1000-1999
Sites per thema:
psy0 algemeen
psy1 systemen
psy2 denken
psy3 brein
psy4 individu
psy50 diagnostiek
psy54 behandeling
psy6 optimaal
psy7 groepen
psy8 suboptimaal
psy9 optimaal

1703 Evolutietoekomst

DE TOEKOMST

Hierbij zullen we eerst een projectie maken van de evolutietendensen die we in het verleden hebben ontdekt.

Vervolgens zullen we de evolutie op niveau 8, nl. het psychosociaal niveau, meer vanuit het psychologisch standpunt bestuderen, waarin we zullen aantonen dat de socialisatie, die we zelfs zonder ooit een woord over psychologie gesproken te hebben mochten verwachten naar analogie met de zeven vorige niveaus, ook beantwoordt aan de (psychologische) behoeften der "bouwstenen" van dit niveau 7, nl. de mens.

Tenslotte willen we een overzicht geven van de "randgebieden" der wetenschap van waaruit we mogelijks een belangrijke toekomstbepalende inbreng mogen verwachten.


PROJECTIE UIT HET VERLEDEN


Rekening houdend met de wetten ontdekt uit de evolutie van het verleden mogen we verwachten dat de toekomst van het heelal zal bestaan uit nog één of meerdere hogere niveaus van complexifiëring en bewustzijn.

De allereerste vraag is of de mens al dan niet een natuurlijk eindpunt is van de evolutie der metazoa. M.a.w. zal de evolutie verder gaan op dit niveau (9) of op hoger niveau (10)? De evolutie op dit niveau zou impliceren dat we in de nabije toekomst een soort Übermensch mogen verwachten, d.w.z. een volmaakter type van meercellig wezen. Deze verbetering, als zij optreedt, zal allicht niet zuiver door het toeval gebeuren maar wellicht mede door het bewust veranderen van de genetische informatie die zich in de zaadcel bevindt.

Mocht de mens hoe dan ook toch het eindpunt zijn van de evolutie op het niveau van meercellige wezens, dan hebben we thans een evolutie op hoger niveau te verwachten, dus op "meer-mensig" niveau, een sociaal niveau (9).

Teilhard kwam tot het besluit dat deze tweede mogelijkheid de meest waarschijnlijke is, niet alleen omdat de sociale evolutie al sinds duizenden jaren aan de gang is, maar omdat een biologische Übermensch waarschijnlijk nutteloos zou zijn gezien de huidige stand van de wetenschap (straaljagers, computers, enz.), die elk voordeel van een biologische vooruitgang in ruime mate overtreffen. Nu is het een evolutiewet, dat een bepaalde evolutie maar plaats grijpt als die enig voordeel oplevert.


Het 9e evolutieniveau is dus het socialisatieniveau: afzonderlijke mensen vormen een steeds beter georganiseerde mensheid, zoals, op lager niveau, de afzonderlijke cellen steeds beter georganiseerde meercellige wezens hebben gevormd. De gelijkenissen tussen niveaus 8 en 9 zijn overigens treffend: zoals de bloedsomloop een transportsysteem is tussen de verschillende cellen van een meercellig wezen, zo zijn onze transportsystemen (wegen met auto's, boten, vliegtuigen, pijpleidingen die de hele aarde beginnen te doorkruisen) de verbinding tussen de verschillende mensen en mensengroepen. Zoals het zenuwstelsel verschillende cellen van een meercellig wezen gaat doorkruisen om informatie aan en af te voeren, zo doorkruisen onze elektrische kabels, internet en draadloze communicatiemiddelen de gehele mensheid. Zoals de hersenen onze vroegere ervaringen onthouden, alsmede programma's voor meer aangepaste gedragingen, zo slaan wij in bibliotheken en computers de kennis op van de gehele mensheid. Uiteraard gaat de vergelijking niet op voor alle punten vermits we toch te doen hebben met een structuur op hoger niveau.

Meer concreet mogen we dus verwachten dat er zich een samenleving zal vormen waarin veel minder psychisch en fysisch lijden aanwezig is, en waarin de mens een geschikt milieu zal vinden om zijn psychische en fysische behoeften maximaal te bevredigen. Er zal dus een vorm van groepsorganisatie, van wereldorganisatie komen waarin de harmonieuze onderlinge bevrediging van de mensen mogelijk zal zijn.

Deze verwachting van niveau 9, dat der socialisatie, is geen loutere veronderstelling. Inderdaad, sinds duizenden jaren reeds blijkt deze evolutie aan de gang te zijn, en sommigen zeggen dat de socialisatiefase al heel ver is gevorderd, ja misschien al zijn voltooiing nadert.

Naast de talrijke gelijkenissen tussen niveau 8 en 9 zijn er toch enige belangrijke verschillen:

1. Het opmerkelijkste verschil is dat, voor het eerst in de geschiedenis van het heelal, de bouwsteen van het hogere niveau zijn individualiteit niet verliest. Bij alle vorige niveaus verloren de bouwstenen van het hogere systeem hun individualiteit, en kregen zij elk een heel specifieke, gespecialiseerde functie toebedeeld: een huidcel bv. was voortaan enkel huidcel, en verloor de mogelijkheden van bv. een spier- of zenuwcel. Een bepaald eiwit werd ergens ingeschakeld in het systeem van de eobiont, en had uitsluitend dat als taak. Een bouwsteen verliest trouwens het contact met het geheel: het geheel der invloeden van buiten dringt niet meer tot hem door, en hij heeft evenmin nog impact op die gehele buitenwereld. In die zin is een zelfstandig ééncellig wezen veel "completer" dan een cel binnen een metazoalichaam.

De mens is dus de eerste bouwsteen van een hoger niveau in de evolutie die zijn individualiteit niet verliest, noch fysisch, maar ook niet-psychisch. De mens is het eerste systeem dat een supersysteem opbouwt zonder eigen structurele veranderingen, maar enkel via manipulaties van de niet-menselijke omgeving, en via mentale inwendige veranderingen. Die manipulaties zijn trouwens maar mogelijk door een toegenomen inzicht in deze materiële omgeving. Dus ook de manipulaties vereisen een inwendige, mentale evolutie. De mens is het eerste bewuste systeem dat een volledig inwendig beeld van de hem omgevende werkelijkheid weet op te bouwen. De organisatie van het socialisatiesysteem berust dus niet in gespecialiseerde mensen of lichamelijke organen, maar in gedifferentieerde functies, die in principe door elke mens kunnen uitgevoerd worden. Democratie, in de zin van een organisatiestructuur waarvan de functies in principe door elke mens kunnen ingevuld worden, ligt dus in de lijn van de evolutie (hetgeen niet betekent dat er aan onze democratie niets kan verbeteren —zie verder hierover).

2. De biologische evolutie is tot stilstand gekomen. Dit betekent echter niet dat de evolutie als dusdanig stilgevallen is! De biologische evolutie is namelijk overgegaan in twee aparte evoluties: een psychologische, d.w.z. een inwendige, en een technologische, d.w.z. een uitwendige. Deze overgang naar enerzijds uitwendige veranderingen, en anders inwendige "software"-matige veranderingen, heeft voor gevolg dat de evoluerende wezens, in casu de mens, voor hun evolutie niet meer hun fysieke bouw en onafhankelijkheid moeten prijsgeven, maar individueel autonoom blijven hoewel ze toch participeren aan een steeds sneller verlopend evolutieproces. Dit fenomeen heeft enkele zware consequenties, waar we straks op terugkomen.


Psychologie en technologie zijn dus niet zomaar twee studiegebieden aan de rand van de socialisatie, of twee wetenschappen tussen zovele andere, maar de twee spitsgebieden van de evolutie van het heelal. Zo ook zijn de ecologie en de ecologische beweging niet te zien als één van de vele extreme politieke bewegingen of een verzet tegen de gewetenloze ravages van het kapitalisme, maar als een tweede, corrigerende beweging binnen de technologie, en een uiting van het groeiend kosmisch bewustzijn, het effectevaluerend denken en een vorm van positieve verantwoordelijkheid, een nieuw concept dat fundamenteel afwijkt van het primitieve, Latijnse (en door de Kerk helaas geassimileerde) principiële denken dat blind is voor het effect (zoals vrouwe Justitia geblinddoekt met een weegschaal staat).

3. De technologische evolutie, verrijkt met het ecologisch kosmisch verantwoordelijkheidsgevoel, heeft als einddoel om niet enkel een socialisatie van mensen mogelijk te maken, maar een integratie van de hele kosmos te realiseren, vermits alles er meer en meer in betrokken wordt. Er zal dus niet enkel een mensheidssysteem gevormd worden, maar een kosmisch systeem, waar de gehele materiële wereld alsook de dieren- en plantenwereld zullen in geïntegreerd worden. Landbouw en veeteelt waren er in den beginne enkel voor zelfonderhoud, later voor economische redenen, later voor ecologische (eigenlijk nog een negatieve bekommernis, "dat de natuur niet teloor gaat"). Het kweken van huisdieren en het aanleggen van een mooie tuin, zoals ook de natuurparken en reservaten, dit alles zijn voorlopers van het menselijk streven om de ganse natuur te organiseren, d.w.z. te betrekken in de menselijke socialisatie, de door de mens georganiseerde kosmos.

4. Belangrijk is ook om in te zien dat de technologische evolutie in feite voorwaarde is voor de socio-psycho-culturele (SPC) evolutie. Immers, het ontwikkelen van modernere transportmiddelen is de voorwaarde voor een grotere economische afhankelijkheid, die op haar beurt leidt tot toegenomen culturele en politieke banden. Het ontwikkelen van communicatiemedia, van de boekdrukkunst tot de hedendaagse globale informaticakanalen, maakt het mogelijk dat de SPC-evolutie tot stand komt. In die zin is het niet te verwonderen dat de vroegere idealistische pogingen zowel van de missionarissen als van de idealistische marxisten, om een samenleving te creëren van hoger SPC-niveau, gestuit zijn op het niet rijp zijn van de lokale cultuur, bij gebrek aan technologische middelen, vooral van communicatieve aard.


CONCRETE KENMERKEN DER SPC-EVOLUTIE


De socialisatie, zoals Pierre Teilhard de Chardin de huidige fase van de kosmische evolutie noemde, of de SPC-evolutie, zoals wij geneigd zouden zijn ze te noemen, omdat het socialiseren maar één enkel aspect van het hele gebeuren uitmaakt, vertoont een reeks kenmerken, waarvan sommige gemeenschappelijk zijn aan elk evolutieniveau, en sommige typisch voor het huidige niveau.

Tot de gemeenschappelijke of algemene behoren factoren als:

- uitwendige druk, die noopt tot verbeterde organisatie. Cultuur en socialisatie ontstonden trouwens hoofdzakelijk in grote steden en dichtbevolkte gebieden. Hoe dunner bevolkt, hoe langer een kleinschalig gezins- of stamsysteem volstond.

Belangrijke culturen ontstonden in het verleden steeds in gebieden met een zeer dichte bevolking: Mesopotamië, Egypte, Rome.

- het gezinsverband der hogere zoogdieren speelt ook bij de mens, en dit nog in verhoogde mate, vermits de afhankelijkheid der jongeren tien tot twintig jaar duurt. Reeds de apen vertonen een gezinsverband dat in de dierenwereld uitzonderlijk is, hoewel ook daar leven in kudden vaak voorkomt, en er zelfs twee uitschieters van grootschalige socialisatie zijn, en dan nog wel bij de insecten, met de mieren en de bijen.

Tot de niveaugebonden kenmerken behoren:

- twee typische verschuivingen van de sociale regulatie:

1) een verschuiving van materiële onderwerpen naar psychoculturele thema’s:

De staatsstructuur of de heerser houdt zich in den beginne enkel bezig met de materiële aspecten van het leven van de inwoners: de belastingen die zij moeten betalen, het respecteren van elkaars eigendommen, bestrijden van grove misdaden. Pas veel later (vanaf de 19e en 20e eeuw) komen thema’s aan bod als schoolse opvoeding, cultuur, sociale zekerheid, veiligheid in het openbaar en in het verkeer.

2) een verschuiving van gedwongen door uitwendige regels en dwang- en strafmechanismen naar spontaan respecteren van dergelijke regels. Sommige culturen, bv. de Angelsaksische, zijn duidelijk vóór op de andere culturen voor wat betreft het spontaan respecteren van dergelijke regels.

We zouden beide evoluties kunnen voorstellen door volgende grafiek:


- sociale regulatoren binnen deze "gedwongen orde"

Daartoe behoren de politieke, de financiële, de morele en de economische regulatoren.

De politieke regulering gebeurt via het installeren van machtsstructuren met de bijhorende sanctioneringssytemen om mensen moreel te dwingen de verordeningen te eerbiedigen, en zo nodig fysisch te verhinderen anders te handelen.

De financiële regulering is in principe niet zo gericht, maar is toch even doeltreffend om de samenleving te ordenen. Men kan immers niet meer realiseren dan zijn financiële middelen toelaten, en anderzijds worden de sociale verrichtingen ergens beloond en gestimuleerd door financiële beloningen. Uiteraard blijft deze financiële regulering niet los van de politieke, maar wordt er snel door beïnvloed. We kunnen deze bemoeienissen door het bestuur samenvatten met de term fiscalisatie: zowel het inkomen wordt beperkt door belastingsdruk, als bepaalde werken in het voordeel van iedereen (of van de gezagsdragers) worden bekostigd met deze gemeenschapsgelden.

De morele kunnen onderverdeeld worden in permanente en uitzonderlijke.

Tot de permanente behoren de morele druk, het schaamte- en schuldgevoel om bepaalde gedragingen al of niet te stellen. Dit is, cultureel gesproken, een zeer krachtige factor, hoewel een klein deel der bevolking er steeds aan ontsnapt bij gebrek aan gevoeligheid ervoor. Deze druk kan ook soms omgekeerd werken voor subgroepen uit de bevolking voor wie het psychologisch belangrijk is zich af te zetten tegen het establishment, dus tegen de gevestigde orde.

De uitzonderlijke zijn sterk afhankelijk van de voorhanden zijnde communicatiekanalen omdat ze zich snel moeten kunnen verspreiden. Een volksrevolutie is een klassiek voorbeeld hiervan. Vooral de laatste jaren kennen we in onze socialisatie door media, en meer nog door drukkingsgroepen een opvallende toename van vaak succesvolle publieke afkeuring van bepaalde situaties, meestal gedragingen van regeringen of sterke economische groepen die neigen tot machtsmisbruik. Sommige drukkingsgroepen, zoals Amnesty International en Greenpeace zijn opgericht met als voornaamste bedoeling dergelijke morele druk uit te oefenen. Zonder de moderne media hadden zij nooit een dergelijk effect kunnen sorteren.

