1000-1999
Sites per thema:
psy0 algemeen
psy1 systemen
psy2 denken
psy3 brein
psy4 individu
psy50 diagnostiek
psy54 behandeling
psy6 optimaal
psy7 groepen
psy8 suboptimaal
psy9 optimaal

1500 Fundamentele materie


DE FUNDAMENTELE STRUCTUUR
VAN DE MATERIE

Dr. Kris Roose, 1973

INLEIDING

Deze hypothetische theorie beschrijft een hypothese over de fundamentele structuur van de materie. Deze hypothese berust op een analogie met de fundamenteelste bekende en waargenomen materiedeeltjes, en tracht deze waargenomen fenomenen op een bevredigende manier te verklaren. Deze theorie heeft echter nog geen directe bevestiging gevonden.

Deze werd in mei 1973 ontwikkeld door Kris Roose, op basis van de wetenschappelijke gegevens over de fundamentele materiedeeltjes en de theorieën van Einstein.

1. HET FUNDAMENTELE DEELTJE

Als het fundamenteelste deeltje wordt het ERGON gepostuleerd. Het ergon is zowel drager van energie als van materie. Op dat niveau wordt er namelijk geen onderscheid gemaakt tussen energie en materie.

Het aspect "energie" betekent: de mogelijkheid om een structuur te veranderen, bv. de mogelijkheid om zich te koppelen aan andere ergonen.


Hoeveel soorten ergonen er zijn wordt besproken in het tweede deel van de abstracte theorie. In principe kan een ergon zich bevinden in twee toestanden: een onverzadigde, waarbij het ergon zich kan koppelen met een ander onverzadigd, en een verzadigde, d.w.z. gekoppeld aan een ander op zichzelf onverzadigd ergon.


MATERIE is een verzameling van een grote hoeveelheid ergonen, op een bepaalde manier gestructureerd. We geven de naam "parton" aan een groepje ergonen.


ENERGIE is het verplaatsen van ergonen, die hun materiedeeltje (parton) verlaten, en zich naar een naburig materiedeeltje begeven. Door de uitstraling van een beetje energie, verdwijnt een deel van de materie in het uitzendende parton. In principe kan alle materie uitgestraald worden onder de vorm van energie. Vandaar Einsteins fundamentele wet


E=m.c^2


Een deeltje dat energie ontvangt, opslorpt, wordt hetzij energierijker, hetzij "zwaarder", wat in wezen hetzelfde is.


Het is niet zeker of uitstralende ergonen hetzelfde zijn als fotonen, gravitonen enz. Wellicht zijn er nog enige tussenliggende niveaus.

2. ENERGIE

A. Het effect

Energie die uitstraalt, d.w.z. die zijn brondeeltje verlaat, komt vroeg of laat terecht in een ander deeltje, waar het iets "uitricht".

Onderweg blijft het uitwijkende ergon onveranderd. Want er gebeurt niets. Moest er iets gebeuren, dan spreken we al van effect.

Het effect van een ergon op een ander parton, bestaat in het transformeren van dat parton. Deze transformatie kan echter van korte duur zijn, bv omdat er weer een ander ergon dit parton verlaat. Dit verlatend ergon is niet noodzakelijk hetzelfde als dat wat er aankwam.


Volgende mogelijkheden zijn theoretisch denkbaar:


1. het inkomend ergon blijft erin, en vormt met de aanwezige ergonen een nieuwe structuur.


2a. deze nieuwe structuur is stabiel

2b. deze nieuwe structuur is niet stabiel. Dan valt het nieuwe parton uiteen.

3a. het valt uiteen in een ergon, en een structuur met evenveel ergonen als ervoor. Deze structuur kan ofwel gelijk zijn, ofwel anders dan de oorspronkelijke structuur.

3b. Het valt uiteen in meerdere brokstukken.

4a. Deze brokstukken kunnen bv. allemaal aparte ergonen zijn.

Al bovenstaande mogelijkheden kunnen teruggebracht worden tot volgende drie: 1. een nuleffect

Het effect wordt gevolgd door een ander, dat het eerste tenietdoet. Het ergon is als het ware doorgegeven.

Dit is de verklaring voor een verplaatsing van ergonen, zonder dat er onderweg een verandering wordt uitgericht.


