1000-1999
Sites per thema:
psy0 algemeen
psy1 systemen
psy2 denken
psy3 brein
psy4 individu
psy50 diagnostiek
psy54 behandeling
psy6 optimaal
psy7 groepen
psy8 suboptimaal
psy9 optimaal

1012 Systemen

2. SYSTEMEN

a. BEPALING

Als we de werkelijkheid een tijdlang observeren (dus vergelijkingen maken met herinneringen), dan merken we dat bepaalde groepen elementen kortere of langere tijd (bijna) onveranderd samenblijven, om de een of andere reden.

Om onze beschrijvingspogingen sterk te vereenvoudigen, noemen we zulke groepen elementen "stelsels" of SYSTEMEN.

 

Opmerkingen:

 

- het groeperen in systemen is dus totaal willekeurig en feitelijk onnauwkeurig:

1) het hangt alleen van ons af. De getrokken grenzen zelf bestaan in realiteit niet. Dit wil echter niet zeggen dat er tussen de elementen van een systeem geen speciale banden zijn! Die zijn er wel, want ze hebben juist voor gevolg dat het systeem zolang samenblijft, zolang "onveranderd" blijft.

2) een systeem dat "veranderd" is, is dus strikt genomen een ander systeem. We hebben echter de gewoonte het als "HETZELFDE" systeem te beschouwen als de meeste elementen of de "ESSENTIELE KENMERKEN" bewaard blijven.

 

- gemakkelijkheidshalve stellen we in onze redeneringen (=beeldbewerking) systemen voor als elementen, omdat we veronderstellen dat ze "inwendig" toch niet veranderen. Dit is een praktische vereenvoudiging, die vaak nuttig is, doch soms fout is. Het ongeluk is, dat we vaak vergeten dat deze vereenvoudiging soms onhoudbaar is.

 

- ook veronderstellen we dat het "systeem" een INVLOED heeft op andere systemen, terwijl in praktijk deze invloed niet van systeem tot systeem gaat, maar van element tot element (en zelfs binnen deze elementen geldt dezelfde opmerking).

Daar waar we bij een vereenvoudigde, lineaire invloed gemakkelijk veronderstellen dat deze constant en lineair is, begrijpen we uit interacties waar we de aparte deelinvloeden bewust onderscheiden, duidelijk dat de resulterende interactie tussen systemen eerder met horten en stoten en ongelijkmatigheden zal verlopen. Dit is een van de grote voordelen van het systeemdenken: bewust worden van het feit dat het natuurkundig denken, zoals we dat aanleerden op school (dus denken met "puntvormige lichamen" en "lineaire invloeden en evoluties") ons mettertijd tot enorm verkeerde conclusies kan leiden.

 

- Elk element is op zijn beurt te beschouwen als een systeem van kleinere elementen, zoals elk systeem te beschouwen is als een element van een groter systeem. In principe kunnen we zo doorgaan in beide richtingen. In praktijk botsen we, naar beneden, op de beperking dat kleinere elementen (nog) aan ons observatiesysteem ontsnappen, terwijl grotere systemen in ons heelal (nog) niet tot stand gekomen zijn. Op dit ogenblik zijn, in toenemende mate van complexiteit, volgende systeemniveaus bekend:

1. de allerfundamenteelste bouwsteen, die thans nog onwaarneembaar is, maar op wiskundige basis wordt gepostuleerd, en "superstring" wordt genoemd.

2. de "fundamentele" deeltjes, zoals quarks, fotonen, leptonen.

3. de "elementaire deeltjes", bestaande uit een aantal quarks, bv. elektronen, protonen, neutronen...

4. de atomen, bestaande uit elementaire deeltjes, hoofdzakelijk gegroepeerd in de kern (met vooral protonen en neutronen) en de "schillen" (met vooral elektronen).

5. de moleculen, bestaande uit atomen, en te onderscheiden in anorganische (dode) moleculen en organische (levende); deze laatste zijn vooral atoomcombinaties rond koolstofketens.

6. de eobionten: min of meer gestructureerde hoeveelheden organische stof, bv. de virussen, de primitieve bacteriën.

7. de cellen: zijn in feite kolonies van een reeks eobionten, waarvan er een enorm groot geworden is, en de celwand en het cytoplasma vormt, terwijl talrijke andere hierin komen leven zijn: centriolen, mitochondrien, flagellen, nukleool...