De economische blijken de laatste jaren sterker te zijn dan de politieke en militaire. Zo werd het communisme op de knieën gekregen door praktisch uitsluitend economische druk, en worden, zij het met tegenzin, sommige mensenrechten in de "primitieve" landen ets meer gerespecteerd in de hoop op economische steun vanuit de rijke landen. De toekomst der sociale regulatoren 1) fiscalisatie

Een van de opvallendste kenmerken zal het verdwijnen zijn van het geld. Het geld heeft hoofdzakelijk een functie als stabilisator van de onderlinge prestaties. Immers, elke levering van diensten of van goederen wordt thans in evenwicht gehouden door een tegenstroom van geld. Dank zij het geld worden bepaalde excessen vermeden, alhoewel het duidelijk is dat het systeem ook bepaalde misbruiken toelaat, nl. bij hen die erin slagen grote hoeveelheden geld naar zich te doen toestromen zonder dat zij in feite nog per prestatie of per werkuur gehonoreerd worden. In de toekomst zal het steeds minder nodig zijn deze controlestroom te gebruiken, vermits hij zal kunnen vervangen worden door een soort collectief taakbewustzijn, een soort zelfdiscipline, m.a.w. door een goede opvoeding.

De tendens om het geld als tegenstroom weg te nemen is thans reeds lang aan de gang, nl. in het verschijnsel van de fiscalisatie. Enerzijds zien we nl. dat een steeds groter gedeelte, van wat in de samenleving moet verwezenlijkt worden, onttrokken wordt aan het privé-initiatief en bekostigd wordt door de staat. Anderzijds zien we dat een steeds hoger percentage van het inkomen belast wordt. M.a.w. de geldstroom, die eerst in een grote cirkel rondging, wordt meer en meer vervangen door een stroom van de periferie naar de centrale fiscus loopt, en dan weer herverdeeld wordt. Met de snelheid, waarmee dit proces thans verloopt, is het moment niet meer zo veraf dat 100% van het inkomen zal belast zijn, terwijl ook 100% van de uitgaven door de staat zullen bekostigd worden. Zodra de fiscus zichzelf betaalt, is hij dus overbodig geworden. Intussen zijn er echter andere "controlemiddelen", die het prestatieproces regelen, want het ligt voor de hand dat nationaliseren alleen niet voldoende is (over het algemeen kunnen we zien dat in die landen waar meer genationaliseerd is, althans op dit ogenblik, het rendement ook duidelijk gaat dalen, tenzij dan op de zwarte markt). De fout zit echter niet in het systeem, maar in het feit dat dit systeem wordt toegepast in een samenleving die er nog niet rijp voor is. M.a.w. dat het geld als tegenstroom wordt afgeschaft, op een ogenblik dat het taakbewustzijn nog niet volledig is ontwikkeld. In praktijk is er dus een slingerbeweging bezig, waarbij men op het ene ogenblik meer nationaliseert, wat een voordeel is voor de gemeenschap maar een nadeel qua efficiëntie, zodat de officiële dienst te kostelijk wordt, waarna er een beweging is naar privatisering, waardoor de efficiëntie toeneemt maar er een zekere onrechtvaardigheid in beschikbaar stellen der diensten optreedt, vermits het winstprincipe domineert (zoniet wordt de dienst onbetaalbaar). 2) democratisatie

Een tweede aspect van de samenleving van de toekomst is het installeren van een echte democratie ?of misschien moeten we het anders noemen, bv. synergie, vermits de term democratie al belast is door eeuwenoude wantoestanden. Hoe men het ook wil noemen, het komt hierop neer dat de besluitvorming op realistischer basis gebeurt. Het probleem bij het invoeren van de democratie is in feite hetzelfde als voor het afschaffen van het geld. De leden van de samenleving moeten eerst rijp zijn voor een nieuwe vorm van samenwerking, alvorens een vorige vorm kan afgeschaft worden. En hiermede komen we nogmaals terecht bij een opvoedkundig probleem. 3) beurtrollensysteem

Een derde aspect van de toekomstige samenleving is het invoeren op grotere schaal van een beurtrollensysteem, d.w.z. dat bepaalde taken in de samenleving niet meer definitief aan bepaalde beroepen zullen gebonden worden, maar doorgegeven aan de verschillende leden van de samenleving. Hierbij kan men een of meerdere cyclussen doorlopen.

Dit is in de grond een analoog verschijnsel met de democratisering, die inhoudt dat functie en persoon gedissocieerd (kunnen) worden.

Het betreft niet alleen de meer materiële onderhoudsfuncties, maar ook meer technische beroepen. Hoewel men theoretisch door dit systeem een lichte vermindering van rendement mag verwachten (en dit laatste is nog niet eens zeker) zou zo'n systeem toch belangrijke voordelen hebben voor wat betreft de opvoeding en de bewustmaking; twee problemen, die we reeds eerder hebben aangehaald.

Ook de creativiteit, en meer algemeen gesproken het minder neurotisch worden van de samenlevingsstructuren, zouden in belangrijke mate bevorderd worden door een grotere mobiliteit in de verschillende beroepen.

Ook deze tendens is thans reeds waar te nemen. Hoewel we op het eerste gezicht een toename der specialisatie hebben, nemen we anderzijds een verkorting der werkduur waar. De hobby's, die tijdens de vrije tijd beoefend worden, krijgen steeds meer de kans een belangrijkere subjectieve rol te spelen, en soms zelfs een tweede beroep te worden.

Bepaalde hoogefficiënte samenwerkingsstructuren, zoals de jezuïetenorde, hadden al heel vroeg de gewoonte om functies slechts enkele jaren bezet te laten door dezelfde persoon, en zelfs de meest gespecialiseerde functies van tijd tot tijd, bv. na 4 of 6 jaar, aan iemand anders toe te vertrouwen. Ook onze democratische organisatie berust in feite op dit principe, althans in de leidinggevende posten.

Wat er ook van weze, het is duidelijk dat er voor de verwezenlijking van de samenleving van de toekomst twee belangrijke voorwaarden moeten vervuld worden.

a) om te beginnen moeten de technische communicatiemiddelen verder tot ontwikkeling worden gebracht, opdat het onderlinge contact de bewustmaking en een efficiëntere "opvoeding" mogelijk zouden maken.

b) vooral de wetenschap van de opvoeding, en meer in het algemeen van de persoonlijkheidsvorming (toegepaste psychologie), moeten steeds verder tot ontwikkeling worden gebracht, want telkens wij in onze samenleving een stap vooruit willen zetten is dit niet zozeer een kwestie van structuurveranderingen maar vooral van het kunnen beschikken over mensen die psychologisch rijp zijn om binnen minder neurotische en efficiëntere structuren te functioneren.

Bij dit laatste aspect is het probleem van het bewusthouden. Het menselijk bewuste, m.a.w. de overtuiging dat bepaalde zaken best wel of niet gebeuren, is een fluctuerend systeem, dat sterk afhankelijk is van recente indrukken (sensibilisatie) en sociale druk. Zoals men bv. na het zien van een ernstig auto-ongeval zelf enkele minuten voorzichtiger rijdt, zo zal de bevolking in groep sterk reageren en bepaalde organisatorische veranderingen afdwingen als er zich één of een reeks zware gevallen, natuurrampen, misdaden of politieke schandalen hebben voorgedaan. Maar dit effect verdwijnt vrij snel, en politici weten dat als ze genoeg manoeuvreren, verdagen en naar commissies verwijzen, het effect erna voldoende zal uitgestorven zijn en ze rustig alles bij het oude kunnen laten. Hetzelfde geldt trouwens in het privé-leven. Na een mislukt examen zweert iedereen wel het de volgende keer anders en vooral tijdiger te zullen aanpakken, maar uiteindelijk blijft alles vaak bij het oude.

Sensibilisering is dus maar een partiële en primitieve vorm van bewusthouding. Opvoeding (cfr. de gewoontes om afval in een prullenmand te deponeren, wat twintig jaar geleden bijna onbestaande was) en media hebben hier een zware taak in. De media kunnen deze taak echter niet realiseren, tenzij zij een soort werkingsprogramma gaan aanwenden. Dit zal echter niet gemakkelijk zijn, want er is geen sociale groep denkbaar die meer op zijn vrijheid van beweging en meningsuiting staat dan deze. Zelfs een minimale ethische code lijkt al een probleem te zijn. 4) convergentie en departicularisatie

Een vierde belangrijk aspect van de socialisatie bestaat in convergentie en departicularisatie.

Dit zijn twee aspecten van eenzelfde fenomeen, dat erin bestaat dat bepaalde vormen van SPC-organismen zich eerst manifesteren als geïsoleerde fenomenen, kleine partijen of denkgroepen, soms strak maar vaak ook informeel georganiseerd, die zich ook soms zelfs extreem voordoen (extreem-links, extreem-rechts, fundamentalistisch, revolutionair, streng religieus). Ik groepeer ze hier onder de naam projectgroepen, omdat zij zich verenigd hebben om een bepaald project van psychologische, sociale of culturele aard te realiseren, eventueel vertaald in religieuze of politieke termen. Hun progressieve ideeën worden niet zelden beschreven als typisch voor een bepaalde filosofie, ideologie, politiek, religie of wereldvisie. Vaak organiseren zich rond dergelijke visies gesloten groepen, die, al naargelang het geval, met een beperkt of breed SPC-project bezield zijn. Politieke partijen, religieuze verenigingen, zelfs delen van religieuze verenigingen zoals een religieuze orde (bv. de jezuïeten) binnen de rooms-katholieke kerk. Hetzelfde fenomeen doet zich overigens voor binnen bepaalde wetenschappen, zoals de psychologie, die uitgegroeid is tot tientallen, ja honderden scholen.

Doordat het project van dergelijke groepen doorgaans particulier is geformuleerd, d.w.z. zeer concreet of met specifieke begrippen, wordt in den beginne niet gezien dat dit slechts elementen zijn van de algemene SPC-theorie die zich, vaak zelfs nog verwoord als tijdsgebonden toepassingen, langzaam in het bewuste van individuen en groepen kristalliseren.

Een stuk van de geestdrift, het enthousiasme, het heilig vuur van de deelnemers aan dergelijke groepen is gebaseerd op de totaliteitsillusie, d.w.z. de illusie dat het project eigenlijk levensvullend is en kan volstaan als compleet levensprogramma. Vooral als het project in een godsdienstige context is geformuleerd is de kans op deze totaliteitsillusie groot, en helaas meteen op ontoegankelijkheid van de denkers en de leden van projectgroep voor nuttige ideeën die toevallig niet voorzien waren in het oorspronkelijke project. Binnen deze gesimplificeerde illusie is het immers gemakkelijker om de zin van zijn eigen rol in de projectrealisatie te beseffen. Het verzet tegen de nieuwe ideeën is niet enkel een gevolg van intellectuele beeldvervorming, maar van nog twee andere fenomenen. Enerzijds worden deze nieuwe ideeën ervaren als bedreigend voor de eigen functie, en anderzijds is er vaak zo een diepe ervaring en overtuiging van de juistheid van het project, dat de nieuwe ideeën als zinloos overkomen, zeker als zij voor een deel kritiek inhouden tegen het huidige project.

Na een particuliere periode bereiken we een fase van departicularisering, d.w.z. dat de ideeën gemeengoed worden. Hierbij worden deze ideeën niet zelden vertaald in meer algemene termen van wetenschappelijk aard, bv. psychologisch, organisatorisch, algemene systeemtheorie.

De departicularisering gebeurt soms doordat de boodschap van de projectgroep mettertijd algemeen aanvaard wordt (zoals sommige milieu-idealen van de groenen), maar soms ook wordt hij vroeg of laat herontdekt langs een andere weg (zoals vele idealen van bv. de yoga-beweging uit het oosten schijnen te komen, terwijl ze eigenlijk reeds in het christendom aanwezig waren). Soms is het aanwezig zijn van een SPC-inzicht in een particuliere projectgroep zelfs een rem op het algemeen aanvaard worden van dit specifieke idee, omdat men het verkeerdelijk alleen kon situeren binnen de beperkte achtergrondfilosofie van die projectgroep. Voorbeeld hiervan is het ideaal van absolute trouw binnen een diepe menselijke relatie, waarvan men vroeger dacht dat het een kortzichtige opvatting was, verkeerdelijk zelfs toegeschreven aan God zelf ("wat God in de hemel bindt zult gij op aarde niet ontbinden"), maar waarvan thans blijkt dat het gewoon elementaire psychologie is. Een ander voorbeeld zijn de begrippen "overdracht" en "tegenoverdracht", waarvan men in het begin dacht dat ze zich enkel binnen de psychoanalytische therapiesituatie voordeden, maar waarvan men gaandeweg is gaan beseffen dat het zich in elke menselijke relatie manifesteert.

Soms is de departicularisering ingegeven door platvloerse concurrentiële motivaties: bv. bij de "centrumpartijen" die sommige standpunten van de "groenen" overnemen om hen electoraal wind uit de zeilen te nemen als gaat blijken dat die partijen succes hebben met dergelijke ideeën. Soms worden sluimerende ideeën bij die gelegenheid gereactiveerd, bv. de katholieke sociale inzet voor het lot van de arbeiders, die op gang kwam na het ontstaan en vooral de verpletterende successen van het socialisme.

Na de departicularisering kan een convergentie optreden tussen projectgroepen die een analoog project blijken na te streven. In den beginne gebeurt dit meestal om strategische overwegingen: uitsparen van inspanningen die anders dubbel moeten gebeuren, of het gezamenlijk bereiken van een sterkteniveau dat als aparte groepjes onbereikbaar was. Hoe totaler echter het project is geformuleerd, hoe moeilijker het is dat deze convergentie, die in feite een vorm van integratie is, zich voordoet. Dergelijke niet-integrerende groepen hebben, na lange tijd het integratieproces feitelijk afgeremd te hebben, uiteindelijk vaak geen andere keus dan te verdwijnen of in schisma’s uiteen te vallen tussen de meest en de minst dynamische subgroep. Dit laatste is typisch voor de katholieke kerk, die door haar rigide, principiële en gecentraliseerde structuur bij het ontstaan van sterk afwijkende nieuwe inzichten geen andere keus had dan uiteen te vallen, hetgeen achtereenvolgens met de orthodoxen, de protestanten en de anglicanen is gebeurd, waarbij telkens belangrijke vernieuwende ideeën verloren zijn gegaan.

