overzicht |  

 

5990

De integratiebeweging

 

 

 

Van eclecticisme naar integratie

 

Samen met godsdienst en politiek deelt de psychologie de weinig benijdenswaardige faam uiteen te vallen in tal van onverzoenlijke richtingen of denkscholen, die elk doen alsof alleen zij de waarheid bezitten, en alle anderen er niets van begrepen hebben. Steeds meer begint men echter te beseffen dat elk van de "monotheoretische" psychologische denkscholen een zekere waarde heeft, d.w.z. wellicht een stuk van de waarheid bezit. Na de tijd waarin psychotherapeuten zwoeren bij één richting, komt de periode der eclectici, die een beetje van alles mengen, zonder echt tot een integratieve visie en praktijk te komen. Dit evolueert verder naar een integratieve zienswijze, waar men niet meer denkt in modellen.

 

In het algemeen kan men bij de ontwikkeling naar integratie drie fasen onderkennen:

 

  1. De fase der gelijkwaardigheid. Na het tijdperk der superioriteit van de eigen visie, komt men ertoe om toe te geven dat er toch iets waardevols zit in vele of elk van de andere richtingen. De therapeutische consequentie hiervan is dat men, eclectisch, zoekt bij welke pathologie welke techniek het best past, en dan bv. gedragstherapie gebruikt voor fobici, psychoanalyse voor obsessionelen, systeemtherapie bij gezinsconflicten, medicatie bij depressie, enz.
  2. Het parallellisme. Als al die technieken werken, dan is het misschien (ook) omdat ze dezelfde fenomenen met andere woorden beschrijven. Wie hiervan uitgaat zoekt dan welke de verborgen parallellismen zijn tussen de diverse benaderingen, en klasseert de gemeenschappelijke elementen van de benadering of van het persoonlijkheidsmodel dan in tabellen. Wilber, de filosoof van de "integrale" benadering, ging heel ver in het comparatief samenbrengen van allerlei theoretische modellen. Een andere benadering die een tijdje populair geweest is in de beginjaren van de integratieve psychologie is het uitgangspunt dat de verschillende psychologische en psychotherapeutische richtingen (vooral) werkzaam zijn omdat ze inspelen op algemene ("generale", niet-specifieke) factoren, die in elk van die richtingen grotendeels onbewust aanwezig zijn, maar niet expliciet vermeld worden in het officiële "model".
  3. De echte integratie. Hierbij verlaat men het uitwendig niveau van de theorie, en daalt men af naar de diepere processen, die men dan opnieuw in een allesomvattender kader samenbrengt. Hier vindt men pas de echte creativiteit. Dit is de enige integratie die naam waardig.

 

Het is echter duidelijk dat de grens tussen deze drie niveaus niet steeds scherp is.

 

Sluipende "de facto"-integratie

 

Het is opvallend hoe de laatste decennia diverse psychologische richtingen feitelijk aan het integreren zijn, ook zij die beweren dat integratie niet haalbaar of niet nuttig is. Enkele voorbeelden:

 

Deze feitelijke integratietendensen zijn niet alleen een heuglijk feit voor de psychotherapie in het algemeen, zij vormen ook een levend bewijs dat het bewuste streven naar integratie, zoals wij dat in de wetenschappelijke benadering van de Academie en op deze website toepassen, terecht is.

 

Weerstanden

 

De grootste hinderpalen tegen dit integratieproces zijn:

 

Verwarrende terminologie


Het herkennen van "echte" integratieve psychologie is niet steeds gemakkelijk, omdat deze term soms in een andere zin wordt gebruikt.


Ethische overwegingen

 

Men kan zich de vraag stellen hoe ethisch het is om als therapeut niet-integratief te werken, of als medicus psychotherapie af te raden of niet voor te stellen, of als psychotherapeut medicatie af te raden of niet voor te stellen. Want dat betekent dat men bewust aan zijn cliënt zaken onthoudt die wellicht werkzaam zijn, en dat men tevens verwaarloost om zich als professioneel bij te scholen in alle belangrijke aspecten van zijn vak. En als men bedenkt dat de meeste psychische pathologieën eigenlijk gevolgen zijn van het niet-integreren van de verschillende behoeften binnen onszelf of tussen onszelf en de mensen rondom ons, of tussen onszelf en de vereisten van het leven, dan kan men zich afvragen hoe men zijn cliënten kan helpen als men zelf de waarde van het fenomeen integratie loochent of onderschat.


Niet-integratief zijn is een beetje zoals een chirurg die de waarde van antibiotica zou loochenen of verwaarlozen. Hij zou onmiddellijk door de Orde der Geneesheren levenslang geschorst worden.


Naar een optimaal opleidingsmodel

 

Veel van de niet-integratieve lacunes en wantoestanden in ons vak worden veroorzaakt door het feit dat men in ons beroep binnen kan treden langs minstens drie totaal verschillende invalswegen: (1) de klinische psychologie, waarbij aan de meeste faculteiten veel te weinig aandacht wordt besteed aan de organische en farmacologische aspecten van het menselijk functioneren, en soms zelfs een aversie voor medicatie wordt aangewakkerd; (2) de psychiatrie, een medische specialiteit waarbij men eerst 7 (tegenwoordig 6) jaar geneeskunde en vervolgens 5 jaar psychiatrie doet; (3) de neurologie, waar men na 6-7 jaar geneeskunde 5 jaar hersenafwijkingen bestudeert, die soms maar veelal niet gepaard gaan met psychische stoornissen. Er dan zijn er nog tal van andere invalswegen die vroeg of laat op het psychiatrisch en psychotherapeutisch terrein terechtkomen: sociale werkers, pedagogen, paramedici, onderwijzend personeel, coaches al dan niet bedrijfspsychologen, pastors en andere consulenten, huwelijksconsulenten al dan niet met een diploma gezinswetenschappen, en zelfs filosofen.

