1000-1999
Sites per thema:
psy0 algemeen
psy1 systemen
psy2 denken
psy3 brein
psy4 individu
psy50 diagnostiek
psy54 behandeling
psy6 optimaal
psy7 groepen
psy8 suboptimaal
psy9 optimaal

1710 Zin van bestaan


DE ZIN VAN HET BESTAAN


De Zin van het Bestaan kunnen we op twee manieren benaderen: objectief en subjectief.

  • Objectief wil zeggen dat we het systeem bestuderen waarbinnen de mens functioneert, en daaruit zijn functie, toekomst, bestaanszin afleiden. Deze denkpiste wordt gevolgd door de moderne kosmologie waarvan Pierre Teilhard de Chardin de grondlegger is.
  • Subjectief wil zeggen dat we nagaan wat de mens van binnenuit drijft, wat zijn bewuste en onbewuste behoeften zijn. Daaruit leiden we af welke situaties aan deze behoeftenvervulling het best voldoen. Deze denkpiste wordt gevolgd door de dieptepsychologie, waarvan Sigmund Freud de grondlegger is.

Als deze twee benaderingen daarenboven tot hetzelfde resultaat leiden, dan is, volgens de wetten der wetenschappelijke plausibiliteit, de kans enorm groot dat de geformuleerde conclusie juist is.



De objectieve benadering



Voorwoord


In dit korte bestek kunnen we uiteraard niet in detail de hele evolutieleer beschrijven. We geven enkel de grote lijnen aan, waardoor we willen illustreren dat ook hier essentiële begrippen als cyclische processen, integratie en bewustwording centraal staan.


In de 19e eeuw werd het duidelijk dat alles wat bestaat op de aarde en in het heelal, er niet plots op één en evenmin op zes dagen gekomen is, maar ontstaan is door een progressieve evolutie. Lamarck en Darwin verkondigden hiervan enkele belangrijke hoofdkenmerken.


Maar ze stelden zich deze evolutie min of meer voor als een lineaire keten van onvoorzienbare mutaties. Het is de jezuïet Pierre Teilhard de Chardin, hierin bijgetreden door de agnostische bioloog Julian Huxley, die ontdekt heeft dat de evolutie niet lineair verloopt, maar via een spiraal van analoge fasen of niveaus. Hij heeft dus als het ware het geheim van de evolutie ontdekt. Dit inzicht liet hem toe om met veel grotere nauwkeurigheid de toekomst van het heelal en de zin van het leven te beschrijven.


Essentieel in de neo-Darwinistische visie op de evolutie is dat er, door ontwikkeling uit primitievere systemen, voortdurend nieuwe tot stand komen die hoofdzakelijk gekenmerkt zijn door twee karakteristieken: ze zijn complexer en ze zijn bewuster. Dit laatste betekent ook: intelligenter. Deze fundamentele wet wordt de Wet van complexiteit-bewustzijn genoemd.


Dat de jongere organismen complexer zijn dan de oudere, was reeds lang duidelijk. Teilhard beschreef echter hoe deze complexifiëring tot stand komt. Ze is het resultaat van twee bewegingen. Vooreerst is er een complexifiëring op het eigen niveau, zoals duidelijk is op het niveau der atoomsoorten: er ontstaan voortdurende complexere varianten. Waterstof (H) is het allereenvoudigste en tevens alleroudste atoom, uranium (Ur) het meest complexe en wellicht recentst ontwikkelde. Op een bepaald ogenblik komt aan deze complexifiëring een schijnbaar natuurlijk eindpunt, doch op dit ogenblik is de evolutie niet gedaan, maar gaat de complexifiëring verder op een hoger niveau, d.w.z. niet door het ingewikkelder maken van de eigen eenheid, maar door met verschillende eenheden een hogere eenheid te vormen. Dit laatste proces wordt in de moderne wetenschap ook de Meta-system Transition genoemd: een systeem gaat over in een meta-systeem, d.w.z. een supersysteem waarin de lagere, voorheen autonome systemen, nu de elementen, de bouwstenen zijn van een complexer systeem van hogere orde.


Dit complexifiëringsproces wordt inwendig gestuwd als een poging om aan bepaalde behoeften te voldoen. Dit proces zal waarschijnlijk doorgaan totdat er een uiteindelijke rusttoestand is bereikt, d.w.z. een toestand waarin alle behoeften in het heelal zijn bevredigd, alle energieën gerealiseerd.

In de loop van de evolutie worden dus telkens systemen gevormd van een hoger complexiteitsniveau, d.w.z. dat systemen van een lager niveau de bouwsteen zijn van de systemen van het daaropvolgende niveau. Teilhard beschrijft dus niets meer dan de evolutie der natuurlijke systemen, een soort toegepaste systeemtheorie.


Beschrijving


Tot nog toe zijn volgende negen niveaus van complexifiëring gekend:





1. Het niveau der strings/plaatjes

Het meest elementaire niveau dat de natuurwetenschappen op dit ogenblik onderscheiden hebben is het niveau van de strings. Deze deeltjes zijn uiteraard, evenmin als quarks en de krachtdragers, nooit direct waargenomen. Ze zijn echter gepostuleerd op wiskundige basis. De hypothese van het bestaan der strings wordt bevestigd door talloze gegevens waar de atoomfysici over beschikken. Recentere hypothesen spreken eerder van plaatjes dan van strings, maar essentieel blijft alles hetzelfde.