Anderzijds gaan bij departicularisering soms waarden verloren, vooral als ze in de vroegere cultuur slechts impliciet aanwezig waren. Vb: het verlies van de liturgische, non-verbale culturele waarden ter gelegenheid van de protestantse reformatie. 5) responsabilisering

Een andere, wellicht steeds krachtiger wordende factor binnen de SPC-evolutie, is de responsabilisering. Met dit begrip wordt bedoeld dat een persoon of een vereniging verantwoordelijk is voor de gevolgen van haar gedrag, en niet enkel voor het gedrag op zichzelf. Dit is een heel belangrijke verschuiving binnen het westers denken, dat tot nog toe principieel-dualistisch, of zo men wil aristotelisch-cartesiaans was. D.w.z. dat de verantwoordelijkheid wordt bepaald door principes of argumenten vanuit het verleden, en dat men verder blind mocht zijn voor de gevolgen van zijn gedrag, op voorwaarde dat men de principes respecteerde.

Deze nieuwe redenering is eigenlijk al eeuwenlang een ingrediënt van het Angelsaksische rechtssysteem waar vaak geen geschreven wetten bestaan, en de rechter dus veel vaker op basis van billijkheid en feitelijke gevolgen kon oordelen. Het rechtssysteem bevat trouwens veel meer verwijzingen naar vroegere uitspraken dan naar wetten en regeltjes.

Een spectaculaire toepassing hiervan was het proces van Nürenberg, waar na de oorlog de Duitse leiders, militairen en anderen, veroordeeld zijn op basis van vage begrippen als misdaden tegen de mensheid. Volgens de Latijnse denkwijze waren Duitse militairen alleen te laken als zij de instructies van hun oversten niet zouden ingevolgd hebben. Dus in principe was enkel Hitler schuldig, en zelfs hij was democratisch verkozen... Het ziet ernaar uit dat in de toekomst dergelijke processen frequenter gaan worden, bv. na de volkerenoorlog in Joegoslavië. Het criterium van verantwoordelijkheid is dus niet meer de vraag of je de principes, vastgelegd in het verleden, al dan niet gerespecteerd hebt, maar wel wat je gedrag in feite heeft opgeleverd. Je verantwoordelijkheid is gewoon de mate waarin jij daar feitelijk iets kon aan doen. Dus het effect bepaalt iemands verantwoordelijkheid, niet de principes waarmee men zijn gedrag wettigt.

Analoge zaken doen zich voor in de Belgische gezondheidspolitiek. Je wordt bv. als geneesheer veroordeeld als blijkt dat je meer verrichtingen gedaan hebt dan percentiel 96 van je collega’s. Dus, op het ogenblik van de feiten kan je nog niet duidelijk weten of je gedrag goed of slecht zal beoordeeld worden, want die profielen om de percentielen te berekenen kan men slechts achteraf opstellen!

Hetzelfde geldt voor het begrip responsabilisering. Je wordt bv. financieel bestraft als je afwijkt van het gemiddelde, of je krijgt een omslag voor de kosten die je kan maken, en je bepaalt zelf maar hoe je dit bedrag besteedt.

Dezelfde redenering blijkt uit de eco-leuze: de vervuiler betaalt. Bv. taksen die geheven worden als een bedrijf niet kan bewijzen dat 70% van zijn verpakkingen effectief (dus niet theoretisch of principieel) gerecycleerd worden.

De uitgangspunten achter deze nieuwe benadering zijn: 1. de waarde van het gestelde gedrag wordt bepaald door het reële gevolg van dit gedrag, niet door allerlei, zelfs eerbiedwaardige principes waarachter hij zich kan verschuilen; 2. binnen het reële gevolg is men verantwoordelijk in de mate dat men zelf regulerend voor dit gevolg kon optreden.

De responsabilisering is een heel belangrijke stap weg van de aristotelisch-cartesiaanse denkwijze, die geleid heeft tot de wantoestanden en verschrikkingen der laatste eeuwen. Het is een duidelijk kenmerk van het effectevaluerend of holistische denken, het basiskenmerk van de Nieuwe Cultuur, het Nieuwe Denken. Met deze term wordt de nieuwe fase van de SPC-evolutie aangegeven, zoals zij zichtbaar werd vanaf de tweede helft van de 20e eeuw. 6) persoonlijkheidsvorming

Bij idealistische sociale hervormers in de voorbije eeuwen, met als toppunt de Franse Revolutie en de Oktoberrevolutie, maar ook nog lang daarna bestond helaas vaak de vrome illusie dat sociale vooruitgang een kwestie was van verbeterde structuren. Desnoods moesten ook de personen die zich tegen deze hervorming verzetten, of die de oude stijl symboliseerden, eraan geloven. Belangrijke veranderingen komen echter niet tot stand door grootse structurele ingrepen, hoewel deze ingrijpende wijzigingen soms wel de cultuur kunnen beïnvloeden.

Opdat een hervorming echter zou lukken, d.w.z opdat een groep gezamenlijk op een hoger niveau zou gaan functioneren, moeten de groepsleden daar psychologisch rijp voor zijn, zoniet mislukt de revolutie. Zowel de volprezen Franse en Russische revoluties zijn daar het droevige voorbeeld van. Nog geen tien jaar na de Franse revoluties, die de kwalijk monarchie had willen vervangen door een democratie, was er weer een keizer, die nog ingrijpende in het leven van zijn onderdanen ingreep dan de koning ooit gepoogd had. En in de Oktoberrevolutie heeft het zelfs zo lang niet geduurd voordat de boosaardig geachte tsaar-despoot vervangen was door een nog veel wreedaardiger dictator. Overigens is het communisme mislukt, niet omdat de ideeën zo slecht zijn, maar omdat de mensen er nog niet rijp voor zijn: ze blijven gemotiveerd door hun eigen voordeel op korte termijn, en liggen niet wakker van idealen als de socialistische staat.

Deze culturele veranderingen zijn trage processen (met weliswaar soms plotse kristallisaties) die eigenlijk moeilijk kunnen geforceerd worden. Sommige veranderingen treden spontaan op in bepaalde bevolkingsgroepen, andere zijn het gevolg van contacten tussen bevolkingsgroepen, bijvoorbeeld door migratie. Communicatie is een belangrijke versnellingsfactor. Tweemaal in de geschiedenis gebeurde hierbij een reuze sprong: de uitvinding van de boekdrukkunst (met een enorm snelle verspreiding van het ideeëngoed van renaissance en reformatie voor gevolg), en radio en televisie in de twintigste eeuw. Misschien zal internet ook iets dergelijks veroorzaken. De communicatiegolf in deze eeuw had een enorme sterke verspreiding van het westerse ideeëngoed voor gevolg. Gebieden die eerst getracht hebben deze infiltratie door censuur af te remmen, zoals Rusland en Zuid-Afrika, zijn er uiteindelijk niet in geslaagd, en zowel het communisme als de apartheid stortten in mekaar. Ook de christelijke systemen kregen een harde klap, want de boodschap van de kansel was niet krachtig genoeg meer ook de informatie- en cultuurstroom via de kijkkast in de leefkamer tegen te werken.

Om dezelfde reden is de heldhaftige christelijke missionering grotendeels mislukt. Niet bij gebrek aan inzet, onwel van de "primitieve" volkeren, maar gewoon omdat de culturele stap te groot was om ineens te zetten. Men heeft moeten wachten op de moderne communicatiemiddelen om een sterke versnelling van deze culturele evolutie te kennen.

Dit geldt op meerdere niveaus: zowel binnen het gezin, het bedrijf, de leefgemeenschap, de staat, het werelddeel is eerst een evolutie van de persoonlijkheid der betrokkenen nodig voor men gezamenlijk op een hoger niveau kan geraken. Democratie invoeren in een staat die geen eeuwenlang verleden van voorbereidende structuren en gedachtenpatronen heeft, is smeken om dictatuur.

De pragmatische tactiek van de minimale voorwaarden en principes (zoals de rechten van de mens, de rechten van de gevangene, de vrijheid van meningsuiting, stakingsrecht, participatie) blijken een goed middel te zijn om een cultuur binnen een groep te doen vooruitgaan, op voorwaarde dat er commerciële of juridische consequenties verbonden zijn aan het negeren van deze principes. Anders blijven ze dode letter.

Het is dan ook niet te verwonderen dat bedrijven in hun permanente vorming veel aandacht schenken aan het bijbrengen van psychologische attitudes en vaardigheden bij hun werknemers.

De taak van de media op dit gebied is erg belangrijker. Maar is moeilijk, en misschien niet wenselijk, dat zij de koppen bij elkaar steken om bepaalde culturele evoluties te (proberen) bewerkstelligen. Nochtans zijn zij erin geslaagd de oorlog in Viëtnam, het beleg van Beiroet, de apartheid en de Berlijnse muur te beëindigen.

Ook de moderne drukkingsgroepen zoals de ecologische beweging, Greenpeace en Amnesty international, zin er, weliswaar grotendeels via de media, in geslaagd om de culturele evolutie sterk te beïnvloeden, naast de concrete verwezenlijkingen die zij afdwingen.


HET EINDDOEL DER SOCIALISATIE

INLEIDING

VOORWAARDEN VOOR VERANTWOORDE FUTUROLOGIE


Elke poging om het eindstadium der socialisatie te beschrijven lijkt naïef. Immers, we kennen al veel dimensies waarin er een SPC-evolutie optreedt, maar zeker nog niet alle. Iedere futuristische beschrijving van dat eindstadium is dus een waagstuk. En zoals wij glimlachen met de futuristische beschrijvingen van bv. Jules Verne, zo zal men later wellicht ook met onze beschrijving lachen.

Nochtans hebben dergelijke beschrijvingen een illustratieve en inspirerende waarde, eerder zelfs dan een voorspellende. Illustratief, omdat dergelijke beschrijvingen duidelijk de principes beschrijven waarop ze zijn gebaseerd, en inspirerend, omdat de zwakkere kanten van dergelijke beschrijvingen helpen om eventuele dimensies en factoren op het spoor te komen die nog ontbreken.

Er moet nochtans gezegd worden dat Pierre Teilhard de Chardin meer dan wie ook de voorwaarden vervuld heeft om dergelijke voorspellingen verantwoord te kunnen formuleren. Want traditioneel zondigen praktisch alle toekomstvoorspellingen doordat ze slechts met enkele factoren rekening houden. Die voorspellingen maken gewoon lineaire projecties van de huidige evolutietendensen die zichtbaar zijn, althans in de geest van de auteur. Maar Pierre Teilhard de Chardin heeft zich de moeite getroost om een globaal beeld van de evolutie te schetsen, zodat de kans dat hij de belangrijkste factoren onderkent veel groter is dan bij alle andere futurologen en sciencefictionauteurs.

Een typisch voorbeeld van verschillende soorten utopieën zijn de twee boeken van Aldous Huxley, A brave new world en Island.

Het eerste boek heeft hij geschreven bij het begin van zin literaire carrière. Het beschrijft een toekomstige wereld waar de technologische wetenschappen sterk zijn geëvolueerd ten opzichte van vandaag, maar waar de psychosociale evolutie nog op hetzelfde primitieve niveau is blijven hangen als vandaag. Hij schetst ons dan ook een vrij simplistische sciencefiction wereld, waar de mensen nog dezelfde neurotische gedragingen vertonen als vandaag. Het samenwerkingsbeeld is dan ook vol wederzijds bedrog, achterdocht, concurrentie en agressie. De hiërarchie is vrij directief, meer nog, de samenleving is zelfs al uiteengevallen in verschillende sociale klassen (van alfa tot delta), door bij de proefbuisontwikkeling meer of minder kansen te geven voor de ontwikkeling van de hersenen.

In Island, de tweede utopie die hij schreef op het einde van zijn schrijversloopbaan, gaat hij precies andersom te werk: hij beschrijft een samenleving die er technologisch nog uitziet als de onze, maar waar daarentegen de psychosociale wetenschappen en toegepaste inzichten enorm zijn vooruitgegaan. Het is dus geen sciencefiction in de klassieke zin van het woord, maar een soort psychofiction. Hij beschrijft een kleinschalige samenleving waar een open communicatie heerst, en waar poëtische en esthetische waarden hoog staan aangeschreven. Hij maakt als het ware een synthese tussen het westerse en het oosterse denken (waarvan hij een groot bewonderaar en kenner was).

Ik denk dat geen van beide utopieën voldoet aan de plausibiliteitscriteria. De tweede is echter veel boeiender, omdat ik denk dat de SPC-evolutie veel spectaculairder zal zijn dan de technologische. Daarenboven geloof ik dat de technologische nodig is om de SPC-evolutie mogelijk te maken. Beide ingrediënten zij nodig, want evolutionair gezien zijn zij de voortzetting van de vroegere biologische evolutie.


BESCHRIJVING


Hoe zou een ver voltooide fase van de SPC-evolutie er kunnen uitzien?


1. Materiële aspecten


- Vooreerst enkele materiële aspecten. Arbeid, in de zin van machine-achtige of beest-achtige inspanningen te verrichten door mensen, zijn niet meer nodig: alles wordt machinaal geproduceerd en zo nodig gerepareerd. Door een doorgedreven modulair systeem kunnen herstellingen vrij goedkoop gebeuren, en moeten er geen "nieuwe modellen" meer geproduceerd worden. Het volstaat om de modules te vervangen door betere. Alles is uiteraard geïnformatiseerd en gerobotiseerd tot in het uiterste, vermits de kleinste chip de meest complexe circuits kan bevatten.

- De verplaatsingen zijn 100% veilig en snel geworden, uiteraard volledig geautomatiseerd. Op de begane grond komt men geen wagens meer tegen. Men kan er wandelen, de kinderen kunnen er spelen. Onder elk huis is er een stationnetje van een ondergronds geminiaturiseerd metrosysteem. Men drukt op een toets om een klein wagentje op te roepen, zoals men vandaag een lift oproept. Men tijpt zijn bestemming in, en wordt ter plaatse gebracht. Ook kinderen en allerhande pakketten kunnen vlot, snel en veilig ter plaatse worden gebracht. Voor verdere verplaatsingen zijn er kleine vliegtuigen die snel stijgen en zich inhaken in vliegende platforms die zelden of nooit landen (tenzij voor moeilijke herstellingen die de modulariteit overstijgen. In zo’n zweefplatform, dat hoog genoeg vliegt om zich goedkoop en snel te kunnen verplaatsen in een continue baan om de aarde, loopt men vrij rond, en is er een groot comfort. Tegen de tijd dat men zijn bestemming nadert, daalt men met een klein pendelvliegtuig weer naar beneden.

