0000-0999
Sites per thema:
psy0 algemeen
psy1 systemen
psy2 denken
psy3 brein
psy4 individu
psy50 diagnostiek
psy54 behandeling
psy6 optimaal
psy7 groepen
psy8 suboptimaal
psy9 optimaal

0300 Integratief in een notedop

 
Waarin verschilt de integratieve aanpak van het menselijk geestelijk functioneren van de klassiek psychotherapieën, volgens één therapeutisch model of modaliteit, wat wij unimodaal of monomethodisch noemen?
 

De achtergrond

 
Aan de grondslag liggen enkele meer hedendaagse visies op het geestelijk functioneren van de mens. Niets van de vroegere inzichten sinds Freud wordt verworpen, alleen komen er vele dingen bij die later en door andere richtingen zijn ontdekt.
 
Vooreerst is er het groeimodel. De arts en neuroloog Freud ging ervan uit dat, zoals in de lichamelijke geneeskunde, de mens spontaan normaal en goed functioneert. Is dat niet het geval, dan veronderstelde hij dat er ergens in het verleden iets zeer storends voor deze spontane ontwikkeling was gebeurd, wat hij aanduidde met de naam psycho-trauma. Dit trauma moest dan, vaak in het onderbewuste, opgezocht en blootgelegd worden (psycho-analyse), en verwerkt (katharsis) met de hulp van een genezer (psycho-therapeut). Eens die genezingsarbeid, die jarenlang kan duren, achter de rug, zal de betrokkene weer spontaan normaal functioneren. Deze visie noemt men het ziekte-model.
 
Sinds Jung, Rogers, Maslow en de andere groten van de "humanistische" psychologie, zit de mens in een levenslang groeiproces (groei-model). Sommigen hebben hierbij veel achterstand: zij vertonen een pathologie, waarvan de frekwentste vormen zijn: depressie, neurosen en schizofrenie. Aan de andere kant heb je hen die "optimaal" functioneren: zij hebben hun sluimerende mogelijkheden maximaal ontwikkeld, en vallen objectief en subjectief op door "geluk". Daartussenin zit eigenlijk de grootste groep, die nog vol onderontwikkelde mogelijkheden zitten, maar niet in die mate dat zij abnormale stemmingen, denk- of gedragswijzen vertonen: zij zijn de "normalen", eerder niet-ongelukkig dan echt diep gelukkig. Dus geen twee soorten zoals het ziektemodel suggereert, maar drie. Deze humanistische benadering sluit geen aangeboren of traumatische psychische aandoeningen uit, maar beschouwt die eerder als factoren die de groeiachterstand bevorderd hebben. Zelfs al slaagt men erin die storende factoren medicamenteus te neutraliseren, de persoon kan meestal nog heel veel groeien als mens. Naast de term psychotrauma wordt er daarom evenveel of zelfs meer gesproken van anarkema, psychisch gemis, onvervulde behoeften, tijdens de jeugd onvoldoende bevestigingen gekregen hebben voor het onontbeerlijke fundamenteel zelfvertrouwen (Freuds primair narcisme, de hoeksteen van psychische gezondheid). In plaats van over neurotische blokkades heeft men het over sluimerende mogelijkheden, onderontwikkelde ofte "subfunctionele" vaardigheden.
 
De helpende professioneel is dus ook iemand die het opwaarts groeien bevordert (psycho-anagoog), en niet enkel iemand die de ziekte bestrijdt (psycho-therapeut). En het is de bedoeling dat het groeiproces ver voorbij het niveau van het "normale", het banale, het modale uitstijgt. De ervaring heeft intussen aangetoond dat die groeimethodes ook werkzaam zijn bij pathologieën, en dus niet alleen bij normalen die zich willen optimaliseren. Vandaar onze naam "psycho-anagogie"(groeibevordering) ipv psycho-therapie (ziekte-genezing). Een psychoanagoog beheerst dus alle vaardigheden van ene psychotherapeut, maar kent daarenboven methodes om bij zijn cliënt de groei verder te bevorderen boven het pathologie-vrij niveau.
 
Een eerste consequentie van het vervangen van het ziektermodel door het groeimodel is dat de cliënt fundamenteel anders aankijkt tegen zijn problematiek, zijn groeiproces. Los van het feit dat hij het vernederende label van "psychiatrische patiënt" niet meer hoeft aan te nemen, maar zijn levensproblematiek beschouwt als het gemis aan een reeks attitudes en vaardigheden die apart kunnen bijgetraind worden, werkt de psychoanagogische cliënt veel bewuster en nuchterder mee aan het groeiproces, en worden meteen de verlammende schuld- en "oorzaak"-projecties vermeden naar de ouders, vroegtijdige ongewenste seksuele ervaringen, aangeboren oorzaken, onotkoombare overdracht en tegenoverdracht. Het (ook emotioneel) begrijpen en herbeleven van de "oorzaak" betekent zelden dat de subfunctionele vaardigheid nu plots als vanzelf verbetert. Ook fenomenen als neurotisering en ziektegewin worden enorm beperkt. Aan de andere kant is de psychoanagoog vrijer in zijn bewegingen en contacten, zoals muziekleraren, huisartsen en sportleraren dat ook zijn. Normaal persoonlijk sympathiseren en vriendschappen zijn mogelijk (wat Rogers de authenticiteit noemde). De magische overdrachts- en tegenoverdrachtsmythes krijgen geen kans. Anderzijds rust nu plots een andere zware verantwoordelijkheid op de schouders van de psychoanagoog: dat hij namelijk ook in zijn privé-leven moet handelen volgens de principes van de integratie, de optimale communicatie, enz.
 
