1000-1999
Sites per thema:
psy0 algemeen
psy1 systemen
psy2 denken
psy3 brein
psy4 individu
psy50 diagnostiek
psy54 behandeling
psy6 optimaal
psy7 groepen
psy8 suboptimaal
psy9 optimaal

1702 Kenmerken


DE KENMERKEN VAN DE EVOLUTIE

INLEIDING

Het bestuderen van de kenmerken van de evolutie gebeurt dus voornamelijk om ons toe te laten de toekomst te voorspellen. Zonder de studie van deze kenmerken is de kans heel groot dat we naïeve of simplistische voorspellingen maken, en dezelfde denkfouten maken als er in de populaire sciencefictionverhalen plaats vinden, of door op sensatie beluste onheilsprofeten. Deze twee soorten naïeve futurologen doen namelijk niet veel anders dan één of enkele opvallende trends naar voren halen, en deze dan simplistisch doortrekken naar de toekomst, daarbij alle andere evolutiewetten vergetende, die een gans ander beeld van de toekomst zouden geven.


DE FUNDAMENTELE WETTEN VAN HET BESTAAN

1. De postulaten van de wetmatige eenheid en de bevattelijkheid

Alvorens over te gaan tot de eigenlijke wetten van evolutie en bestaan is het goed om nogmaals op dit postulaat te wijzen, dat aan de basis ligt van alle wetenschapsbeoefening. Dit postulaat stelt dat alle onderdelen van leven en heelal altijd en overal (blijven) gehoorzamen aan dezelfde wetmatigheden. Er zijn dus geen uitzonderingen, en nog minder twee of meerdere natuur, zoals de hypothese van de bovennatuur het eeuwenlang gesteld heeft.

Voortdurend is de mens geconfronteerd geweest met fenomenen die hij niet begreep. De verleiding was dan ook groot om te stellen dat er, naast de ons omgevende en min of meer begrijpelijke natuur, een soort bovennatuur was, die aan andere wetten gehoorzaamde dan de natuurwetten. Het voordeel van deze hypothese was daarenboven dat we allerlei mythes konden ontwikkelen om die fenomenen toch te verklaren zonder dat die verklaringen hoefden te beantwoorden aan de dagdagelijkse logica.

Doch naarmate de natuurwetenschappen vooruit gingen, bleek de grens tussen natuur en bovennatuur steeds maar op te schuiven ten voordele van de wetenschap. Steeds meer wetenschappen verhuisden van het domein van het bovennatuurlijke naar dat van het natuurlijke. Daarom groeide de mening veld, dat het bestaan van een bovennatuur een valse indruk was, een poging om onze onwetendheid te camoufleren en te vergoelijken. Maar vermits onze vooruitschrijdende wetenschappelijke inzichten nog nooit een grens hebben ontmoet, m.a.w. nog nooit fenomenen die in strijd waren met de gekende wetmatigheden, is het nuttiger de hypothese te hanteren dat wij wellicht op een dag alles zullen kunnen begrijpen en verklaren. Dit is uiteraard een hypothese die wij niet kunnen bewijzen, maar die wij als werkhypothese aanwenden zolang het tegendeel nog niet bewezen is. Het praktische van een dergelijke hypothese is dat wij toch zeker niet zullen stoppen met zoeken op terreinen waar wij eigenlijk toch inzicht zouden kunnen verkrijgen.

Uit deze beide hypothesen, de wetmatige eenheid van het heelal en de bevattelijkheid der wetmatigheden, mag men uiteraard geen simplistische conclusies trekken.

1. Ze betekenen niet dat wij alles nu al begrijpen. Voor vele fenomenen zullen wij nog decennia, misschien wel eeuwen, en wie weet wel tot het einde der tijden moeten wachten.

2. Deze hypothesen betekenen ook niet dat elke wetmatigheid die wij tot nog toe formuleerden juist is. Zelfs de grootste monumenten van de wetenschap, zoals Newtons mechanica, werden door Einstein gewijzigd, en ook Einsteins theorieën werden door de kwantummechanica vervolledigd en genuanceerd.

3. Deze hypothesen betekenen ook niet dat de fenomenen, die voorheen door bovennatuurlijke verklaringen "bewezen" werden, nu plots niet meer zouden bestaan. Veeleer zal men zien dat de wetenschap die fenomenen op een andere manier verklaart, zonder dat die fenomenen zelf iets van hun grootsheid of belang hoeven te verliezen. Zo hebben noch Galilei’s of Copernicus’ stellingen iets afgedaan van de grootsheid van het heelal, zoals de evolutieleer evenmin de mens reduceerde tot een zijtak van de apen. Dit is nochtans steeds de vrees van de traditionalisten als zij nieuwe theorieën weigeren te aanvaarden: zij verwijzen doorgaans naar die ontluisterende consequenties om te argumenteren dat die nieuwe inzichten gewoon niet juist kunnen zijn. Zelfs de Godshypothese heeft haar plaats in deze evolutieleer (zie deel 4).

2. De wet dat alles evolueert

Hoe aantrekkelijk de evolutieleer ook lijkt, bij nader toezien rijzen er toch enkele problemen die het geloof in dit principe aan het wankelen schijnen te (kunnen) brengen.

Vooreerst lijken bepaalde sprongen en faseovergangen zo groot te zijn, dat ze ongeloofwaardig lijken. Bekende knelpunten zijn de overgang van dode naar levende stof (anorganisch naar organisch) en de overgang van dier naar mens. Maar ook paradoxale verschijnselen, zoals het feit dat het virus, dat vele miljoenen jaren ouder is dan de cel, niet kan bestaan zonder cel als woon- en actieterrein.

Bij meer genuanceerde beschouwingen verkrijgen zelfs deze delicate overgangen echter een grotere waarschijnlijkheid, tenminste als men ment bepaalde factoren rekening houdt.

1. Vooreerst de overgang van dode naar levende stof, dus van anorganische naar organische stoffen. Niet alleen lijkt deze stap te groot om "spontaan" te gebeuren, daarenboven doet het fenomeen zich vandaag de dag blijkbaar niet meer voor.

Dat het toch "spontaan" kan gebeuren werd schitterend aangetoond door een scheikundestudent, Wilson (?), die kunstmatig de atmosferische toestand van die periode in vitro reconstrueerde. In een gesloten vat bracht hij een reeks anorganische stoffen in oplossing, verwarmde die tot op de temperatuur die de oceaanoppervlakte toen had, en bracht die in een atmosfeer van stikstof (dus geen zuurstof) waar regelmatig bliksemachtige elektrische ontladingen plaatsgrepen. Na enkele dagen reeds bevatte de vloeistof enkele organische stoffen die in de natuur enkel in levende wezens aangetroffen worden. Daardoor bewees hij dat de overgang van dode naar levende stof niet alleen mogelijk was, maar bijna automatisch en onvermijdelijk optreedt als men tenminste het oorspronkelijke milieu herstelde. Dat dit vandaag niet meer gebeurt is te wijten aan milieuveranderingen die het gevolg waren van de evolutie. Alleen maar de zuurstof, een afvalproduct van de planten die er onze atmosfeer voor 20% mee vullen, werkt als gif voor het open en bloot tot stand komen van die biochemische overgang.

2. Ook de overgang tussen dier en mens lijkt op zijn minst twijfelachtig, en velen vinden dan ook de hypothese van een ziel, een bovennatuurlijke substantie, onmisbaar om die overgang te verklaren. Ook hier speelt het feit dat deze overgang zich vandaag schijnbaar niet meer voltrekt een rol. Het is daarbij vervelend voor de evolutieleer dat alle tussensoorten tussen de parapitheus en de huidige mens uitgestorven zijn. Er worden weliswaar nog enkele fossielen teruggevonden, maar het zou zoveel gemakkelijker geweest zijn dat sommige tussensoorten vandaag de dag nog zouden bestaan.

Nochtans staat de mens niet alleen in dit fenomeen. Ook de onmiddellijke voorlopers van paard, hond en kat, zelfs van de aap bestaan vandaag de dag niet meer. Blijkbaar is dit een universele fenomeen dat een nieuwe soort zijn onmiddellijke voorganger het leven letterlijk moeilijk maakt. Misschien is een toevallige afscheiding in gebeid of biotoop nodig om elkaar niet "in de weg te lopen". Voor de mensachtigen is dit wellicht nog meer het geval, omdat deze streeft naar socialisatie ?zijn meest opvallend evolutionair kenmerk?, zodat, zoals de Cro-Magnon de Neanderthaler opslorpte, dit ook bij zijn voorgangers het geval zal zijn geweest.

3. Het paradoxale fenomeen dat het virus slechts leven kan binnenin de cel, die vele miljoenen jaren jonger is, kan eveneens verklaard worden door milieuveranderingen. Inderdaad, toen het virus nog aan het ontwikkelen was gebeurde dit binnen de oersoep, een dunne film dia aan de oppervlakte van de warme oceanen dreef. Ook de eerste eobionten ontwikkelden zich wellicht binnen deze oersoep. Doch door allerlei atmosferische veranderingen verdween deze geleidelijk, zodat de vrije levende stof, het protoplasma, uiteindelijk nog slechts binnen de levende cellen voorkwam. De virussen hadden slechts kans op overleven als zij zich aan deze evolutie aanpasten.