2. een verplaatsing


Hierbij blijft er uiteindelijk een structuur bestaan die gelijk was aan de oorspronkelijke, doch er liggen nu tussen de bron en de structuur meer of minder tussenstructuren. Wil een volgend ergon of een parton de afstand tussen bron en doelstructuur afleggen, dan ligt er een parton meer (of minder) op de weg tussen beide.

Dit is de verklaring voor het feit dat de "krachten" de afstand tussen twee lichamen vergroten of verkleinen: de uitstralende ergonen doorlopen enkele partonen, waarbij er "niets" gebeurt, en tenslotte gebeurt er een transformatie, die als effect een verdwijnen of toevoegen van een tussenliggend parton heeft, waardoor de afstand "vergroot" of "verkleint".


3. een verandering


Hierdoor wijzigt de structuur van het parton dat het ergon ontvangen heeft.

Deze verandering treedt niet alleen op door het aannemen of uitstoten van ergonen, maar ook volledige partonen kunnen met elkaar gecombineerd worden, en nieuwe partonen geven.

Sommige van deze veranderingen kunnen voor gevolg hebben, dat een parton verdwijnt voor de omgeving (co-nihilatie), of dat een niet waarneembaar parton plots uiteenvalt in twee waarneembare. Dit wordt verder besproken.

B. De voorwaarde voor effect

Om effect te kunnen maken, moet er een aangrijpingspunt zijn voor het ergon of de ergonen die de verplaatsing meemaakten.

Deze aangrijpingspunten bestaan in praktijk uit ergonen die "ongepaard" zijn, d.w.z. wiens "kracht" niet gecompenseerd is door tegengestelde ergonen. Passeert een ergon door een gebied vol partonen, die echter geen "aangrijpingspunten" vertonen, dan treden er geen "effecten" op, en is er ook geen "tijdsverlies" (zie verder).


Toepassingen van dit fenomeen:


1. co-nihilatie


Als twee partonen waarvan alle waarden tegengesteld zijn, elkaar ontmoeten, dan worden alle "aangrijpingspunten" gecompenseerd, schiet er dus geen enkel aangrijpingspunt meer over, en "verdwijnt" de partonencombinatie dus als het ware. Ze wordt namelijk volledig "onwaarneembaar" voor welke kracht dan ook.


2. schepping


In het heelal kunnen vaak partonen aanwezig zijn, die geen enkel aangrijpingspunt voor de buitenwereld vertonen. Doch als er inwendig plots bepaalde wijzigingen optreden, kan het gebeuren dat dit parton uiteenvalt in twee of meer partonen. Als deze partonen dan onverzadigde ergonen vertonen, dan worden dit aangrijpingspunten, waardoor dit parton waarneembaar wordt.

We kunnen in dit geval spreken van "schepping", vermits er plots iets waarneembaar is, daar waar er vroeger op geen enkele manier iets waar te nemen viel.

De discussie of het onwaarneembare parton nu echt bestaat of niet, is uiteindelijk een kwestie van woorden, want bestaan impliceert waarneembaarheid op de een of andere manier. We kunnen zeggen, dat er in het heelal heel veel onwaarneembare partonen zijn, die wellicht veel talrijker zijn dan de waarneembare, zodat we (voorlopig) in principe kunnen spreken van een onbeperkte voorraad voor "schepping" van "nieuwe" materie.


3. het vacuüm


In het vacuüm bevindt zich theoretisch niets. In praktijk zit het heelal vol geconihileerde partonen, die dus onwaarneembaar zijn, en volgens de definitie niet bestaan.

Er is echter een "verschuifeffect" mogelijk. D.w.z., voorbijgaande ergonen (of onverzadigde partonen) veroorzaken een zekere omkeerbare en lichte structuurverandering (zoals een lading die zich verschuift in een metaal), waardoor er plaatselijk toch een zekere onverzadigdheid optreedt, die interageert met de onverzadigdheid van het voorbijgaande parton. Het totaaleffect wordt daardoor veranderd, hetzij versterkt, hetzij verzwakt.


Dit fenomeen vindt men terug in de "virtuele" deeltjes in een vacuüm, waar de "krachtdragers" soms onbegrijpelijk snel verzwakken, of anderzijds niet op korte, maar wel op lange afstand waarneembaar zijn. Dit noemt men "screening" (afscherming) en camouflage. [zie Sc. Am. 85/4, p. 68]

3. MATERIE

Materie is een hoop ergonen, die onderling door hun onverzadigdheid vastzitten in structuren.

