1000-1999
Sites per thema:
psy0 algemeen
psy1 systemen
psy2 denken
psy3 brein
psy4 individu
psy50 diagnostiek
psy54 behandeling
psy6 optimaal
psy7 groepen
psy8 suboptimaal
psy9 optimaal

1014 Gevolgen

4. GEVOLGEN

INLEIDING

In dit deel gaan we in op het effect van invloeden op systemen. Dit effect zal afhangen van de inwendige structuur van het beïnvloede systeem.

BEPALING

Gevolgen zijn gebeurtenissen, die zich voordoen door de invloed van gebeurtenissen in andere systemen ("de OMGEVING").

Het geheel der invloeden, die een systeem ondergaat vanuit de omgeving, noemt men INPUT. Het geheel der invloeden, die een systeem als gevolg daarvan uitoefent op de omgeving, noemt men OUTPUT. VERBAND

Het input-outputverband is gewoonlijk BEGRENSD aan beide kanten: een te zwakke input heeft geen effect (niet sterk genoeg om de drempel te overschrijden, te weinig energie om een minimaal effect te veroorzaken). Te sterke input kan niet verwerkt worden en leidt tot een nieuwe begrenzing. Vroeg of laat wordt dan de destructiegrens bereikt.

Soms ligt de destructiegrens lager dan de bovendrempel: het systeem kan zijn mogelijkheden niet aan, en "ontploft". Bv. een ballon die te sterk opgeblazen wordt.

SOORTEN

We kunnen de verschillende mogelijke effecten indelen volgens wat er gebeurt met het systeem dat de invloed ondergaat: inertie, passiviteit of reactie.

1. INERTIE

Hierbij heeft de oorzaak geen effect: bv. zonlicht op beton.

Deze afwezigheid van gevolg kan verklaard worden door een te zwakke invloed (beneden de effectdrempel), maar ook een valse indruk zijn, d.w.z. het reële gevolg is niet observeerbaar of meetbaar.

a. niet observeerbaar:

De reactie begon inderdaad te lopen, doch de uitwendige tekenen zullen pas later merkbaar worden, tenzij men speciale onderzoekingen toepast.

Bv. een bevruchte vrouw vertoont haar eerste tekenen van zwangerschap slechts na enige maanden.

Bv. iemand die een psychotrauma ondergaat, vertoont slechts symptomen na enkele jaren. Wel is er intussen in hem iets veranderd, bv. een nieuwe denkwijze, een verhoogde gevoeligheid voor bepaalde storende factoren.

b. de uiting zijn van een gewilde non-actie:

- Het systeem kan oordelen dat "niet reageren" de beste reactie is

- Het systeem kan nog niet klaar zijn met zijn beslissing, welke reactie de beste is

- Een intense inwendige strijd tegen de neiging tot reactie, dus een systeem dat voldoende buffert (zie verder onder "homeostase")

- Het systeem kan wel al beslist hebben, doch nog aan het "voorbereiden" zijn, d.w.z. reageren op een terrein dat voor de observator onmerkbaar is.

2. PASSIVITEIT

Hierbij vertoont het ondergaande systeem een effect (gedrag, verandering), dat volledig bepaald wordt door de oorzakelijke gebeurtenis.

Vb. een zwak pickupsignaal dat sterke luidsprekers doet werken.

Het effect is ofwel kleiner, ofwel groter dan de invloed.

a) kleiner

In principe is de totale output altijd zwakker dan de totale input, tenzij er eigen massa wordt omgezet in energie (atoombom). "Versterken" kan dus niet.

b) groter

Groter kan het gevolg dus nooit zijn.

Wel kan een zwakke input (zelfs micro-invloed, signaal) MODULEREND werken op een sterke invloed, zodat de output een versterking lijkt van de zwakste, doch betekenisvolste input is.

Soms kan er een vals beeld zijn, d.w.z. als een zwak aspect van een input omgezet wordt in een sterk, doch dit ten koste van een sterk dat verzwakt wordt: bv. een elektrische transformator, die weliswaar het voltage verhoogt, doch evenzeer de stroomsterkte verzwakt.

3. REACTIE

Hierbij is het gevolg de combinatie van het effect van de oorzakelijke gebeurtenis, en van de eigen activiteit van het systeem, die uitgelokt wordt door deze beïnvloeding.

Soms beperkt dit effect zich tot het beïnvloede systeem, soms gaat het beïnvloede systeem op zijn beurt het beïnvloedende systeem beïnvloeden (feedback), en soms andere systemen (kettingreactie).