2. Het niveau van de enkelvoudige ‘elementaire’ deeltjes

Dit bevat zowel de krachtdragers (fotonen, gravitonen, gluonen en bosonen) als de elementaire materiedeeltjes, de leptonen (o.a. het elektron) en de quarks (u,d,c,s,t,b). De quarks zijn de bouwstenen van de hadronen (zie volgend niveau) en de baryonen.


3. Het niveau van de samengestelde ‘elementaire’ deeltjes

Dit omvat zowel de hadronen (de protonen, de neutronen en alle andere tot nog toe gekende atoomkerndeeltjes) en de baryonen, d.w.z. de kunstmatig opgebouwde en slechts zeer kortstondig bestaande superzware hadronen. Zowel hadronen als baryonen zijn samengesteld uit quarks.

Hadronen blijven samen, omdat de krachten die in de quarks schuilen aldus een zeker evenwicht bereiken. Er schiet echter nog veel vrije energie over, die leidt tot verdere complexifiëring.


4. Het atoomniveau

Een atoom bestaat uit een vaste kern, en errond cirkelende elektronen, die wel eens kunnen schommelen in aantal. De kern bestaat vooral uit hadronen (protonen en neutronen). Alnaargelang het aantal protonen heeft men te doen met een andere atoomsoort, en deze worden dan ook per nummer geklasseerd (Tabel van Mendelejev). De atoomsoorten worden, door interstellaire reacties, steeds ingewikkelder, van waterstof (1) tot uranium (92). Dit laatste is een natuurlijk eindpunt. Ingewikkelder atomen komen in de natuur niet voor, merkwaardig genoeg. Men heeft er enkele kunstmatige gevormd met een hoger rangnummer dan (92), maar deze blijken in hoge mate onstabiel te zijn.

Atomen blijven samen door de elektromagnetische kracht: de elektronen, die negatief geladen zijn, cirkelen rond de kern, die positief geladen is dank zij de protonen. De kerndeeltjes zelf blijven samen door de sterke kernkrachten.


5. Het moleculair niveau

De atomen vormen moleculen, vanaf het eenvoudigste anorganische zoals water, tot het ingewikkeldste organische, d.w.z. de aminozuren. Ingewikkelder moleculen zijn niet gekend. Wel zijn er grotere gekend, doch deze zijn niet "complexer" in de echte zin van het woord.

De moleculen blijven hoofdzakelijk samen, omdat de samenstellende atomen aan elkaar klitten, doordat de elektronen van de buitenste atoomlagen bij voorkeur een "octetstructuur" vormen, d.w.z. met z'n achten vol zitten. Daarom "koppelen" atomen met "te weinig" elektronen in de buitenste schil vlot en vrij stabiel met atomen met "te veel" elektronen in de buitenste schil.


6. Het eobiontenniveau

De aminozuren vormen de eiwitten, die zich samen met andere moleculesoorten binden tot de zogenaamde levende stof of protoplasma. Dat protoplasma gaat zich structureren tot steeds complexere vormen, die men prokaryoten noemt, d.w.z. “cellen” die op het eerste gezicht niet veel meer bevatten dan protoplasma.

Al deze overgangsvormen worden samengevat onder de naam eobionten, d.w.z. primitieve voorlopers van levende cellen en van de organellen, die in een latere fase van de evolutie enkel binnen de levende cel voorkomen.


7. Het cellulair of protozoair niveau

De primitieve eobionten gaan onderling samenwerken en samenleven in een veel complexere structuur die men uiteindelijk de levende cel zal noemen. Het eigenlijke cellichaam is een eobiont die vroeger apart leefde, maar thans vele andere eobionten in zijn binnenste herbergt.

Sommige prokaryoten beginnen, na het verlies van een groeiremmende celwand en nog slechts omgeven door een dun membraan, als een primitieve fagocyt andere, meer gespecialiseerde prokaryoten op te nemen als endosymbionten. Deze opgenomen gast-prokaryoten worden niet verteerd, maar gaan samenwerken met de moedercel. Aldus ontstaan achtereenvolgens vesikels, de primitieve kern, lysosomen, het Golgi-apparaat, en uiteindelijk de peroxisomen, die de intussen ontstane giftige zuurstof kunnen verwerken, en de mitochondriën. Sommige cellen nemen ook de voorlopers van de chloroplasten op, en evolueren later tot planten, die hun energie rechtstreeks uit het zonlicht kunnen halen.

Zo ontstaan uiteindelijk de eukaryoten, de echte cellen dus, die we strikt genomen kunnen beschouwen als een complex van prokaryoten.

Een complexere protoplasma-structuur dan de levende cel bestaat er niet —weer is een natuurlijk eindpunt bereikt.

De reden tot samenblijven, is dat hierdoor aan de belangrijkste "streven" van de eobionten voldaan werd, nl. zichzelf in stand houden en voortplanten.


8. Het metazoaniveau

Afzonderlijk levende cellen of protozoa verenigen zich mettertijd tot meercellige structuren of metazoa en evolueren van rudimentaire celkolonies tot complexe meercellige wezens, waarvan de zoogdieren en de mens de ingewikkeldste zijn, tot nog toe gekend.

Hier is de reden van samenblijven der cellen analoog aan deze der eobionten: een metazoön is een enorme samenwerking waardoor —via specialisatie, taakverdeling en het combineren van mogelijkheden— het bestaan der cellen beveiligd en vergemakkelijkt wordt.