A. Op zichzelf

Er zijn drie mogelijkheden:

1) de structuur is stabiel

Dit is wellicht theoretisch. Het ligt meer voor de hand dat er dynamische structuren zijn.

2) de structuur is dynamisch-stabiel

d.w.z. er is een voortdurende wijziging in toestanden, die in feite equivalent zijn, en vlot in elkaar overgaan. Men kan zich dit voorstellen als ergonen die binnen de structuur rondcirkelen.

3) de structuur is labiel

daardoor kan een overgang naar equivalente structuren niet plaatsvinden, en worden er ofwel partonen, ofwel ergonen, ofwel beide uitgestraald.

B. De waarneembaarheid van iets

Waarnemen betekent altijd interageren, d.w.z. uw eigen structuur laten beïnvloeden door de aankomende uitgestraalde ergonen, en daartoe eventueel eerst zelfs ergonen uitsturen.

Iets zal derhalve slechts waarneembaar zijn als het onverzadigd is, d.w.z. onverzadigde ergonen vertoont, aangrijpingspunten. De "waarde" van iets wordt uitsluitend bepaald door de waarneembare "restwaarde", de resultante van alle aanwezige waarden.


Daar men per definitie nooit verzadigde structuren en structuurdelen kan meten, weet men nooit hoeveel verzadigde materie er nog "achter" een waargnomen structuur zit. Een elektron kan bij manier van spreken een heel heelal zijn, waarbij enkel dat ene elektron niet gecompenseerd was. Dit is niet alleen waar op papier! 


Een heelal, met één enkel "uit-stekend" elektron, gedraagt zich ook als één enkel elektron, en is even "lenig" als een elektron dat geen "achterliggend" heelal met zich "meesleept".


In de fundamentele materiehypothese bestaat iets, dat "verzadigd", "in evenwicht" is, dus niet.

C. De hypothese van de ether

Een belangrijk onderdeel van de abstracte theorie is de hypothese van de ether. Deze hypothese is mogelijk door de kenmerken zelf der ergonen en partonen, en vergemakkelijkt het begrijpen van Einsteins relativiteitstheorie.


Er wordt een ether gepostuleerd van onwaarneembare, d.w.z. verzadigde partonen. Doorheen deze ether kunnen allerlei structuren bewegen, d.w.z. dat een beweging van een parton niet noodzakelijk de verplaatsing van dat hele parton vergt. Als een parton (dus een groep ergonen) een ander parton treft, dan kan de structuur "medegedeeld" worden aan dit tweede parton. Op die manier hebben wij de indruk dat er iets integraal verplaatst is, terwijl in feite enkel de structuur werd doorgegeven.


Vandaar dat de begrippen stilstaan en bewegen niet veel zin meer hebben in de ethertheorie, vermits we enkel de structuren kunnen waarnemen (via hun onverzadigde ergonen), maar nooit de lichamen zelf.

Deze hypothese is zowel mogelijk als noodzakelijk. Noodzakelijk, omdat er geen vacuüm bestaat, zodat het zich voortbewegen doorheen een vacuüm steeds gebeurt door interactie met de tussenliggende partonen. Daar dit echter nuleffecten zijn, wordt er geen energie "verbruikt" en geen "tijd" verloren. Tevens worden deze verschijnselen onmeetbaar, zoals Einstein reeds zei dat de ether, of hij nu bestond of niet, in elk geval onmeetbaar was.


De etherhypothese is mogelijk, vermits een verplaatsing, die geen verandering van structuur met zich brengt, geen energie "verbruikt" en geen tijd vergt, en dus onmeetbaar is.


De consequentie van deze fantastische hypothese (die veel verder gaat dan de oorspronkelijke ether-hypothese, die het licht voorstelde als een trilling van de ether), is dat vastheid van materie en constantheid van deeltjes in feite niet bestaan. Het enige wat bestaat is een constantheid van structuur, die wij verkeerdelijk voor constantheid van materie nemen. In feite kunnen "constante" deeltjes en voorwerpen eigenlijk bestaan uit structuren die zich heel snel ten opzichte van de ether aan het verplaatsen zijn.


