1000-1999
Sites per thema:
psy0 algemeen
psy1 systemen
psy2 denken
psy3 brein
psy4 individu
psy50 diagnostiek
psy54 behandeling
psy6 optimaal
psy7 groepen
psy8 suboptimaal
psy9 optimaal

1010 Fenomenologie


FENOMENOLOGIE
DE VERSCHIJNSELEN IN HET ALGEMEEN


De fenomenologie, of algemene werkelijkheidsbeschrijving, of algemene systeemtheorie is de beschrijving van de meest algemene kenmerken van de werkelijkheid, die trouwens grotendeels, zoniet volledig, is opgebouwd uit systemen.

SITUERING

We zijn uit onze studies van natuurkunde en scheikunde gewoon geraakt om eenvoudige fenomenen te bestuderen, zoals de beweging van een punt, de loopbaan van een perfect ronde kogel op een glad, volmaakt rechtlijnig vlak, e.d. Zelfs al bespreken we iets ingewikkelds, bv. de beweging van een autobus, dan nog reduceerden we dit gemakkelijkheidshalve tot een punt, waarbij we veronderstelden dat deze bus niet veranderde, er geen mensen uitstapten, er geen wind of verkeersdrukte was, enz. M.a.w. voortdurend vereenvoudigden we het bestudeerde systeem tot een punt.

 

Daarbij maakten we enkele veronderstellingen, zoals: het voorwerp (systeem) blijft onaangeroerd tijdens de bestudeerde periode, het gedraagt zich alsof het een dood lichaam is, en in ons experiment zijn geen andere invloeden aanwezig dan deze die we bestuderen.

 

Doch zodra we zelf natuurkundige practica moesten doen, werden we geconfronteerd met de onnauwkeurigheid van die denkwijze, zelfs als het ging om eenvoudige voorwerpen, zoals een slinger, een snaar, een liter zuiver water. We moesten leren werken met de zgn. "foutentheorie", d.w.z. we ondervonden de feitelijke onnauwkeurigheid en onreproduceerbaarheid der metingen, die moest gecompenseerd worden door het gemiddelde te maken van talrijke metingen. In sommige gevallen lag dat gemiddelde dicht bij de ideale waarde, in vele gevallen echter niet.

 

Die onnauwkeurigheid lag deels aan onze meetmethode, de ruwheid van de maten t.o.v. het gemetene, doch voor een ander deel lag die onnauwkeurigheid aan het feit dat zelfs eenvoudige systemen, zoals een stalen kogel, in feite "leven" (bv. uitzetten door warmte), dat de homogeniteit van een metalen bol maar een fictie is, zodat het zwaartepunt van de bol in feite nooit in het middelpunt ligt, en de baan nooit glad is.

Dus reeds voor eenvoudige zaken, in eenvoudige omstandigheden, werden we gewaar dat we niet te doen hadden met "punten", maar met systemen, waarin de aparte elementen ook een rol speelden. Het theoretische gedrag was maar een grove benadering van het reële gedrag, en ging alleen op als we zeer eenvoudige, in rust verkerende systeempjes beschouwden, en dit in simplistische, weinig realistische omstandigheden.

Als we nu ingewikkelde systemen in natuurlijke omstandigheden bestuderen -en wat zijn mensen en groepen anders-, dan mogen we niet vergeten dat we hier intellectueel slecht zijn op voorbereid. Daarom is het goed eerst een soort fysica van hogere orde te bestuderen, nl. "enige natuurwetten van complexe systemen" of "de algemene systeemtheorie", omdat we aldus enkele in feite voor de hand liggende verschijnselen zullen ontdekken, die we helaas maar al te vaak vergeten als we onvoorbereid, d.w.z. "natuurwetenschappelijk" over een "niet-puntvormige" wetenschap als psychologie zouden gaan denken.

 

De natuurwetenschappen zijn dus maar een enkel aspect van de "studie der verschijnselen" of fenomenologie. De "algemene systeemtheorie" bestudeert een tweede, in praktijk voor ons veel belangrijker deel van de "algemene kenmerken der verschijnselen".