Een tweede groot verschil is dat een integratief psychoanagoog geen eenzijdige methode hanteert zoals bv. psychoanalyse, gedragstherapie, gezinstherapie, Gestalttherapie, medicatie, meditatie, training enz., allemaal methodes die overigens in bepaalde gevallen ontegensprekelijk vruchten afwerpen. Hij is ook geen eclecticus, die meerdere methodes aangeleerd heeft, en die al naargelang de problematiek kiest voor een bepaalde benadering. Een psychoanagoog voegt geen monomethodes tezamen, maar werkzame elementen uit die behandelingswijzen. Hij beoefent niet zozeer verschillende benaderingswijzen die hij in diverse "scholen" geleerd heeft, maar slechts één methode: de integratieve. Als hij bijvoorbeeld de systematische desensitisatie gebruikt uit de gedragstherapie, om fobische reacties te laten uitdoven, zal zijn benadering gans anders zijn dan bij de pure gedragstherapeut.
 
In vele opzichten gelijkt de integratieve psychoanagogie op de cognitieve methode, omdat de cliënt bewust inzicht verwerft in het eigen psychisch functioneren, en bewust aan de eigen persoonlijke groei meewerkt. Het verschil met de zuivere cognitieve methode is echter dat er andere, niet-rationele methodes worden gebruikt, zoals o.m. systematische desensitisatie, meditatie, en zelfs medicatie, zeer doeltreffende methodes die echter buiten het kader van de zuivere cognitieve aanpak vallen.
 
De methode
 
Bij een integratieve behandeling (of groeibegeleiding, psychoanagogie) wordt dus vooreerst niet enkel gekeken naar "gestoord" denken en doen in DSM-zin, maar ook en vooral naar de onderontwikkelde (subfunctionele) mentale en actieve vaardigheden die verder zouden moeten ontwikkeld worden om beter te slagen in het leven. Dus eerder een functionele analyse dan een diagnose. In de loop van het psychoanagogisch begeleid groeiproces kan deze analyse in onderling overleg bijgesteld worden, op basis van de intussen opgedane ervaringen.
 
Een tweede kenmerk is dat, waar mogelijk, zowel gebruik gemaakt wordt van de twee grote invalshoeken: de psychische, die direct op gevoelens, gedrag en inzicht werkt (de software), en vaak (niet altijd) via verbale interactie gaat, zowel bewust (gesprekstherapie) als onderbewust (hypnose, relaxatie, trance, als het intens beleven van emoties), en de organisch-cerebrale, die op de biochemische en elektrische processen van de hersenen steunt (de hardware), en zo de psychische processen ondersteunt en versterkt. We denken hierbij aan medicatie (vooral sommige antidepressiva), meditatie, neurotherapie (zoals neurofeedback, rTMS, EMDR, ECT). Steeds weer wordt aangetoond dat de combinatie van beide elementen sterker werkt dan de optelsom van de twee benaderingen apart, vooral qua effect op langere termijn en preventie.
 
Een derde kenmerk is dat de cliënt, bij het optimaliseren van zijn voelen, denken en doen, evolueert van "oppervlakkig" (concreet gedrag) naar diepere mechanismen. Met "dieper" wordt bedoeld dat de cliënt die steeds zelfstandiger van binnenuit het eigen functioneren kan regelen. Door het herbelevend bestuderen van de processen op een bepaald niveau tracht men af te dalen naar een grotere zelfsturing. Uiteraard vermindert dikwijls de motivatie van de cliënt van zodra zijn oorspronkelijke klachten verdwenen zijn, en vele personen doorlópen niet alle groeistadia die mogelijk zouden zijn.
 
Een vierde kenmerk is dat men de cliënt zodra mogelijk de waarde van het fenomeen integratie probeert bij te brengen, en hem deze vaardigheid tracht aan te leren. Integreren is immers niet alleen een theoretisch werktuig om uiteenlopende theorieën en denkscholen te verenigen, maar vooral een methode om in het dagelijks leven als individu conflictvrijer te functioneren. Daartoe zoekt men integraties tussen zijn verschillende behoeften, eerder dan pijnlijke keuzes te maken. En ook in relatie en samenwerking leert men integreren: communicatie is tenslotte niets anders dan samen naar een integratie zoeken van de uiteenlopende standpunten.