- De communicatie is extreem gepersonaliseerd: met eenvoudige adressen zoals thans voor Internet is iedereen overal te bereiken, met computerbestanden en desgewenst ook met klank en beeld. Waar men zich bevindt is niet belangrijk; dat speelt ook bij Internet geen rol.

- Medisch zullen uiteraard kwelduivels als kanker en virale infecties overwonnen zijn. Wellicht ontstaan er nog enkele nieuwe plagen (bv. genetische rampen), maar deze zullen ook niet veel schade meer aanrichten. De dood zal wellicht niet zo snel overwonnen worden, maar het staat in elk geval op het programma. Het comfort zal zeker hoog blijven tot hoge leeftijd, en de psychologische attitude tegenover de dood zal ongetwijfeld sterk veranderd zijn. Misschien worden vóór de dood, of op andere significante momenten van het leven, computeropnames gemaakt om de voornaamste herseninformatie te bewaren, zodat later iemand met aangepaste computerprogramma’s tijdelijk kan "gereanimeerd" worden.


2. Psycho-culturele aspecten


Het boeiendste aspect van deze denkoefening is echter de SPC-kant.

Communicatief en organisatorisch geldt het principe van de integratie, d.w.z. dat men er bij elke vorm van divergentie in opvattingen en werkwijzen van uitgaat dat de diverse benaderingswijzen ongetwijfeld elk iets waardevols hebben. Het probleem is dus niet te kiezen voor het ene ten koste van het andere, maar net zolang te zoeken tot men die verschillen heeft gedistilleerd, die dan elk zullen leiden tot constructieve verbeteringen van de theorie of het project in kwestie.

1) communicatie

a. hoeveelheid, verwarring

-- "paperless office" bleek een illusie

Hoe dat in praktijk zal gebeuren is niet gemakkelijk te zeggen. Zeker zullen de moderne communicatiemedia hierin een cruciale rol spelen. Ergens zal een reusachtig computerbestand beschikbaar zijn (iets zoals Internet), waar alle mogelijke ideeën over alles kunnen gedropt worden, alsook de resultaten van wetenschappelijk onderzoek daaromtrent. Per onderwerp zijn er ploegen bezig met alle samenkomende ideeën te integreren. De fysieke plaats waar dit soort werk gebeurt speelt geen rol meer, vermits afstand en plaats via zoiets als Internet geen rol meer spelen.

b. versnippering en tijdverlies

"hyperbrains", "hyperknowledge", ICS

c. besprekingen

integratie ipv democratie: synergie Synergierijp:

d. zonder straf, geen negatieve sociale controle, zonder sancties: verantwoordelijkheidsbesef, zelfdiscipline. De enige sanctie is uitsluiting van het systeem dat men niet respecteert.

e. zonder geld: fiscalisatie, privatiseringsgolven (staatsbedrijven worden verkocht)

  • monopoliewet, collusie
  • communisme mislukt

alle diensten en goederen gratis, misbruiken voorkomen door synergierijpheid = maximale verantwoordelijkheid.


KRITIEK OP HET "OPTIMISME"


Vaak worden dergelijke optimistische toekomstbeelden sceptisch onthaald. De redenering die men hier doorgaans voor aanwendt, is echter vrij simplistisch: vermits dergelijke zaken in het verleden niet mogelijk waren, zullen ze waarschijnlijk ook in de toekomst niet mogelijk zijn. Argument voor het optimisme

Toch mag men m.i. zeggen, en hiervoor heeft men uiteindelijk wetenschappelijke bewijzen, dat wij een positief toekomstbeeld mogen verwachten. Immers, vermits in de acht vorige niveaus, waarbij het toeval toch een veel grotere rol speelde dan in het huidige negende niveau, het evolutieresultaat telkens op schitterende wijze is bereikt, zien wij niet in waarom dit in het negende niveau niet meer het geval zou zijn, daar waar er toch nog veel meer bewust gestreefd word naar het bereiken van het resultaat. Daarom zijn het niet de optimisten die argumenten voor hun standpunt moeten leveren, maar integendeel de sceptici en de pessimisten.

Immers, de optimisten geloven doodgewoon dat wat zich al minstens achtmaal succesvol heeft afgespeeld, ook een negende keer wel gebeuren zal, nl. een harmonische complexifiëring binnen het niveau. De pessimisten zeggen in feite dat, hoewel het al achtmaal, in moeilijker omstandigheden dan thans, is gelukt, het de negende maal zal mislukken. Om zoiets kras te beweren moeten wel zware argumenten op tafel gelegd worden.

Wat deze sceptici vaak ook vergeten (en met hen de meeste sciencefictionschrijvers), is dat de psychologie in de echte betekenis van het woord in feite nog tot ontwikkeling moet worden gebracht. En eens deze wetenschap tot ontwikkeling gebracht is, mag men toch wel gaan verwachten dat men er uiteindelijk in zal slagen mensen te vormen die in staat zijn om in minder neurotische structuren te functioneren.

De redeneringsfout die bij dit scepticisme vaak gemaakt wordt, is dat men de evolutie van een complex systeem beoordeelt door zich de vraag te stellen of het eindstadium progressief zichtbaar wordt. Zo ja, dan zou de evolutie op het goede spoor zijn. Zo niet, dan zou dit niet het geval zijn. De algemene systeemtheorie heeft echter aangetoond dat de evolutie van een complex systeem (en reeds elke niet-lineaire evolutie is een complexe), enkel kan beoordeeld worden, door zich de vraag te stellen of de voorwaarden voor het eindstadium bezig zijn zich te ontwikkelen. Zijn deze voorwaarden op zichzelf het product van complexe evoluties, dan moet men zich de vraag stellen of de voorwaarden voor deze voorwaarden bezig zijn zich te ontwikkelen, en zo verder. Welnu, als men het probleem op die manier benadert, dan mag men zelfs zeggen dat een wereldoorlog het bewijs is dat er een globale socialisatie op komst is, vermits de wereldoorlog het bestaan bewijst van wereldomspannende communicatiekanalen en belangen. Of, om een ander eenvoudig niet-lineair voorbeeld te nemen: als Tarzan met een bengelende liaan de andere boord van een ravijn tracht te bereiken, dan is hij het verst van deze andere kant verwijderd vlak vóór hij deze andere kant bereikt. Hij beweegt zelfs bijna de helft van tijd in de tegengestelde richting. Daaruit kan men uiteraard bezwaarlijk afleiden dat hij op de verkeerde weg is... Pessimisme soms gewettigd?

Het zou anderzijds zelfs kunnen dat de aarde behoort tot de mislukte pogingen binnen de evolutie van die kosmos. Het is immers een gewoonte in de natuur om bij het realiseren van belangrijke stappen telkens overvloedige pogingen te doen, opdat het doel zeker zou bereikt worden. Bij het bloeien van fruitbomen zijn er meer bloempjes dan er vruchten zullen zijn, en slechts een zeer kleine minderheid der vruchten ontwikkelt zich tot nieuwe fruitbomen. Hetzelfde fenomeen zien we bij eicellen en zaadcellen. Het is wel een streven in de hogere niveaus van de natuur om spaarzamer te zijn met de complexere structuren, en andere veiligheidsmaatregelen te voorzien. Zo heeft de mens in vergelijking met andere dieren veel minder nakomelingen, en toch weet hij zich te handhaven. We kunnen dus veronderstellen dat het op het niveau der bewoonde planeten wellicht ook nogal spaarzaam zal aan toegaan, maar dat elke bewoonde planeet gewaarborgd een succesvolle socialisatie, gevolgd door een even succesvolle participatie aan de kosmische integratie zal meemaken, lijkt wellicht toch onnatuurlijk optimistisch. Niet alleen riskeren we toch voortdurend natuurrampen zoals botsingen met kometen of uitdoven van de zon, maar onvermijdelijk zullen we nog enige tijd enkele krankzinnigen met ons meeslepen, die geloven in de geesteszieke theorie dat je met agressie iets groots kan realiseren. En vermits de verleiding van het machtsmisbruik zo groot is voor primitieve geesten, en vermits destructieve krachten het op korte termijn zo gemakkelijk halen tegenover constructieve krachten, zal de mensheid nog wel enige tijd het kwaad in zich dragen. En de mislukte pogingen zijn tot op het laatste ogenblik onherkenbaar van de geslaagde. Dus het feit dat alles tot nog toe goed schijnt op aarde is zelfs geen waarborg dat wij tot een geslaagde poging zullen behoren. Maar zelfs al vergaat de aarde en haar socialisatie, dit verandert niets aan de theorie van Teilhard de Chardin, die ongetwijfeld ook voor de andere, "geslaagde" planeten van toepassing is.


HOGERE EVOLUTIENIVEAUS


De vraag rijst of er na het huidige socialisatieniveau (9) nog één of meerdere niveaus kunnen verwacht worden, en zo ja, welke.

Op het eerste gezicht is er geen enkele reden om te veronderstellen dat dit niet zou gebeuren. Minstens twee niveaus schijnen zelfs voor de hand te liggen:

1) niveau 9: de kosmische integratie

Hiermee wordt bedoeld dat er, na de socialisatie op deze aardse planeet, een integratie tussen alle bewoonde planeten van dit heelal zal plaatsvinden.

Dat deze bewoonde planeten er zijn is onderhand wel een zekerheid binnen de astronomie. Gewoon al op basis van kansberekening weet men dat er duizenden planeten moeten zijn van de omvang en temperatuur van de aarde, zodat men kan veronderstellen —zelfs met de minimalistische hypothese dat leven alleen kan ontstaan in vergelijkbare omstandigheden als die op aarde enkele miljoenen jaren geleden— dat er zeker duizenden bewoonde planeten zullen bestaan, wellicht zelfs van een vergelijkbare ouderdom.

Men kan zelfs veronderstellen dat de levensvormen er niet zo verschillend zullen zijn als hier, in die zin dat men wellicht te doen zal hebben met meercellige wezens. Immers, de theorie van Teilhard leert ons dat moleculen, cellen en dergelijke niet zomaar willekeurige systemen zijn naast even zovele andere, maar dat ze telkens de logica zelf zijn binnen het proces der natuurlijke systeemvorming. En pas systemen van de complexiteit van de primaten kunnen de informatieverwerking aan die nodig is om het niveau der socialisatie mogelijk te maken.

Veronderstellen dat het leven op andere planeten vergelijkbaar is met het onze is dus wellicht geen uiting van primitief of arrogant antropomorfisme, maar een eenvoudige redenering.

Het tiende niveau zou er dus in bestaan dat de aarde, samen met de andere bewoonde planeten, een harmonisch gestructureerde en samenwerkende kosmos zou vormen, waar de duizenden bewoonde planeten met elkaar een supersocialisatiesysteem zouden opbouwen.

2) niveau 10: de supra-universele integratie

Na dit 9de niveau is er zelfs een 10de denkbaar. Immers, Einstein heeft aangetoond dat ons heelal wel onbeperkt is, maar toch eindig. Zoals je op aarde nergens een grens ontmoet, in welke richting je ook reist, maar je toch binnen een eindige ruimte blijft bewegen, zo is ook het heelal: in welke richting je ook wegreist, vroeg of laat kom je uit de andere richting op je vertrekpunt terug, zonder ooit een grens ontmoet te hebben. Vandaar de uitspraak van Einstein: het heelal is eindig maar onbegrensd. Dit betekent echter dat er geen enkel bezwaar is tegen het bestaan van meerdere heelallen, die uiteraard niet met elkaar in contact kunnen komen, tenzij via ontsnappingsroutes als de vierde dimensie of andere, later nog te ontdekken verbindingswegen.

Als er —volgens deze niet-onwaarschijnlijke hypothese— meerdere heelallen of universa zouden bestaan, dan is het denkbaar dat deze in een verre toekomst met elkaar contact zouden leggen, en mettertijd evolueren naar één harmonisch geheel, een soort supersysteem, een supra-universele integratie. Dit zou dan, in de stijl van de tien vorige niveaus, het 10de niveau van complexifiëring zijn.

3) Neen: de socialisatie is het laatste niveau!

Hoewel Teilhard de Chardin zeer goed bewust was van de theoretische mogelijkheden van een kosmisch (10) en een supra-universeel (11) integratieniveau, is hij toch de mening toegedaan dat het huidige niveau, de socialisatie, het allerlaatste niveau van complexifiëring en bewustzijn is in de evolutie van het heelal. Niet dat er geen integratie zal komen met andere bewoonde planeten uit ons heelal, of met andere universa! Integendeel, deze integratie zal er wèl komen, maar steeds met de mens als bouwsteen. Het zullen dus niet de bewoonde planeten zijn, elk eventueel bestuurd door een soort UNO, die met elkaar zullen integreren. Neen, het zullen de intelligente bewoners van deze planeten zijn, die met elkaar een integratie zullen verwezenlijken. De mens blijft dus hoe dan ook de bouwsteen van de komende socialisatie(s). Er zal wellicht een harmonisch systeem gevormd worden met de bewoners van de andere planeten, van binnen en eventueel van buiten ons heelal, maar dit moet allemaal gerekend worden tot de huidige socialisatie, die kan beschouwd worden als het opbouwen van een harmonische integratie van alle intelligente wezens van de kosmos en eventueel andere kosmi.

Om deze krasse stelling te bewijzen gaat Teilhard de Chardin ervan uit dat de mens, als eerste bouwsteen van systemen in het heelal, zijn individualiteit niet verliest. Hij verschilt hierdoor fundamenteel van alle bouwstenen der lagere niveaus van de evolutie, die alle (zelfs nog in de voortijdige socialisaties van mieren- en bijennesten) hun individualiteit verloren zijn, en waarvan geen enkele bouwsteen —ook niet de menselijk zenuwcel— erin geslaagd is een totaalbeeld van het geheel in zich te laten ontstaan. De mens slaagt er, dank zij zijn bewustzijn, in om het geheel te overzien, en te participeren in de organisatie van dit geheel. Hij slaagt erin om voldoende "secundaire" activiteiten te delegeren naar systemen buiten zich (slaven en werkdieren, later machines, computers en robotten) om het essentieelste, namelijk het bewustzijn van het geheel en de finale beslissingen, voor zich te reserveren.