Op dit ogenblik lijken de psychiaters, tenminste als ze voldoende geschoold zijn in de psychotherapie en de psychoanagogie, het compleetst opgeleid voor het vak. Het jammere van hun opleiding is dat het een lange omweg is (veel overbodig medisch en scheikundig ballast), en misschien vooral dat er tot tweemaal toe een negatieve selectie plaatsgrijpt om psychiater te worden: wie aan 18 jaar een beroepskeuze doet, en zich aangetrokken voelt tot de mens en zijn geestelijke roerselen zal eerder voor psychologie kiezen dan voor geneeskunde. Het ingangsexamen voor toekomstige geneesheren draait trouwens uitsluitend rond wiskunde, natuurkunde en scheikunde. En wie op het einde van zijn geneeskundevorming een specialisatie moet kiezen zal eerder opteren voor "briljante" richtingen als interne geneeskunde en chirurgie (waar overigens de hoogste studieresultaten zijn voor vereist), of desnoods zelfs neurologie die veel "wetenschappelijker" en "serieuzer" overkomt dan psychiatrie. Tweemaal een negatieve selectie dus. Weinigen immers beginnen aan de zware geneeskundestudies met als enig doel om 12 jaar later psychiater te zijn. Dat veruit de meeste neurologen om den brode later psychiatrie zullen beoefenen, maar dan zonder psychotherapie-opleiding, beseffen ze nog niet op het moment van hun specialisatiekeuze. Ze zijn echter voor een groot deel verantwoordelijk voor het karikaturale beeld dat psychiatrie een kwestie is van korte diagnostische gesprekken en vooral veel medicatie.

Dit probleem is analoog aan de vroegere situatie in de tandheelkundestudies, waarbij toekomstige tandartsen begonnen met geneeskunde, en pas na 3 jaar opteerden voor tandarts. Terecht vonden veel tandarts-hoogleraren dat ze op die manier slechts de "zwakkeren" toegeschoven kregen, en streefden ernaar om de keuze reeds te doen maken aan 18 jaar.

De meest gefrustreerden qua opleiding zijn de klinisch psychologen, die ervan uitgaan dat zij beter opgeleid zijn dan psychiaters (hoewel de psychische opleiding precies even lang duurt, namelijk vijf jaar, en psychiaters veel meer patiënten hebben gezien tijdens hun opleiding). Vervelend voor hen is ook dat ze het krachtig middel der psychofarmaca moeten missen, vooral nu deze de laatste jaren steeds doeltreffender worden en minder bijwerkingen vertonen. Citeren we uit het recente en wijdverspreide boek "Klinische psychologie" van H. van der Molen e.a. (Wolters, 2007, p. 26):

Door hun algemene psychologische vorming, waarin een duidelijk accent ligt op het verwerven van de vaardigheid in het verrichten van empirisch onderzoek, zijn klinisch psychologen in methodologisch opzicht vaak beter onderlegd dan psychiaters. Daar staat tegenover dat psychiaters, door hun medische scholing, doorgaans meer verstand hebben van de biologische aspecten van mentale stoornissen. Aan hen is -vooralsnog (sic!)- ook het recht voorbehouden om psychofarmaca voor te schrijven aan patiënten.

Deze bewering is erg bedenkelijk, en zelfs onjuist als men weet dat de meeste psychofarmaca niet door psychiaters, maar door huisartsen en internisten worden voorgeschreven. Overigens, vaak meent een combinatie huisarts + psychotherapeut eerlijk dat zij samen minstens zo goed zijn als een psychiater. Niet zelden vindt men zelfs huisartsen die zich later in een psychotherapeutische en/of filosofische methode hebben bijgeschoold, en gaan functioneren zijn als een soort psychiater.

Vanuit integratief standpunt lijkt de enige goede oplossing het creëren van een nieuwe studierichting, waarvoor we nog geen naam hebben. Misschien is psychoanagoog , d.w.z. een clinicus die integratief werkt, en volgens het groeimodel en niet volgens het ziektemodel, een goed voorstel.

Het zou een studie van 5 à 7 jaar kunnen zijn, parallel met geneeskunde, naar het voorbeeld van tandartsenij. Zowel de hersenfunctie en de manieren om haar te beïnvloeden, de psychopathologie met haar organische en psychopedagogische achtergronden, de psychotherapie en de persoonlijkheidsvorming (psychoanagogie) zouden centraal staan, alsook het obligaat werken aan de eigen persoonlijkheid (zoals men in sportstudies, logopedie e.d. ook aan de eigen vaardigheden zoals sportbeheersing, stemvorming e.d. werkt) inclusief z'n organisatorische, sociale en relationele vaardigheden. De afgestudeerden zouden zodoende heel goed opgeleide psychotherapeuten, groeistimulatoren en psychofarmacavoorschrijvers zijn. Tevens zouden de opleidingen klinische psychologie en neurologie afgeschaft kunnen worden, omdat het maar gebrekkige -en vaak langere- opleidingen zijn voor de beoogde beroepsactiviteit, en met minder professionele mogelijkheden. Neurologie zou dan voor de zware gevallen (zoals nu) onder neurochirurgie vallen, en voor de lichte gevallen verdeeld zijn over andere specialiteiten (zoals nu ook al gebeurt: orthopedische chirurgen behandelen wervelzuilproblemen, vele internisten sturen een hersenbloedvaatverstopping (CVA, TIA) niet eens door naar een neuroloog -die toch alleen maar de diagnose kan bevestigen-, maar behandelen die meteen zelf: dringende stollingsregeling en alle mogelijke complicaties ervan vallen veel meer op hun terrein).

(23.08.12)