 

1) INWENDIGE REACTIES

 

Hierbij brengt de externe invloed een activiteit van het beïnvloede systeem zelf op gang.

In het algemeen kunnen er twee zaken gebeuren: het systeem slaagt erin in zich te verzetten tegen de invloed (homeostase), ofwel komt er een evolutie op gang. Deze kan ofwel negatief, ofwel positief zijn.

 

A. HOMEOSTASE

 

Hiermee wordt bedoeld, dat de inwendige activiteiten van het systeem de invloed van buiten kunnen neutraliseren.

In de biofase van de evolutie is een der grote voorwaarden voor complexe systemen om te kunnen voortbestaan, juist hun vermogen tot homeostase.

Vele onderzoekers menen dat dit ook zo is op psychologisch en sociaal niveau. Nochtans zullen we later zien dat homeostase hier eerder een nadeel dan een voordeel is, en dat het vermogen tot groei de levensvoorwaarde is.

Het meest opvallende voorbeeld van homeostase is de bufferreactie.

 

BUFFERREACTIE

 

Een buffersysteem is een systeem, waarin het effect van een of meerdere invloeden gestabiliseerd wordt rond een bepaalde streefwaarde. Het is dus een voorbeeld van mooi afgestelde negatieve terugkoppeling.

Soms wordt het buffersysteem buiten zijn grensmogelijkheden gewoon een passief meegaand systeem, dat later in staat is, als de storende factoren weer "normaliseren", zijn rol te gaan spelen.

Soms treden er boven en beneden de buffergebiedsgrenzen echter systeemveranderingen op. Deze kunnen bv. veroorzaken dat de effecten, die binnen het gebied bufferend werken, buiten dat gebied pathogeen gaan werken. Bv. geestesziekte: vele personen worden in psychisch evenwicht gehouden door het "normaliserend", "bufferend" effect van de reacties der omgeving. Doch wordt een gedrag plots sterk afwijkend, dan kunnen diezelfde reacties de afwijkingen juist versterken. Bv. lachen met iemand die iets raars zegt.

Bv. scheikundig buffersysteem (buffermengsel)

Dit is een scheikundige oplossing waarbij de zuurtegraad (pH) vrij stabiel blijft, ondanks toevoegen van zuur of base.

In praktijk is het ofwel: zwak zuur (bv. azijnzuur) CH3COOH? en zout van sterke base + dat zuur (bv. Na CH3COO? + NaOH?) ofwel: zwakke base en zout sterk zuur met die base

Het toevoegen van (pH-storende) H+ of OH- doet de reactie onmiddellijk verlopen, zodat die storende elementen onmiddellijk worden gebonden.

 

B. EVOLUTIES

 

Als het systeem een invloed ondergaat, kan het ook beginnen evolueren. Deze evolutie kan negatief (leidend tot destructie) of positief (leidend tot beter functioneren) zijn.

Evoluties treden zelden ineens op, d.w.z. meteen naar een eindstadium. Gewoonlijk vervalt of stijgt een individu naar een ander niveau van homeostase.

We zullen de evoluties, de allerhoogste vorm van "reageren", in een volgend hoofdstuk uitvoerig bespreken.

 

2) UITWENDIGE REACTIES

 

Hierbij vertoont het beïnvloede systeem een activiteit, die effect heeft op andere systemen.

Hierbij zullen we eerst die beïnvloede systemen bekijken, en dan de manieren van reageren.

 

A. beïnvloede systemen

 

Het beïnvloede systeem van het systeem zijn, dat de reactie uitlokte, ofwel een derde systeem.

 

1. het oorzakelijke systeem = TERUGKOPPELING (FEEDBACK)

Hierbij heeft de eerste invloed een activiteit van het beïnvloede systeem voor gevolg, die op zijn beurt het eerste systeem beïnvloedt.

Deze terugkoppeling kan negatief of positief zijn.

 

1) NEGATIEF

-1. ONBEGRENSDE terugkoppeling: bv. een paal die men in de grond heit.

Soms is de terugkoppeling meteen zo sterk als de input. Er kan dus niets gebeuren. Bv. een zware vuistslag op een betonmuur.

-2. BEGRENSDE terugkoppeling, een "buffer": bv. ballon waarop men duwt, doch plots begeeft; een verwarming met thermostaat waardoor de temperatuur thuis constant blijft, tenzij bij een zeer harde winter of een hittegolf.