Voortdurend wijst Teilhard de Chardin erop dat er in de evolutie, tot aan de mens, een divergentie, een centrifugale beweging is van soorten, met een toename van de aantallen en de soorten, en een steeds verder verspreiden over de beschikbare ruimte. In den beginne van het bestaan van de mens was er van deze centrifugale beweging ook nog sprake, evenals van zijn uiteenvallen in rassen, en binnen deze rassen zelfs een toenemende tendens tot uiteenvallen in klassen en kasten (cfr. Indiërs en Romeinen, en recent nog de adel). Maar progressief is de tegengestelde beweging ontstaan: een centripetale beweging, een convergentie, leidend tot het opbouwen van één harmonisch geheel, waarbij de Volkenbond en later de UNO de belichaming waren.

Vermits de mens zijn individualiteit niet verliest binnen de socialisatie, is het ook niet denkbaar dat de eventuele latere niveaus zich zouden afspelen met bouwstenen die de mens als individu zouden overtreffen. Hij zal zich persoonlijk, gedreven door zijn motivatie om zo groot mogelijke complexen te besturen, en zeker zijn eigen lot in handen te nemen, en geholpen door zijn vermogen tot globaal bewustzijn van de verschijnselen van het heelal, met deze kosmisatie en supra-universalisatie blijven bezighouden. De mens is en blijft dus de laatste bouwsteen van de evolutie van het heelal. Omdat hij het kan, omdat hij het zo wil, en omdat het uiteindelijk (zie verder) het doel van het bestaan van het heelal is.

Het is interessant hier de Gaja-hypothese te vermelden. In deze theorie, geformuleerd in 19999 door Loveling, wordt de analogie tussen niveau 8 (de metazoa) en niveau 9 (de huidige socialisatie) naïef doorgetrokken, zonder rekening te houden met cruciale fenomenen als de individuele onafhankelijkheid van de mens als bouwsteen van deze socialisatie. Evenmin wordt blijkbaar rekening gehouden met de vervanging van de biologie evolutie door een combinatie van technologische en psychologische evolutie. De samenleving wordt daarenboven streng hiërarchisch bekeken, met een toenemend inzicht van laag naar hoog, zodat enkel zij die in de hoogste bestuursregionen vertoeven in staat zin om geldige beslissingen te nemen. De samenleving, ja de gehele aarde evolueert tot één reusachtig biologisch organisme, een gaja, d.w.z. een "aarde", die zich voortaan als één organisme naar buiten zal manifesteren in de geschiedenis van het heelal. Het is dus de moderne equivalent van de bijenkorf- of mierennesttheorie. Deze theorie, die zich erg wetenschappelijk-biologisch voordoet, en veel verwacht van genetica en een verderzetten van de biologische evolutie, heeft een tijdlang veel succes gehad bij denkers die van de veel globalere en diepzinniger overwegingen, gebracht door Teilhard de Chardin, Julian Huxley en de neodarwinisten in het algemeen, blijkbaar niet op de hoogte waren.


BESLUITEN


1. Het eerste belangrijke besluit dat we kunnen trekken is dat de wetenschap er sinds enkele tientallen jaren in geslaagd is om met een bevredigende zekerheid en nauwkeurigheid die onderwerpen te behandelen die vroeger het uitsluitend domein waren van wijsbegeerte en metafysica.

FUNDAMENTELE VRAGEN --> filosofie en godsdienst zijn achterhaald

godsdienst omvat drie aspecten:

  1. theorie van het heelal, kosmologie, kosmografie, hyperfysica: ontstaan, evolutie, toekomst, zin van het leven: EVOLUTIELEER
  2. gedragscode voor de mens (moraal, ethiek). PSYCHOLOGIE
  3. psychostimulerend systeem: liturgie, symbolen, vieringen: bestaat nog niet. Wel gedeeltelijk terug in feestvieren in familie of in groep, psychotherapie, vrijmetselaarsrituelen

2. Verder kan het gevoel dat we in een bepaald gericht evolutieproces zitten ons matig optimistisch stemmen nopens de goede afloop van het evolutieproces in het heelal. Uiteraard blijft nog steeds het risico bestaan dat deze zelfde evolutie op het zelfde ogenblik plaatsgrijpt in verschillende bewoonde planeten en dat het slechts hier en daar zal leiden tot een positief resultaat, terwijl onze wereld zou kunnen behoren tot de groep der mislukte pogingen, die hetzij uit zichzelf hetzij door negatieve invloeden van buiten tot vernieling komt.

3. Ook blijkt dat psychologie en sociologie niet zomaar wetenschappen zijn tussen vele andere, maar de wetenschap die de toekomst van de evolutie en de mens in handen heeft, en in feite zal bepalen. >>> althans het GROEIMODEL van de psychologie

4. Tenslotte blijkt dat de mens de ultieme bouwsteen is van de evolutie van het heelal, dank zij zijn vermogen om het geheel te blijven overzien (bewustzijn), en zijn neiging om zich, door delegeren van taken, te blijven onttrekken aan enige vorm van specialisatie of slavernij.




ENKELE FUTURISTISCHE SCHETSEN


INLEIDING


In het eerste deel van deze studie over evolutieleer werd beschreven hoe het heelal sinds zijn ontstaan progressief evolueerde naar een grotere complexiteit, en een grotere bewuste organisatie. Dank zij de wetten, die ontdekt werden door de studie van het verleden, kon een schets gemaakt worden van de toekomst.

In het tweede deel zullen enige aspecten van die toekomst nader besproken worden aan de hand van enige vooruitstrevende wetenschappen, en hierbij wordt aangetoond, dat verschillende der soms onwaarschijnlijk aandoende vooruitzichten betreffende die toekomst, in feite veel dichter bij ons liggen dan we soms vermoeden.


We zullen achtereenvolgens bespreken:

  1. de paranormale verschijnselen
  2. nieuwe mentale mogelijkheden
  3. genenmanipulaties
  4. elektronische breinen
  5. psychologie

1. HET GEBIED DER PARANORMALE VERSCHIJNSELEN


In feite zijn paranormale verschijnselen zeer normaal. Het paranormale zit slechts in het feit dat deze gebieden (nog) niet behoren tot het klassieke studieobject van de exacte wetenschappen. Ze zullen het echter binnenkort hopelijk wel zijn. Personen die sterk emotioneel bij deze onderzoekingen betrokken zijn, beweren uiteraard dat ze het wel al zijn. In elk geval, er zijn voortdurend verschuivingen van de paranormale naar de normale wetenschap. De acupunctuur, die tot voor kort tot de niet-exacte wetenschappen behoorde, is sinds de ontdekking van de encefalines en van de zenuwstructuren in het ruggenmerg die deze enkefalines vrijmaken een volledig conventionele wetenschap aan het worden. Hypnose is al vele tientallen jaren geleden van de paranormale naar de normale medische wetenschap overgestapt. Een eerste belangrijke stap in de richting van de overgang van paranormale naar normale wetenschap, is het feit dat de exacte wetenschappelijke kringen ernstig aandacht zijn gaan geven aan een bepaald soort verschijnsel. Het verschijnsel der telepathie alsmede het verschijnsel der UFO's behoort al jaren, zij het wellicht meer om militaire redenen, tot het terrein der belangstelling der wetenschappelijke milieus.

Dit overzicht der paranormale verschijnselen is ingedeeld in:

1. parapsychologische verschijnselen, d.w.z. verschijnselen die verband houden met nog onontdekte krachten van onze menselijke geest, en

2. parabiologische verschijnselen, d.w.z. alles wat verband houdt met leven op andere planeten en met de manieren waarop wij daarmee in contact kunnen komen.


1) DE PARAPSYCHOLOGISCHE VERSCHIJNSELEN


Deze kunnen we indelen in: A. vormen van paranormale communicatie B. vormen van paranormale krachtontwikkeling

A. Vormen van paranormale communicatie

Dit wil zeggen dat er een overgang is van informatie langs wegen die duidelijk anders zijn, of zelfs tegenstrijdig met de tot nog toe gekende wegen van menselijke communicatie, die allemaal langs materiële weg moeten gebeuren. Dit contact kan optreden tussen levende personen onderling, waarbij tijd en afstand weinig of geen rol schijnen te spelen. Experimenten met de astronauten op de maan hebben aangetoond dat zelfs de afstand aarde-maan geen hinderpaal is voor telepathische communicatie.

Deze communicatie kan ook optreden tussen doden en levenden, hetgeen erop zou wijzen dat de dood geen einde maakt aan het bestaan van de ziel, theorie die overigens al eeuwen door gelijk welke godsdienst wordt verkondigd. Merkwaardig hierbij is wel dat alleen contact met overledenen wordt genomen, dus met zielen die een vroeger bestaand lichaam hebben verlaten. Nooit wordt melding gemaakt van contact met mensen die nog in een lichaam moeten geïncarneerd worden. Dit bezwaar vervalt uiteraard als men de hypothese van de reïncarnatie aanvaardt. Een derde vorm van paranormale communicatie is communicatie over de tijdsgrenzen heen. M.a.w. het zien van de toekomst en het verleden. Dit manifesteert zich bv. bij toekomstvoorspellers en paragnosten.

B. Vormen van paranormale psychische krachten

Hiermee wordt bedoeld dat bepaalde personen door het ontwikkelen van bepaalde gedachten in staat zijn materiële veranderingen in of buiten hun eigen lichaam te verwezenlijken.

Voor wat betreft het eigen lichaam hebben we als illustratie de talrijke genezingsprocessen die zich op wonderbaarlijke manier hebben voltrokken, bij religieus ingestelde personen.Invloed buiten zich: tele- of psychokinese; het veroorzaken van bepaalde gevoelens bij mensen, zoals gevoelens van jeuk. Ook destructieve krachten kunnen op deze manier worden ontwikkeld: het verschijnsel van de vervloeking of van het veroorzaken van pijn, ziekte of dood bij iemand, door bv. een naald in een pop te steken die deze persoon voorstelt, is daarvan een goed voorbeeld (zwarte magie).

Omgekeerd kunnen we ook te doen hebben met beïnvloeding van onze eigen geestelijke processen door verschijnselen op een manier die door de wetenschap nog niet is verklaard. De gehele astrologie is hierop gebouwd, en ook andere verschijnselen, zoals magnetisme. Op bepaalde plaatsen op aarde gebeuren nl. meer ongelukken dan elders, zo bv. de fameuze driehoek der Bermuda's en een gelijkaardige driehoek die bestaat in Zuid-Frankrijk: door een sterk plaatselijk magnetisme schijnt nl. ook de geest op deze plaatsen onder een zekere, meestal negatieve, invloed te komen.

De problemen bij het bestuderen van deze paranormale verschijnselen zijn (1) de objectieve observatie, en (2) de verklaring.

(1) Het streng wetenschappelijk tijdschrift Science heeft zich de moeite getroost om talloze publicaties over paranormale verschijnselen te onderzoeken. Geen enkel beantwoordde daarbij aan de meest elementaire criteria van objectiviteit en reproduceerbaarheid. Opvallend is dat nochtans gemakkelijk te realiseren controlefactoren, zoals foto's of neutrale waarnemers, volledig ontbraken!

(2) Bij de verklaring stelt zich het probleem om de fenomenen, die berusten op bedrog (goocheltrucjes) of op het toeval (wetten van de statistiek), uit te lichten. Voor wat betreft de eventuele objectieve fenomenen, stelt zich het probleem van de bewijskracht. Immers, zodra men het bestaan van paranormale fenomenen aanvaardt, is alles mogelijk, en kan men in feite niets meer bewijzen. Bv. als A kan "raden" wat B denkt, dan bewijst dit niet noodzakelijk dat B paranormale signalen naar A stuurt. Het kan immers ook, dat A aan B suggereerde wat hij moest denken, of dat een derde wezen (of voorwerp) C aan beiden dezelfde gedachte suggereerde, en zo voort. 


2) DE PARABIOLOGISCHE VERSCHIJNSELEN


Er zijn minstens tienduizenden bewoonbare planten in het heelal, d.w.z.planeten met vergelijkbare levensomstandigheden als op aarde. De kans dat daar zoals hier leven is ontstaan is heel groot. Hoe dat er uitziet, en of ze ook in de negende evolutiefase zijn terechtgekomen, is uiteraard gissen. Ook is het niet zeker dat zij alle het einddoel zullen bereiken. Statistisch zullen er wellicht mislukkingen zijn. Het zou zeer goed kunnen dat wij hier op aarde op één der toekomstige mislukkingen zitten, en dat we met onze vervuiling en het vrij spel geven aan machthebbers die enkel op korte termijn denken, bezig zijn met onze aanstaande zelfvernieling.




2. ONONTDEKTE MENTALE MOGELIJKHEDEN


Verschillende onderzoekers hebben erop gewezen dat wij mentaal over veel meer mogelijkheden beschikken dan wij uiteindelijk gebruiken. En ik bedoel niet parapsychologische mogelijkheden, maar gewoon het bij iedereen aanwezig zijn van mogelijkheden, die thans slechts zeldzaam bij personen aanwezig schijnen te zijn. Een genie zou een voorbeeld zijn van iemand die toevallig of empirisch een techniek heeft ontwikkeld om zijn mentale mogelijkheden te vergroten. Theoretisch zouden alle, of toch de meesten onder ons, in staat kunnen zijn dergelijke mentale prestaties te leveren.

En dit bv. op het gebied van de creativiteit (scheppen van kunst), op het gebied van de uitvinding (genialiteit), op het gebied van geheugen (eenvoudige technieken laten al toe de menselijke geheugencapaciteit met een factor 10 te vergroten); vervolgens zijn er nog alle mogelijkheden die door de biofeedback aan het licht zijn gebracht, d.w.z. een grotere invloed van de hersenen, vooral van de cortex op onze autonome en neurovegetatieve verschijnselen, zoals het regelen van hartslag, bloeddruk, lichaamstemperatuur enz. Voor de toekomst is hier te verwachten dat op die manier bepaalde psychosomatische ziekten zullen kunnen overwonnen worden. Ook andere mogelijkheden zoals hiberneren, of het courante gebruik van schijndood om levensgevaarlijke situaties te overleven, behoort tot de mogelijkheden.

Hoe sterk deze mentale mogelijkheden ook mogen wezen, onontbeerlijk is zulks niet, vermits de snelheid van de technische ontwikkelingen van die aard is, dat enorme mentale mogelijkheden in feite een beetje overbodig aan het worden zijn. Hoe snel we de techniek van het hoofdrekenen ook zouden ontwikkelen, de omvang van de elektronische rekenmachines is steeds kleiner aan het worden; en hoe sterk we ons geheugen ook zouden ontwikkelen, in de nabije toekomst kunnen we bv. verwachten dat we computers ter beschikking hebben, die zelfs zonder toetsenborden of microfoons te bedienen zijn, bv. met kleine zenders-ontvangers in de hersenen.

