1000-1999
Sites per thema:
psy0 algemeen
psy1 systemen
psy2 denken
psy3 brein
psy4 individu
psy50 diagnostiek
psy54 behandeling
psy6 optimaal
psy7 groepen
psy8 suboptimaal
psy9 optimaal

1018 Evolutiekenmerken


DYNAMISCHE KENMERKEN VAN EVOLUERENDE SYSTEMEN


In de wereld van de eenvoudige systemen worden vaak statistieken aangewend om de "norm" aan te geven, d.w.z. wil men weten hoe groot of zwaar iets is, dan meet men een heleboel exemplaren, en maakt het gemiddelde. Hoewel deze werkwijze al beter is dan de primitieve, die bv. in het gerecht nogal vaak wordt gebruikt, nl. een willekeurige meting verrichten, en daarop algehele conclusies baseren, is deze redenering voor het beoordelen van evoluerende systemen duidelijk onvoldoende.

Overigens is de Gauss-curve van de "normale statistische spreiding" eveneens een begrip uit de eendimensionale fysica, en dit begrip kan bij complexe systemen maar met grote onnauwkeurigheden toegepast worden. Het voornaamste verschil is, dat systemen zelden een symmetrische spreidingscurve hebben, maar een kant (bv. de pathologische kant, de lage IQ's) is meer uitgesmeerd dan de andere. Men ziet dit niet alleen bij intelligentietests, maar ook bij persoonlijkheidstests.

Daarenboven is de spreiding, bij systemen die nog evolueren, veel groter dan bij (fysische) systemen die nog niet evolueren. Dit komt omdat niet alle leden van de groep een even sterke evolutie doormaken. Systemen, waarvan de evolutie is tot stilstand gekomen, hebben een relatief smalle spreidingsbasis.

Immers, zoals gezien hebben vertonen systemen in evolutie en complexe processen enige typische kenmerken, die, als ze verkeerd geïnterpreteerd worden, tot heel verkeerde conclusies leiden kunnen:

1. DE EVOLUTIE GEBEURT SPRONGSGEWIJS


Dus als men gewoon eenmaal meet, kan men onmogelijk het verschil zien tussen systemen die op het punt stonden een hogere trap te bereiken, en andere, die daar ver af stonden.


Bv. op basis van studie-uitslagen op einde van humaniora of universiteit heeft men niet de minste indruk over het later professioneel welslagen van deze mensen. Dit is nog niet zo erg, tenzij er bepaalde kandidaten afgewezen worden op basis van de redenering dat ze "niet voldoende zijn voorbereid op hun beroep".


Het ergste is, dat statistieken deze soort redenering komen bevestigen, en dat men er zelfs door de eerlijkste statistische zelfcontrole nooit kan uitkomen. Want als men zijn voorspellingen achteraf statistisch controleert, haalt men altijd gelijk, vermits de voorspellingen juist op statistieken gebaseerd zijn. Het ergste is echter voor de betrokkene zelf, die beoordeeld wordt alsof hij alle kenmerken vertoont van de "gemiddelde" persoonlijkheid, hoewel hij daar, bijna per definitie, onmogelijk kan op gelijken. Want zoals een evolutie trapsgewijs gebeurt, en niet progressief, zou het zelfs kunnen dat de statistieken iemand situeren op een niveau dat individueel zelfs niet kan bereikt en in elk geval niet behouden worden.

2. HET BEGRIP NORMAAL

Is een evolutieproces van soorten systemen tot rust gekomen, dan is het zo dat de meerderheid der exemplaren zich rond een bepaalde situatie bevindt, dat het einddoel van deze evolutie was. In dit geval is de meerderheid van de exemplaren in een "normale" situatie, met een minderheid die te ver evolueerde, en een andere die nog niet ver genoeg was. M.a.w. "normaal" heeft bij stationaire systemen (en bij eenvoudige systemen, die niet evolueren) twee betekenissen: "zoals het hoort" en "zoals de meerderheid".


Vertrekkend van dit principe kan men nagaan of een exemplaar normaal (=zoals het hoort) is:" men vergelijkt het gewoon met de meerderheid.


Maar met systemen in evolutie gaat deze redenering niet op: aan de top is een minderheid, dan komt het "peloton", en tenslotte deze die aan de "staart" zijn. "Normaal" betekent nu alles behalve "zoals het hoort". Integendeel, zijn zoals de meerderheid is bijna het bewijs dat men ver achter is op de mogelijkheden die in zich sluimeren. Het begrip normaal heeft nu geen zin meer. Daarom gebruikt men beter twee aparte termen, nl MODAAL (=zoals de meerderheid, dus achter), en OPTIMAAL (=zoals die minderheid die het verst gevorderd is). Anderzijds is niet-modaal zijn geen synoniem van optimaal. Men kan ook in de staart zijn. "Pessimaal" of PATHOLOGISCH is hier een goede term voor.


