1000-1999
Sites per thema:
psy0 algemeen
psy1 systemen
psy2 denken
psy3 brein
psy4 individu
psy50 diagnostiek
psy54 behandeling
psy6 optimaal
psy7 groepen
psy8 suboptimaal
psy9 optimaal

1013 Interacties


3. INTERACTIES OF INVLOEDEN

INLEIDING

We hebben gezien hoe de werkelijkheid kan ingedeeld worden in systemen, d.w.z. groepen van elementen, die op elkaar een sterke onderlinge invloed hebben, groter dan deze naar andere elementen toe. Vaak, maar niet altijd, heeft die invloed o.m. tot gevolg dat de elementen van een systeem ruimtelijk samenblijven.

Doch ook systemen kunnen op elkaar een invloed hebben. In feite gaat deze invloed niet van systeem tot systeem, maar van sommige elementen van een systeem (bv. de buitenste) op sommige elementen van een ander systeem.

BEPALING

Een INVLOED is een activiteit van een systeem, die veranderingen aanbrengt aan een of meer andere systemen.

Hoewel het theoretisch denkbaar is, dat een invloed beperkt blijft tot 2 systemen, zal het in praktijk over meerdere systemen gaan, dus een keten van systemen, waarbij elk actief systeem zijn invloed doorgeeft aan meerdere systemen.

INDELING

We gaan thans deze invloeden van naderbij bekijken, en hierbij achtereenvolgens onze aandacht richten op de systemen die de invloed uitstralen (de ZENDER of het OORZAKELIJKE systeem), en vervolgens op de systemen die de invloed ondergaan (de ONTVANGER of de GEVOLGENdrager?).

1. OORZAKEN

 

A. BEPALINGEN

 

OORZAKEN zijn bepaalde systeemveranderingen (feiten, gebeurtenissen), die een invloed hebben op de toestand van andere systemen.

- een reeks feiten noemt men een FEITENKETEN of een PROCES.

- INPUT is een inkomende invloed, OUTPUT de uitgaande.

 

B. BESCHRIJVING

 

Uit de natuurwetenschappen is gebleken dat alle vormen van invloed te beschouwen zijn als energie-overdrachten, en dat ENERGIE uiteindelijk niets anders is dan materie die zich verplaatst, hoewel de vorm ervan bijna niet meer beantwoordt aan de bepaling van de materie.

Hoe dan ook, het uitstralen van energie gaat uiteindelijk steeds gepaard met materie- en dus gewichtsverlies. Einstein heeft dit geformuleerd als:

             E = m.c2

Dit wil zeggen: energie is materie maal een constante factor. (nl. de snelheid van het licht in het kwadraat). De grootheid van de constante is niet essentieel voor het begrip van het verband, maar wijst erop dat licht (en alle andere elektromagnetische golven) ergens de zuiverste vorm van energietransport zijn.

In praktijk wil de zin "A beïnvloedt B" zeggen dat de invloed van A op B verloopt langs een medium of een geschikt kanaal (bv. lucht voor geluid, elektrische draad voor elektrische impulsen). In feite bevinden er zich tussen A en B een hele reeks systemen die de invloed (praktisch) onveranderd doorgeven. (de zgn. TUSSENSYSTEMEN of het ENERGIEKANAAL)

Bv. persoon A stoot op een biljartbal B, en doet dit met een biljartstok (met delen C.D.E.F), die de stoot praktisch onverzwakt doorgeeft.

Opmerking:

- we zouden de kwantitatieve eigenschappen van het invloedsproces (weerstand met verzwakking, tijdsduur met vertraging) kunnen bestuderen. Dit zou ons brengen tot algemenere formuleringen van de algemene wetten van natuurkunde, scheikunde, elektronica. Bij de cybernetica wordt daar verder op ingegaan.

- Zeggen dat A (bv. elektrische batterij) B (bv. lamp) beïnvloedt (bv. zodanig opwarmt dat ze licht uitstraalt) wil niet zeggen dat de invloed via een enkel kanaal loopt! Bv. bij elektriciteit hebben we steeds met een gesloten kring te doen.