Andere mentale mogelijkheden zijn bv. het ontwikkelen van een visuele taal, in plaats van onze huidige vocaal-auditieve taal, hetgeen tot veel meer begripsmogelijkheden zou leiden. De visuele hersenen zijn immers veel uitgebreider dan de auditieve. Het ligt trouwens voor de hand dat onze huidige gebrekkige grammaticale vocale taal in de toekomst zal vervangen worden door een doeltreffender communicatiemedium, dat misschien visueel van basisstructuur zal zijn, met eventueel de mogelijkheid van vocale omzetting ervan, net zoals wij op dit ogenblik onze vocale taal in visuele symbolen kunnen omzetten. Het ontwikkelen van de symbolen der wiskunde, later der alchemie en chemie, en thans de enorme uitbreiding van visuele symbolen in allerhande gebieden, toeristisch en verkeerstechnisch, is misschien een aanloop naar dit ideaal. Trouwens, de eerste geschreven talen waren, net zoals het Chinees, pictografisch, en er bestaat ook een soort picturaal Esperanto, genaamd Picto, evenals een medisch equivalent ervan voor blinden, namelijk de Blisssymbolen, die trachten dit ideografisch ideaal te realiseren. De remmende factor blijft echter steeds de omslachtigheid voor de mens om symbolen te produceren (tekenen), en de afwezigheid van een vocaal equivalent, want het gebruik van de stem is toch een eenvoudig middel om duizenden en duizenden begrippen exact te vertolken. Doch misschien zullen draagbare elektronische toestelletjes, eventueel verbonden met de hersenen, het produceren en communiceren met visuele symbolen uiteindelijk gemakkelijker maken dan het produceren van geluiden...?

Ook het frequente gebruik van zelfhypnose of hypnotisch leren kan het leven van de toekomstige mens fundamenteel veranderen.




3. ENKELE WETENSCHAPPELIJK VERANTWOORDE HYPOTHESEN OVER LEVEN NA DE DOOD


INLEIDING


Hoewel wij allen bijna dagelijks geconfronteerd worden met het verschijnsel van de dood, en er allen schrik voor hebben, voelen we nochtans ergens instinctief aan dat het leven met de dood niet helemaal gedaan kan zijn, dat er nog iets anders moet zijn dan dit kort en vluchtig aards bestaan. We twijfelen er natuurlijk vaak aan, want niets komt onze hoop bevestigen. En dan weer wimpelen we die gedachte af als een naïeve illusie, die we misschien slechts in stand houden om voor onszelf de harde realiteit van de eeuwige dood en vergetelheid te verdoezelen.

En toch, in alle godsdiensten en culturen heeft men, waarschijnlijk zo lang de mensheid bestaat, aangevoeld dat de dood wellicht slechts een overgang is naar een andere toestand. In de Aziatische theologie is dit geformuleerd door te zeggen dat de ziel na het sterven overgaat in een ander levend wezen. In de Westerse theologie zegt men, en dit zeker al sinds de Egyptenaren 6000 jaar geleden, dat de ziel na het leven op aarde verder leeft in het "hiernamaals".

Hoewel we met die "universele intuïtie" wel voorzichtig moeten zijn (want bv. het feit dat iedereen intuïtief aanvoelde dat de zon rond de aarde draaide, was nog geen bewijs voor de juistheid van deze opvatting), zou het zeker aantrekkelijk zijn deze hypothese, alvorens ze te verwerpen, eerst eens te vergelijken met enkele wetenschappelijke mogelijkheden, zoals die heden of in de nabije toekomst wellicht verwezenlijkt zullen zijn. Want het zou kunnen, zoals vaak gebeurde in de geschiedenis van de wetenschap, dat de hypothese der onsterfelijkheid misschien wel een naïeve inkleding is van een oeroude droom, die later wel ooit gerealiseerd worden zal, zij het dan op een andere concrete manier.

Wat nu volgt is daarom geen wetenschappelijk bewijs dat er leven is na de dood, maar slechts een poging om na te gaan, of een hypothese van leven na de dood op de een of andere manier aanvaardbaar zou kunnen zijn vanuit de huidige stand der wetenschap, en, zo ja, hoe.

We zullen drie soorten hypothesen bekijken, nl. een organische, een psychologische, en een psychoculturele.


1/ DE ORGANISCHE HYPOTHESE

De organische hypothesen vertrekken van de een of andere vorm van onsterfelijkheid van het menselijk lichaam.

Deze hypothese is de meest bekende: deze der fysische onsterfelijkheid van het lichaam, gerealiseerd door de geneeskunde.

Het uiteindelijk doel van de geneeskunde is immers het overwinnen van ziekte en dood. Hopelijk zal deze strijd tot resultaat hebben dat een lichaam niet meer sterven moet. Dat is eigenlijk het onuitgesproken basisgeloof van de medische wetenschap, hoewel niemand zich uiteraard durft uitspreken over het tijdstip waarop dit ooit zal gerealiseerd zijn.

Deze strijd wordt geleverd op twee fronten: vooreerst de bestrijding van de fatale ziekten, vervolgens het bestrijden van de neiging zelf van het lichaam om te verouderen en te sterven.

Op het eerste front is deze strijd al met veel successen bekroond geweest: vele, vroeger ongeneeslijke ziekten zijn uitgeroeid, andere worden bv door vaccinatie doeltreffend voorkomen, en nog andere worden met succes behandeld. Met uitzondering van de verouderingsziekten, de aangeboren afwijkingen en de traumaten, die geen echte ziekten zijn, blijven er eigenlijk nog maar twee ongeneeslijke ziekten meer over: kanker, en sommige dodelijke virale ziekten, zoals AIDS.

Aan het tweede front, de verouderingsziekten, staan we nog praktisch nergens: menselijke weefsels, en vooral het belangrijkste, nl. het zenuwstelsel, hebben de fatale neiging af te takelen, en uiteindelijk uiteen te streven. Met dieet trachten we er wel iets aan te doen, maar helaas schijnt er in onze chromosomen een soort stervensgen te bestaan, een soort biologische klok die bepaalt hoe lang wij zullen leven.

Gelukkig zijn we thans gekomen in het tijdperk der genetica, waarbij het mogelijk zal zijn iets aan de chromosoomstructuur zelf te veranderen. Dit biedt ons tal van mogelijkheden, zowel voor de aangeboren ziekten, en ook voor dat sterfchromosoom, maar wellicht ook bij de behandeling van kanker en virale ziekten.

Doch hoe lang deze strijd ook nog moge duren, enkele fenomenen geven ons toch vertrouwen in de toekomst van die inspanningen der geneeskunde:

1. Uit de studie der wetten van de evolutie wordt duidelijk dat het sterven alleen noodzakelijk is binnen de biologische evolutiegrenzen (biofase). Inderdaad, om op biologisch gebied te evolueren, moeten er mutaties optreden, en deze zijn beperkt tot het prenatale stadium, dus als het lichaam nog maar uit een enkele cel bestaat. Inderdaad, het zou ondenkbaar zijn, dat in alle miljarden cellen van het lichaam dezelfde mutatie tezelfdertijd optrad. Doch daartoe moeten er steeds weer nieuwe individuen gevormd worden, en dit systeem zou onhoudbaar zijn als niet ook andere individuen stierven, zowel voor de beschikbaarheid van het organisch materiaal, als om overbevolking te vermijden.

Doch van zodra we in de psychosociale evolutiefase (noöfase) zijn gekomen -en daar zitten we nu volop in-, is sterven niet meer nodig. Inderdaad, er hoeven geen veranderingen in het genenpatroon meer optreden, vermits de evolutie thans verdergaat via psychosociale leerprocessen, en hierbij is afsterven niet alleen overbodig geworden, maar zelfs een enorme bron van verspilling, vermits alle leerprocessen bij jonge individuen telkens weer van voor af aan moeten begonnen worden.

2. Onsterfelijkheid bestaat biologisch gesproken al: elke levende cel is de voortzetting van de alleroudste levende cel die ooit bestaan heeft. Alle levend weefsel is, bij manier van spreken, reeds miljoenen jaren oud. Het zijn niet de cellen die sterven, maar de celcombinaties die uiteenvallen. In sommige laboratoria kweekt men trouwens cellen van mensen, die reeds meer dan een eeuw overleden zijn! En vermits elke cel de complete genetische informatie bevat, kan theoretisch uit elke cel weer het gehele lichaam gevormd worden, identiek aan het oorspronkelijke. Deze techniek noemt men "cloning". Hij wordt nog niet toegepast bij de mens, maar het moment hiervoor ligt niet ver meer af.

Het probleem is echter, dat een nieuw lichaam biologisch inderdaad gelijkaardig is aan het oorspronkelijke, maar dat het toch een andere persoon is. Vermits de persoon andere indrukken meemaakt, voelt hij zich iemand anders. Theoretisch is het echter wel mogelijk dat deze persoon zich de vroegere voelt. Dit zullen we met de verdere hypothesen hopelijk kunnen verklaren.

3. Hoe dan ook, de geneeskunde zal niet rusten voor ze einddoel, de overwinning van de dood, heeft bereikt.

Hoe hoopgevend deze geneeskundige strijd tegen de dood ook is, voor hen die thans leven komt hij te laat. Sommigen hebben echter zo'n vertrouwen in de uiteindelijke triomf van de wetenschap, dat ze zich net voor hun natuurlijke dood hebben laten invriezen (met de techniek van de "kryonica"). De bedoeling is, hen weer tot leven te wekken, van zodra de geneeskunde ver genoeg gevorderd is om hun doodsoorzaak te overwinnen. Aan de hand van de volgend hypothesen zullen we echter zien, dat hun manier om onsterfelijk te worden waarschijnlijk slechts een omslachtige manier is om dat doel te bereiken.


2/ DE CONTINUITEIT VAN HET IK-GEVOEL (DE PSYCHOLOGISCHE HYPOTHESE)


De tweede hypothese over de onsterfelijkheid en het leven na de dood berust niet op de onsterfelijkheid van het lichaam, maar op de mogelijkheid het ik-gevoel te bewaren over de grenzen van de dood heen.

We hebben allemaal een ik-gevoel. Dit wordt in de psychologie beschouwd als de kern zelf van onze bewuste identiteit. Het ik-gevoel is de continuïteit tussen wat wij nu voelen en wat wij vroeger gevoeld hebben. Hoewel we de indruk hebben dat deze continuïteit noodzakelijk gebonden is aan de continuïteit van het lichaam, en van de hersenen waarin dit gevoel huist, is dit in principe niet onontbeerlijk. Inderdaad, voortdurend worden in de mens alle cellen vervangen door andere, de ene snel, de andere traag. En zelfs als er geen vervanging van cellen optreedt, dan nog is er een voortdurende vervanging van scheikundige bestanddelen, zodat er na enige tijd, lopend van maanden tot jaren, geen enkele molecule in de mens nog dezelfde is als tevoren. Nochtans heeft de persoon in kwestie niet het gevoel gehad een anderen te worden. Hij voelt zich integendeel precies dezelfde. De continuïteit van het ik-gevoel is dus blijkbaar niet gebonden aan de continuïteit van de materie die dit bewustzijn draagt, maar alleen aan de continuïteit der herinneringen.

Laten we ons nu even inbeelden dat men in een computer alle elementen brengt die thans in onze geest aanwezig zijn, alle herinneringen, alle gevoelens. En beeld u nu in dat al deze informatie later wordt ingebracht in hersenen, die bv. sinds de geboorte in een toestand van comateuze bewusteloosheid zijn gehouden. Na de "inlezing" van de informatie, zou die persoon ontwaken. Welnu, hij zal zich ongetwijfeld de voortzetting voelen van de persoon wiens herseninformatie hij heeft overgenomen. Het ik-gevoel zit namelijk in de continuïteit van de herinnering, niet in de materiële continuïteit.


Dit principe van onsterfelijkheid zou twee toepassingen kunnen vinden.


a. DE BIOLOGISCHE WEG

Beeld u in dat ergens uit ons lichaam een cel wordt genomen en dat deze cel weer wordt ontwikkeld tot een lichaam; dit lichaam zou er uiteraard identiek uitzien (net zoals bij een eeneiige tweeling) als het lichaam waarover wij nu beschikken. Vervolgens zou men dit lichaam, dat men tot nog toe in een toestand van bewusteloosheid heeft gehouden, via een soort hypnotische onderrichting van alle gegevens voorzien die op een bepaald ogenblik in onze geest aanwezig zijn; en beeld u dan in dat wij ons eerste lichaam zouden doden. Welnu, dan zou ook dat nieuwe lichaam, als het wakker werd, met reden overtuigd zijn dat het de normale voortzetting is van het dode lichaam. Er is wel ergens een soort bewusteloosheid geweest, maar dit verandert niets aan de spontaan aangevoelde continuïteit.


b. DE COMPUTERWEG

Sterker nog: beeld u in dat die computer, waarin we de totale herseninformatie van iemand zouden inbrengen, een heel ontwikkelde is, die niet alleen herinneringsgegevens bewaart, maar in staat is zelf inwendige beelden te vormen op basis van de ingebrachte informatie. Welnu, wellicht zal deze computer zich "ik" voelen, d.w.z. de overtuiging hebben dat hij de normale voortzetting is van het ik-systeem, dat voorheen in een biologische hardware (de hersenen) zat. Het is thans niet de plaats om te gaan bespreken wat precies het verschil inhoudt tussen een menselijk bewustzijn en een computer. Sommigen zeggen dat het een ingebouwd streefprogramma is, anderen beweren dat het een willekeurige verbeelding is, dus een intellectuele activiteit die niet alleen opgeroepen wordt door signalen of opdrachten van buiten. Hoe dan ook, in de wetenschap der kunstmatige intelligentie, twijfelt men er niet aan dat dit stadium ooit zal bereikt worden.