Doch bij het beoordelen van de evolutiegraad van systemen (bv. het "indelen" van de persoonlijkheidstypes) moet men zeker zijn dat men wel goed oordeelt, want zoals gezegd kunnen bepaalde evoluties sprongsgewijs verlopen, d.w.z. veranderingen doormaken die en tijdlang aan het observatievermogen ontsnappen, zoals water dat opwarmt, en uiteindelijk spectaculairder verandert tussen 99.5 en 100.5 graden, dan tussen 20 en 70 graden, terwijl er in feite veel meer gebeurt in dit laatste geval.

3. DYSSYNCHRONIE

Een ander heel belangrijk aspect van de evolutie van complexe systemen, in situaties waar de omgeving een medeïnvloed heeft op de groei, is de synchronie, d.w.z. het samenvallen in de tijd van de begunstigende omstandigheden.


Er zijn twee vormen van synchronie, nl. de uitwendige, en de inwendige.


1) UITWENDIGE SYNCHRONIE

Hiermee wordt bedoeld, dat systemen, om gunstig te kunnen evolueren, in bepaalde omstandigheden zitten. Doch deze omstandigheden, ook onder invloed van het evoluerend systeem zelf, veranderen eveneens!


Op die manier kan het voorkomen, dat systemen, die voor of achter zijn op het gemiddelde van hun groep, hinder ondervinden van de omgeving, eerder dan steun. De omgeving, die "normaal" is voor modaal evoluerende systemen, wordt plots een bron van conflicten en hinder voor het evoluerend systeem.


Het risico, als men dit fenomeen niet doorziet, is dat men verkeerde conclusies trekt uit evolutiepeil en -richting van het evoluerend systeem. Want bij systemen die voor zijn (bv. zeer begaafde kinderen, mensen die "voor zijn op hun tijd" kan men verkeerd tot de conclusie komen dat het pathologische gevallen zijn, en bij systemen die achter zijn (bv. psychiatrische patiënten) is men niet bewust dat het "normaalste" milieu eigenlijk pathogeen kan worden.


2) INWENDIGE SYNCHRONIE

Hiermee wordt bedoeld dat een systeem meerdere kenmerken heeft, en dat de gedeeltelijke ontwikkeling van een kenmerk soms goedgemaakt wordt door een gedeeltelijke ontwikkeling van een ander kenmerk. Als een systeem nu in gunstige zin begint te evolueren, dan betekent dit in praktijk steeds dat enkele kenmerken evolueren. De kans is echter groot dat andere kenmerken niet evolueren, hoewel dat op zichzelf genomen niet zou moeten, vermits ze niet anders zijn dan bij de middelmaat. Nochtans stelt het ontwikkelen van sommige kenmerken in gunstige zin eisen voor de ontwikkeling van andere kenmerken, zoniet komt het systeem in moeilijkheden. Dit verschijnsel noemt eveneens dissynchronie: het disharmonisch ontwikkelen van kenmerken, die samen zouden moeten ontwikkelen om het hele systeem in evenwicht te houden.


Vb. Iemand die niet in staat is een relatie op te bouwen, en daarin telkens mislukt (slecht ontwikkeld relatievermogen) lijdt daar niet onder, als hij tezelfdertijd de overtuiging toegedaan is dat een mens zich als individu beter kan ontwikkelen buiten het remmende van een relatie (slecht ontwikkeld realiteitsbesef). Doch als hij plots tot de overtuiging zou komen, bv. door een "goede" psychotherapie, dat relaties eigenlijk iets heel moois zijn, en onontbeerlijk voor de ontplooiing van de persoonlijkheid, zal hij erg gaan afzien van zijn onvermogen tot relatie.


Bv. Iemand die slecht kan organiseren, doch die ook niet erg creatief is, mist zijn organisatietalent niet, omdat hij de begane paden betreedt waar anderen hem langs leiden. Maar een creatief persoon zonder organisatietalent lijkt regelrecht een levensmislukking tegemoet te zullen gaan.


Dat beide fenomenen dissynchronie genoemd worden, is niet alleen omdat ze analoog zijn, maar ook omdat ze vaak identiek zijn: de uitwendige dissynchronie is dikwijls het gevolg van de inwendige dissynchronie, en omgekeerd (cfr voorbeelden).

TOEPASSING

Vaak ontmoet men in psychotherapie mensen, die niet pathologisch zijn, maar gewoon in moeilijkheden komen door hun dyssynchrone (dus eenzijdige) superioriteit.


Dit is een punt waar de klassieke indelingen van de psychiatrische aandoeningen erg onbevredigend zijn.


Eén van de grootste conflicten van die mensen is, dat het lijkt (door zelfanalyse en de raad van anderen die dit fenomeen niet onderkennen) dat hun moeilijkheden door die bepaalde kwaliteit komen (bv. te eerlijk, te creatief, te teder, te geniaal), doch dat ze moeilijk kunnen besluiten die kwaliteit af te bouwen, vermits ze haar juist als zo waardevol beschouwen. Mensen die dit fenomeen niet erkennen worden dan nog gesteund door bekende leuzen als "in medio virtus" en "niets teveel - mêden agán".


(Gecreëerd 1985 - Bijgewerkt )