8. de meercellige wezens: opgebouwd uit miljoenen cellen, en die gegroepeerd zijn in soorten met specifieke kenmerken, bv. planten, dieren, mensen.

9. de sociale systemen: groepen levende wezens (vnl. mensen) die samen functioneren.

De evolutieleer (zie verder) bestudeert de ontwikkeling van deze systemen in de tijd.

 

- Naast deze "natuurlijke" systemen op eenzelfde niveau van complexiteit, kunnen we willekeurig systemen afgrenzen die een ruimtelijk en/of functioneel verband hebben, doch die op zichzelf kunnen bestaan uit element-systemen van verschillend natuurlijk niveau: een eiland, continent, planeet, ecosysteem, de waterkringloop in de natuur, een bewoond huis, bemand vliegtuig, computer, uurwerk, bijenkorf, politieke partij, enz.

 

- We mogen "systeem" niet beperken tot materiele systemen (ruimtelijk). Soms kan er een louter "functioneel" systeem ontstaan, d.w.z. een systeem waarbij de elementen niet ruimtelijk samengaan, maar waarvan de activiteit (gedrag, zie verder) op elkaar wordt afgestemd en dit via communicatiebanen (micro-impulskanalen, zie verder), bv. een politieke actiegroep, een reeks toestellen bediend door radiosignalen.

 

- Soms kan een communicatief systeem wel tijdelijke ruimtelijke verplaatsingen vertonen, bv. een groep mensen die samenwerkt, en van tijd tot tijd vergadert.

 

- Het is echter geriskeerd een reeks ideeën en opvattingen als systeem te beschouwen (bv. een ideologie, een godsdienst). Een ideologie is veeleer het programma (zie verder bij bestuurde systemen) dat het gedrag van een systeem (de politieke groep) bepaalt. Trouwens, een hoeveelheid informatie gedraagt zich niet als systeem.

b. IDENTITEIT EN STRUCTUUR

We hebben een systeem beschreven als een groep elementen, die in de tijd langer samenblijven. In principe is een systeem dus willekeurig door ons omgrensd, met alle voor- en nadelen ervan: het REDUCEREN van een systeem tot een element laat ons toe er gemakkelijker in onze gedachten mee te werken, doch heeft het nadeel dat deze vereenvoudiging soms conclusiefouten met zich brengt, hoewel de redenering op zichzelf juist leek.

 

1. IDENTITEIT

 

De IDENTITEIT van een systeem wil zeggen dat het systeem, ondanks bepaalde gedeeltelijke veranderingen (details) ESSENTIEEL hetzelfde blijft. Dit alles hangt alleen af van onze willekeurig gekozen DEFINITIE. Wat tot de definitie behoort is essentieel om van identiek-blijven te kunnen spreken, wat er niet toe behoort is bijkomstig.

OPMERKING

Levende wezens gebruiken subjectief voor zichzelf geen elementendefinitie om hun eigen identiteit te omschrijven, doch de CONTINUITEIT VAN HUN HERINNERINGEN. Hierin zit juist het ik-gevoel, want al het overige materiële in hun lichaam is wellicht al vervangen. Deze subjectieve bepaling, die totnogtoe tot geen enkel mogelijk misverstand over "wie ben ik" kon leiden (tenzij bij schizofrenen), kan door de ontwikkeling van kunstmatige geheugens, en snelle informatie(geheugen)transporten tot bepaalde, thans nog niet te overziene consequenties leiden:

bv. een lichaam, sinds de geboorte in coma gehouden, en op een bepaalde leeftijd gewekt en mentaal geïndoctrineerd met alle geheugengegevens van een andere persoon, voelt zich die persoon! Zo ook zou een computer, die gevuld zou worden met alle geheugendetails van een levend persoon, zichzelf als de normale "ik"-voortzetting beschouwen van die mens.

Verschillende wetenschappelijke hypothesen ter verklaring van de "onsterfelijkheid" bij de mens vertrekken trouwens van de continuïteit van geheugen en het ik-besef om onsterfelijkheid te verklaren zonder dat er materiële continuïteit is.

