige respons

2.   Identificeer één van de vroegste herinneringen aan deze fobie

3.   Laat de cliënt een zwart/wit gedissocieerde film maken met het jongere zelf erin, in die ervaring. Laat die film van begin tot einde lopen, vier keer sneller dan normaal.

4.   Laat de cliënt het laatste beeld bevriezen en de lichtsterkte toenemen tot het helemaal wit is (het beeld als het ware uitvegen). Laat dan het licht terug naar normaal brengen. Laat de cliënt daarna geassocieerd in zijn eigen beeld stappen en er kleuren in aanbrengen. Laat vervolgens de film achteruit draaien naar het begin toe op normale snelheid.

5.   Herhaal stappen 3 en 4 meerdere malen, 8 tot 15 keer.

6.   Beëindig het proces met een test door de cliënt aan de fobie te laten denken, de fobische situatie te herbeleven en te laten voelen wat er veranderd is.

Nota: zorg ervoor dat het tempo van je stem congruent is met de instructies die je aan de cliënt geeft. Ga mee met het tempo van de filmsnelheid.

Vraag aan de cliënt te knikken als de film ten einde of terug bij het begin gekomen is om het proces goed te kunnen volgen en te helpen bij de kalibratie.