9. Het socialisatieniveau

Is de mens slechts een tussenstadium in het metazoaniveau, zodat de volgende evolutiestap het ontwikkelen van een soort supermens, een übermensch, zal zijn? Of is de mens het natuurlijk eindpunt van de evolutie der metazoa, zodat we na de mens een evolutie op hoger niveau, d.w.z. het zich samenvoegen van metazoaire systemen tot een complexer niveau, een socialisatieniveau —met de mens als belangrijkste bouwsteen—, mogen verwachten? We komen erop terug.

Laten we op deze discussie even vooruitlopen, en voorlopig aannemen dat deze socialisatie —die trouwens al vele millennia bezig is— inderdaad de volgende fase in de evolutie is, zodat we tot op heden negen niveaus in de evolutie van het heelal kunnen onderscheiden.

De vraag of er nà dit socialisatieniveau nog en hoeveel evolutieniveaus komen, is uiteraard zeer boeiend. We komen erop terug.

Het is interessant te constateren dat Teilhard in zijn standaardwerk Het verschijnsel mens het eobiontenniveau niet beschreven had, omdat dit in de toenmalige biologie nog niet bekend was: men verwarde het met het protozoair niveau. Ook is het zo dat hij beide elementairste niveaus samenvoegde, omdat de quarks toen nog niet bekend waren.

Het pleit voor de genialiteit van Teilhards visie dat deze nieuwe inzichten zijn theorie zijn komen bevestigen eerder dan ze omver te werpen.

Een bijkomend argument voor de juistheid van deze opvattingen is het feit dat de duurverhouding waaraan deze fasen beantwoorden constant schijnt te zijn, en daarenboven gelijk is aan de Gulden Snede.


Kenmerken


Uit de studie van de evolutie in het verleden slaagde Teilhard de Chardin erin om belangrijke wetmatigheden af te leiden, die dit proces blijkbaar besturen. Deze wetten zijn belangrijk om een gefundeerde voorspelling te kunnen maken voor de toekomst. We kunnen hier niet op al deze boeiende wetmatigheden ingaan. Enkele belangrijke zaken willen we echter even uitdiepen.


1. De betekenis van begrippen als “beter”, “hoger”, “juister”


Hierover hebben filosofen in de loop der eeuwen oeverloze discussies gevoerd, omdat objectieve en exacte criteria nu eenmaal schijnen te ontbreken. Immers, als men bij dergelijke discussies geen rekening houdt met de ontwikkelingsgeschiedenis van het heelal, dan verwaarloost men inderdaad de belangrijkste gegevens, zodat er enkel subjectieve (“waar ik mij lekker bij voel”) of dogmatische (“de wil van God”) criteria overblijven, al dan niet aangevuld door democratische (“de wil van de meerderheid”) die, gezien vanuit het oog van de geschiedenis, al even subjectief blijken te zijn als die van het individu zelf. En met deze niet-objectieve criteria kan men inderdaad alle kanten uit.


In een ethiek zonder God als opperste wetgever lijkt het inderdaad niet gemakkelijk om die citeria vast te leggen, zodat de aanhangers der “geopenbaarde” godsdiensten soms ronduit verklaren dat een ethiek zonder God gewoon niet bestaan kán, zodat goddeloos en immoreel bijna synoniem zijn.


Wie de kosmische evolutiegang echter wetenschappelijk en meer van nabij bekijkt, ziet dat het heelal, van in het prille begin tot aan het actuele moment, maar één vooruitgangscriterium gebruikt, namelijk het streven om in een zo complex mogelijk systeem harmonie te realiseren. Die harmonie is geen vaag, naïef begrip, maar wordt gedefinieerd als: de maximale manier waarop de bouwstenen van het systeem tot hun recht komen in het groter geheel. “Goed” blijkt voor de natuur hetzelfde te zijn als “maximale participatie, de maximale inbreng van mogelijkheden, de maximale bevrediging van ieders behoeften”, dus een zo laag mogelijke conflictsituatie. Als die bouwstenen over een bewustzijn beschikken, zoals bij de mens het geval is, dan valt deze maximale objectieve participatie samen met een subjectief geluksgevoel. Uiteraard sluit dat niet uit dat vele individuele systemen (zoals de mens) voorafgaandelijk een leer- en groeiproces zullen moeten doorlopen, zodat hun inwendige behoeften uiteindelijk eerder vertaald worden in concrete verlangens die niet-conflictueus zijn, dus geïntegreerd zijn met de concrete verlangens der anderen. Niet-geïntegreerde, dus conflictueuze verlangens (agressie, destructie, onverschilligheid, egoïsme) noemt men in de psychologie neurotisch. Ook dat is dus geen vaag, willekeurig, cultuurgebonden begrip.


Voor wie de evolutieleer grondig heeft bestudeerd, zijn de begrippen “goedheid” en “ideaal” dus geen vage, subjectieve noties meer, maar duidelijk omschreven en praktisch hanteerbaar: alleen wat leidt tot een grotere integratie van mogelijkheden en strevingen van alle betrokkenen, en tevens integrerend met de omgeving –ook een betrokkene– is “goed”. De onderliggende werkhypothese, die uiteindelijk maar zal kunnen bevestigd worden op het einde der tijden, is dat een maximale bevrediging der “behoeften” van de bouwstenen van een systeem kan samenvallen met een degelijke constructie van een systeem op hoger niveau, ja dat het hogere systeem er precies komt als optimaal antwoord op (en integratie van) de gecombineerde behoeften der lagere systemen. Dus de basisdynamiek van de kosmos en al zijn elementen is, op elk niveau, fundamenteel “constructief”.