- Het regelen (negatieve terugkoppeling) kan lineair zijn, of stapsgewijs (bv. enkele correctiemogelijkheden, bv. koelvenster met 4 standen).

De correctie kan continu zijn, of periodiek: d.w.z. om de zoveel tijd wordt een meting verricht, en wordt een blijvende tegenmaatregel genomen. Bv. in een team, waar men periodiek maatregelen neemt, en periodiek (op basis van statistieken e.d.) de toestand weer nagaat.

Nadelen van periodieke correctie-instelling: de wijzigingen kunnen sneller optreden, de meting kan (bewust) vervalst worden, vermits het maar een steekproef is (bv. examen). Voordelen: een duur toestel kan honderden systemen regelen (de een na de andere meten en bijstellen). Een bepaald team kan een voor een de verschillende diensten bijwerken.

- In praktijk vraagt terugkoppeling tijd. Is de terugkoppeltijd niet aangepast aan de tijd om te reageren, dan ontstaan er schommelingen (oscillaties:)

toepassing: tremor (beven) kan ontstaan als het spiertonusregelmechanisme verstoord wordt, bv. als de hersencortex de taak van de basale kernen of het cerebellum moet overnemen.

 

2) POSITIEVE terugkoppeling

-1. ONBEGRENSD (explosief als er energie-input is): bv. een atoombom

-2. BEGRENSD, bv. flipflop, schakelaar

In feite zijn schakelaars systemen met positieve terugkoppeling, waarbij dus snel de bovengrens bereikt wordt (het ene uiterste of het andere, alles of niets). Zoniet krijgen we een explosie-effect.

 

OPMERKING

Al naargelang de spontane evolutie na de eerste verstoring door de input, kan men een systeem als labiel, stabiel of metastabiel beschouwen. Een stabiel systeem keert terug naar zijn uitgangspunt, omdat er een negatieve feedback is, bv. een zware klok verduwen, die telkens terugkeert naar zijn uitgangsstand. Een labiel systeem keert nooit terug naar zijn uitgangspunt, bv. een ronde steen vanop een hellingtop duwen. Een metastabiel systeem keert in het begin terug naar zijn uitgangspunt, doch voorbij een zekere drempel nooit meer, bv. een zware kast die men tracht omver te duwen.

 

2. andere systemen = KETTINGREACTIE

 

Soms veroorzaakt de activiteit van een systeem een activiteit bij een ander systeem, die op zijn beurt effect heeft op derde systemen, enz.

De weg waarlangs de invloed doorgegeven wordt, noemt men COMMUNICATIE- of ENERGIEKANAAL.

Dit is in praktijk de meest voorkomende vorm van invloed, vermits een invloed, die absoluut beperkt blijft tot twee naburige systemen, hoogst zeldzaam is.

 

OPMERKINGEN

 

Elk actief systeem beïnvloedt theoretisch alle andere systemen uit het heelal. Doch in praktijk is deze invloed na enkele systemen niet meer meetbaar, of gaat hij (door summatie) op in andere invloeden, om er samen mee de RUIS te bepalen naar buiten, en de SPONTANE SLEET voor het systeem zelf.

 

In ons dagelijks denken richten wij onze aandacht meestal naar het systeem dat bewust de invloed uitstraalt, en de effecten op het bedoelde systeem. We geven daarbij meestal geen aandacht aan de effecten op

(1) de TUSSENLIGGENDE SYSTEMEN (bv. de lucht die de klank van het gesprek doorgeeft)

(2) de NEVENEFFEKTEN op andere systemen, bv. wat de omgeving ongewild van ons gesprek opvangt

(3) de REACTIES van het beïnvloede systeem, waarvan sommige naar de zender teruggaan, die dus kunnen dienen als nieuwe invloeden, soms de invloed weer tenietdoen, en soms zelfs voor de zender onaangename en niet-bedoelde gevolgen hebben.

(4) de effecten op de zender ZELF, bv. de opgeroepen fantasmen in hem.

 

Meestal maken we geen grote fout door deze bijeffecten te vergeten, omdat ze behoren tot de ruis of de spontane sleet, of geneutraliseerd worden door het bufferend vermogen der betrokken systemen.

Soms echter zijn deze effecten heel belangrijk, en mislukken dan bv. goed bedoelde veranderingspogingen. We maken dan een grove fout door ze te vergeten.