Deze hypothese maakt het begrijpen der andere aspecten van Einsteins theorieën gemakkelijker.

4. DE BEGRIPPEN PLAATS, TIJD EN SNELHEID

In de abstracte theorie over de fundamentele structuur van de materie worden de begrippen tijd en ruimte, die door Einstein relatief geworden waren, weer absoluut, maar in een andere zin dan voorheen.

Tijd kan niet gemeten worden, tenzij er iets verandert op een meetbare wijze. De kleinst mogelijke verandering is een verandering in de partonenstructuur, d.w.z. een onderlinge verplaatsing der ergonen. Tussen twee transformaties verloopt de absolute minimumtijd.


Een "verschuiving" van een ergon tussen twee partonen brengt geen transformatie teweeg, is dus niet meetbaar, en "duurt" dus niet. Het eigenlijke tijdsverloop zit dus in de veroorzaakte transformatie.

Ook afstand is niet direct meetbaar, maar slechts door de veroorzaakte transformaties. De kleinst mogelijke verplaatsing is deze van een ergon tussen twee structuren waar het een transformatie teweegbrengt. Dit is de absolute minimumafstand. Zijn er transformaties gebeurd die weer tenietgedaan werden door herschikking van de structuur naar de oorspronkelijke staat, dan is er geen echte verandering gebeurd, geen afstand doorlopen, en ook geen tijd verlopen. Hoe "ver" beide naast-elkaarliggende partonen ook van elkaar liggen, de afstand is steeds dezelfde.


Ook het begrip snelheid is veranderd, vermits het per definitie het quotiënt is van afstand over tijd. Vermits de enig meetbare afstand deze tussen twee transformerende partonen is, en de absolute minimumtijd de tijd van een transformatie is, is de enige bestaande snelheid deze van het ergon. Dit is de absolute snelheid, de enig mogelijke snelheid.


De enige snelheid die in de natuur bestaat is deze absolute snelheid. Wellicht is deze gelijk aan de snelheid van het licht, d.w.z. de snelheid van een foton (wellicht het kleinste thans bekende parton) tussen twee transformaties.


Verloopt de snelheid van een verplaatsing iets trager dan deze van het licht, dan is dat omdat er complexe transformaties plaatsgrepen, waarbij het voorwerp (in feite de structuur) heen en weer bewoog. Elke beweging verloopt met de absolute snelheid, doch de totale gemeten snelheid lijkt maar een deel te zijn van de absolute snelheid. Zoals die stapwijze, waarbij men telkens twee stappen vooruit en een terug zet. Elke stap verloopt met de normale snelheid van het gaan (ong 5 km/u), maar de hele tocht blijkt veel trager te verlopen.

Tevens begrijpen we Einsteins verklaring, dat de snelheid van het licht de hoogst mogelijke snelheid is. Niet alleen is het de hoogst mogelijke, maar tevens de enig mogelijke. Tragere snelheden zijn valse indrukken.

Een deeltje of parton kan dus sneller gaan bewegen, door te zorgen dat er onderweg minder transformaties moeten gebeuren, d.w.z. door zich meer af te zonderen, d.w.z. minder aanknopingspunten te gaan vertonen, minder uitwendige onverzadigde ergonen. Een foton, en alle andere krachtdragers, die de snelheid van het licht halen, zijn dus -tot op het ogenblik van hun effect- geïsoleerd, veroorzaken dus geen (waarneembare) transformaties, en verplaatsen zich dus met de snelheid van het licht. Dat betekent ook dat een structuur die zich kan isoleren, geen snelheidsbeperking of tijd meer kent.

5. DE GRENZEN VAN HET HEELAL

Volgens deze theorie dijt het heelal niet uit in de eigenlijke zin van het woord. Want uitdijen impliceert dat er ergens plaats is om in uit te dijen, dat de materie dus langzaam de beschikbare ruimte vult.


Vermits er een absolute afstand is tussen twee structuren, die steeds dezelfde blijft, zal de structuur, die de "buitenste" ligt in het heelal, steeds op dezelfde afstand blijven van de voorlaatste, zodat op die manier het heelal niet kan vergroten. Daarenboven is de afstand tussen die "buitenste" parton tot het parton dat helemaal aan de andere zijde ligt van het heelal, ook gelijk aan de absolute minimumafstand, zodat het slechts de absolute minimumtijd vraagt om de "andere" kant van het heelal te bereiken. Op die manier begrijpen we Einsteins stelling, dan het heelal eindig en onbegrensd is, en dat een voorwerp, dat zich altijd recht voortplant, uiteindelijk van de andere kant schijnt af te komen.