INVLOED is dus een reeks gebeurtenissen die ligt tussen de als OORZAAK beschouwde gebeurtenis, en de als GEVOLG beschouwde gebeurtenis. Al naargelang het standpunt dat men inneemt kan men invloed beschouwen als OORZAAK, of als GEVOLG. Daar men op het begrip invloed meestal niet verder ingaat, is de OORZAAK meestal de uitlokkende gebeurtenis (met haar invloed), en het GEVOLG de invloed die uitgaat van dit feit, en de gebeurtenis(sen) die erdoor worden uitgelokt.

In het dagelijks spraakgebruik beschouwt men als oorzaak vaak niet zozeer het feit, maar het systeem dat het feit vertoont.

Dus, let op de onduidelijkheid van onze taal:

oorzaak = uitlokkende invloed

        = uitlokkende invloed + gebeurtenis
= uitlokkende invloed + gebeurtenis + systeem
= gebeurtenis + systeem
= systeem

We zouden dus kunnen zeggen: in onze taal kan "invloed" alles betekenen wat zich op de feitenketen voor de beschouwde gebeurtenis bevindt.

 

C. VEELHEID VAN INVLOEDEN

 

Uit onze studie der natuurwetenschappen, waar we steeds werken met eenvoudige en vereenvoudigde situaties, houden we de indruk over dat invloeden meestal enkelvoudig zijn, of hoogstens tweevoudig (cfr. vectoren). De andere invloeden worden gemakkelijkheidshalve gereduceerd tot "constanten".

In werkelijkheid spelen er steeds en overal enorm veel invloeden een rol bij de veranderingen van systemen. Sommige daarvan zijn inderdaad lange tijd vrij constant, doch de belangrijkste zijn meestal zeer discontinu. Een lineaire feitenketen bestaat in praktijk zo goed als niet. Meestal heeft men te doen met combinaties van invloeden. Daarenboven hebben vele invloeden een TERUGKOPPELEND karakter, wat het systeem nog ingewikkelder maakt (zie verder).

Een GESLOTEN systeem is een systeem dat geen invloeden ondergaat van andere systemen, althans niet of verwaarloosbaar klein tijdens de geobserveerde of bestudeerde periode, en de bestudeerde aspecten. Zoniet is het een OPEN systeem.

De meest gebruikte indeling der "oorzaken" is:

(1) GESCHIKTMAKENDE factoren: een reeks beïnvloedingen in het verleden, waardoor het systeem zo'n structuur krijgt dat het later gevoelig wordt voor uitlokkende en bekrachtigende factoren.

(2) UITLOKKENDE factor(en): gebeurtenis(sen) die, bij een geschikt systeem, een bepaalde verandering uitlokken.

(3) BEKRACHTIGENDE factor(en): een (reeks) invloed(en) die, eenmaal dat er een bepaald gedrag bij een systeem ontstaan is, dit gedrag bestendigen. Deze bekrachtigende factoren hebben vaak een POZITIEF TERUGKOPPELINGskarakter?, d.w.z. de gevolgen van het eenmaal uitgelokte gedrag, zorgen ervoor dat het verder gaat.

Voorbeeld 1: een steen die op een goede dag van een berg afrolt:

Soorten oorzaken: (1) de bomen ervoor of de aarde ervoor verdwijnt (2) de wind, een aardbeving, sneeuw, de stoot van een persoon brengt de steen in beweging (3) door de helling neemt de steen toe in snelheid (energie), en overwint steeds grotere hindernissen.

Voorbeeld 2: een vuur:

(1) het leggen van een slecht contact (2) vochtigheid, verhitting door stroomverbruik, waardoor er een vonk ontstaat (3) het vuur ontsteekt naburig materiaal, waardoor een alsmaar grotere hitte ontstaat, die nog meer ontstekingswarmte vrijmaakt.