Beide voorbeelden illustreren dat het verschijnsel van onsterfelijkheid van denkende wezens in feite niet gebonden is aan materiële vernietigbaarheid, en dat we in feite ook geen ziel moeten postuleren om de onsterfelijkheid te kunnen bewijzen. Het volstaat alle gegevens te bewaren in een computer, of, sterker nog, eventueel later te reconstrueren. En zijn er bepaalde gegevens zgn. "definitief" verloren gegaan, dan zal het later, door eens in het verleden te gaan "kijken" langs de vierde dimensie, wellicht niet moeilijk zijn weer aanknopingspunten te vinden in het verleden. M.a.w. zelfs al bestaat er geen ziel, de subjectieve onsterfelijkheid, d.w.z. de subjectieve continuïteit behoort toch tot de mogelijkheden, en misschien zelfs tot de waarschijnlijkheden.


3/ DE PSYCHOCULTURELE HYPOTHESE


Doch er is nog een andere mogelijke uitleg voor het door iedereen aangevoelde fenomeen dat wij "onsterfelijk" zijn. Deze berust echter op een ingewikkelder redenering.

Sinds het ontwaken van de mensheid, met zijn bewustzijn van de hem omgevende realiteit en zijn toenemend vermogen hierover met de medemens te communiceren, ontstaat er een soort universeel begrippenkader, dat min of meer identiek is bij de meesten van ons, en het is te verwachten dat dit in de toekomst nog meer zal gaan convergeren. Dank zij de communicatiemiddelen zijn wij ook steeds beter in staat ons in te leven in de emoties van anderen, zoals wij, als we zelf kinderen hebben, ons beter kunnen voorstellen hoe onze ouders zich moeten hebben gevoeld toen wij kind waren. Ook hebben wij soms als we ouder worden, het gevoel dat onze kinderen echt onze voortzetting zijn, dat wij er dezelfde mentaliteit terugvinden.

Men zou kunnen zeggen, dat er zich progressief een collectief bewustzijn aan het vormen is. Trouwens, reeds Jung sprak van het collectief onderbewuste als aanduiding voor die diepste lagen in ons, die bij de andere mensen veel meer gelijkenissen vertonen dan op het eerste gezicht merkbaar is. Mensen, die in hun leven veel intieme contacten gehad hebben, zoals psychotherapeuten, die de kans gehad hebben om vaak en langdurig achter het scherm te kijken dat wij allen voor ons ophangen, waardoor wij schijnbaar zo verschillend zijn van elkaar, kunnen getuigen dat een der opvallendste dingen van de menselijke persoonlijkheid onze fundamentele gelijkenis is aan elkaar.

Een collectief bewustzijn, waarin wij allen een stuk van onszelf herkennen, en waardoor wij in de anderen grote stukken van onszelf herkennen, is zich als een soort "zelfstandig" fluïdum aan het vormen.

Men zou dit fenomeen echter ook van de andere kant kunnen bekijken, en stellen dat wij doorheen gans ons leven meer en meer doordrongen worden van dit fluïdum, dat reeds bestond voor wij bestonden, en dat blijft bestaan na onze dood. Tijdens ons leven zijn wij soms in staat om tot de vormgeving van dat fluïdum bij te dragen, en het leven van die "existentiële kunstenaars" is niet spoorloos voorbijgegaan, doch meestal doen we niets anders dan dat fluïdum in leven houden, en doorgeven aan anderen.

We zouden, in diezelfde context, kunnen zeggen dat het ik-gevoel dat wij hebben slechts een tijdelijke incarnatie is van dat fluïdum in ons, de gepersonaliseerde beleving van het universeel bewustzijn, de concrete herhalingen van universele drama's. De gevoelens die wij meemaken, van de meest voorbijgaande tot de meest aangrijpende, zijn concretisaties in tijd en ruimte van dat wereldwijde bewustzijn, dat zich nog aan het ontwikkelen is. Het doet zich zo vaak voor dat er mensen, bv. wetenschappers, maar ook in de cultuur komt dat fenomeen voor, "los van elkaar" tot dezelfde ontdekking en schepping komen. Dit gebeurt omdat ze beiden kinderen van hun tijd zijn, en in hun beider geest kristalliseert dezelfde gedachte, omdat de cultuur er rijp voor was, zoals mensen die elkaar goed kennen soms op hetzelfde ogenblik tot dezelfde gedachte komen, zo verrassend sterk dat ze aan telepathie gaan denken.

Zeker, dat bewustzijn kan niet bestaan zonder de mens als "drager", maar er zijn nog dingen die niet kunnen bestaan zonder "drager", zoals de muziek, de taal, schoonheid, kennis, en ook zeer onmenselijke zaken, zoals een computerprogramma, het bouwplan van een bloem, de natuurwetten. Doch die zaken zijn er niet minder reëel om. Zonder "drager" zijn die verschijnselen uiteraard zinloos, maar hun waarde en betekenis overstijgt sterk deze van het individu dat ze tijdelijk draagt. In Bachmuziek herleeft Bach, niet zozeer de persoonlijkheid van de virtuozen die hem vertolken, ook al leggen zij veel van hun eigen genie in hun vertolking.

Men zou, aldus bekeken, kunnen zeggen, dat het essentiële dat onsterfelijk is, dat universele bewustzijn is, dat wij -tijdens de periode dat we leven- als ons eigen ik beschouwen, maar dat slechts de tijdelijke incarnatie is van die universele "geest". In die zin zijn wij dan ook onsterfelijk, ook al stopt ons lichaam op een gegeven ogenblik met zijn tijdelijke incarnatierol. Ons echte geestelijk leven gaat echter verder, anderen zullen zich voelen zoals wij ons voelden, dezelfde emoties meemaken als wij, alsof ze onze rol speelden, alsof ze ons tijdelijk deden herleven in die rol, alsof ze "wij" waren.

Zoals het ik-gevoel blijft, ondanks het feit dat alle dragende hersenmoleculen talrijke malen in de loop van het leven worden vervangen, zo blijft dat universele ik-bewustzijn, ook al worden de dragende individuen in de loop der tijden talloze malen vervangen door jongeren.

We mogen deze hypothese echter niet te simplistisch zien, of banaliseren tot "de herinnering aan een overledene" of "projectie van de eigen gevoelens in de anderen", of tot een soort schizofrenie met depersonalisatie. Het gaat in dit betoog immers niet om wat wij nu op grote schaal aanvoelen als "cultuur" en "gelijkgezindheid" bij anderen. Neen, het gaat over een veralgemening op grote schaal van die thans nog zeldzame momenten van diepmenselijk contact, van "existentiële ontroering" die we nu slechts bij enkele hoogtepunten van de kunst en films kunnen meemaken. Het gaat over een tijd, dat de vermogens bij alle mensen om, als in een zelfhypnotische toestand, zich in te leven in de situatie van anderen, eventueel geholpen door neuro-elektrische hulpmiddelen, zoals we nu sterke emoties kunnen meemaken met een stereo-hoofdtelefoon en in een quadrafonische filmzaal, of zoals een druggebruiker, die een sluier van dat universeel bewustzijn kan aanvoelen, doch ditmaal zonder die chemische kater en verslaving.

Het vooruitzicht dat wij als individu dan misschien niet onsterfelijk zullen zijn, is wellicht ontgoochelend, en stuit op inwendig verzet in ons. Maar is dat verzet niet precies het gepersonaliseerd onsterfelijkheidsverlangen van het universeel bewustzijn? Of gewoon het dierlijk instinct van zelfbehoud?

Dit waren enige hypothesen over vormen van onsterfelijkheid, of beter gezegd van leven na de dood, die op geen enkele wijze in strijd zijn met de gegevens van de huidige wetenschap. Geen van al deze hypothesen veronderstelt het bestaan van de ziel. Gezien vanuit het licht van deze hypothesen, is het creëren van het concept van de ziel misschien slechts een naïeve poging geweest van de primitieve mens, om een aanvaardbare verklaring te geven voor zijn intuïtief geloof in de uiteindelijke onsterfelijkheid van het belangrijkste, het essentiële van de mens. Later, tijdens de periodes van de dageraad van de wetenschap, waren de triomfalistische wetenschappers, die beweerden eindelijk het obscurantisme der middeleeuwen overwonnen te hebben, van mening dat, vermits de hypothese van de ziel in strijd was met de fundamenten zelf van de wetenschap, zij niet kon bestaan, en dat dus meteen de geestelijke onsterfelijkheid een hersenschim was, nagejaagd door geestelijk onvolwassenen, die bang waren voor de dood. Het is daarom wellicht paradoxaal, dat diezelfde wetenschap, bij monde van de neodarwinistische evolutieleer, duidelijk gemaakt heeft dat het sterven, eens de noöfase bereikt, niet meer nodig is zoals het dat was in de biologische fase. En anderzijds is diezelfde wetenschap, bij monde van de geneeskunde, bezig met het bestrijden van ziekte en dood onder al haar vormen, en mettertijd wellicht het realiseren van die aloude intuïtieve zekerheid van de mensheid, dat de dood niet het einde is van ons bestaan.




4. GENETISCHE MANIPULATIES


In de genetische tak van de biologie is men op dit ogenblik tot het punt gekomen dat men in staat is de genen te veranderen, m.a.w. het erfelijk materiaal aan te passen. Dit gebeurt nog op zeer kleine schaal, nl. door het aanpassen van de chromosomen van primitieve bacteriën door het insluiten van virussen. Ook is men nog niet steeds heel zeker over de effecten van een bepaalde manipulatie, doch in een nabije toekomst kunnen we zeker verwachten dat men in staat zal zijn om ook bij minder primitieve cellen, bv. bij de menselijke cel, naar willekeur bepaalde manipulaties in te brengen in de genen.

Het is de droom geweest van de geleerden die studies hebben gemaakt over de chromosomen, op deze manier de biologische evolutie te onttrekken aan het spel van het blinde toeval, en verder te zetten onder de verantwoordelijkheid van de wetenschap. Op die manier zouden we, zoals zij zeggen, tot een soort Übermensch kunnen komen. We hebben in ons eerste deel al uiteengezet dat dit onwaarschijnlijk is. Toen men erin geslaagd is om de kernen van de atomen te veranderen van structuur heeft men er ook van gedroomd om nieuwe elementen te scheppen, en om bv. vanuit waardeloze stoffen waardevolle te maken, bv. goud uit lood. Uiteindelijk is gebleken dat men geen fundamenteel nieuwe elementen heeft kunnen scheppen en dat deze, die men heeft doen ontstaan, zeer onstabiel zijn. In de atoomevolutie is blijkbaar een soort natuurlijk eindpunt bereikt. De kans is daarom ook groot, dat we bij de mens zo'n natuurlijk biologisch eindpunt hebben bereikt.

Wel zullen de genenmanipulaties ons toelaten om bv. erfelijke ziektes definitief uit te schakelen, of misschien bepaalde mentale mogelijkheden toenemen. Ook zal het waarschijnlijk mogelijk zijn verdwenen planten- en dierensoorten weer tot ontwikkeling te brengen. Doch iets fundamenteels aan de gang van de evolutie zal er waarschijnlijk niet veranderen.




5. COMPUTERS EN ROBOTTEN


Het ligt voor de hand dat op dit gebied de meest fantastische zaken te verwachten zijn, zowel op het gebied van elektronische breinen als op het gebied der automaten die door elektronische breinen worden geleid.

De al tientallen jaren geleden voorspelde droom van de robot zal waarschijnlijk niet lang meer duren. We zijn op dit stadium nog niet gekomen tot creatieve elektronische breinen, doch er wordt toch al druk gewerkt aan heuristische programma's, d.w.z. programma's die in staat zijn zichzelf te verbeteren, op basis van opgelopen fouten, en die ook in staat zijn om problemen op een andere manier op te lossen dan alleen maar door het genereren van alle mogelijke wiskundig te voorspellen oplossingen, en van elke oplossing de waarde te berekenen en achteraf de beste oplossing te kiezen. De stap naar een creatieve robot is dan niet meer ver af. De vraag kan dan ook gesteld worden, vanaf welk ogenblik zo'n creatieve en uit zijn ervaring lerende robot al een soort levend wezen zal zijn. Alles hangt er natuurlijk van af hoe men een levend wezen definieert.

Een belangrijke mogelijkheid, die in feite nu al binnen de grenzen van het realiseerbare ligt, doch nog niet veel nuttige toepassing zou hebben, is het rechtstreeks in verband brengen van ons zenuwstelsel met een elektronisch brein. Dit zou bv. via een klein zendertje-ontvangertje kunnen gebeuren dat eventueel in het lichaam, of desnoods in de hersenen zelf wordt ingebouwd. Het is niet moeilijk om een stuk cortex te verbinden met een groep van enkele tientallen elektrodes, die bepaalde combinaties van stimuli uitoefenen, en vervolgens door oefening te leren om bewust, of desnoods onbewust deze stimuli te interpreteren. Het moet zelfs mogelijk zijn om een bepaald stuk cortex te oefenen in het genereren van door zo'n elektronisch toestelletje op te vangen potentialen, waardoor boodschappen zouden kunnen overgebracht worden. Als de ontwikkeling van de telepathie zulke vormen van communicatie niet overbodig maakt, zal ze waarschijnlijk ook tot ontwikkeling gebracht worden. Vanaf dat ogenblik zijn er fantastische mogelijkheden. We kunnen nl. beschikken over alle voordelen van een computer, zonder deze computer met ons te moeten meeslepen. Uiteraard zou zo'n systeem eventueel ook misbruiken toelaten (beïnvloeding en spionage).