2. Wat komt er ná de mens?


Kan men vanuit de evolutieleer de toekomst voorspellen? Zeker, meer dan vanuit enige andere methode. Bij voorspellingen gaat men er immers onvermijdelijk van uit dat het in de toekomst min of meer zijn zal zoals in het verleden, m.a.w. dat de processen en factoren die het verleden bepaalden, dat ook wel zullen doen in de toekomst. M.a.w. men zoekt tendensen op, onderzoekt hun wiskundige kenmerken, en projecteert die naar de toekomst. Hierbij mag men uiteraard niet simplistisch of naïef zijn: het is niet noodzakelijk de opvallendste, de laatst geobserveerde of de gemakkelijkst te meten tendens die de essentie van het proces weergeeft. M.a.w. hoe meer men zicht krijgt op de essentie van het evolutief gebeuren, hoe juister de voorspellingen zullen zijn. Nu is de evolutieleer van Teilhard en de neo-Darwinisten in het algemeen de meest grondige visie die men thans op de ontwikkelingsprocessen van het heelal heeft. Toekomstvoorspellingen die daarmee rekening houden zijn dus wellicht de meest betrouwbare, maar helaas moet gezegd worden dat vele, ook populaire futurologen, en de grootste groep de science-fictionschrijvers deze theorieën niet of in elk geval zeer onvoldoende kennen.

Hoe zou de toekomst er volgens de inzichten van Teilhard kunnen uitzien?


a. Een tweesprong


De allereerste vraag is of de mens al dan niet een natuurlijk eindpunt is van het evolutieniveau der metazoa. M.a.w. zal de evolutie verder gaan op dit niveau (8) of op hoger niveau (9)?


1) Een evolutie op dit niveau zou impliceren dat we in de nabije toekomst een soort übermensch mogen verwachten, d.w.z. een volmaakter type van meercellig wezen, dat ons dan zal vervangen, zoals de Cro-Magnons (en dat zijn wij) de Neandertalers vervangen hebben.

Voor deze optie zijn de wetenschappers, en meer in het bijzonder de biologen en genetici, zeer enthousiast, vooral nu het menselijk genoom (kaart der erfelijke gegevens op de chromosomen) praktisch volledig in kaart is gebracht. Geconfronteerd met de ellende en de conflicten op onze planeet, zowel individueel, familiaal als politiek en militair, menen zij dat de oorzaak ligt in een nog onvoldoende ontwikkeling van dit erfelijk apparaat, dus de dynamiek van instincten en agressieve tendensen, en dat al deze problemen zullen opgelost worden door verbeteringen, genetisch aan te brengen in het menselijk organisme, vooral in de hersenfunctie.

In feite hangen zij, zoals Hitler en zijn companen, de übermensch-theorie aan, thans niet meer op basis van wreedaardige selectie, maar door technologisch-genetisch aan te brengen verbeteringen aan het erfelijk apparaat van de mens. Deze benadering heet de eugenetica.

2) Mocht de mens echter het eindpunt zijn van de evolutie op het niveau van meercellige wezens, dan hebben we thans een evolutie op hoger niveau te verwachten, dus op "meer-mensig" niveau, op sociaal niveau.

Deze tweede mogelijkheid is volgens Teilhard de Chardin de meest waarschijnlijke, niet alleen omdat de sociale evolutie (niveau 9) al sinds duizenden jaren begonnen is, maar omdat een biologische übermensch waarschijnlijk nutteloos zou zijn gezien de huidige stand van de wetenschap (straaljagers, computers, enz.), die elk voordeel van een biologische vooruitgang in ruime mate overtreffen. Er is nameijk een evolutiewet die zegt dat een bepaalde evolutiesprong slechts bestendigd wordt als hij enig voordeel oplevert.

Een tweede belangrijk argument voor Teilhard is echter het bestaan van natuurlijke eindpunten per niveau. Op elk niveau ontmoeten we een natuurlijk eindpunt, voorbij hetwelk geen nieuwe, duurzame ontwikkelingen op ditzelfde niveau mogelijk zijn. Teilhard verwijst hiervoor o.m. naar de niveaus van de atoomdeeltjes en de quarks. Sinds vele decennia tracht men in allerlei kleine en grote cyclotrons en andere deeltjesversnellers atoomdeeltjes te bombarderen met andere hoog-energetische deeltjes, in de hoop om nieuwe, duurzame atoomdeeltjes en atoomsoorten te synthetiseren. Ondanks decennia lange inspanningen is men daar nog nooit in geslaagd. Zeker, er ontstonden vaak nieuwe soorten, maar hun bestaan was steeds een kwestie van microseconden. Ze waren m.a.w. hoogst omstabiel. Hoewel die kernfysici de hoop niet willen opgeven, en hun mislukkingen steeds blijven toeschrijven aan te zwakke middelen, is er volgens Teilhard een veel plausibeler verklaring: een natuurlijk eindpunt op dat niveau is bereikt. Zo ook is het volgens Teilhard met de mens op het niveau der meercelligen. Zeker, de genetica zal ongetwijfeld herstellingen kunnen aanbrengen en erfelijke ziekten repareren. Maar hij verwacht niet dat, biologisch gesproken, een betere metazoa-variant, een übermensch, zal kunnen ontwikkeld worden.