Voorbeeld 3: een depressie:

(1) het slecht organiseren van z'n eigen levenspatroon, een opvoeding die leidt tot zelftwijfels (2) een bepaalde tegenslag (3) de aandacht die anderen geven aan het klaaggedrag van de betreffende persoon

TOEPASSING

- Het geschiktmaken komt er vaak, doch niet altijd, op neer dat men het systeem geschikt maakt voor continue bekrachtiging door de BANALE, SPONTANE REACTIES van de omgeving. Omstandigheden, die anders niets uitlokken, en daardoor als banaal beschouwd worden, lokken bij een GESCHIKT systeem een erge reactie uit (bv. achteloos op een mijn lopen; een persoon die achterdochtig wordt, waardoor de normale reacties van de omgeving zijn achterdocht nog gaan versterken)

- Daar veelheid van invloeden praktisch altijd regel is, is het goed zich bij het omgaan met complexe systemen (bv. werken met een hoogtechnisch apparaat, een mens, problemen uit het leven) voortdurend af te vragen "welke zijn de beïnvloedende factoren" en niet "wat is de oorzaak". Overigens, zodra men twijfelt of het nu het een of het ander is, is het goed te gaan vermoeden dat wellicht beide factoren in het spel zijn. Alleen het relatief belang valt nog te bepalen.

Bv. Twee personen, bv. in een huwelijksrelatie, in een team, discuteren over een probleem, en elk meent een andere verklarende oorzaak te kunnen aanwijzen. Al te vaak tracht men elkaars stelling te weerleggen en gaat men uiteindelijk twijfelen aan de volwaardigheid van de andere als mens en als medewerker, vooral als hij "niet wil toegeven", "geen ongelijk kan bekennen". Deze houding is bijna altijd verkeerd, omdat beiden hoogstwaarschijnlijk een stuk van de waarheid hebben, meer nog, zelfs het samenvoegen van de twee verklaringen sluit niet uit dat er nog andere beïnvloedende factoren in het spel zijn.

- In de gemiddelde opvoeding tracht men meestal onheil te voorkomen door de uitlokkende factoren ("gevaren") op afstand te houden: niet naar bepaalde films gaan, geen meisjes zien, door nauw toezien vermijden dat men zich masturbeert, e.d. Zo'n soort "vermijd het gevaar"-opvoeding leidt doorgaans tot een grandioos failliet, niet alleen omdat men het gevaar uiteindelijk toch niet kan vermijden, en de persoon er dan niet tegen opgewassen is, maar ook omdat iets jarenlang verbieden meestal alleen maar het verlangen het toch te proberen doet toenemen, hetgeen dan gebeurt op een leeftijd waarop de complicaties helaas veel groter zijn.

- De oudere psychiatrie zag hoofdzakelijk de voorbeschiktheid (en onveranderlijkheid) van de persoon voor bepaalde "ziekten". Ze was zich vaak niet bewust van het feit dat de "spontane" reacties van de "normale omgeving" en van de verplegenden (hospitalisatiesyndroom) de sterkste bekrachtigende factoren zijn bij het instandhouden van de pathologie.

- De modernere gedragstherapie beklemtoont vooral de bekrachtigende factoren van een pathologie. Een pathologie behandelen is voor hen vooral proberen de bekrachtigers voor het ongewenste gedrag weg te nemen, en bekrachtigende factoren voor het gewenste gedrag in te voeren.

- De klassieke twistvragen van de psychiatrie zijn: "is de oorzaak aangeboren of komt ze uit de omgeving?". "Ligt de oorzaak in het verleden of het heden?". De psychoanalyse schijnt vooral in het verleden te duikelen (hoewel de critici vergeten dat een der belangrijkste "materiaalbronnen" voor de analytische gesprekken de actuele relatie tussen patiënt en therapeut is). De Gestalttherapie van haar kant is geobsedeerd door het "hier en nu".

- In het gerecht wordt verantwoordelijkheid vaak gereduceerd tot uitlokkend gedrag. (bv. bij moord wordt wel de moordenaar gestraft, maar niet de wapenfabrikant, noch de wapenwinkelier, noch de vroegere opvoeders, noch de tv-producenten en verspreiders van agressiefilms, noch de journalisten en het publiek dat de rechtszaak volgen, noch al diegenen die blijven verkondigen dat psychotherapie niet helpt zodat de potentiële moordenaar nooit voor zijn groeiend probleem bij een zenuwarts te rade ging, noch de wetgevers die dit alles wel inzien en toch geen maatregelen nemen). Ons gerecht past dus zowat de domste vorm van invloedanalyse toe, en de ondoeltreffendste methode als bestrijding van ongewenst gedrag, wat door de statistieken van recidiverende misdaad dan ook bewezen wordt.