De wet dat alles uit zichzelf evolueert houdt in dat er geen ingrepen van buiten (God die de ziel inblaast, Marsmannetjes die hier cultuur invoeren) nodig zijn.

3. De leefbaarheid der mutaties

De wetten van de evolutie, althans op biologisch niveau (niveaus 5-7), werden uitvoerig door Darwin omschreven. De beroemdste is wel zijn survival of the fittest. Daarmee wordt verwezen naar de strijd tussen individu en milieu, waarbij er een natuurlijke selectie optreedt tussen de verschillende verwante varianten, waarbij de beste (mutatie) het haalt. Vele van Darwins wetten werden later genuanceerd omdat ze soms wat simplistisch waren. maar het principe van zijn evolutiewetten kwam nooit ter discussie: evolueren is een soort spel tussen het evoluerende systeem enerzijds en het langzaam veranderende leefmilieu anderzijds. Ook vandaag is dit systeem nog bijzonder actueel! Kijk maar naar de niet aflatende strijd tussen de firma’s die steeds maar nieuwe antibiotica moeten produceren om de bacteriën die reageren met het kweken van resistentie de baas te kunnen blijven.


Bovenstaand schema geeft duidelijk aan dat er een relatie bestaat tussen het evoluerend organisme en het langzaam veranderend milieu. Deze milieuveranderingen kunnen door uitwendige factoren tot stand komen, maar zijn vaak veroorzaakt door de evolutie zelf: bijvoorbeeld de zuurstof, een afvalproduct van de plant, die terechtkomt in de atmosfeer, en een schild voor de schadelijke zonne- en kosmische stralen vormt.

4. De wet van complexiteit-bewustzijn

Er is in het heelal een constante evolutie bezig, waarbij de bouwstenen van het heelal zich steeds verder organiseren in niveaus, van toenemende complexiteit, d.w.z. dat eenheden van een lager niveau de bouwstenen worden van een complexifiëring op een hoger niveau. Er ontstaan op die manier steeds complexere systemen, in de zin van de algemene systeemtheorie. Men kan de evolutieleer daarom de naam geven van de ontwikkelingsgeschiedenis der natuurlijke systemen. Deze evolutie is op heden nog steeds bezig.

De evolutie gebeurt dus in twee bewegingen: eerst een complexifiëring op het eigen niveau die tot stilstand komt bij een natuurlijk eindpunt , en vervolgens een complexifiëring op een hoger niveau, waarna de spiraal herbegint.

Deze toenemende complexifiëring kan alleen gebeuren door, en houdt gelijke tred met het ontwikkelen van een bewustzijn (= een subsysteem voor inwendige coördinatie en bepalen der uitwendige reacties aan de hand van inwendig opgeslagen informatie over de buitenwereld). Deze coördinatie gebeurt eerst structureel (atoomstructuur), later biochemisch (DNA), en tenslotte inzichtelijk (hersenen, cultuur). Hierop wordt later ingegaan.

Parallel aan deze toenemende inwendige organisatie van systemen, ontwikkelt zich een toenemende interactie tussen naburige systemen van hetzelfde en van verschillende niveaus. Dit vormt ecosystemen bv. de aarde, het zonnestelsel, een ongestructureerde bevolkingsgroep. Deze ecosystemen zijn vaak de voorlopers van latere gestructureerde systemen: een groep cellen of celkolonie is de voorloper van de latere meercellige wezens.

5. De essentie van de complexifiëring

De neiging tot complexifiëring in het heelal manifesteert zich op twee vlakken, in twee achtereenvolgende golven. Eerst is er een complexifiëring op het eigen niveau, zodat de bestaande elementen steeds naar meer ongewikkelde varianten evolueren. Vervolgens is er een complexifiërnig op hoger niveau, waarbij autonome elementen van het lagere niveau complexere systemen vormen op een hoger niveau. De eerste trend noemt Teilhard de middelpuntvliedende energie. De tweede trend noemt hij de middelpuntzoekende energie.

Maar waarin bestaat complexifiëring eigenlijk? Wat drijft haar en hoe komt zij tot stand? Op elk niveau bestaan er in de systemen namelijk behoeften, dit zijn onvervulde situaties die naar een zekere vorm van vervulling streven. Men zou de vergelijking kunnen maken met een labiel evenwicht: de minste verstoring van het kwetsbare evenwicht lokt een herstabilisatie op een lagere energieniveau uit, een stabieler evenwicht.

Een klassiek voorbeeld op het atoomniveau is de octetstructuur. Op de buitenring van een atoom is er ideaal plaats voor acht elektronen. Anderzijds zoekt een atoom ook naar een elektrisch evenwicht, d.w.z. evenveel negatieve ladingen (elektronen) op de buitenringen als positieve ladingen (protonen) in de kern. Slechts bij de edelgassen is dit ideaal bereikt. Deze elementen treden dan ook nooit in verbinding met andere elementen: hun behoeften zijn vervuld. Alle andere elementen echter hebben ofwel elektronen teveel (een beetje meer dan acht) ofwel te weinig (een beetje minder dan acht). Het aantrekken van vrije elektronen uit de buurt is mogelijk maar is geen erg stabiele toestand, vermits er dan teveel elektronen aanboord zijn. Hetzelfde met afstoten van één of meer eigen elektronen. Ideaal is daarom de combinatie tussen een atoom dat één of enkele elektronen "te veel" heeft met een atoom dat er "te weinig" heeft, Zo wordt bij beiden de octetstructuur bereikt, zonder dat het inwendig elektrisch evenwicht verstoord wordt. Het gevolg is echter wel dat de betrokken atomen voortaan stevig aan elkaar vastzitten: er is een scheikundige verbinding ontstaan.

Een analoog fenomeen vindt men terug op elk niveau. Steeds ziet men het verschijnsel dat diverse systemen elkaar iets te bieden hebben, waardoor er een wederzijdse binding ontstaat die aan de basis ligt van een complexifiëring op hoger niveau: de verschillende celsoorten van een meercellig lichaam hebben elk een belangrijke functie voor de andere celsoorten, en ook mensen hebben behoeften die alleen de andere kan bevredigen, waardoor ook zij relaties en groepen stichten. Volgend het specifieke niveau of organisme draagt deze complexifiëring soms een specifieke naam: symbiose, bundeling van krachten of groepsvorming, integratie, cohesie, kolonievorming.

6. Toenemend bewustzijn

Volgens Teilhard houdt de toenemende complexificatie gelijke tred met een toenemend bewustzijn. Het ene kan niet zonder het andere. Hoe moet men zich dat voorstellen?

Vooreerst is er een wederzijdse interactie: een toenemende complexiteit maakt de nood aan een beter en genuanceerdere inwendige coördinatie noodzakelijke, terwijl anderzijds precies die complexificatie de ingewikkelder wordende coördinatie mogelijk maakt. Inderdaad, complexere systemen worden steeds moeilijker om samen te houden, en zijn steeds kwetsbaarder. Ze hebben dus een toenemende nood aan een inwendig stuursysteem dat hun reacties op de omgeving regelt.

Dit bewustzijn, deze coördinatie is vooral duidelijk bij de levende wezens. Maar ze bestaat duidelijk reeds op lager niveau, ja zelfs reeds bij de atomen. Hoe moet men zich dat voorstellen? Hebben die primitieve bestaansvormen ook een soort verborgen bewustzijn, een soort voorloper van ziel of hersenen? Hebben zij een ik, een gevoel?

Men moet zich echter geen paranormale toestanden voorstellen om dit te begrijpen, hoewel Teilhard het toch uitdrukkelijk had over een latent psychisme bij primitievere bestaansvormen. De essentie hiervan is echter niet het bewuste, maar het stuursysteem: het vermogen om doeltreffend te reageren op bedreigende veranderingen van het milieu en tijdig gebruikmaken van nieuwe mogelijkheden in dit milieu.

In zijn primitiefste vorm is dit stuursysteem ingebouwd in de structuur van het organisme. Het duidelijkst zien we dit bij het atoom. De enige mogelijke gedragingen van atomen zijn sterk bepaald door het gedrag der elektronen. Dit gedrag is op zijn beurt sterk bepaald door de inhoud van de atoomkern. Deze bepaalt het aantal elektronen, stoot overtollige af en trekt ontbrekende aan. In het volgend niveau, bij de levende stoffen, is het gedrag bepaald door de kern van de cel. Vanuit deze kern wordt het hele gedrag, waarvan de code vast ligt in de chromosomen, geregeld. Naarmate de evolutie vordert neemt het aantal en de complexiteit van deze chromosomen toe, en regelt zelfs de structuren en ontwikkelingen bij de meercellige wezens.

Doch steeds meer activiteiten van deze meercellige wezens worden geregeld door een inwendig zenuwcomplex, dat later tot hersenen zal ontwikkelen. daarbij is eer bij de primitieve meercellige een progressieve maar duidelijke cefalisatie, d.w.z. het ontwikkelen van een hoofd, waar zowel de grootste zenuwknoop, namelijk de hersenen als de belangrijkste zintuigen zich situeren. De dieren krijgen daarenboven de neiging zich stilaan in de richting van dat hoofd voort te bewegen, opdat deze zintuigen als eerste belangrijke voorvallen in het milieu zouden registreren.