Het kan natuurlijk zo zijn, dat de waarneembare afstand tussen ver van elkaar liggende lichamen toeneemt. Dat betekent echter alleen, dat het aantal tussenliggende partonen toeneemt, zodat er meer transformaties dan voorheen moeten doorlopen worden om van het ene lichaam naar het andere te komen.

6. DE ALGEMENE VELDTHEORIE

De algemene veldtheorie verklaart het effect van deeltjes en voorwerpen op elkaar, doordat elk materiedeeltje rondom zich enkele krachtvelden uitstraalt, die de bewegingen der omgevende deeltjes beïnvloeden, en deze hetzij aantrekken, hetzij afstoten. Deze velden zijn van vier bekende soorten, en deze verschillen in kracht, voelbare afstand, en ook soms van effectzin.


In het algemeen zijn slechts voorwerpen, die een "lading" (bv. elektromagnetisch) vertonen waarop een veld kan inwerken, gevoelig voor dat veld. Men heeft in de deeltjesfysica reeds "krachtdragers" gepostuleerd voor deze vier velden: fotonen, gravitonen, bosonen en gluonen.


Het is niet de bedoeling van de abstracte theorie over de fundamentele structuur van de materie, om te beweren dat de vier thans bekende krachten inderdaad de fundamenteelste zijn, en al direct door de ergonentheorie kunnen verklaard warden. Veeleer beperkt de ergonentheorie zich ertoe aan te tonen, dat op basis van de aangevoerde postulaten het bestaan van meerdere krachten verklaarbaar is, en mede de fenomenen vér- en kortdragendheid, en het bestaan van eendirectionele krachten (zoals zwaartekracht).

Theoretisch zou men kunnen zeggen dat de ergonen apart "uitstralen", en de verschillende effecten (nuleffect, transformatie en verplaatsing) uitlokken. Hoewel er ongetwijfeld ergonen zullen zijn die apart uitstralen, is hun effect wellicht erg klein, vermits ze zo gemakkelijk combineren zullen met andere ergonen.


De kans is dus veel groter, dat de ergonen in groepjes uitstralen, en er diverse combinaties voor dergelijke groepjes zijn. Elke soort kenmerkt zich dan door combinatiemogelijkheden met bepaalde andere combinaties, die ofwel los "vliegen", ofwel aan de "oppervlakte" van grotere partonen zitten.


Stralen die "aantrekken", zijn stralen die ofwel "in" het parton "verdwijnen", ofwel met aankomende "tegenstralen" combineren, en co-nihileren, d.w.z. feitelijk verdwijnen (in de "ether"), zodat de afstand verkleint tussen de twee partonen.


Bij afstoting gebeurt het omgekeerde: ofwel worden er "stukjes" losgemaakt van het tweede parton, ofwel worden er in de ether, die "in rust" verkeerde, verschuivingen teweeggebracht, en dus onevenwichten, die aldus leiden tot de "aanwezigheid" van meer meetbare tussendeeltjes, zodat de afstand vergroot.

Krachten die maar één zin hebben zoals de zwaartekracht, zijn effecten die, door een toevalligheid, slechts een van beide eindeffecten kunnen veroorzaken (zoals een symmetrische structuur gelijk blijft, hoe men ze ook draait).


Dat de tussenliggende ether sterk betrokken wordt bij het veldeffect, is in elk geval thans al merkbaar met de verschijnselen van screening en camouflage.


Hoe die ergonencombinaties er in werkelijkheid uitzien, kan thans nog niet gezegd worden. Het zou wel interessant zijn na te gaan, wat de theoretische mogelijkheden zijn.

7. HET FENOMEEN DER DIMENSIES

Waarom er drie (of vier) dimensies zijn, en niet meer of minder, wordt ook door de ergonenhypothese verklaard.