Volgens Ray Kurzweil, de futuroloog van de kunstmatige intelligentie, mogen we volgende etappes verwachten:

-- 2010:

de uitwendige draden zijn verdwenen en vervangen door korte-afstandradioverbindingen. Zo ben je bijna overal met het Net verbonden zonder dat er fysische verbindingen bestaan

vertaalcomputers inclusief vertaaltelefoons zijn schering en inslag

spraakherkenning in GSM, computer, autobesturing

routinebestellingen (aankoop, reis, hotelreservaties) gebeuren met elektronische gesprekspartners.

studeren kan bijna voor alles met intelligente studieprogramma's

er zijn elektronische prothesen voor blinden, doven en verlamden

musiceren kan je tezamen met cybernetische muzikanten

-- 2020:

computers zijn nu zo geminiaturiseerd, dat ze in allerlei andere toestellen zijn ingebouwd, van juwelen tot meubels, in de muur en in je kleren, enz.

visuele en auditieve informatie bereikt ons nu langs brillen met virtuele beelden, enz. Contact met anderen waar ook ter wereld is thans vlotter dan wat telepaten ooit voor mogelijk gehouden hebben

communicatief en motorisch gehandicapten kunnen nu praktisch alles aan wat een gezond persoon aankan

boeken en papier zijn nu praktisch volledig verdwenen

autovervoer gebeurt volledig geautomatiseerd

intelligente robotten worden steeds talrijker, niet alleen als onderhoudspersoneel en verzorgers, maar ook als leraars en zelfs minnaars

in alle kunstvormen spelen virtuele technieken een grote rol

-- 2030:

ogen en het binnenoor kunnen vervangen worden door totaal elektronische prothesen

er komen directe connecties met het zenuwstelsel tot stand

bepaalde functies waar mensen zwakker in zijn dan computers, zoals geheugen, vertalen, en complexe wiskundige en deductieve redeneringen, worden opgeroepen vanuit de hersenen, en de resultaten geïntegreerd in ons menselijk denken

intelligente robotten beginnen zelf te leren en kennis te vergaren zonder menselijke tussenkomst

we hebben eigenlijk meer contact met robotten dan met andere mensen

fabricaties, voedselproductie en vervoer grijpen plaats zonder menselijke tussenkomst

-- 2050:

de voedselproductie is nu volledig onafhankelijk van weersomstandigheden of andere natuurlijke milieufactoren

virtueel contact, niet alleen visueel en auditief, maar ook tactiel, is thans van dezelfde kwaliteit als reëel contact

-- 2100:

intelligent denken is nu steeds een mengeling van computeren hersenwerk

robots zijn nu zo verfijnd dat het bijna onmogelijk is onderscheid te maken, hoewel elektronische intelligentie ook bestaat zonder dat ze fysisch observeerbaar is, en er meer elektronische dan biologische intelligenties zijn

dank zij neuronale implanten zijn de hersenmogelijkheden enorm uitgebreid. Mensen zonder neuronale implanten kunnen praktisch niet meer deelnemen aan communicatie met dezen mét implanten

informatie wordt niet meer hoofdzakelijk bewaard onder linguïstische vorm, maar als standaardprotocols. Het vertaalprobleem bestaat niet meer

de dood is geen probleem meer: zelfs al vallen biologische wezens uit elkaar, hun informatie en denken gaat verder onder elektronische vorm, alsook hun interacties met andere levende wezens, robotten, voorwerpen en natuur

-- over enkele millennia:

de intelligente wezens overwegen wat ze kunnen doen met het hele heelal




6. PSYCHOLOGIE ALS CENTRALE WETENSCHAP


Laten we ons tenslotte afvragen, hoe de psychologie zich in de nabije toekomst en ook in een verdere, zou kunnen ontwikkelen. Dit is een bijzonder moeilijke vraag, vermits de psychologie zich thans juist op een keerpunt van haar ontwikkeling bevindt, en een fase begint te bereiken die ze nog nooit eerder bereikt heeft.


HET HUIDIG KEERPUNT


Op dit ogenblik ondergaat de psychologie twee grote veranderingen:

1. Vooreerst is haar aandacht de laatste jaren grondig verschoven van studieonderwerp: daar waar zij vroeger eerder de pathologische mens bestudeerde, is ze thans vooral aandacht gaan geven aan de normale, en vooral aan de optimaal functionerende persoonlijkheid. Dit komt, doordat het oude "medische" standpunt eindelijk verlaten wordt. Inderdaad, sinds de tijd van Freud was men de mening toegedaan dat iemand psychisch slecht functioneert, omdat daar in zijn verleden een oorzaak voor was, nl. het zgn. psychotrauma. Als oplossing volstond het dan deze oorzaak op te sporen en te bestrijden, waarna de "normaliteit" automatisch weer zou verschijnen, zoals bij een infectieziekte na antibiotherapie. Dit was een simplistische en naïeve visie. Inderdaad, het volstaat niet voor een slecht pianist om bij de psychiater te beseffen dat zijn vader iets had tegen hem en vervolgens zijn woede tegen zijn vader, die hem niet toeliet zijn pianostudies te voleindigen, eens goed af te reageren, om vervolgens een groot virtuoos te zijn. Er is maar een manier: veel en lang oefenen. Het is Maslow die erop wees dat er maar een manier was om iemand psychisch goed te doen functioneren, en dat was: het hem leren. Doch daartoe moest de psychologische wetenschap iets gaan doen wat ze nog nooit eerder gedaan had, nl. goed functionerende mensen onderzoeken.

2. De tweede grote ommekeer die de psychologie thans meemaakt, is haar streven om eindelijk eens die talrijke, zo niet talloze psychologische scholen en schooltjes te versmelten tot een enkele, geïntegreerde wetenschap.

Beide veranderingen botsen echter op enige weerstanden. Vooreerst een psychische, nl. het feit dat een geïntegreerde psychologie erg bedreigend overkomt. Bestuderen hoe we als mens beter kunnen functioneren en het vervolgens gaan leren, betekent onszelf voortdurend in vraag stellen, en ook twee geliefde uitvluchten laten varen, nl. dat het als mens volstaat om maar eerlijk en spontaan te zijn, opdat het geluk voor ons te grijpen zou liggen, en ook dat onze geliefde "vrijheid" om maar gelijk wat te kiezen, moet wijken voor de nuchtere regeltjes der psychologische wetenschap.

Het tweede probleem is van logische aard. Je kan maar aan psychologische wetenschap doen, als je een zeer brede kennis en ervaring hebt in de meest uiteenlopende wetenschappen, en dat is precies wat onze universitaire opleiding tegengaat. Want daar geldt nog steeds het natuurwetenschappelijke dogma: zoveel mogelijk weten van een zo beperkt mogelijk terrein.

Dit zijn de twee grote omwentelingen die de psychologie thans aan het meemaken is, naast de technologische vooruitgang op enige belangrijke gebieden, zoals dat der psychofarmaca, en daarmee samengaand de werking van de hersenen, en de verdere ontwikkeling van aparte denkscholen, vooral de gedragstherapie en de cognitieve psychotherapie.


DE NABIJE TOEKOMST


Hierbij moeten we ons vooreerst niet de illusie maken, dat beide voormelde veranderingen zomaar direct algemeen zullen worden. De psychologische voordelen van de huidige situatie zijn voor tal van mensen veel te groot. En tot die mensen behoren ook de academici, zodat ook de opleiding der psychologen en psychiaters wellicht nog enige tijd onveranderd zal blijven, wat de toestand weer bestendigt.

Eén der eerste dingen die wellicht te verwachten valt, is het vermenigvuldigen van centra waar de geïntegreerde psychologie wordt ontwikkeld en onderwezen. Naarmate deze talrijker worden, meer gaan publiceren, en naarmate vooral zal gaan blijken dat de personen die de geïntegreerde psychologie bestudeerd en ingeoefend hebben professioneel (en relationeel) superieur zijn, zal ook het wetenschappelijk aanzien gaan verbeteren.

Vervolgens komt hopelijk de fase dat de psychologische wetenschap, zoals alle wetenschappen en technieken der laatste twee eeuwen dat hebben gedaan, een tastbare invloed zal gaan krijgen op ons dagelijks leven en de structuur der samenleving.

In de jaren zestig en zeventig is de psychologie dit al eens beginnen doen, maar vermits spectaculaire resultaten uitbleven, en het een dure investering bleek, zijn psychologische adviseurs en trainingen tallenkant langzaam weer verdwenen. Het begon in Amerika in de jaren dertig, toen men van de economische inzinking der jaren twintig hersteld was, en de psychoanalyse van Freud de psychologie een wat mysterieus aandoend maar ergens toch serieus aanzien begon te geven. Meer en meer verschenen er boeken over verkoops- en beïnvloedingstechnieken, die, hoewel ze ver stonden van de klinische psychologie, toch de idee verstevigden dat succesvoller menselijk functioneren iets was dat op een bruikbare manier kon worden omschreven, aangeleerd en toegepast. Het succesvolste boek in dat genre was Carnegies "How to make friends and influence people", ook vandaag nog een bestseller, alhoewel de stijl waarin het gesteld is vandaag soms wat naïef aandoet.

Na de oorlog waaide die mode over naar Europa, en in de loop der jaren verrezen steeds meer psychologische testcentra, zowel voor onderwijs- als beroepsselectie. Grote firma's namen mettertijd hun eigen psychologen in dienst, om te adviseren bij personeelsaanwerving en -problemen. Ook cursussen voor kader- en verkoopspersoneel werden ingericht, en werden mettertijd commerciële winstbronnen, zodat ze toenamen in aantal en afnamen in kwaliteit. En tevens werd er steeds minder aan technieken aanleren dan wel aan sfeerschepperij gedaan.

Doch zoals gezegd, het vertrouwen nam af, wegens het uitblijven van duidelijk meetbare resultaten, en vooral was tegen de tweede helft van de jaren zeventig, met de economische crisis minder geld beschikbaar voor dergelijke "luxe-"artikelen, en verdwenen ze als sneeuw voor de zon. Op het eerste gezicht een spijtig fenomeen, maar eigenlijk niet jammer, want de degelijkste bleven op die manier over.

Een tweede golf van psychotrainingen voor non-professionelen is te verwachten, doch dan zal er meer kwaliteit moeten geboden worden, en dit is eigenlijk alleen mogelijk door een geïntegreerde psychologie.

Ook op samenlevingsgebied valt een invloed te verwachten, wellicht eerst kleinschalig, door mensen die beslissen te gaan samenwerken en later -leven volgens de principes der synergie. Het grote verschil met het experiment met communes is, dat synergie een der moeilijkste zaken is om te verwezenlijken, en dat de deelnemers eraan een langdurig individueel leer- en groeiproces moeten doorgemaakt hebben, waarvan de resultaten zichtbaar zijn in hun relatie, hun beroep, en de opvoeding van hun kinderen. En hiermee is hopelijk voldoende aangegeven welk een fundamenteel verschil er is tussen deze mensen en de hippies, die in een commune zochten wat ze door gebrek aan persoonlijke ontwikkeling in een gewone samenleving niet aankonden.

Het probleem met de geïntegreerde psychologie is, dat een progressieve overgang naar synergische manieren van samenwerken en -leven niet gemakkelijk grootschalig zijn te realiseren. Inderdaad, het is een soort drempelfenomeen, waarbij duidelijk een radicale stap gezet wordt. Inderdaad, die zaken die de waarde van een synergie tussen optimaal functionerende personen uitmaken, bv. een blind vertrouwen in de inzet en het respect der anderen, zijn juist de grootste gevaren in onze neurotische samenleving. En datgene wat in een neurotische groep het functioneren juist mogelijk maakt, nl. een zekere autoritaire, hiërarchische structuur, is precies de grootste hinderpaal in een synergie. Doch zoals de interactiepatronen binnen een gezin ook gans anders zijn dan daarbuiten, terwijl toch praktisch iedereen binnen een gezin zit, zo valt te verwachten dat er synergische groepen zullen ontstaan en langzaam toenemen in aantal en omvang, terwijl diezelfde mensen op andere ogenblikken nog steeds in een modale, neurotische samenleving functioneren.

Doch niet alleen in situaties van menselijk samenwerken en -leven zullen de effecten van de geïntegreerde psychologie merkbaar zijn. Tal van andere gebieden, vooral artistieke en pedagogische, zijn vruchtbare toepassingen voor de geïntegreerde psychologie, die zowel hulp kan geven voor wat betreft vorm en inspiratie, als doeltreffende didactische methodes kan aanbieden. En deze terreinen zullen wellicht minder weerstand oproepen dan de interactionele, en daarom wellicht sneller aan populariteit winnen.

Doch zoals men zich in het begin verzette tegen de stoomtrein en tegen de computer, zo valt te verwachten dat er ook van tijd tot tijd verzet kristalliseert tegen de geïntegreerde psychologie en haar toepassingen. De weerstanden die overwonnen moeten worden, zijn groter dan bij de techniek, en anderzijds zitten er minder commerciële voordelen aan vast, zodat er ook minder kapitaalkrachtige organisaties zullen zijn die ze doordrukken. Doch er valt te verwachten dat de mensen die de geïntegreerde psychologie toepassen voldoende psychologie zullen kunnen aan de dag leggen om niet te bedreigend over te komen. En anderzijds is de geïntegreerde psychologie geen sociale of religieuze organisatie, maar meer een manier van denken, die zich ook buiten de psychologische kringen verspreiden, en die, net zoals de geïntegreerde psychologie zelf, een uiting zijn van een culturele rijping. Er zal dus geen houden aan zijn, ook al worden psychologen uit organisaties geweerd.


DE VERDERE TOEKOMST


Hoewel psychologische vaktechnici altijd wel een aparte rol zullen krijgen, is het echter de bedoeling van de geïntegreerde psychologie om een vak te zijn, dat door allen beheerst wordt. Het is dus niet de droom van de psychologen van de toekomst, dat politici, bedrijfsleiders, kunstenaars en filmproducenten allen vervangen worden door beroepspsychologen, maar wel dat al deze mensen in de toekomst een degelijke psychologische vorming achter de rug hebben, waarbij psychologie niet geleerd werd als theoretisch vak, maar als theoretische documentatie van technieken die op de eerste plaats op zichzelf worden toegepast, en het meest merkbaar zijn op de eigen levensstijl, de omgang met zijn partner, en de opvoeding van de kinderen.

De toekomst van de geïntegreerde psychologie valt eigenlijk samen met de toekomst van de hele samenleving, en psychologie zal niet een apart vak voor enkele specialisten zijn, maar het vak dat iedereen bestudeert, en op basis van zijn levenservaringen voortdurend tracht te verrijken.

De geïntegreerde psychologie is eigenlijk de geconcretiseerde vorm van wat men in de evolutieleer het Bewustzijn noemt. En het uitbouwen en toepassen ervan is eigenlijk de concreetste vertaling van ons bestaansdoel, namelijk de socialisatie van de mensheid, en aldus een synergie opbouwen tussen alle intelligente wezens in het heelal.


BESLUIT


Dit overigens erg onvolledige overzicht van enkele mogelijks nabij liggende nieuwe ontdekkingen van diverse wetenschappen, veranderen niets fundamenteels aan de projectie van de toekomst, die we hebben geformuleerd. Ze tonen alleen aan dat sommige realisaties van die toekomstprojectie, die thans onwaarschijnlijk of voor sommigen zelfs onmogelijk lijken, in feite veel dichter bij ons liggen dan wij denken.

Ook zijn deze concrete beelden geen toekomstvoorspellingen. Want concreet zal het er wellicht allemaal anders uitzien. Doch een fantasering van hoe het zou kunnen is erg stimulerend voor ons geloof dat het mogelijk zal zijn.


(gecreëerd 1978 - Laatst bewerkt 27.01.13)