Het is boeiend de verschillende grote fasen in de ontwikkeling van dat dierlijk neurologisch stuursysteem te noteren. In zijn primitiefste vorm hebben we te doen met signaalstoffen die door bepaalde toestanden uitgelokt worden en in de buurt aangepaste reacties op gang brengen. Bij de zoogdieren vinden we dit bijvoorbeeld nog terug bij histamine en andere kinines die vrijkomen bij een verwondingen, en tal van verdedigings- en herstelreacties uitlokken. Doch het geven van signalen via scheikundige stoffen is veel te traag om overal te kunnen gebruikt worden. "Daarom" ontwikkelen zich specifieke signaaltransmissiekanalen onder de vorm van verlengde smalle cellen, "zenuwcellen", die van de ene kant naar de andere snel (enkele meters per seconde) signalen kunnen doorgeven. In den beginne zijn het gewoon lokale zenuwbanen, d.w.z. directe verbindingen tussen de plek waar zich iets voordoet naar de plek waar actie moet uitgevoerd worden. Bij de zoogdieren vinden we die lokale banen nog terug in de darmen, voor het regelen van de darmperistaltiek, in het hart voor het doorgeven van de contractieprikkels, en in de hersenen voor het regelen van de druk van het cerebrospinaal vocht. Ook de primitieve hersenen zijn in den beginne slechts een ingewikkeld connectiesysteem, waarbij binnenkomende prikkels vrij selectief uitgaande impulsen (reflexen) uitlokken, zoals bij de insecten.

Later wordt de hersenfunctie echter complexer, vooral door het langzaam ontstaan van een leersysteem. Dit is bij vissen, reptielen en insecten nog bijna niet aanwezig. Een insect kan duizenden keren tegen een gesloten raam aanbotsen, zonder dat het daar blijkbaar iets bij leert. Bij vogels, maar het meest bij zoogdieren ziet men steeds duidelijker leerprocessen optreden. Hun hersenen hebben een steeds groter geheugen, zowel voor uitwendige als inwendige indrukken. Zowel situaties van buiten als het eigen gedrag en de gevolgen ervan worden min of meer duurzaam vastgelegd. Hogere zoogdieren vertonen daarenboven in toenemende mate een experimenteerneiging, d.w.z. dat zij in moeilijke situaties ongericht gedrag gaan vertonen, soms in een steeds gejaagder tempo, in de "hoop" dat het toeval hen zal helpen bij het ontdekken van een nieuw gedrag, dat dan aan het repertorium wordt toegevoegd. Ook het inwendig, mentaal experimenteren, d.w.z. het zich mentaal voorstellen van zaken die nog niet bestaan of die men nog niet ervaren heeft, wordt meer en meer mogelijk, namelijk in de zogenaamde associatiezones van de hersenen.

Bij de mens komt er nog een klein detail bij, een laatste schakel die echter enorme gevolgen heeft. Er komt een terugkoppeling in de hersenen. Deze bevindt zich in de frontale kwab (waardoor de mens het enige dier is met een voorhoofd; zelfs onze neef de aap moet het nog met een laag voorhoofd stellen). De functie van die kwab is: de besluiten van het denkproces opnieuw als indrukken gaan bekijken, zodat het associatieproces veel langduriger is, en in feite ononderbroken doorloopt. Dit laat hem toe veel verder te denken bij het nemen van beslissingen, zodat hij niet alleen met de gevolgen op korte termijn, maar ook met die op lange termijn kan nadenken. Dit laat hem toe creatief te zijn, d.w.z. te kijken "achter" het voorgenomen gedrag, en ook beleefder en ethischer te handelen. Zaken die op korte termijn aantrekkelijk lijken worden afgeremd terwille van ongewenste gevolgen op langere termijn, en zaken die op zichzelf onaangenaam zijn gebeuren toch als er op langere termijn een voordeel aan verbonden is.

Die voorste kwab vertegenwoordigt dus onze hoogste waarden als mens. Als zij door ziekte, dementie of alcohol uitgeschakeld is, ontstaan er ontremmingen in de mens: hij handelt veel meer gedreven door de gevolgen op korte termijn dan deze op lange. Vaak is er dan ook sprake van een decorumverlies: zijn goede manieren (rekening houden met wat anderen achteraf van zullen vinden van je gedrag) verdwijnen.

Een belangrijk aspect van de hersenen van zoogdieren, en vooral van primaten en de mens, is het vermogen tot abstractie. Hiermee wordt bedoeld dat situaties, die op elkaar gelijken doch niet identiek dezelfde zijn, toch als dezelfde worden behandeld.

Het is merkwaardig te constateren dat dit hooggeroemde abstraheringsvermogen, dat de mens zo’n immense voorsprong bezorgt op de dieren, in feite berust op een simplistisch, eigenlijk foutief mechanisme, dat erin bestaat dat men twee dingen als dezelfde beschouwt zolang nog niet gebleken is dat ze anders zijn. Het is hier niet de plaats om hier verder op in te gaan. In mijn studie over Integratie heb ik dit denkproces verder beschreven.

Hoe dan ook, dank zij dit abstraheringsvermogen, dat ook verder gaat als de mens niets doet, dus tijdens zijn dromen en zijn dagdromen, wordt er in steeds grotere mate een beeld van de ons omgevende werkelijkheid ontwikkeld. Waar planten en primitieve dieren het moeten stellen met aangeboren reactiepatronen, waar de hogere diersoorten dit gedragsrepertorium kunnen uitbreiden met toevallig ontdekte nieuwe gedragingen, daar zal de mens progressief een inwendig beeld van de uitwendige werkelijkheid ontwikkelen, waardoor hij zich zaken kan voorstellen die hij (nog) niet heeft waargenomen, hij bepaalde processen in deze werkelijkheid kan voorzien en erop inspelen, en verschillende mogelijke gedragingen mentaal evalueren, zodat hij niet alles met schade en schande moet leren. Daarenboven laat zijn uniek communicatiesysteem hem toe zich grote voorstellingen en inzichten eigen te maken van delen van de werkelijkheid die hij nog niet heeft ervaren. En dat is precies wat bewustzijn betekent: een inwendig beeld van de uitwendige werkelijkheid.

Hoe meer dit bewustzijn de werkelijkheid kent en begrijpt, en vooral de eigen rol en het eigen mogelijk aandeel hierin (creativiteit!), hoe voller en volgroeider dit bewustzijn is. Dit zullen wij verder bespreken in het laatste hoofdstuk (Totaalbewustzijn).

7. De drijfveer van de evolutie

Van bij de primitiefste systemen bemerken wij in toenemende mate een ontwikkeling van een voorloper of een hoger ontwikkelde vorm van het bewustzijn. Dit heeft voor gevolg dat zowel het bewustzijnsveld als het actieterrein van die systemen worden uitgebreid, naarmate dit bewustzijn van grotere delen van de omgevende realiteit bewust wordt, en anderzijds in toenemende mate op die omgeving effect tracht te hebben, zowel defensief voor de eigen veiligheid, als pro-actief voor het aanwenden van aanwezige kansen. Rond elk systeem ontwikkelt zich als het ware een halo, dit is zowel een bewustzijnsveld als een invloedssfeer, waarmee het systeem interageert. Zijn doelstellingen evolueren daarbij van defensief-reactief naar proactief-interveniërend, zij beoogde doelstellingen van korte naar langere termijn, van kortzichtig (d.w.z. soms ten koste van de anderen) naar slimmer (d.w.z. via rekening te houden met de motivaties en behoeften der anderen).

Als we deze tendens globaal bekijken, dan zien we een progressieve verschuiving van onbewuste, blinde toevalligheden naar bewust gerichte interventies om ons levensmilieu en zijn bewoners te beïnvloeden, waarbij er tevens een evolutie optreedt van primitieve (kortzichtig, eerzuchtig, egocentrisch) naar meer geavanceerde (vérziender, pragamatischer, slimmer, meer inspelend op de behoeften der anderen) motivaties.


Voor het gemak werd de overgangslijn lineair voorgesteld. In praktijk is dit echter niet het geval, en hebben we, zoals bij de meeste biologische en psychologische fenomenen, een logaritmische curve, met weinig merkbare evolutie in het begin en steeds snellere op het einde:


8. DE GRONDWET VAN HET BESTAAN

Zou het mogelijk zijn om, op dit ogenblik, reeds een poging te wagen om de diepste wet van het bestaan en het heelal te omschrijven? Teilhard de Chardin zelf heeft op deze vraag niet rechtstreeks geantwoord, hoewel al zijn verdere beschouwingen en soms ook poëtische zinswendingen hiernaar verwijzen.

Laten we vertrekkende vanuit enkele voorbeelden van systemen uit de evolutie van het heelal trachten door te dringen tot in de grondwet van het bestaan. Het atoom

In essentie is het atoom een samengaan van twee onderdelen: kern en elektronen, die mekaar in evenwicht houden, op elkaar inwerken, en zin geven aan elkaars bestaan. De atoomstructuur is een beantwoording aan een behoefte zowel van kern als elektronen.