De vierde dimensie wordt als volgt verklaard: een groep partonen die zich structureel zodanig isoleert, dat hij "onaangrijpbaar" en dus tevens "onwaarneembaar" wordt voor de omgevende partonen, ondervindt bij verplaatsingen dus geen "hinder" van allerlei interacties, en verplaatst zich dus tegen de absolute snelheid, nl. deze van het licht. Voor hem staat de tijd dus stil. Komt hij plots ergens aan, m.a.w. verliest hij (zoals een foton dat plots interageert) zijn geïsoleerdheid, dan blijkt hij een lange weg afgelegd te hebben in heel weinig tijd. De indruk van de omgeving hierbij is, dat er een andere weg is afgelegd dan langs de bekende drie dimensies. De vierde dimensie is dus als het ware een verkeerde voorstelling, die echter verrassend reëel is!

Het fenomeen der drie dimensies is moeilijker uit te begrijpen. Het is meer een logisch, dan een ruimtelijk fenomeen.


Het houdt verder verband met de vraag, hoeveel "fundamentele" ladingen er zijn, namelijk hoe het ergon er uit ziet.


Mogelijke hypothesen:


1. er is één soort ergon. Deze hypothese is niet houdbaar, vermits er geen interacties denkbaar zijn met eenheden.

2. er is één soort ergon, dat echter twee "polen" vertoont. Theoretisch is dit hetzelfde als twee soorten ergonen, die elkaar zouden aantrekken, en in groepjes van twee zitten. Dit is evenmin houdbaar, want als ze "tegen elkaar" zouden zitten, dan zouden ze elkaar volledig neutraliseren, en dus "co-nihileren".

3. er zijn drie soorten ergonen, elk met een lading. Hoewel dit aanlokkelijk is als hypothese, want het ene soort ergon zou tussen de twee andere kunnen zitten, en die uit elkaar houden, zodat er toch ergonencombinaties met twee polen overschieten. Doch dat ene ergon kan zelf niet koppelen, en zou dus alleen afstotend zijn. En waarom zou het dan tussen de andere ergonenladingen blijven zitten?

4. er zijn drie ladingen, A, B en C, die samenzitten per twee, en die samen het derde waard zijn. Dus geen "negatief" en "positief", maar zodanig dat

A+B=-C A+C=-B B+C=-A

Wiskundig lijkt dit moeilijk, maar wat er ook van weze, deze hypothese is zeer aantrekkelijk.

Want als er een apart deeltje (bv C) zou bestaan, dan zou dit zich ofwel willen binden aan een ander apart (en vermits zijn eigenlijke tegenhanger niet apart bestaat, kan hij dit niet), ofwel aan een combinatie (bv AB), en kan er geen conihilatie optreden, vermits AB en C elkaar wel neutraliseren, maar A en B nog apart invloed kunnen uitoefenen, zodat de combinatie ABC nog de waarden A en B vertoont, en dus weer kan combineren met hetzij BC (als -A t.o.v. A) en AC (als -B ten opzichte van B). Doch ook C blijft actief. Het wordt wel soms geneutraliseerd door AB, maar als A zich neutraliseert met een BC, is het effect van AB als -C niet meer aanwezig! Nochtans verlaat A de groep niet, vermits BC samen -A geven, zodat de structuur behouden blijft.


M.a.w., de ergonen verschijnen als triolen, die naar buiten alle waarden kunnen aannemen, doch daardoor juist sterker in hun binding worden. Het aannemen van een waarde naar buiten heeft voor gevolg dat de andere a.h.w. verdwijnen. Een "los" triool kan dus alle drie waarden aannemen, elk met hun negatieve en positieve vorm. Elk van deze drie soorten lading heeft op het eerste gezicht uitwendig niets met de andere te zien, maar inwendig zijn ze alle verbonden. Een triool kan dus soms ook in rust zijn, want inwendig zijn alle elementen aanwezig!

Daar de drie "ladingen" uitwendig niets met elkaar te zien hebben (bv -A reageert alleen op +A, en niet op B en C), kunnen we zeggen dat er eigenlijk drie soorten werkelijkheid zijn, die los van elkaar kunnen staan. Zijn dit de drie dimensies, apart meetbaar, maar inwendig verweven?


5. een analoge hypothese met vier primitieve ladingen heeft geen zin, want dan zou de werkelijkheid kunnen dissociëren (bv als AB=-C, wat dan met D?)


(Gecreëerd 1973 - Laatst bewerkt )