ENKELE BELANGRIJKE OPMERKINGEN VOORAF

1) Deze studie betreft de meest algemene, fundamentele wijze waarop we de geobserveerde werkelijkheid voor onszelf beschrijven. Het is dus geen beschrijving van ons (psychisch-cerebraal) observatieapparaat, maar van het resultaat van de werking ervan op de observaties.

2) We vertrekken voorlopig van de veronderstelling dat een observatie van de werkelijkheid deze werkelijkheid onaangeroerd laat. Ook dit is een vereenvoudiging die we later zullen moeten corrigeren. Het is een eerste argument echter om te verklaren dat objectiviteit en objectieve observatie niet bestaan.

3) In principe is het dus ook geen beschrijving van de werkelijkheid, maar van het inwendig beeld dat wij ervan hebben. Daar wij er uiteindelijk echter naar streven dit beeld "juist" te maken, zal, op voorwaarde dat de methode doeltreffend is, de beeldbeschrijving ook een werkelijkheidsbeschrijving zijn. Door onze beschrijvingsmethode te bestuderen, hopen we juist bijkomende argumenten te vinden om na te gaan of en in hoeverre ons beeld van de werkelijkheid beeld juist is.

4) In deze inleiding moeten noodgedwongen een hele reeks begrippen gebruikt worden die pas later zullen omschreven worden. Dit is strikt genomen onwetenschappelijk, maar is onvermijdelijk, en des te onvermijdelijker naarmate het fundamentele wetenschappen betreft, d.w.z. wetenschappen die van geen andere zijn afgeleid.

Bij elke wetenschap zijn begrippen algemenere abstracties van concretere begrippen, en het begint met geobserveerde feiten. De fenomenologie bevat dus de meest algemene begrippen.

 

In onze gebruikelijke gedachtengang hebben wij echter de gewoonte, die in de grond verkeerd is, om begrippen te beschouwen als concretere vormen van algemenere begrippen. Doch in feite is dit een onjuiste gedachtengang, die uiteraard tot uiting komt als het de meest algemene wetenschap betreft, nl. de fenomenologie, waar de meest fundamentele begrippen uiteraard niet van nog algemenere kunnen worden afgeleid. Hier komt dus ook goed tot uiting, dat de juistheid van een begrip alleen maar wordt bevestigd door de juistheid van zijn concrete toepassingen, en niet door de veronderstelde juistheid van de hogere principes en algemenere begrippen waarvan ze zijn afgeleid.

 

Telkens men in de wetenschap zegt: "een mus is een soort vogel", bedoelt men: "een mus is een van de concrete gevallen, waarvan het begrip 'vogel' een abstractie is".

 

Ook wij zullen, eens de allereerste hoofdstukken voorbij, de neiging hebben om definities te omschrijven als concrete toepassingen van algemenere definities. De lezer moet zich hierbij dan ook voortdurend herinneren, dat het bij de ontwikkeling van de wetenschap in de andere richting ging, en dat de bewijskracht naar boven gaat (van feit naar abstractie), en niet naar beneden (van principe naar toepassing).

 

De indruk, dat het om circulaire redeneringen gaat, waarbij men iets definieert met elementen die later nog moeten gedefinieerd worden, is dus onvermijdelijk, maar niet juist.

INDELING

De fenomenologie is ingedeeld in twee delen:

1. de algemene systeemtheorie (AST), die de meest algemene kenmerken van alles wat bestaat beschrijft, en

2. de evolutieleer, die het ontstaan en de evolutie van de zgn. "natuurlijke" systemen beschrijft, d.w.z. de systemen die in het heelal "spontaan" tot stand gekomen zijn.

DE ALGEMENE SYSTEEMTHEORIE

1. DE WERKELIJKHEID EN STUKKEN ERVAN

a. BEELDEN

 

BEWUSTE wezens als de mens krijgen voortdurend inwendige BEELDEN van de uitwendige WERKELIJKHEID.

Dit bewustzijn is een proces van WAARNEMING (OBSERVATIE), en INTERPRETATIE van de waargenomen beelden aan de hand van vroegere waarnemingen.