De natuur

De natuur op aarde kan men ruwweg in drie hoofdgroepen indelen: dode stof, planten en dieren. Waartoe dienen ze, in het kader van het geheel? De dode stof levert de bouwstenen voor de planten, en in zekere mate ook voor de dieren. Bouwstenen, ondersteuning en meteen bescherming. De planten geven in zekere zin "betekenis" aan de dode stof, en keren er, bij hun ontbinding, tot terug. Verder is de zuurstof in de lucht, de belangrijkste "brandstof" voor de dieren, geheel aan de planten te danken, voor wie het een afvalproduct is. Verder dienen de planten voor de dieren vaak als voedsel (koolhydraten, vetten en vitaminen). De dieren zouden er niet kunnen zijn zonder de planten. De dieren tenslotte geven aan de plant haar CO2, zorgen vaak voor hun voortplanting (weer zo’n voorbeeld van secundaire afhankelijk in de evolutie, zoals de virussen die in de veel jongere cellen leven). Jegens de "dode" vervullen de dieren ook een functie: zonder levende wezens ware de dode stof "zinloos". Weer ontwaren we hier een duidelijk schema:


Levende wezens

Hoe hoger we in de evolutie opstijgen, hoe duidelijker dat algemeen functioneel schema wordt. In een levend wezen onderscheiden we zes weefsels of subsystemen, die elk op zichzelf geen enkele reden van bestaan hebben, maar enkel dienen om de vijf andere weefsels in stand te houden. Zelf is het betrokken weefsel ook door de vijf andere weefsels afhankelijk.


Het gezin

In het gezin geven man en vrouw doorheen de liefde aan elkaar onderhoud, en daardoor "zin" aan het bestaan van de ander. Samen geven ze ontstaan, onderhoud en vorming aan het kind, dat op zijn beurt zijn ouders bevredigt door zijn liefde, zijn aantrekkelijkheid, redenen tot fierheid, enz.


De samenleving

In de samenleving der beroepen bemerken we hetzelfde functionele principe. Ter illustratie worden hier slechts beroepen aangehaald. Het ene beroep heeft slechts "functie" "in functie" van de andere mensen, met andere beroepen. Was er geen samenwerking, geen "symbiose" tussen de verschillende beroepssoorten, dan had het geen zin zich te specialiseren.


Het sociale

Op elk niveau, voor elk aspect is de samenleving te verdelen in twee polen, twee subgroepen: de hulpbehoevenden en de hulpbiedenden. Dit rolpatroon is erg wisselend: men kan voor het ene aspect in de ene categorie zitten, en voor het andere in de andere. De belangrijkste, zoniet de enige bestaanszin van de hulpbiedenden is: instaan voor de hulpbehoevenden, zonder dewelke ze eigenlijk geen bestaanszin zouden hebben. Wat zouden dokters doen zonder zieken, voedselproducenten zonder hongerigen, enz. Een van de betekenissen die man aan de onvolmaaktheid, aan het lijden kan geven, is dat het zin aan het bestaan geeft, het bestaan van de andere, maar ook het bestaan van jezelf, als je tenminste streeft naar vervolmaking. Niest zou zo saai en eenzaam zijn als een aarde waar iedereen volmaakt is, waar iedereen volstaat op zichzelf.


Het algemene schema

Als men de verschillende particuliere gevallen van hierboven onderling gaat vergelijken, dan vindt men een steeds terugkomend algemeen schema terug: de zgn. bestaansketen, die duidelijk maakt dat elk organisme slechts dient tot instandhouding (met inbegrip van schepping en vervolmaking) der andere organismen, en zijn bestaan aan die andere organismen te danken heeft.


In deze tekening beperkten we de interactie tot één pijl. In werkelijkheid zijn er tussen de vele elementen meerdere interacties, en vaak doch niet altijd in twee richtingen (tenzij men "zin geven aan" ook als een interactie beschouwt: dat heeft elke pijl zijn tegengestelde).

In het volbrengen van die instandhoudingsactiviteit, m.a.w. door ingeschakeld te zijn in die bestaansketen, kan elk element zijn mogelijkheden actief bevredigen: door zijn totale inzet in de bestaansketen vindt een organisme het evenwicht (d.w.z. de bevrediging) van al zijn strevingen, behoeften en mogelijkheden, op voorwaarde natuurlijk dat die bestaansketen zo is opgebouwd dat ze mogelijkheid schept om al die strevingen op te vangen. In dit niet het geval, dan ontstaat er een conflict, en wordt er net zolang gestreden en geëxperimenteerd totdat er een situatie die alle betrokkenen bevredigt wordt bereikt. Dit is precies de stuwkracht der evolutie. Energie kan men beschouwen als het universele streven om nog onbevredigde behoeften te realiseren, en net zolang invloed op de bestaansketen (d.w.z. op de omgeving, zowel materie als andere personen) trachten uit te oefenen, totdat een maximale algemene bevrediging is gerealiseerd.

Soms lukt dit op hetzelfde niveau, soms moeten grotere structuren opgebouwd worden, m.a.w. moeten er steeds complexere bestaansketens worden gevormd.

De ecologie is uiteindelijk niets meer dan een bewustwordend streven van de mens om zijn omgeving optimaal te houden door te onderzoeken welke interactieketens daar bestaan, en de medemens via bewustmaking (media en drukkingsgroepen) tot het inzicht te brengen dat bepaalde van die kringlopen in gevaar komen.

De fundamenteelste wet van het bestaan zou men aldus kunnen formuleren:


ZIJN = DOEN ZIJN


Dit wil zeggen: op zichzelf beschouwd is alle bestaan zin- en inhoudsloos. Zijn enige functie en bestaanszin vindt het slechts in het "doen bestaan" van iets anders. Hieruit volgt ondermeer het absurde van het begrip individualisme, tenzij het een ruimte bieden is tot perfectionering van het individu opdat het zijn functionele levenstaak ?in de diepste zin van het oord? beter zou kunnen vervullen. Want niest heeft waarde op zichzelf. Het komt slechts tot zijn volle recht, het is er uiteindelijk slechts tot instandhouding van iets anders, dat ook niets betekent op zichzelf, maar iets anders helpt bestaan, enz. Dit is de diepste wet van leven en heelal, en al het overige is ertoe terug te brengen.

Welke zijn de belangrijkste concrete vormen van deze grondwet? M.a.w., op welke manieren kan men "doen bestaan"?

  1. bestaansreden geven
  2. doen ontstaan
  3. vormen, perfectioneren
  4. in stand houden
  5. dienen voor, helpen in diens interacties
  6. herstellen, genezen...

Verder is het merkwaardig dat ook Einsteins grondwet van de materie


E = m.c2 of m = E / c2


tot de wet zijn = doen zijn terug te brengen is. Buiten de constante c2 , wil deze wet zeggen dat energie (doen zijn) en materie (zijn) in wezen hetzelfde is. Onze verbeelding kan dat nog niet goed begrijpen, omdat wij materie als iets tastbaars zien, en energie als iets abstracts. Maar dit verschil bestaat in wezen niet. Materie is slechts energie-in-rust, of zo men wil: energie is materie-in-beweging. Vandaar dat ik de naam matergie voorstel om het basissubstraat van beide verschijningsvormen aan te geven. Het doel van dit alles

Men kan wel inzien dat het bestaansmechanisme door deze grondwet beheerst wordt. Maar men kan opwerpen dat dit eigenlijk zinloos is: bestaan om te doen bestaan. Zolang daar niets bijkomt, is dit toch een absurde verschijning, een nutteloze reusachtige machine, een ingewikkelde formule die, eenmaal uitgerekend, nul als uitkomst geeft. De grondwet van het bestaan zegt wel iets over het functioneren, over het mechanisme, maar niets over de uiteindelijke zin van het bestaan. Waarvoor dient dat alles toch?

De enige betekenis van dit alles schijnt te vinden te zin bij de mens. Want daar is het niet louter bestaan om te doen bestaan! Dáár komt er iets bij, en dit is het belangrijkste van het ganse heelal, dit lijkt het doel te zijn van die spectaculaire evolutie.

Ook de mens bestaat namelijk om te doen bestaan, en is ingeschakeld in die reusachtige bestaansketen. Maar bij hem is er tevens een (in principe) volledig bewustzijn, en binnen dat bewustzijn zetelt het geluksgevoel. Hij schakelt zich, zoals de andere organismen, zo totaal mogelijk in in die bestaansketen, maar hij doet dit bewust. Dit houdt in dat hij het effect van zijn gedragingen beter kan richten naar de gevolgen ervan op lange afstand, dat hij creatief kan zijn en de evolutie van het gehele heelal steeds meer bewust gaan beïnvloeden en sturen. In de mate dat hij binnen die levenstaak ten volle tot ontplooiing kan komen, en slaagt in zijn opzet, voelt hij zich gelukkig.

Hoewel geluk en volle bewustzijn samengaan, vallen zij niet op elk ogenblik samen. Men kan als mens zeer gelukkig zijn zonder op zinvolle wijze bij te dragen tot het grote geheel, of heel bewust zijn van zijn situatie en zeer ongelukkig. Zoals de psychologie benadrukt laten zijn gebrek aan inzicht, zijn vermogen tot verdringing en herinterpretatie hem toe om een inwendig werkelijkheidsbeeld te hebben dat sterk afwijkt van het reële. Vandaar het begrip fantasme, hetgeen een term is die werkelijkheidsbeelden beschrijft die voor ons zeer belangrijk zijn, maar uiteindelijk niet overeenkomen met de "ultieme" realiteit. Doch het precies die fantasmen die onze concrete gevoelens en ons gedrag zullen bepalen. Zijn hele leven lang ijvert de mens ernaar om zin fantasmatische verlangens te realiseren, en zin geluksgevoel hangt af van de congruentie van deze fantasmen met de (subjectief geïnterpreteerde) mate waarin deze zin gerealiseerd. Intussen is er een (zeer) langzame verschuiving van ons subjectief, fantasmatisch werkelijkheidsbeeld naar een meer realistisch.