 

2. STRUCTUUR

 

Bij de identiteit is het ook belangrijk onderscheid te maken tussen STRUKTUUR van het systeem en MATERIELE OPVULLING van die structuur. Bv. verschillende stoelen hebben dezelfde structuur, maar materieel zijn ze anders.

Voor de identiteit is de structuur belangrijker dan de materie, want als er een stuk vervangen wordt (bv. hersteld), blijft het systeem principieel gelijk.

STRUCTUUR is het geheel van (ruimtelijke en/of functionele) VERBANDEN (zie later), dus het PLAN volgens hetwelk de elementen van het systeem samen zijn.

In de realiteit treedt er in de loop der tijd bij sommige systemen weinig, bij andere veel MATERIEVERVANGING op. Daar men zich vaak van de materieverandering niet bewust is, ontstaat de neiging om tot de identiteit ook materievastheid te rekenen. Dit is echter niet houdbaar, want bv. in de mens worden praktisch alle cellen (buiten de zenuwcellen) in de loop van de jaren vervangen door nieuwe cellen, zodat de enige identiteit uiteindelijk in de structuur terug te vinden is.

We moeten leren wennen aan die gedachte, want het zou kunnen dat bv. volgens de hypothese van de ether, alles wat bestaat slechts een structuur is, die in een bepaalde manier georiënteerd (georganiseerd, gestructureerd) wordt als het voorwerp "aankomt", en weer gedestructureerd, of veranderd wordt van structuur, als het voorwerp "weggaat".

"VERBAND" moeten we zien als een voorlopige aanduiding van onderlinge beïnvloeding binnen een buffersysteem, begrippen die we later zullen uitwerken. (zie INVLOEDEN)

Identiteit wordt dus behouden, als de structuur in de loop der tijd onveranderd blijft. Zelfde structuren, die op een bepaald ogenblik bestaan (bv. een reeks stoelen) zijn GELIJKAARDIGE systemen, doch niet hetzelfde systeem.

Daar identiteit subjectief niet gehecht wordt aan standvastige structuur, maar aan continuïteit van de herinneringen, kan subjectief identiteit bewaard worden ("'t is nog steeds ik") ondanks grove objectieve wijzigingen (bv. een opgroeiend kind, dat later volwassene en oudje wordt). Er is zelfs identiteitsbewaring mogelijk als er alleen geheugen wordt overgedragen, bv. van een mens naar een ander (we voelen ons binnen een bepaalde cultuur of organisatie elkaars opvolgers als veel herinneringen en plannen worden overgedragen), of van mens naar (reuze-) computer.

c. STRUKTUURVERANDERINGEN

Structuurveranderingen die niet-essentieel zijn, noemen we GEDRAG. Structuurveranderingen die essentieel zijn, noemen we IDENTITEITSVERANDERINGEN. Identiteitswijzigingen, die echter voor gevolg hebben dat het bestaansdoel beter wordt gerealiseerd, noemen we GROEI.

 

1. GEDRAG

 

Als we een systeem een tijdlang observeren, dan kunnen we volgende mogelijkheden observeren:

a) RUST: het systeem kan ONVERANDERD blijven, in rusttoestand blijven. Dit is een kenmerk van de meeste "dode" materie.

b) ACTIVITEIT: het systeem kan ACTIEF zijn, toestandsveranderingen vertonen, vibreren, GEDRAG vertonen. Dit wil zeggen dat de essentiële elementen van het systeem zich niet wijzigen, maar dat de bijkomstige voortdurend observeerbare wijzigingen vertonen. Het REPERTORIUM van deze gedragingen kan klein (bv. een klok) of groot zijn (bv. een levend wezen). Gedragingen kunnen CYCLISCH, HERHAALDELIJK terugkomen.