D. SOORTEN INVLOEDEN

Deze kunnen ingedeeld worden naar hun bron (binnen of buiten het beschouwde systeem), of naar hun effect (identiteit veranderend of niet).

 

1. INVLOEDEN VAN BUITEN

 

Een indeling naar effect van de invloeden.

a. MACRO-INVLOED

Dit is een invloed, die door zijn eigen kracht iets verandert aan het systeem dat hij treft, bv. een boom die op een huis valt, een auto die tegen een andere rijdt.

We kunnen doorgaans onderscheid maken tussen:

1. positieve, nuttige-noodzakelijke invloed, die het systeem toelaten verder te functioneren:

a. krachtbron b. grondstoffen c. steun, bescherming tegen storende invloeden d. onderhoud, herstel en verzorging, of reparatiemateriaal als het herstel spontaan gebeurt (levende wezens).

Opmerkingen:

(1) bij levende wezens zitten a+b+d samen in de VOEDING (+drank, +lucht)

(2) doen ontstaan, "MAKEN" kan ook beschouwd worden als een positieve invloed (voor dat systeem).

(3) groeistimulerende invloeden doen het systeem BETER functioneren.

2. storende invloeden:

a. het wegvallen van een positieve invloed b. structuurverstorende invloeden: direct-agressief, of sluipend (gif, d.w.z. eerst opgenomen als positief, doch eens in het systeem verlammend en vernielend), bv. antibioticum.

b. MICRO-INVLOED

Dit is een invloed, een impuls dat zo zwak is, dat het op zichzelf bijna niets vermag: bijna alle systemen weerstaan eraan. Alleen micro-IMPULSGEVOELIGE systemen kunnen erop reageren, en op hun beurt zwaardere effecten uitlokken: er is een decodering (interpretatie, sensorische opvang) nodig, en vervolgens een "ontsteking", waardoor grotere krachten ontketend worden:

Microgevolgen (bv. licht- en geluidstrillingen) kunnen aangewend worden omdat ze zich meestal veel sneller verplaatsen dan het storend systeem, en het signaal aangekomen is nog voor het (gevaarlijk) macro-gevolg er is.

Microgevolgen zijn dus geschikt voor het overzetten van signalen, informatie.

Bewust microgevolgen opwekken en ontvangen noemt men "communicatie".

c. ONTSTEKINGSINVLOED

Dit is een zwakke macro-invloed, die zelf niet veel vermag, doch in een geschikt systeem (METASTABIEL, zie verder) veel invloed kan hebben: bv. een vonkje bij een kruitvat.

Het GEDRAG is dus het geheel van invloeden in de mate dat die (aan hun gevolgen) kunnen geobserveerd worden. Het zullen dus hoofdzakelijk micro-invloeden zijn, doch vele macro-invloeden (bv. naderende wagen) gaan gepaard met micro-invloeden (claxon, gierende remmen).

 

2. INVLOEDEN VAN BINNEN

 

TERUGKOPPELEN (feed-back), d.w.z. direct inwendig, of via enkele tussensystemen een invloed hebben op zichzelf.

a. MACRO-INVLOEDEN

Deze hebben een effect op de structuur zelf van het actief systeem. Ze kunnen hierbij positief of negatief zijn:

1) positieve terugkoppeling (positieve feedback) versterkt de invloeden, en dus het systeemgedrag dat op dit ogenblik vertoond wordt, bv. een sneeuwlawine.

2) negatieve terugkoppeling: deze verzwakken (negatieve feedback, tegenkoppeling) bv. luchtwrijving op een bewegende auto.

3) een speciale vorm van inwendige macro-invloed is VOORTKOPPELEN (feed-forward). Hierbij wordt niet de input geregeld, maar de output afgezwakt of versterkt (bv. door inbreng van energie van elders), op basis van de sterkte van de input. Het is een blind systeem, dat niet spontaan naar evenwicht streeft. Bv. een servo-systeem.

b. MICRO-INVLOEDEN

Dit is informatie over zichzelf, waardoor allerlei inzichten en/of gedragsveranderingen ontstaan bij de initiatiefnemer.

Ook hier kunnen de invloeden positief of negatief zijn, alhoewel voor het verkrijgen van nieuw inzicht negatief kan zijn voor het vorig gedrag, doch positief -via een groeiproces- voor het nieuwe daardoor ontstane gedrag. 