Weer zien we hier een illustratie van de wet van het toevallig essentieel effect : iets dat in het begin bijkomstig scheen, een soort noodoplossing voor een concreet probleem, blijkt achteraf centraal te gaan staan. Het bewustzijn was eerst slechts een nevenproduct van het geheugen, evenals het abstraheervermogen zelfs een foutieve, simplistische manier van denken is: zaken slechts bekijken en rubriceren onder één of enkele aspecten, zodat we fenomenen die eigenlijk van elkaar verschillen toch als één klasse, één abstract begrip kunnen gaan voorstellen. Dit voorstellingsvermogen opende de mogelijkheid tot het construeren van een inwendig beeld van de uitwendige werkelijkheid, ook van zijn onwaarneembare stukken.

Men kan aanvoeren, en terecht, dat ook de dieren, en vooral de zoogdieren in zekere mate dat bewustzijn hebben. Ook het geluksgevoel zal hen wel niet onbekend zijn, en is misschien zelfs wel intenser dan dat van de zo vaak getormenteerde mens! Het verschil is dat hun bewustzijn, hoe intens en gevoelsgeladen dit wellicht zal zijn, telkens maar een zeer klein gebied van die totale realiteit omvat. Slechts de mens is in staat, door zijn cyclisch denkvermogen, progressief een totaalbeeld van die realiteit op te bouwen, zodat zijn acties langzamerhand een steeds meer globaal effect hebben, en zijn gevoelsmatig bewustzijn of geluksgevoel steeds vaker deze realiteit, in al haar details en diepe betekenissen, zal omvatten.


Commentaar [ George Schermer 09.11.05]

Uw vondst "doen bestaan = bestaan" laat me niet meer los. Ineens vroeg ik me af wat dat '=' teken daar doet? Mijn interpretatie is de volgende:

In de object georienteerde programmeertalen wordt gesproken over 'classen' en 'objecten'. Classen zijn abstracte entiteiten, objecten zijn concrete entiteiten. Dus classen zijn een soort fabrieken die objecten produceren. Een object kun je zien als harde data (bijv. naw-gegevens), een classe als een stukje programmeercoding die deze data doet bestaan in het computersysteem. Dat wordt gedaan d.m.v. de constructor. Het is precies dat '=' teken in de bovenstaande formule.

Energie is vrije materie en heeft een scheppend vermogen, en materie is gebonden energie en heeft een veranderend vermogen, m.a.w. classen zijn te zien als energie en scheppen objecten als materie. De objecten, als ze eenmaal bestaan, veranderen de omgeving: wijzigingen in gegevens, vervallen van gegevens, samenhang van gegevens, etc. Het "=" teken is het moment van creatie. De naam constructor zegt het al. Dan hebben we 3 entiteiten: energie, materie en als die integreren ontstat een creatie (in de ruimste zin van het woord). Deze benoeming van creatie kan handig zijn in de communicatie: anders praten we steeds over bouwwerken, deeltjes, mensen, (grond)eenheden, etc.

De evolutie draait in de kern om 3 dimensies:

Om te groeien moet een creatie eerst bestaan (to be or not to be):
dimensie 1 = bestaan door 3 toestanden: wereld van energie, wereld van materie en de creatie zelf
creaties ontstaan

Om te groeien moet een creatie vervolgens bewegen (to move or not to move):
dimensie 2 = bewegen door 3 stromen: voortgang (lineair), kring- of rondgang (circulair) en vooruitgang (spiraal)
creaties ontmoeten elkaar

Een creatie kan vervolgens groeien (to grow or not to grow):
dimensie 3 = groeien door 3 ontwikkelingen: selectie (autocratie), compromis (democratie) en integratie (sociocratie)
creaties organiseren elkaar


DE SECUNDAIRE KENMERKEN VAN DE EVOLUTIE

1. DE INWENDIGE ORGANISATIE DER SYSTEMEN

Men kan in elk georganiseerd wezen of systeem een centrum en een periferie onderscheiden.

Op het niveau 1 - 3 (de strings, quarks en de hadronen) is dit nog niet zo duidelijk: alle bestanddelen zijn evenwaardig, en er is geen ander centrum dan een geometrisch centrum. Bij de atomen (4) kan men al spreken van een zekere centralisatie: de kern regelt door zijn eigenschappen de baan der elektronen. De invloed van de kern op de elektronen is iets belangrijker dan omgekeerd, doch erg opvallend is dit nog niet. Ook bij de moleculen (5) kan men nog niet spreken van een eigenlijke centralisatie. Alleen bij de organische verbindingen zit rond de centrale keten een reeks moleculen van lagere "ontwikkelingsgraad"; doch de organische moleculen leven in de "oersoep" nog vrij ongestructureerd.

Bij de eobionten (6), en meer nog in de cel (7), is er een duidelijke organisatie: rondom een centrale organel (kern, DNA). Bij de metazoa (8) nemen de hersenen deze coördinerende rol op zich.

2. DE EXTERNE ORGANISATIE

De systemen hebben ook de neiging een deel van de omgeving te beïnvloeden en in beperkte mate deel te organiseren. Anderzijds ondergaan zij zelf de invloed van deze omgeving, en worden er ten dele afhankelijk van. Deze onderlinge invloed noemen we interactie. Deze interactie kan soms de vorm van een structurele overgang aannemen, d.w.z. dat bepaalde systemen volledig worden opgenomen door een ander systeem (bv. bij voeding door opeten, of door het uiteenvallen van een lijk), of geproduceerd door een ander systeem (zoals de geboorte van een nieuw wezen, of het uiteenvallen van atomen). Het gebied waarbinnen deze interactie optreedt kunnen we vaag, d.w.z. deels willekeurig afbakenen tot een ecosysteem. Deze willekeur houdt verband met de kleinheid van de invloeden die we in beschouwing wensen te nemen. Hoe zwakker de invloeden die we beschouwen, hoe groter het ecosysteem blijkt te zijn. Als we bv. enkel moleculaire interacties beschouwen, dan is de aarde een ecosysteem. Beschouwen we ook elektromagnetische stralen, dan moeten we het zonnestelsel als een systeem zien, alhoewel bepaalde stralen uit de verdere kosmos afkomstig zijn.

Deze ecosystemen worden ook uitgebreider, naarmate we hogere systemen beschouwen. Bij de elementaire deeltjes en atomen gaat dit slechts enkele deeltjes ver. Moleculen, zowel in de vrije natuur maar vooral bij biologische systemen, hebben de neiging om buffersystemen te ontwikkelen, d.w.z. oplossingen waarbinnen belangrijke criteria zoals zuurtegraad en de concentratie van bepaalde elementen gestabiliseerd wordt, ongeacht de invloed van buiten, althans binnen bepaalde grenzen.

Levende systemen hebben de neiging een leefmilieu te ontwikkelen rondom zich: bij de cel is dit een stukje protoplasma, omgeven door een celwand. De metazoa nemen zelfs een inwendig leefmilieu mee: de chemie van het bloed (serum) is een weerspiegeling van de vroegere zeechemie. Vanaf de metazoa (8) wordt er verder gemanipuleerd in de omgevende materie. Dieren bouwen nesten, maar veel veranderen ze nog niet aan het leefmilieu of aan het dierenrijk, buiten enkele beroemde uitzonderingen van dierlijke samenlevingen (mieren, bijen). Doch vanaf de mens wordt niet alleen dode en gedode materie gebruikt, maar rondom zich past hij de plantengroei (landbouw) en dierengroei (veeteelt) aan, en wordt de dode materie steeds meer grootschalig georganiseerd (techniek en industrie). Vanaf de mens krijgt de expansie plots enorme afmetingen. De ganse aarde wordt georganiseerd, en weldra ook de ganse kosmos.

Zoals gezegd is het opbouwen van een ecosysteem vaak een voorloopfase, een primitieve voorafbeelding van een latere organisatie op hoger niveau.

3. DE DUUR DER EVOLUTIEFASEN

Zou het mogelijk zijn een zekere wetmatigheid in de duur van de verschillende evolutiefasen terug te vinden, en daaruit nuttige conclusies af te leiden? Dat er een versnelling is in deze fasen is intussen wel duidelijk. Maar is de versnellingsfactor een constante?

Het is uiteraard niet gemakkelijk om de tijdsgrenzen der verschillende evolutiefasen te bepalen. Niet alleen zijn ze vaag en overlappen elkaar vaak. Maar daarenboven bieden wetenschappen als paleontologie, geologie en kosmologie in het dateren van die fasen weinig nauwkeurigheid.

Toch is het de moeite het eens te proberen.


Wanneer begonnen de verschillende fasen ongeveer?