Het is in de psychologische school van het systeemdenken gebruikelijk te wijzen op het enorme belang van deze bijeffecten. Los van het feit dat sommige scholen die zichzelf "systeemscholen" noemen in feite meer communicatietheorieën gebruiken dan systeemtheorieën, is het gewicht dat aan die bijeffecten gehecht wordt soms zo groot, dat de hoofdzaak vergeten wordt.

 

B. manieren van reageren

 

1. direct reageren

Hierbij treedt de reactie onmiddellijk op.

2. later reageren

Hierbij verloopt er enige tijd tussen beïnvloeding en reactie.

3. intermittent reageren

Dit wil zeggen: soms wel, en soms niet. Dit is zeer frequent bij complexe systemen. Inderdaad, bv. bij het veranderen van gewoontes, is het niet zo dat deze progressief verdwijnen. Hun frequentie neemt wel af (of toe) gemeten over langere periodes, en statistisch bekeken. Doch zelfs in de "verbeteringsperiode" kunnen er nog, soms even sterk, soms zelfs sterker dan vroeger, ongewenste gedragingen (de "oude gewoonte") optreden. Men duidt dit soms aan met "de laatste stuiptrekkingen". Doch deze kunnen hevig zijn!

4. aanvankelijk paradoksaal reageren

Het kan gebeuren dat een reactie, die eigenlijk op de goede weg is, aanvankelijk in de ongewenste zin lijkt te verlopen, bv. omdat er eerst een psychisch verklaarbare weerstand optreedt, of omdat er een tijdelijk gemis van voordeel is, wat bv. prikkelbaarheid vergroot, of omdat de toegenomen mogelijkheden in het begin nog disharmonisch reageren (bv. eerst een bom gooien op Hirosjima, alvorens de atoomenergie een vreedzame toepassing krijgt.

Zo ook zal iemand die ver wil springen, eerst een eindje achteruit gaan om een aanloop te nemen. En zal iemand die aan een liane bengelt om ergens te geraken, steeds maar weer over en weer schommelen, en vlak voor hij het doel bereikt er verder van verwijderd zijn dan ooit!

TOEPASSING: HET J-FENOMEEN (HET VLIEGENVANGERFENOMEEN)

Dieren (bv. vliegen die tegen een openstaand raam blijven aanbotsen, of in een antieke vliegenvanger zitten), jonge kinderen (bv. die een haakje moeten losmaken door eerst wat terug te bewegen), en iedereen die simplistisch redeneert, zoals vele neurotici die principieel denken, geraken soms niet uit een moeilijke situatie, omdat "in de goede richting gaan" de zaak slechts verergert, terwijl even achteruitgaan eigenlijk een stap in de goede richting is. Zoals iemand die in het korte been van een J-vormige buis zit, en naar boven wil, eerst naar beneden moet, alvorens hij in het grote been kan komen.

TOEPASSINGEN

Op deze fenomenen, waar complexe systemen zo grondig verschillend reageren dan eenvoudige systemen, bestaan er talrijke toepassingen:

1. Vaak vergist men zich bij het beoordelen van het effect van zijn beïnvloedingspogingen. Bv. als men gedrag tracht af te leren, kan dit in den beginne nog geen effect hebben. Als men dan ontmoedigd geraakt, is er veel energie verloren! Soms zal de ontmoediging, die optreedt na het aanvankelijk uitblijven van het verwachte effect, juist de oorzaak worden dat het nog verergert.

Bij het behandelen van depressie, zelfs met de beste antidepressiva, duurt het twee a drie weken voor het effect zichtbaar wordt, en voelbaar voor de depressieve zelf. Dit kan leiden tot verlies aan vertrouwen in de therapie en de therapeut, zodat de behandeling voortijdig afgebroken wordt. Deze mislukte therapie is dan een bijkomende reden tot depressie.

2. De evolutie van een systeem, kan men niet beoordelen aan de hand van het progressief duidelijker worden van het eindcriterium. Bij zwangerschap komt een baby niet negen maanden lang langzaam uit de buik te voorschijn, maar plots op het laatste moment. Zo ook moet de evolutie van onze samenleving naar harmonie en vrede niet noodzakelijk leiden tot een langzaam afnemen van agressie, het langzaam toenemen van het aantal mensen dat gelukkig is, enz. Systeemtheoretisch lijkt dit voor de hand te liggen, doch bovenstaande simplistische redenering is in feite het meest gebruikte "bezwaar" tegen de positieve voorspellingen van de evolutieleer.

 

(Gecreëerd 1985 - Laatst bijgewerkt )