 

TOEPASSINGEN

 

- De FUNDAMENTELE REALISATIECYCLUS is het optreden van groeistimulatie door feedback via intelligent verwerken van opgedane micro-invloeden (informatie), uit feedback van zichzelf (zelfobservatie) en vanwege de anderen (reacties, doorgeven van inzichten na vragen van raad of intiem contact).

Het is de meest opvallende toepassing van het interactieprincipe, en het meest opvallende fenomeen in de Algemene Systeemtheorie bij intelligente wezens.

 

- Het bestaan van feedback heeft voor gevolg, dat het bij complexe systemen meestal zinloos is om van een oorzaak te spreken. Immers, eens het systeem aan de gang, wordt het veeleer bepaald door de complexe feedbackmechanismen dan door de oorspronkelijke, uitlokkende factor. Vandaar dat de vraag naar de oorzaak in psychiatrie meestal zinloos is.

 

- Bij het proberen veranderen van kringprocessen (en bijna alle processen bij complexe systemen zijn kringprocessen) heeft het niet zoveel belang waar men aangrijpt. Vermits een kring geen oorzaak heeft, zal een aangrijping, bv. bij psychiatrische therapie, op gelijk welk aspect van de cyclus, doorgaans hetzelfde effect. Vandaar dat opmerkingen als "je moet eerst de oorzaak van je probleem kennen alvorens je het kan oplossen" een zinloze vraag is evenals de juridische vraag "wie is de schuldige". Praten over de oorzaak van je depressie is niet noodzakelijk beter dan medicatie geven tegen de slechte stemming, want als je je stemming verbetert, ga je vanzelf anders tegen je probleem aankijken, en zijn al die gesprekken niet meer nodig.

 

- Ongewenste (sociale en psychologische) situaties zijn bijna steeds complexe kringprocessen, vol feedbackprocessen en buffermechanismen. Vandaar dat ze zo stabiel en hardnekkig zijn, en zo moeilijk te behandelen, en dat ze, eens ontstaan, doorgaans nogal stabiel blijven. Moesten het geen complexe processen zijn, ze zouden maar zeer kortdurend aanwezig geweest zijn, als wellicht niet als dusdanig geïdentificeerd.

- Om dezelfde reden is het merkwaardige fenomeen, dat de meest uiteenlopende psychologische behandelingen allemaal evenveel effect schijnen te hebben. Want naast de hypothese dat de therapeut eigenlijk niet effectief is langs de weg die hij denkt, maar dat de "non-specifieke" factoren (bv. zijn persoonlijkheid) minstens zo belangrijk zijn, is er nog een andere verklarende hypothese voor dit fenomeen: elke werkwijze grijpt in op een ander aspect van de kring, zodat het eindeffect na enige tijd overal hetzelfde is: bv. het depressief kringproces is ondermeer samengesteld uit een tegenslag, waardoor je onaangepaste verdedigings- en compensatiemechanismen het begeven, waardoor je een negatieve stemming krijgt, waardoor je pessimistischer gaat denken, waardoor je nog gevoeliger wordt voor nieuwe mislukkingen, je het "niet meer ziet zitten", en je uit de omgeving meer aandacht krijgt voor je "tegenslag", enz. Het geven van medicatie verbetert je stemming, de gedragstherapeut verandert het effect van de omgeving, de rationele therapeut maakt je denkvermogen positiever, de psychoanalyst geeft je bijkomende afreageermogelijkheden, de sociale werker maakt je levenssituatie weer beter, en alle therapeuten versterken door hun optreden wellicht je geloof in het feit dat je probleem hoe dan ook oplosbaar is, zodat je het weer "ziet zitten".

 

- Een BUFFERSYSTEEM of HOMEOSTATISCH SYSTEEM (zie verder) is een systeem dat voor gevolg heeft dat optredende "storende" invloeden worden geneutraliseerd. Het bestaan van buffersystemen is typisch voor systemen van niveau 8 (dier en mensenlichaam) en lager. Ook op psychosociaal niveau treedt het vaak op, maar is slechts typisch voor neurotische functioneringswijzen. Niet-neurotische functioneringswijzen zijn groeigericht.

 

(Gecreëerd 1985 - Laatst bijgewerkt )