3. Quarkcomplexen: 12 miljard jaar geleden

4. Atomen: 10 miljard jaar geleden

5. Moleculen: 2.5 miljard jaar geleden

6. Eobionten: 1 miljard jaar geleden

7. Cellen: 800 miljoen jaar geleden

8. Metazoa: 500 miljoen jaar geleden

9. Socialisatie: 1 miljoen jaar geleden


Als we de duur van de verschillende fasen aangeven, en nagaan hoe die zich verhoudt met de vorige, dan bekomen we:


Fase 3 (atoomdln): 15 - 7.5 x 109 = 7500 x 106

Fase 4 (atomen): 7.5 - 2.5 x 109 = 5000 x 106 verh = 0.666

Fase 5 (moleculen) 2.5 - 1.25 x 109 = 1250 x 106 verh = 0.25

Fase 6 (eobionten) 1250 - 600 x 106 = 625 x 106 verh = 0.50

Fase 7 (cellen): 600 - 250 x 106 = 350 x 106 verh = 0.56

Fase 8 (metazoa): 250 - 0 x 106 = 250 x 106 verh = 0.71


Gemiddeld is dit 0.5372, en als we de uitschietende waarde 0.25 eruit laten omdat ze wellicht onnauwkeurig is, bekomen we 0.609. Maar nogmaals, er zitten grote onnauwkeurigheden in de uitgangspunten van deze berekeningen, vermits het niet gemakkelijk is de "grens" aan te geven van een fase. De volgende is vaak al bezig als de vorige nog niet is afgerond. Dat de waarde nochtans opvallend stabiel lijkt (ze schommelt tussen 0.5 en 0.7) doet sterk denken aan de verhouding van de gulden snede (0.618). Deze waarde blijkt bij nader toezien veel vaker in de natuur aanwezig te zijn dan men vroeger dacht, o.m. in standen en omlooptijden der planeten en satellieten, als afmetingen in de natuur, en zelfs als inwendige verhoudingen binnen elementaire geometrische figuren. Het is één der mysterieuze constante waarden in de natuur, zoals het getal van Planck, Avogadro, pi, enz.


Dit diep verband is een bijkomend argument voor de gegrondheid van Teilhards hypothese. Mochten we over meer nauwkeurigheid in de afgrenzing der voorbije fasen kunnen beschikken, we zouden met grotere nauwkeurigheid de duur der volgende fase(n) kunnen berekenen!

4. HET VERSCHUIVEN VAN DE BELANGRIJKSTE BOUWSTEEN

Telkens een systeem op hoger niveau wordt gevormd, is dit met behulp van bouwstenen van een lager niveau. In de loop van de evolutie zien we een progressieve verschuiving. Bij de lagere niveaus zijn vooral de eenvoudige systemen van het lagere niveau belangrijk: bij atomen zijn voornamelijk opgebouwd uit elektronen, protonen en neutronen, d.w.z. bijna de eenvoudigste systemen van het elementair niveau. Bij de moleculen spelen vrij eenvoudige atomen zoals H, O, C en N wellicht de belangrijkste rol. Bij de eobionten zijn het al de ingewikkelder organische moleculen als aminozuren die de leiding overnemen. Bij de metazoa spelen vooral de hooggespecialiseerde cellen een rol, en ook bij huidige evolutieniveau, de socialisatie, staat het hoogst ontwikkelde metazoön, de mens, centraal.


We zien dus dat het coördinerend element progressief verschuift van eenvoudig naar ingewikkeld. Dit houdt verband met de evolutiestimulerende factoren (zie verder): in het begin zijn het de uitwendige omstandigheden die een rol spelen, zodat de eenvoudige, polyvalente en de talrijkste elementen bevoordeeld worden. Doch zodra de stimulering een inwendige besturing wordt, nemen de ingewikkelde elementen die de meeste informatie kunnen bevatten de rol over.

5. HET NATUURLIJK EINDPUNT

Een ander kenmerk dat zich voordoet op elk niveau van de evolutie, is het bereiken van een natuurlijk eindpunt:

3 atoomdelen: zware hadronen (baryonen) 4 atomen: uranium 5 moleculen: aminozuren 6 eobionten: kern met DNA 7 cel: zenuwcel 8 metazoa: mens

Op deze punten schijnt de evolutie telkens stil te staan, en alle pogingen (bv. cyclotron die nieuwe atoomsoorten en nieuwe deeltjessoorten zoals baryonen schept) om dit punt artificieel te overtreffen, leidden nooit tot een stabiel resultaat, m.a.w. het zijn wellicht geen "natuurlijke" deeltjes, maar kunstmatige.

Het is niet moeilijk om te zeggen wat het voordeel is van het bestaan van eindpunten binnen de niveau-evolutie: namelijk de verplichting om het over een andere, grootsere boeg te gooien. Dit impliceert telkens dat verder-evolueren op hetzelfde niveau zinloos zou zijn, omdat er al een evolutie op hoger niveau bezig is, en ook omdat een superatoom toch nooit zou kunnen bereiken wat de eiwitten konden, en dat een supermens als individu nooit de prestaties van teams met technologie zouden kunnen evenaren. Moeilijker is echter te zeggen waarom binnen het niveau de evolutie op een bepaald ogenblik tot stilstand komt.

Het bestaan van een natuurlijk eindpunt houdt echter wel is dat we met een aan de waarschijnlijk grenzende zekerheid kunnen voorspellen dat de genetica wellicht wel in staat zal zijn om natuurlijke defecten zoals erfelijke ziekten te corrigeren alsook equivalente varianten te ontwikkelen, maar niet om betere metazoasoorten zoals een Übermensch te scheppen, vermits het bestaan en reeds ver gevorderd zijn van het volgende evolutieniveau boven de metazoa, namelijk de socialisatie, aangeeft dat op het niveau der metazoa met de mens een natuurlijk eindpunt is bereikt.

6. DE GROTE SOORTEN NIVEAUS

Hoewel de verschillende niveaus elk hun typische kenmerken hebben, kunnen we ze toch in drie grote soorten indelen die veel overeenkomsten vertonen in hun dynamiek, evolutie- en structureringswijzen: (1) de lithofase, (2) de biofase en (3) de noöfase.

In de lithofase (niveaus 1 - 3) hebben we hoofdzakelijk te doen met dode, d.w.z. vrij passieve materie, die hoofdzakelijk, hoewel uiteraard niet uitsluitend, schijnt te functioneren en te evolueren door uitwendige invloeden. Bij de biofase (niveaus 4 - 6) hebben we te doen met levende wezens, waarvan een inwendige organisatie, een observeerbare activiteit en de voortplanting tot de meest opvallende kenmerken behoren. Tenslotte hebben we de noöfase (niveaus 7 - 8), waarbij de organisatie immaterieel lijkt te verlopen, d.w.z. uitsluitend via het doorgeven en verwerken van informatie.

Het is uiteraard niet gemakkelijk om scherp de grenzen aan te geven tussen deze stadia, omdat alles in de natuur zich progressief voltrekt. Doch vanop een zekere afstand bekeken zijn de verschillen nogal fundamenteel.

Met wat verbeelding zag Teilhard deze drie fasen zich ruimtelijk als concentrische lagen ontwikkelen. Hij sprak dan ook van lithosfeer, biosfeer en noösfeer.


DE BEPALENDE FACTOREN

INLEIDING

Opdat het heelal zoals wij het nu kennen tot ontwikkeling kan gekomen zijn, moeten de bestaande systemen bepaalde toestanden van grotere complexiteit nastreven, d.w.z. bepaalde behoeften vertonen, die door een grotere complexifiëring, hetzij op hetzelfde hetzij op hoger niveau, bevredigd worden.

Dit streven kan actief zijn, maar zal, vooral bij de primitievere niveaus, ook "passief" zijn, d.w.z. dat het systeem zelf geen "actie" onderneemt om een bepaalde toestandsverandering te bereiken. Het is dan zijn structuur, en daardoor het geheel van zijn interactiemogelijkheden met andere systemen, die bepaalt dat sommige veranderingen —ook al komen ze toevallig tot stand— de kans zullen krijgen om zich te bestendigen.

BEPALING

We zouden die behoeften, met termen uit de mechanica, kunnen beschouwen als potentiële energieën, als onevenwichten, die bevredigd worden door het vormen van hogere complexen.

CONCRETE VORM DER BEHOEFTEN

Al naargelang het niveau heeft de natuur andere methodes ontworpen om het fenomeen der complexifiëring te bewerkstelligen.

Om te begrijpen waarom en door welke factoren de evolutie plaatsgrijpt, moeten we twee soorten vragen bestuderen: (1) wat houdt de complexifiëring in stand en (2) wat lokt de eigenlijke totstandkoming van bepaalde complexe structuren uit?

1. WAT HOUDT DE COMPLEXIFIËRING IN STAND?

Dit zijn hoofdzakelijk de "behoeften". Inderdaad, een complexe structuur blijft hoofdzakelijk behouden, omdat zij aan bepaalde behoeften voldoet. Deze behoeften verschillen van niveau tot niveau:


niveau 2: quarks en hun complexen: specifieke elektrische krachten

niveau 3: elementaire deeltjes: elektrische lading en kernkrachten

niveau 4: atomen: streven naar octetstructuur, streven naar stabiele kern

niveau 5: moleculen: streven naar octetstructuur der atomen, en andere chemische aantrekkingskrachten (zoals de "Londen-Van der Waals"-krachten, d.w.z. relatief zwakke maar toch voldoende werkzame aantrekkingskrachten tussen atomen en moleculen).

niveau 6: eobionten: de geschikte voorwaarden tot zelfreproductie (bv.virus)

niveau 7: cellen: de geschikte voorwaarden tot voeding en deling

niveau 8: metazoa: functielust (voeding en voortplanting)

niveau 9: mens in samenleving: psychische functielust (machtsgevoel, creativiteit, waardering, inzicht)


Zolang de uitwendige krachten (afbrekend, structuurveranderend) niet sterker zijn dan de inwendige (behoeften), blijft de structuur bewaard.