b. een beschrijving van de socialisatie


Het volgende evolutiestadium is dus het negende niveau, het socialisatieniveau: afzonderlijke mensen vormen een steeds beter georganiseerde mensheid, zoals, op lager niveau, de afzonderlijke cellen steeds beter georganiseerde meercellige wezens hebben gevormd. De gelijkenissen tussen niveaus 8 en 9 zijn overigens treffend: zoals de bloedsomloop een transportsysteem is tussen de verschillende cellen en organen van een meercellig wezen, zo zijn onze transportsystemen (wegen met auto's, boten, vliegtuigen, pijpleidingen die de hele aarde beginnen te doorkruisen) de verbindingen tussen de verschillende mensen en mensengroepen. Zoals het zenuwstelsel verschillende delen van een meercellig wezen gaat doorkruisen om informatie aan en af te voeren, zo doorkruisen onze elektrische kabels en draadloze communicatieverbindingen de gehele mensheid. Zoals de hersenen onze vroegere ervaringen onthouden, alsmede programma's voor meer aangepaste gedragingen, zo slaan wij in bibliotheken en computers de kennis op van de gehele mensheid. Internet en het web zijn hierbij het voorlopig toppunt van universele communicatie, niet alleen tussen individuen, maar ook en vooral tussen individuen en informatie-websites. Uiteraard gaat de vergelijking niet op voor alle punten vermits we toch te doen hebben met een structuur op hoger niveau.

Meer concreet mogen we dus verwachten dat er zich een samenleving zal vormen waarin veel minder (en uiteindelijk géén) psychisch en fysisch lijden (behoeftenconflicten) aanwezig zijn, en waarin de mens een geschikt milieu zal vinden om zijn psychische en fysische behoeften maximaal te bevredigen (in een toestand van universele harmonie). Er zal dus een vorm van groepsorganisatie, van wereldorganisatie komen waarin de harmonieuze en duurzame onderlinge bevrediging van de mensen mogelijk zal zijn.

Deze verwachting van niveau 9, namelijk de socialisatie, is geen loutere veronderstelling. Inderdaad, sinds duizenden jaren reeds blijkt deze evolutie aan de gang te zijn, en sommigen zeggen dat de socialisatiefase al heel ver is gevorderd, ja misschien al haar voltooiing nadert.





De socialisatie verloopt in drie fasen:

  1. een primaire fase, waarbij er geen ordening aanwezig is, elke elk individu/groep gewoon gebruik maakt van zijn wet van de sterkste. [Chaos]
  2. een secundaire fase waarbij er een uitwendige ordening is, in rpaktijk een evenwichtsstrijd tussen de regels opgedrongen door de leiders (the Rulers), en het verzet van onderuit (the Multitude), van Plebejers via slavenopstanden tot syndicaten en globale drukkingsgroepen (Greenpeace, Amnesty International, allerlei Watchdogs).[Ethos]. Deze secundaire fase verloopt in drie subfasen:
    • het gebruik van militaire macht
    • het gebruik van materiële, monetaire, financiële macht
    • het gebruik van morele macht, bv. in de democratie
  3. een tertiaire fase waarbij er een spontane ordening is van binnen uit. Deze veronderstelt echter een groot bewustzijn, verantwoordelijkheidsgevoel en zelfdiscipline.[Eros]

Twee andere kenmerken:

  • deze stadia-ontwikkeling verloopt niet op alle levensterreinen parallel maar eerder in de materiële aspecten van het leven, en het laatst in de psycho-socio-culturele aspecten
  • deze evolutie is in kleine groepen (gezin) meestal veel verder gevorderd dan op grote schaal.


c. wat socialisatie niet is


Naast de talrijke gelijkenissen tussen niveau 8 en 9 zijn er toch enige belangrijke verschillen:


1. Het opvallendste verschil is dat, voor het eerst in de geschiedenis van het heelal, de bouwsteen van het hogere niveau zijn individualiteit niet verliest. Bij alle vorige niveaus verloren de bouwstenen in het hogere systeem hun individualiteit, en kregen zij elk een heel specifieke, gespecialiseerde functie toebedeeld: een huidcel bv. was voortaan enkel dát, en verloor de mogelijkheden van een spier- of zenuwcel. Een organel werd ergens ingeschakeld in het metabolisme van de eobiont, en had uitsluitend dát als taak. Een bouwsteen verloor trouwens ook het contact met het geheel, en kreeg uiteindelijk enkel de informatie toegestuurd die hij nodig had: het geheel der invloeden van buiten drong niet meer tot hem door, en hij had evenmin nog een impact op die gehele buitenwereld. In die zin is een zelfstandig ééncellig wezen veel “completer” en veelzijdiger dan een cel binnen een metazoalichaam.