Deze beelden zijn echter nooit volledig. Niet alleen zien we telkens maar een STUK van de werkelijkheid, maar binnen de grenzen van dat stuk zien we niet steeds alle ELEMENTEN. Vele ontsnappen namelijk aan ons vermogen tot observatie. Zij zijn bv. te klein, sturen geen observeerbare signalen uit, of zijn zo groot dat wij ze niet als element herkennen (bv. de achtergrond). Zowel dus de BOVENSTRUKTUUR (het groter geheel, de achtergrond, het bos achter de bomen) als de ONDERSTRUKTUUR (de atomen, de niet-zichtbare elektromagnetische stralen) ontsnapt aan ons waarnemingsvermogen.

 

TOEPASSINGEN

 

1. OBJECTIVITEIT

Hieruit kunnen we afleiden dat "OBJECTIEVE OBSERVATIE" niet volstaat als methode om een "objectief", d.w.z. juist beeld te krijgen van de werkelijkheid. Dit ligt dus aan de aard van ons observatiesysteem zelf. Pogingen tot objectieve, d.w.z. subjectieviteitsvrije werkelijkheidsobservatie, zijn dus zinloos.

Het juistheidsprobleem, reeds in de inleiding aangeraakt, zal elders uitvoeriger besproken worden, maar nu reeds zien we dat er ook denkwerk nodig is om een juist beeld te verkrijgen.

De mening dat denken (interpreteren, vooroordelen) de objectiviteit van een observatie verstoort, is dus verkeerd: dank zij het denken, interpreteren, kan de objectiviteit van een observatie juist opgevoerd worden, omdat ze door het toevoegen van andere waarnemingen, en het hanteren van geabstraheerde algemene regels, waardoor boven- en onderstructuur toegevoegd worden, het beeld vervolledigt.

Vb. de visie van een volwassene op de hem omringende wereld is "objectiever" dan deze van een "spontaan" kind. De visie van een wetenschapsman op de natuurverschijnselen is objectiever dan deze van een "primitieve". Hetgeen uiteraard niet zeggen wil dat sommige "spontane", "naïeve" indrukken en conclusies van kinderen, primitieven, niet bijzonder origineel, ontroerend en waardevol kunnen zijn.

 

2. PSYCHISCHE FACTOREN

 

Nu blijkt dat bij de mens het aanbrengen van associaties erg beïnvloed is door de toestand waarin hij verkeert: zowel de STEMMING als de PERSOONLIJKHEIDSTOESTAND (zie later) beïnvloeden in sterke mate de selectie der opgeroepen associaties, en het is dus van deze factoren dat ons werkelijkheidsbeeld afhankelijk zal zijn: wie angstig is, krijgt vooral angstige associaties, en daardoor een negatief beeld van de werkelijkheid, wie depressief is, ziet voor zichzelf geen geluksmogelijkheden meer, en aanmoedigende waarnemingen worden bij hem anders geïnterpreteerd, zodat hij er geen aanmoediging van ondervindt.

 

SAMENVATTING

 

Elementen zijn dus stukken uit het beeld (dus, als het beeld juist is, uit de werkelijkheid), nl. de door ons -met de dan gebruikte observatiemethodes- als eenheid herkenbare werkelijkheids-stukjes.

Een VELD is dat stuk van de werkelijkheid dat wij observeren. Het bevat zowel de observeerbare als onobserveerbare elementen.

Een beeld is dus een onvolledige beschrijving van een stuk van de werkelijkheid.

 

b. HERINNERINGEN

 

Wij zijn wezens met een GEHEUGEN, dus kunnen wij beelden (gedeeltelijk) vastleggen.

Opm. Wij leggen echter nooit alle beelden vast, evenmin als alle, nochtans waarneembare en waargenomen elementen van het beeld (zie verder).

Later kunnen wij opgeslagen beelden weer oproepen in ons bewustzijn, de VERBEELDING, een soort mentaal projectiescherm. Deze HERINNERINGEN zijn echter detailarmer, en dus onvollediger dan de vroegere beelden.