2. WAT LOKT VERANDERING UIT?

Hierbij kunnen we ruwweg onderscheid maken tussen uitwendige en inwendige factoren. De uitwendige zijn meer werkzaam op de lagere niveaus (1-3), de inwendige op de hogere niveaus (4-8).

1. De uitwendige factoren

1) een eerste factor die duidelijk is aan het begin, is de daling der temperatuur. Bij hogere temperatuur is het vormen van ingewikkelde stelsels namelijk onmogelijk. In het heelal daalt de temperatuur gauw tot 3°K, op enkele minuten reeds na de oerknal. Doch dit is laag. De eigenlijke evolutie greep plaats op planeten nabij de sterren. Daar daalt de temperatuur slechts tot ongeveer 300° K. We moeten namelijk vallen binnen het gebied waarin water vloeibaar is (273 -373 °K = 0 - 100 °C). In het algemeen kunnen we zeggen dat, als de temperatuur stijgt, er een grotere kans is op het samengaan van elementen door toegenomen beweging; doch als de temperatuur daalt, dat de kans op samenblijven van deze factoren groter is.

2) de tweede factor is opeenhoping. We zien dat de ruimte waarbinnen de evolutie optreedt steeds beperkter wordt. Eerst het gehele heelal, waar de vorming der fundamentele deeltjes gebeurt; de atoomvorming zelf gebeurt slechts in de schoot der sterren; de molecuulvorming (anorganisch) gebeurt op de planeten; de vorming der organische stoffen op de grens oceaan - atmosfeer, en dan enkel nog maar op bepaalde, "leefbare" planeten. Dan begint de levende stof zich in te kapselen in cellen; vanaf dan gebeurt de evolutie nog alleen binnen in de cel en zijn er andere factoren dan opeenhoping belangrijk om te evolueren, alhoewel we moeten zeggen dat ook levende wezens opeenhopingen zijn van cellen zijn, die zich steeds beter organiseren; en eigenlijk ook nog op het laatste niveau, nl. de samenleving, speelt de opeenhoping nog een zekere rol. Het grote aantal mensen is namelijk een belangrijke factor die de organisatie der mensheid (socialisatie) stuwt.

3) een derde uitwendige factor, die merkwaardigerwijze vooral werkzaam is op biologisch niveau, is de kosmische straling, waardoor genetische veranderingen sneller optreden. Men weet echter niet hoe belangrijk deze factor is ten opzichte van bv. kruising van genetisch materiaal.

2. De inwendige factoren

Hierbij wordt de vormbepaling (en -verandering) geregeld door inwendige factoren, hoewel uitwendige factoren (mutatie door kosmische stralen, selectie door uitroeiing) nog een belangrijke rol blijven spelen. Beter zou daarom zijn te zeggen dat we in de bio- en noöfase te doen hebben met een samenspel van inwendige en uitwendige factoren, waarbij de inwendige (de intelligente) steeds duidelijker streven naar overwicht.


1) De eerste inwendige factor is een vastliggend organisatiesysteem. Dit vooreerst op biochemisch niveau, d.w.z. het opbouwen der organische stoffen. Eerst ontstaan de enzymen, later wordt ook de enzymfabricatie georganiseerd (DNA-codes). Dit wordt uitgebouwd in de genen en chromosomen. De DNA-code wordt door gissen en missen samengesteld. De DNA-code is dus een organisatie van binnenuit, doch ze moet plaatsgrijpen in gunstige omstandigheden (afgezonderd protoplasma). Later ook op sensomotorisch niveau, met het zenuwstelsel.


2) De volgende factor is een aanpasbaar organisatiesysteem, d.w.z. het leervermogen (een geheugen, de hersenen, het zenuwstelsel). Reeds eencellige wezens schijnen over een zeker leervermogen te beschikken (chemotaxis, aanpassing van de enzymproductie van de cel, dus niet door mutatie), doch daarbij is er wel sprake van aanpassing, d.w.z. er is eerder een keuze uit verschillende reactiewijzen, dan eerder het ontwikkelen van nieuwe reactiewijzen. Er is dus nog geen eigenlijk leervermogen. Bij de metazoa is er wel reeds een zenuwstelsel.


Het zenuwstelsel omvat de volgende aspecten:


a) Een waarnemingsvermogen voor micro-impulsen (micro-impulsen zijn onderlinge effecten tussen verschillende systemen, waardoor de invloed op elkaar wel merkbaar is, maar waarbij er nog geen schade aan het systeem wordt aangericht). Het voordeel van micro-impulsen is dat het systeem, dat zich moet beschermen, zich reeds kan beginnen aanpassen nog vóór de schade is aangericht.

Dit waarnemingsvermogen moet (minstens) twee informaties weten te koppelen, namelijk de situatie waarbinnen zich iets voordoet, en datgene wat zich voordoet (bij klassieke conditionering), of het gestelde gedrag, en het effect van dat gestelde gedrag (bij operante conditionering).


b) Een geheugenfunctie, die de verbanden tussen de twee elementen van de waarneming minstens een tijdlang vasthoudt. Deze geheugenfunctie, als zij zeer complex wordt, groeit uit tot een soort inwendig beeld van de uitwendige werkelijkheid.

In den beginne is het leerproces afhankelijk van het toeval. Doen zich plots gunstige ervaringen voor, dan kan daar iets uit geleerd worden. Bij hogere zoogdieren is er een gericht zoeken van oplossingen. Bij bepaalde problemen verhoogt namelijk het "gejaagd" zoekgedrag (psychomotorische onrust), zodat de kans op het "toevallig" vinden van oplossingen, door gissen en missen, sterk verhoogd wordt.


c) Een aspect dat wel bij mensen maar niet bij dieren aanwezig is, is de creativiteitsfunctie.

Deze omvat meerdere aspecten. Vooreerst een mentale activiteit, die het mogelijk maakt dat problemen zuiver mentaal worden opgelost, dus zonder dat experimenteren of toevallig ontdekken nodig is.

Vervolgens de inzichts- of abstraheringsfunctie. Reeds bij dieren kan herkenning gebeuren op basis van analogie (verschil met computer die te nauwkeurig is en niet herkent als niet alle gegevens identiek zijn), maar het is nog geen echte kennis in de zin van inzicht van niet direct waarneembare verschijnselen.


d) Tenslotte ontstaat het vermogen tot doorgeven van inzichten. Bij dieren door het geven van signalen, en door het aanleren door de ouders van aangepaste gedragingen aan hun jongen. Bij de mens tenslotte door de taal, waardoor niet enkel signalen over de werkelijkheid, maar tevens abstracte inzichten en vaardigheden kunnen doorgegeven worden.

Daarenboven kan kennis worden doorgegeven en bewaard buiten het centraal zenuwstelsel (boeken).


3) Een derde manier om de evolutie te versnellen is het reproductieverschijnsel, dat versneld mutaties toelaat. Immers, ter gelegenheid van elke voortplanting kunnen intussen opgetreden veranderingen in het genenpatroon getoetst worden aan een eventueel groter kans op aangepastheid. Geboren worden, en dus noodzakelijkerwijze ook sterven, is een belangrijke voorwaarde opdat de evolutie op biologisch niveau zou kunnen gebeuren. Als er niet steeds nieuwe exemplaren zouden worden gevormd, zou er geen evolutie mogelijk zijn. En als er steeds maar weer nieuwe levende wezens tot stand komen, is het onvermijdelijk dat de andere afsterven, anders zou zeer snel alle organisch materiaal opgebruikt zijn; trouwens, het uitsterven van een bepaald individu of een bepaalde soort is een voorwaarde voor selectie.

Een "geniale" manier om deze reproductie intenser te maken, was het ontwikkelen van twee geslachten (zowel bij planten als dieren), zodat men ter gelegenheid van de reproductie noodzakelijkerwijze het genetisch materiaal van meerdere individuen met elkaar kon combineren, wat de snelheid van evolueren door het aanbrengen van veranderingen en het uitwisselen van opgedane kwaliteiten sterk versnelde.


4) Een vierde manier van evolutieversnelling is het cumuleren van ervaring. Dit principe was al in zekere zin toegepast in het fenomeen der niveauvorming zelf: elk niveau behoudt in zekere zin de ervaringen en kwaliteiten der individuen van het lagere niveau. In de hersenen bv. zit nog heel het cellulaire leven, en ook de biochemische processen blijven werkzaam. In een computer heeft men dat niet gedaan: men werkt uitsluitend met elektrische fenomenen (grotendeels atoomniveau, een heel klein beetje moleculair niveau) om zo meteen een informatieverwerkend systeem op te bouwen. De mens heeft dat gedaan door al die tussenniveaus, elk met zijn ervaringen en mogelijkheden, te integreren.