De mens is blijkbaar de eerste bouwsteen van een hoger niveau in de evolutie die zijn individualiteit niet verliest. De mens is het eerste systeem dat een supersysteem opbouwt zonder structurele, interne veranderingen, maar enkel via manipulaties van de niet-menselijke omgeving, en via mentale inwendige veranderingen. Om een compterterm te gebruiken: enkel de software verandert, niet de hardware. De externe manipulaties zijn trouwens maar mogelijk door een toegenomen inzicht in deze materiële omgeving. De mens is het eerste bewuste systeem dat een vrij volledig inwendig beeld van de hem omgevende werkelijkheid weet op te bouwen. De organisatie van het socialisatiesysteem berust dus niet in gespecialiseerde mensen met speciaal ontwikkelde organen, maar in rol-functies, die in principe door elke mens kunnen uitgevoerd worden. Democratie, in de zin van een organisatiestructuur waarvan de functies door elke mens kunnen ingevuld worden, ligt dus in de lijn van de evolutie (hetgeen niet betekent dat er aan onze democratie niets meer zou kunnen verbeteren).

Niet alle hedendaagse futurologen –ook niet soms zeer wetenschappelijk geschoolde– zien dit op deze manier. Sommigen dromen nog van het mierenkoloniemodel, met differentiatie tussen de mensensoorten in denkers, werkers, leiders, enz. Het ontstaan van “erfelijke” sociale rollen (adel, slaven, koningschap, in sommige culturen erfelijk priesterschap) en kastes leek op een bepaald ogenblik deze mierenkolonietheorie te bevestigen. Zelfs Aldous Huxley, in zijn eerste grote SF-roman (A Brave New World) dacht nog in die zin.

Klassiek is ook de verwachting dat de computer weldra zo krachtig zal zijn, dat hij de menselijke mentale en intellectuele prestaties zal evenaren, ja zelfs overtreffen. Zoals de hersenen ons meercellig wezen domineren, zo zullen de mensen uiteindelijk gedomineerd worden door elektronische breinen en artificiële intelligentie.Wellicht zal het Internet, het ultieme netwerk van alle computers, weldra uitgroeien tot één groot zenuwstelsel dat de aarde omspant, een soort global brain dat de aarde tot één organisme, één gaia omvormt. Niets echter van dit alles bij Teilhard de Chardin en sommige andere futurologen: de mens in zijn toekomstmodel zal zijn individualiteit en mentale superioriteit bewaren.

Teilhard weerlegt dus James Lovelock (1979, Gaia: a new look on life on earth), de auteur van de Gaia-hypothese, die de aarde met haar bevolking beschrijft als een supra-individueel eenwordend lichaam, dat één globaal bewustzijn ontwikkelt, en één coherent en gestructureerd systeem wordt, vergelijkbaar met systemen uit lagere niveaus. Deze hypothese vond nochtans recentelijk weer argumenten bij bepaalde filosofen (o.a. de VUB-wijsgeer Heylighen) die in het Wereldwijde Web de voorloper zien van een elektronisch global brain, dat hij als uiteindelijk superieur aan de menselijke psyche beschouwt.


2. De biologische evolutie is tot stilstand gekomen. Dit betekent echter niet dat de evolutie als dusdang tot stilstand is gekomen! De biologische evolutie is namelijk sinds de mens overgegaan in twee aparte evoluties: een psychologische, d.w.z. een inwendige, en een technologische, d.w.z. een uitwendige. Deze overgang naar enerzijds uitwendige veranderingen, en anderzijds inwendige “software”-matige veranderingen, heeft voor gevolg dat de evoluerende wezens, in casu de mens, voor hun evolutie niet meer moeten betalen met een verandering van hun fysieke bouw en onafhankelijkheid, maar anatomisch en fysiek autonoom blijven hoewel ze toch participeren aan een steeds sneller verlopend evolutieproces. Dit fenomeen heeft enkele zware consequenties, waar we straks op terugkomen.



Psychologie en technologie zijn dus niet zomaar twee studiegebieden aan de rand van de socialisatie, of twee wetenschappen tussen zovele andere, maar de twee spitsgebieden van de evolutie van het heelal. Zo ook zijn de ecologie en de ecologische beweging niet alleen te zien als een soort politieke beweging of een verzet tegen de gewetenloze ravages van het kapitalisme, maar als een tweede, corrigerende beweging binnen de technologie, en een uiting van het groeiend kosmisch bewustzijn, het effectevaluerend denken en een vorm van positieve verantwoordelijkheid, een nieuw concept dat fundamenteel afwijkt van het primitieve, Latijnse (en door de Kerk helaas geassimileerde) principiële denken dat blind is voor het effect (zoals Vrouwe Justitia geblinddoekt met een weegschaal staat).

De technologische evolutie, verrijkt met het ecologisch kosmisch verantwoordelijkheidsgevoel, heeft als einddoel om niet enkel een socialisatie van mensen mogelijk te maken, maar een integratie van de hele kosmos te realiseren, vermits alles er meer en meer in betrokken wordt. Er zal dus niet enkel een mensheidssysteem gevormd worden, maar een kosmisch systeem, waar de gehele materiële wereld alsook de dieren- en plantenwereld zullen in geïntegreerd worden. Landbouw en veeteelt waren er in den beginne enkel voor zelfonderhoud, later voor economische redenen, later voor ecologische (eigenlijk nog een negatieve bekommernis, “dat het namelijk niet kapot gaat”). Het kweken van huisdieren en het aanleggen van een mooie tuin, maar ook de natuurparken en reservaten, zijn voorlopers van het menselijk streven om de ganse natuur te herorganiseren, d.w.z. te betrekken in de unversele socialisatie, de door de mens georganiseerde kosmos.