Het is belangrijk op te merken dat de herinneringen weer maar afgietsels zijn van de oorspronkelijke beelden, op hun beurt maar onvolledige weergaven van de realiteit, vandaar de beperkte waarde van bv. getuigenissen.

 

c. ABSTRACTIES

 

Wij zijn daarenboven in staat een nieuw beeld te VERGELIJKEN met een herinneringsbeeld. Daarbij zien wij dat sommige beeldstukken gelijk zijn, andere niet.

We kunnen die twee beelden van elkaar AFTREKKEN (abstraheren). Het verschil is een ABSTRACTIE.

Deze abstracties zijn dus ook een stuk beschrijving van de werkelijkheid. Het is de manier waarop wij in onze geest een STUK van de werkelijkheid afzonderen.

TOEPASSINGEN

- een stuk van de werkelijkheid kunnen we maar als dusdanig HERKENNEN op basis van vergelijking van beelden met herinneringen.

- na enkele momenten leven is een levend wezen in praktijk niet meer in staat zuivere beelden te krijgen. Automatisch worden beelden vergeleken met herinneringen: onze hersenen zijn namelijk zo gemaakt. Wat men dus later, d.w.z. gedurende het gehele leven, met uitzondering van de eerste ogenblikken, ziet, zijn geen beelden maar abstracties en interpretaties, d.w.z. stukken die opvallen, niet omdat ze anders zijn, maar omdat onze herinneringen anders zijn.

- dit is een tweede reden waarom "objectief observeren" per definitie onmogelijk is: we zien nooit de werkelijkheid als dusdanig, maar abstracties, ingegeven door onze subjectieve herinneringen.

- overigens, zelfs de eerste beelden zijn wellicht niet objectief: we beschikken instinctief over bepaalde vergelijkingscriteria (o.a. lijnenpatronen).

 

Daar een abstractie dus een realiteitsvereenvoudiging in de zoveelste graad is, stelt zich nogmaals het probleem van de juistheid en betrouwbaarheid. Lineaire "wetenschappelijke" bewijzen zijn dus in feite onhoudbaar. Alleen een (actieve) toetsing van de conclusies van onze beelden, en een vergelijking tussen voorspelling en nieuwe observatie (bv. toepassing) kan een (relatieve) zekerheid bieden.

Dit is een der grote argumenten voor het aanwenden van de plausibiliteit (juist door toepassing) als juistheidscriterium, eerder dan exactheid (juist door foutloosheid van de redenering). Het is ook een argument voor het gevolg-evaluerend redeneren, eerder dan het principiële redeneren.

 

Een ELEMENT is een geabstraheerd realiteitsstukje, dat vaak terugkomt. Vermits we alleen zaken zien die opvallen, d.w.z. die anders zijn dan herinneringen, kunnen we zeggen dat we alleen elementen zien, en dat ons beeld is opgebouwd uit elementen. Een element is een stuk beeld, dat als dusdanig vaak terugkomt, zodat we het als dusdanig herkennen.

 

De elementen die we hogerop beschreven, waren dus fictief, d.w.z. ze werden door het observerend wezen niet als dusdanig aangevoeld. Het waren louter "stukjes beeld", die we voor het gemak als "element" aanduidden. In feite is het zo, dat elementen alleen opvallen door contrast.

 

Dit heeft een belangrijke psychologische consequentie: willen we meer opmerken, meer "leren" uit de werkelijkheid, dan moeten we zorgen dat er zoveel mogelijk "contrasten" optreden. Daartoe is het nuttig om bv. voor we een nieuwe ervaring meemaken, of een boek lezen, ons zo concreet mogelijk voor te stellen (en desnoods neer te schrijven) hoe we denken dat het zal verlopen. Uit het contrast tussen verwachting en ervaring kan enorm veel geleerd worden, veel meer dan als we "onbevangen het leven zouden tegemoet treden".

Hetzelfde geldt voor de confrontatie van onze ideëen met die van anderen (cfr. de zgn exogene inspiratie), hetgeen veel stimulerender is dan gewoon doordenken op onze eigen bevindingen (de zgn. endogene inspiratie).