Het fenomeen der ervaringscumulatie kent nog twee belangrijke toepassingen:


a) de embryogenese als repliek van de fylogenese. In plaats van telkens totaal nieuwe metazoa te ontwikkelen, gebruikt de natuur een eenvoudig trucje: het zich ontwikkelend embryo doorloopt in versneld tempo min of meer alle fasen van de totale evolutie der metazoa, dus de fylogenese. Het menselijk embryo is dus achtereenvolgens een eencellig wezen, een celkolonie, een visachtig dier, een soort reptiel, een primitief zoogdier. De natuur bewaart gewoon de meeste verworvenheden van vroeger, en voegt daar telkens iets aan toe.


b) de hersenstructuur in lagen. Ook hier gebeurt iets analoogs: rond de primitieve hersenstructuur, die de mens gemeen heeft met de reptielen, worden steeds "hogere" hersenweefsels gevormd, die regulerend optreden over deze lagere structuren, en zelf uiteraard iets nieuws bijbrengen. De mens heeft bv. geen andere hersenen dan de dieren, hij heeft gewoon één stukje meer: de frontale hersenen. Al de rest heeft hij gemeen met de dieren. Deze werkwijze heeft daarenboven het voordeel dat als hogere, vaak kwetsbare structuren uitvallen, de primitieve, levensnoodzakelijke vaak nog behouden blijven. Ook hier zien we een fundamenteel verschil met de computer, alhoweel men met de recentste computers ook langzamerhand dat bouwprincipe begint toe te passen, in de zgn. talen van hoger niveau, het objectgeoriënteerd programmeren en het werken met meerdere processoren i.p.v. met slechts één centrale processor die alles deed. De manier van bouwen van de computer en het structureren van nieuwe computertalen is dezelfde probleemoplossing die men gevonden heeft als de hersenen miljoenen jaren geleden.


OPMERKINGEN:


1. Het is belangrijk om in te zien dat de metazoa (niveau 8) er eigenlijk niet in geslaagd zijn een eigen reproductiesysteem op te bouwen. In feite doen ze gewoon voort met het voortplantingssysteem der eencelligen: zowel eicellen als zaadcellen zijn eencellige wezens. Elk nieuw individu herneemt de evolutie dus vanop het lagere niveau 7 der protozoa! Theoretisch had de natuur ook het systeem der cloning kunnen gebruiken, waarbij nieuwe metazoa zich ontwikkelen vanuit oudere, en daar uiteraard genetisch identiek aan zijn. Maar de natuur was blijkbaar meer geïnteresseerd in het begunstigen van het mutatiefenomeen dan in het bewaren van de verworven structuren. Op die manier was ook het probleem der regeneratie opgelost: de metazoa zijn zo kwetsbaar dat ze onvermijdelijk aftakelen. Hen repareren is een zeer moeilijke zaak, vooral bij grotere letsels en zware slijtage. Liever dan dit probleem apart op te lossen heeft de natuur ervoor gekozen om de nieuwe generatie te laten ontstaan als de volwassenen nog jong en levenskrachtig zijn, en vervolgens mogen de ouderen gerust aftakelen en verdwijnen (en bij de dieren overigens meestal dienen als voedsel voor andere metazoa, vermits weinig dieren een natuurlijke dood sterven). Wat wij emotioneel ook mogen wensen, (biologische) onsterfelijkheid was duidelijk geen doelstelling van de natuur.


Want door kosmische straling te gebruiken als evolutiefactor (mutaties in genen) wordt er een gevaarlijk spelletje gespeeld: langlevende wezens zouden weldra degenereren (bv. kanker, kwetsuren). Daarom wordt het DNA beschermd tot aan de voortplanting, en dan wordt er meteen een nieuw exemplaar gemaakt. Bij de eicel is deze strategie zeer duidelijk: de eicellen worden reeds aangemaakt in de embryonale lichaam van de moeder, en blijven onveranderd tot aan de bevruchting. Met de zaadcellen wordt een andere tactiek gebruikt, want hier zijn de aantallen belangrijk, een klassieke methode in de natuur.


Overigens bestaat in de natuur onsterfelijkheid wel al op het niveau van de eencelligen. Buiten de cellen die verongelukten of opgegeten werden, mogen we zeggen dat alle thans bestaande cellen afstammen van de allereerste levende cellen, miljarden jaren geleden. Immers, ze zijn alle ontstaan via deling.


2. Vermits de evolutie op het huidig ogenblik vanuit de biofase naar de noöfase gekomen is, zijn reproductie en vooral sterven niet meer nodig. De biofase is tot een stilstand gekomen, maar de evolutie gaat verder via het ontwikkelen van de technologie (inclusief wetenschappen) en de psychologie (inclusief toepassingen). De evolutie van het heelal verkeert thans dus in een stadium waarin onsterfelijkheid mogelijk is geworden en niet meer nadelig. Nochtans hebben we nog steeds te kampen met het verschijnsel der biologische degeneratie, en het zal duren tot het degeneratieverschijnsel is bestreden vooraleer we de onsterfelijkheid kunnen realiseren.


Dit zal wellicht gebeuren via de geneeskunde, en meer in het bijzonder via de genenmanipulaties, die men thans aan het verrichten is. De genenmanipulaties zullen wellicht niet leiden tot het ontstaan van nieuwe soorten (tenzij men de "verbeterde" soorten "nieuwe" soort noemt) vermits met de mens wellicht een "natuurlijk eindpunt" is bereikt. Dit uiteraard in de veronderstelling dat onsterfelijkheid mogelijk is, dus dat de wetenschap het regeneratieprobleem der metazoa kan oplossen, daar waar de natuur er duidelijk niet in geslaagd is.

Dit probleem zou overigens ook indirect kunnen opgelost worden, bv. door het overbrengen van de herseninhoud (software) van een ouder "exemplaar" naar een jonger biologisch exemplaar, bv. na cloning. Zie verder in het hoofdstuk over de toekomst.


3. De vraag, die iedereen blijft fascineren, is: hoe komt er zo’n schitterende evolutie tot stand in zulke complexe situaties, waar het toeval zo’n grote rol speelt en waar de kans op het terechtkomen op een dood spoor toch veel waarschijnlijker is dan de kans op het opbouwen van steeds complexere niveaus? Dit fenomeen is zo indrukwekkend, dan het zelfs bijna onvermijdelijk lijkt. Toeval en onvermijdelijkheid is trouwens de titel van een boek van Jacques Monod, Nobelprijswinnaar van biologie (hij ontdekte de moleculaire structuur van de eiwitten). Voor religieus geïnspireerde personen is dit uiteraard geen probleem (hoewel zij met hun antwoord wellicht meer vragen oproepen dan beantwoorden), maar de wetenschap kan daar geen genoegen mee nemen.


Volgende overwegingen kunnen wellicht helpen om deze vraag, minstens ten dele, te beantwoorden:


1) Zelfs al is onze situatie uitzonderlijk, de vraag naar de waarschijnlijkheid ervan is irrelevant voor wie ín de situatie zit. Voor hem is de kans inderdaad 100%, vermits alle andere kansen, die niet tot een realisatie leidden, voor hem in feite niet bestaan.


2) Het evolutieproces lijkt spectaculair voor wie het als een oningewijde bekijkt. Maar van dichterbij bestudeerd is het principe toch vrij eenvoudig, en op elk niveau hetzelfde. Binnen een chaos van onvruchtbare of zelfs destructieve gebeurtenissen zijn er enkele die leidden tot een grotere stabiliteit, een grotere behoeftebevrediging der bestaande systemen. Deze situaties leidden dan tot het ontstaan en het in stand houden van complexere systemen.


3) De systemen die vérder evolueerden vormen inderdaad een minderheid. Op elk niveau is het aantal systemen, dat helemaal geen neiging vertoont tot hogere evolutie, in de overgrote meerderheid: het aantal planeten waar leven op ontstaat is onooglijk klein tegenover het aantal "dode" planeten. Het aantal atoomsoorten dat aanleiding geeft tot de "organische" moleculen is eveneens zeer beperkt. Het aantal diersoorten dat leidt tot het ontstaan van de mens en tot de socialisatie, is heel klein.


4) Overigens is het nog lang niet zeker of onze planeet wel in het stadium van de socialisatie zal slagen! Het zou heel goed kunnen dat wij tot de reeks der mislukte pogingen behoren. Dit betekent niet dat deze theorieën onjuist zouden zijn. Ze gaan in dat geval enkel op voor de geslaagde pogingen, maar helaas niet voor ons... Zoals niet alle bloesems op een boom een vrucht geven, en niet alle vruchten een nieuwe boom. De natuur doet duidelijk meer pogingen dan minimaal nodig, om blijkbaar toch het doel te bereiken. Hoewel de verhouding tussen aantal geslaagde pogingen / aantal pogingen langzaam toeneemt naar 1 (bv. bij vissen: duizenden nakomelingen waarvan slechts enkele overleven, bij de mens slagen de meeste begonnen zwangerschappen), zal 1 (of 100%) wellicht nooit bereikt worden.


5) Wellicht onderschatten wij de fundamentele structurerende en zelforganiserende krachten van de natuur. Wij zijn opgegroeid in een denkcultuur van Newtoniaanse mechanica, waar enkel eenvoudige processen stuurbaar lijken, en waar complexere processen gemakkelijk worden gedegradeerd tot "chaos", een soort synoniem voor "structuurloosheid". Nu blijkt zowel uit de ontdekkingen van Prigogine als uit de "spontane" zelforganisatie van neurale netwerken, dat er in de natuur blijkbaar een diep ingebakken neiging tot zelforganisatie zit, en dat deze neiging niet afneemt, maar precies toeneemt als de "chaos" omvangrijker wordt.


Na deze studie van de kenmerken, dus de wetmatigheden van de evolutie, zijn we in staat een ruwe projectie te maken van de toekomst, door de ontdekte natuurwetten verder te projecteren naar de toekomst.