Een belangrijk begrip bij gedragingen van systemen, is het GEDRAGSDOEL, of BEHOEFTE of PROGRAMMA. Hierop wordt verder ingegaan bij systeeminteracties. OPMERKING

Gedrag wordt hier gedefinieerd als observeerbare veranderingen in bijkomstige elementen. Dit is een voorlopige, beperkte definitie van gedrag. We zullen gedrag later definiëren als invloed uitoefenen, hetzij via micro-, hetzij via macro-impulsen (die meestal gepaard gaan met micro-impulsen). "Observatie" is namelijk niets anders dan het ondergaan van microimpulsen.

c) VERPLAATSING: het systeem kan zich verplaatsen. Dit is een speciale vorm van gedrag, die voor gevolg heeft dat het systeem zich verplaatst t.o.v. de omgeving, zonder dat er aan het systeem of aan de omgeving belangrijke (=essentiële) veranderingen optreden. Deze verplaatsing kan actief of passief zijn, a.n.g. de invloedsbron die ze uitlokt.

d) Een systeem kan tenslotte een CONSTANTE MATERIESTROOM vertonen: het beeld blijft gelijk, maar er is een voortdurende vervanging van structuurmaterie, bv. een rivier, een vuur.

 

2. IDENTITEITSWIJZIGINGEN

 

Een systeem kan wijzigingen ondergaan voor wat betreft essentiële elementen:

a) ONTSTAAN

Dit is het feit waarmee het bestaan van een systeem begint. Dit ontstaan kan geschieden op twee manieren:

1) samenvoegen van elementen binnen de geplande structuur, bv. een voorwerp samensteken, een toestel maken.

Speciaal geval: soms worden enkele elementen toegevoegd aan een hele reeks bestaande, bv. een huis afwerken. Dit is soms spectaculair, vnl. als het reeds bestaande systeem de inbouw van nieuwe elementen zelf organiseert, bv. een levend wezen.

2) veranderen van de structuur binnen een bepaald systeem, waardoor het een nieuwe identiteit krijgt, bv. een mozaïek (her)schikken, een bouwdoos.

b) UITEENVALLEN (verslijten, sterven, desintegreren, stukgaan)

Als de essentiële structuur gewijzigd wordt, of als essentiële elementen verdwijnen, dan valt een systeem uiteen.

Ook dit kan, zoals bij groei en ontwikkeling, progressief gebeuren: "achteruitgaan", aftakelen, verslechten.

Speciale gevallen:

- HERSTEL, onderhoud, recuperatie, regeneratie, zijn methodes om een sluipend aftakelingsproces (sleet) tegen te gaan.

Dit kan gebeuren van buiten af (onderhoud, verzorging), of o.i.v. het systeem zelf (vnl. bij levende wezens). Het verschil tussen onderhoud en reparatie is, dat bij onderhoud de (bijkomstige) beschermingslaag wordt vernieuwd, terwijl intussen de functie niet uitvalt. Bij herstel is het defect doorgebroken doorheen de bescherming, en worden essentiële elementen gedestructureerd, zodat de functie (eventueel slechts tijdelijk) uitvalt.

- VOEDING is het toevoeren van materiaal, om de (spontane) herstel- en groeiprocessen mogelijk te maken. De herstelprocessen omvatten ook het energieherstel, hoewel er bij toestellen doorgaans weinig of geen energievoorraad is: de energie wordt verbruikt naarmate ze toegevoerd wordt (vnl. bij elektriciteit).

- Zolang de groei der natuurlijke systemen moest plaatsgrijpen door structuurveranderingen, was het uiteenvallen der vroegere versies noodzakelijk om materiaal te recupereren (d.w.z. de dood was noodzakelijk). Zodra de evolutie een niveau bereikt (nl. met de psyche van de mens, met de computers) dat groei via programma's mogelijk is (opvoeding, cultuuroverdracht, programma-updates), is uiteenvallen van de structuur minder nuttig, en wordt snel als energie- en moeiteverspilling ervaren. Vandaar dat bv. in de evolutie de dood na het beëindigen van de biofase (met de mens als eindpunt) niet meer nodig is, vermits de evolutie thans kan optreden door PROGRAMMA-uitbreiding (cultuur, wetenschap) enerzijds, en het aanpassen van vnl. dode materie (techniek) anderzijds. Dood en aftakeling vormen voortaan een overbodig fenomeen, hetgeen de mens trouwens al sinds de oudste culturen aangevoeld heeft (geloof in onsterfelijkheid, of leven in het hiernamaals).