Typisch is, dat de grootste genieën vaak gesproten zijn uit cultuursituaties waar ze meer contrasten (bv. veel reizen) ondergingen dan doorsneekinderen. Bv. de creatieve productiviteit van Amerika, het hoogtepunt der antieke en middeleeuwse cultuur dat steeds op de kruisingslijn tussen de oude cultuur lag en een veel "barbaarsere" cultuur.

 

d. VERANDERING EN TIJD

 

Als we in de loop van een tijdspanne verschillende observaties doen van een zelfde stuk werkelijkheid (veld), dan zijn deze soms gelijk, soms anders. Zolang die beelden gelijk blijven, zeggen ze dat de stand, de toestand, de SITUATIE dezelfde is.

Zodra iets verandert, (d.w.z. vele elementen blijven gelijk, andere niet), dan zeggen we dat de situatie anders is.

We zeggen dat situatie 1 van een stuk werkelijkheid (veld) overgaat in situatie 2 van dat stuk. We zeggen dat het HETZELFDE stuk werkelijkheid is, omdat "de meeste" elementen terug te vinden zijn in de nieuwe situatie.

"Situatie" en "veld" zijn in feite gelijke begrippen. "Situatie" zegt (per definitie) dat de meeste elementen gelijk bleven.

 

TIJD is nu een lineair toenemende referentie-waarde, die toeneemt naarmate wij nieuwe beelden krijgen van de werkelijkheid. Het is bijna een soort nummering van beelden uit het geheugen, met een getal dat toeneemt telkens er een nieuw beeld komt, zoals men in het Frans zo goed zegt: "dans un premier temps", "un second temps"...

OPMERKINGEN

- tijd is dus een abstract begrip, het bestaat op zichzelf niet. Het is een weergave van het feit dat er een verband is tussen twee toestanden van de werkelijkheid, dat er bepaalde stukken (bv. ons geheugen) blijven, terwijl andere veranderen. In een werkelijkheid waar geen geheugen zou bestaan, zou er geen tijd zijn. (Wel kan een werkelijkheid zonder geheugen SPOREN vertonen van vroegere toestanden, maar deze krijgen alleen betekenis als ze geobserveerd worden door interpreterende wezens met geheugen.)

Doch als er in het heelal geen enkel spoor zou overblijven van vroeger, dan zou tijd ook verdwenen zijn. Veronderstellen we bv. dat op een bepaald ogenblik in de evolutie het hele heelal precies is zoals vroeger (bv. een nieuwe big bang na een atoomoorlog of zoiets), en dat het heelal dan als het ware een "tweede" cyclus begint, dan is dit geen "tweede" cyclus, maar dezelfde cyclus, want tijd is een fictief begrip, en geen reëel. Niets of niemand zou kunnen weten dat het de tweede keer is. En het is ook geen tweede keer, het is dezelfde keer.

- de kleinst meetbare tijdseenheid is de "tijd" die verloopt tussen de twee kleinst meetbare veranderingen. Hoeveel "objectieve" tijd er tussen die twee kleinste veranderingen verloopt, weet niemand.

Beeld U in dat het heelal een eeuw stilstond tussen twee minimale veranderingen, of dat een situatie een stap achteruit deed, en dan weer vooruit: niets of niemand zou dat ooit weten. Tijd is dus relatief.

- in principe is er dus geen tijdsverloop als iets niet observeerbaar verandert. In praktijk zien we echter vaak dat bepaalde dingen veranderen, terwijl andere niet veranderen. We kunnen dus zeggen dat iets LANGE TIJD onveranderd blijft (d.w.z. dat intussen elders vele situatieveranderingen plaatsgrepen).

- dit tijdsbegrip is nog beperkt en voorlopig. Want nu veronderstellen we nog steeds dat observaties de werkelijkheid onaangeroerd laten. Dit is echter niet het geval. Daarop komen we later terug. Noteren we intussen alleen reeds dat Schrödinger over deze zaken in de natuurkunde fundamentelere wetten formuleerde.

- een FEIT of gebeurtenis is de overgang van een situatie van een stuk werkelijkheid (veld) naar een ander.

 

(Gecreëerd 1985 - Laatst bijgewerkt )