 

3. GROEIEN

 

Een speciale vorm van uiteenvallen en weer ontstaan is de GROEI, waarbij de identiteit strict genomen wijzigt, maar waarbij het toestel (of het wezen, of het programma) beter dan voorheen beantwoordt aan zijn bestaansdoel. Er zijn twee vormen van groeien: structurele (hardware) of programmatorische (software):

a) structurele veranderingen:

Dit omvat het werken met

1) MODULES, waarbij de structuur verbeterd wordt met nieuwe elementen, die dezelfde prestaties leveren doch meer mogelijkheden bieden dan de elementen die zij vervangen.

2) RANDAPPARATUUR, d.w.z. ruimtelijk gescheiden functies, en niet alles in 1 kist (bv. de huidige geluidsinstallatie t.o.v. de vroegere "radio").

STANDAARDISERING is een belangrijke voorwaarde om te kunnen werken met modules.

Toepassing: een goede, spaarzame economie en productie zal werken met maximaal gebruik van standaardisering en modules, in plaats van de traditionele verspilling.

Zie verder bij systeemgroei.

b) programmatorische

Hierbij verbeteren de actiemogelijkheden door het invoeren (computer) of zelf uitwerken (mens, dier) van een beter programma.

- Een belangrijk element bij het groeien is ook het INTEGREREN, d.w.z. dat de nieuwe structuur (het nieuwe programma) alle voordelen omvat van vroegere verschillende versies, die elk voor- en nadelen hadden.

Ook voor informatieverwerking en publicatie geldt het principe der integratie.

Zie verder bij inzichtsverwerving en organisatie.

 

OPMERKINGEN

 

Of men groei al dan niet moet beschouwen als een identiteitswijziging, hangt volledig af van de gemaakte definitie. Is de definitie BESCHRIJVEND, d.w.z. beschrijft zij een concreet bestaande toestand, dan wordt groei gemakkelijk beschouwd als identiteitswijziging. Doch omschrijft men een systeem algemener, met het bestaansdoel als belangrijkste element, dan is groei geen identiteitswijziging, maar integendeel een dichter benaderen van de diepere identiteit.

Het is typisch voor kortzichtige en neurotische mensen en groepen, om hun identiteit te omschrijven met actuele kenmerken, of hun strevingen te identificeren met hun concrete verlangens, i.p.v. door hun doel of diepere behoeften.

Niet-neurotische systemen (bedrijven en mensen) bouwen hun fenomeen groei zelfs bewust in in hun functionering, meer nog: periodisch gaan ze na, of er niets kan verbeteren, m.a.w. of er geen groei moet optreden.

Dit is het grote verschil tussen de systemen op niveau 8 (dier, menselijk lichaam) en lager, en systemen op niveau 9 (de mens psychisch, binnen steeds meer harmonischer groepen). Bij de lagere systemen is er een uitgesproken neiging tot homeostase, d.w.z. bewaren van het bestaande evenwicht, d.w.z. de bestaande structuur. Systemen van niveau 9 (bewuste mensen) streven niet naar behoud van de huidige functioneringsmodaliteiten, maar naar verbetering ervan, omdat het bestaansdoel (de behoeften) als belangrijker wordt beschouwd dan de huidige concrete vormen (de verlangens en huidige gewoonten).

 

OPMERKING: IDEALE EN NIET-IDEALE SYSTEMEN

 

Elk systeem kan beschouwd worden als een concrete variant op een nog algemener, idealer systeem. Dit wil niet altijd zeggen dat die idealere systemen bestaan. Meestal bestaan ze zelfs (nog) niet, doch alleen in de verbeelding.

 

Als men systemen klasseert volgens de mate waarin hun bestaansdoel wordt gerealiseerd, dan onderscheidt men volgende functioneringswijzen:

1. ideale

2. optimale, d.w.z. zo goed mogelijk binnen de thans bestaande mogelijkheden

3. modale, d.w.z. zoals de meerderheid, het gemiddelde

4. pathologische, d.w.z. slechter dan modaal.

 

Hoe sneller de evolutie bij systemen, hoe meer deze verschillende functioneringswijzen uiteen zullen liggen, en heeft het begrip "normaal" eigenlijk geen zin. Is er praktisch geen evolutie meer (niveau 8 en lager), dan vallen deze wijzen niet sterk uiteen, en bevindt de meerderheid zich op optimaal niveau. In deze gevallen is "normaal" synoniem met modaal en optimaal.

 

(Gecreëerd 1985 - Laatst bijgewerkt )