3. Belangrijk is ook om in te zien dat de technologische evolutie in feite voorwaarde is voor de psycho-socio-culturele evolutie. Immers, het ontwikkelen van modernere transportmiddelen is de voorwaarde voor een grotere economische afhankelijkheid, die op haar beurt leidt tot toegenomen culturele en politieke banden. Het ontwikkelen van communicatiemedia, van de boekdrukkunst tot de hedendaagse globale informaticakanalen, maakt het mogelijk dat deze psychoculturele evolutie tot stand komt. In die zin is het niet te verwonderen dat de vroegere pogingen der missionarissen en andere idealisten, om een samenleving te creëren van hoger niveau, gestuit zijn op het niet rijp zijn van de lokale cultuur, bij gebrek aan technologische middelen, vooral van communicatieve aard.


4. Meer opvallend nog is het bewustzijn. In lagere evolutieniveaus is dit samengebracht in het zenuwstelsel (of de primitieve equivalenten daarvan). Bij de mensheid blijft ook dit, althans potentieel, bij iedereen aanwezig. Er is geen bewustzijn boven de mensen, en alle mensen kunnen, zo zij dit willen (en zich genoeg openstellen voor de communicatiemedia) aan dit algemeen bewustzijn participeren. Als men spreekt van een "globaal" (= van de globus, de aardbol) bewustzijn, dan is dit niet ergens ruimtelijk op een precieze plaats op aarde aanwezig, maar –in talloze analoge kopieën– bij miljarden mensen (althans potentieel...).


d. de laatste evolutiefase?


Doordat er bij de mens uiteindelijk geen onomkeerbare differentiatie noch specialisatie optreedt kon Teilhard ook voorspellen dat de socialisatie de laatste evolutiefase was. Zoniet hadden we na de socialisatie van de aarde (Gaia) nóg een systeemvorming, b.v. van alle bewoonde planeten van het universum kunnen verwachten (een universalisatie), waarbij elke Gaia uiteindelijk een ondergeschikte bouwsteen zou worden binnen een interplanetair wezen. En als we Einstein mogen geloven zijn er wellicht meerdere universa, zodat we na de universalisatie misschien nog een een supra-universalisatie zouden mogen verwachten. Doch als de mens zijn individualiteit niet verliest ten koste van supra-individuele entiteiten, dan zal hij, in deze onvermijdelijke processen van universalisatie, en misschien een supra-universalisatie, de autonome bouwsteen blijven. Hij zal zich –als gelijkwaardig individu– socialiseren met zijn humanoïde evenknies van de andere bewoonde planeten. Dit op voorwaarde natuurlijk dat zijn hersenen knap genoeg blijven om het totale bewustzijn, waar hij nu blijkbaar over beschikt, te blijven aankunnen ondanks de aangroei der beschikbare kennis. De verwachting van sommige toekomstdenkers uit het domein der kunstmatige intelligentie (AI) is dat onze hersenen in de nabije toekomst (hoogstens enkele decennia) discreet en comfortabel (elektronisch en draadloos) zullen verbonden kunnen worden met een soort internet, zodat onze hersenen bliksemsnel informatie zullen kunnen raadplegen die zij niet zelf hoeven te onthouden.

Het besluit van Teilhards socialisatiebenadering is dus dat de mens als individu centraal blijft, en niet vervangen zal worden door supra-individuele entiteiten. Socialiseren is uiteindelijk –naast enkele technologische voorwaarden– eerder een inwendige, psychische vaardigheden- en attitudeverandering binnen het individu. De efficiëntste manier om als individu zijn behoeften te vervullen is: socialiseren. Socialiseren wordt dus niet anti-individualistisch gedefinieerd, maar als de superieurste vorm van individuele zelfrealisatie. Hierbij is zelfrealisatie synoniem van integratie: een interactievorm waarbij de behoeften van alle betrokkenen volledig of toch zo goed mogelijk bevredigd worden.


e. De diepste dynamiek van de evolutie


Teilhard de Chardin beschreef deze diepe dynamiek als de Wet van complexiteit / Bewustzijn. Deze twee tendensen nemen namelijk, zowel binnen de 9 niveaus als in de hele kosmische opgang, toe. Het ene kan niet zonder het andere, leidt tot het andere en heeft het andere nodig.

In modernere termen geformuleerd luidt deze wet als volgt:

  • de complexiteit neemt toe in twee bewegingen: er wordt een complexer systeem gevormd op één niveau, tot het bereiken van een natuurlijk eindpunt dat nooit succesvol kan overschreden worden. De bouwstenen van het volgende niveau zijn steeds systemen van één lager niveau.
  • het geheel wordt gestuurd door een stuursysteem, dat in de loop van de evolutie verschillende vormen aanneemt.
    • Op het laagste niveau, de lithosfeer, wordt alles geregeld door de structuur van het systeem, waardoor bepaalde bewegingen en samenvoegingen mogelijk en stabiel zijn, en andere niet.
    • Vanaf de biosfeer wordt alles geregeld door een genetische code, die de structuur (en de activiteiten) bepaalt, en die daarenboven historisch is ontstaan: de nieuwe ervaring van hoe de dingen best worden aangepakt wordt steeds aan de bestaande ervaring toegevoegd.
      • Op niveau 6 (virussen en primitieve bacteriën) bevindt zich dat in het DNA
      • op niveau 7 (complexere protozoa) bevindt zich dat in de chromosomen, waar het DNA/RNA op een complexe manier wordt bewaard
      • op niveau 8 (metazoa) wordt daarenboven een Centraal Zenuw-Stelsel (CZS) gevormd, waaronder vooral de hersenen, die in toenemende mate voorzien zijn van reflexen en instincten, en bij (vooral) de zoogdieren tevens een leervermogen, waarin individuele ervaringen worden bewaard. Op dit niveau bestaat er dus een voorloper van het bewustzijn.
    • In de noösfeer tenslotte is het bewustzijn zover gevorderd dat er een uitgebreid inwendig beeld ontstaat van de uitwendige werkelijkheid, ook van die delen die we niet zelf hebben waargenomen, en die nog niet bestaan (creativiteit). De ontwikkeling van dit menselijk bewustzijn verloopt in wtee faden:
      • de passieve, reactieve fase , waarbij de mens over het algemeen gesproken enkel reageert op uitwendige prikkels (opvoeding, sociale regulering) en inwendige noden (honger en andere behoeften.) Het Corpus Hermeticum, Plotinus en de Gnostici omschreven dit als mensen die enkel werken op ziel-sniveau, dus niet fundamenteel anders dan intelligente zoogdieren.
      • de actieve, proactieve fase waarbij de mens duidelijk creatieve inzichten ontwikkelt, en (vaak onhandige) pogingen onderneemt om de werkelijkheid rondom ons bewust te doen evolueren. Bij hen is de geest tot ontwaken gekomen.


3. De zin van het leven


Het is een geblaseerde traditie om te stellen dat de zin van het leven niet onder woorden kan gebracht worden, dat het een soort diepe wijsheid is die enkel door dichters en filosofen, en dan nog maar vaag en onvolledig, kan benaderd worden. Of, als het wel verwoord wordt, dat er evenveel stellingen als auteurs zijn, zodat je uiteindelijk nog steeds de vrije keus hebt. Dit soort uitspraken zijn overigens typisch voor mensen die zichzelf en hun levensstijl ook liever niet vastpinnen op een te concrete omschrijving van de levenszin, zodat de keuzes, die ze eerder intuïtief en op basis van compromissen gemaakt hebben, ook niet contesteerbaar zijn.

Wie echter de ontwikkeling zowel van de kosmologie als van de geesteswetenschappen in de twintigste eeuw gevolgd heeft en volgt, weet dat er thans meer dan voldoende duidelijke en objectiveerbare gegevens zijn om de zin van ons bestaan op een bevattelijke en bruikbare manier te omschrijven.

Men kan de zin van leven en bestaan op twee manieren benaderen: (1) vanuit het objectieve standpunt van de kosmische evolutie, en (2) vanuit het subjectieve standpunt van de dieptepsychologie.

Objectief wordt de zin van het bestaan omschreven als: ertoe bijdragen om de systemen van het heelal, beginnende met de systemen rondom zich, steeds beter te doen functioneren, d.w.z. tot een grotere integratie te brengen, en er zelf tot een grotere integratie mee te komen. Voor de mens komt er een bewuste dimensie bij: zich van deze levenszin tenvolle bewust zijn, d.w.z. weten, voelen en doen, bewust participeren aan deze creatieve interactie, die, op het hoogste niveau, samenvalt met het begrip liefde.

De conclusie van deze benadering is: de objectieve zin van het bestaan is het doen ontstaan en verbeteren van andere systemen (zijn = doen zijn). Deze fundamenteelste natuurwet vertoont een opvallende parallel met Einsteins E=mc2, waarbij massa voor bestaan staat, en energie voor doen bestaan. De hoogste, menselijke manier om dit te doen is de bewuste.



De subjectieve benadering


Boyadjiev: Behoefte en Vervulling


Inleiding


In deze benadering van de vraag wat de zin van het leven is vertrekken we vanuit de diepste behoeften van de mens, zoals de psychoanalyse ons leert sinds Sigmund Freud. We trachten hieruit af te leiden tot welke situaties dit allemaal zou kunnen leiden.

Sommige van deze behoeften zijn bewust, anderen zijn (voor velen nog) onbewust, en sommige moeten we wellicht nog ontdekken. Sommige van onze diepste behoeften delen we met de andere dieren en vooral de zoogdieren en mensapen, andere zijn wellicht typisch voor de Cro-Magnonsoort waartoe wij behoren.

Uiteraard geldt ook hier dat uiteindelijk deze conclusies zullen moeten bijgewerkt worden in het licht van nieuwe fenomenen die we ooit zullen ontdekken, en waarvan we er sommige reeds vermoeden, zoals leven na de dood, bewustzijn na de dood, enz.

Vele behoeften zijn van elkaar afgeleid, maar vermits vele zaken ook instinctief zijn kunnen bepaalde sterke en diepe behoeften misschien los van elkaar bestaan, en hierbij mekaar versterken of tegenwerken.


De diepste behoeften


1. De allerdiepste behoefte van de mens lijkt de behoefte aan geluk te zijn.

Hoewel thans bijna iedereen dit vanzelfsprekend schijnt te vinden is dit lange tijd niet zo geweest. Vooral de schuldinducerende godsdiensten en filosofieën (bv. het communisme) konden dit moeilijk accepteren, en propageerden het vervullen van de wil van God en de Gemeenschap en de "plichten van Staat" als de belangrijkste. Maar

  • Streven naar het eigen geluk werd immers verkeerdelijk gelijkgesteld met egoïsme. Geleidelijkaan besefte men echter dat deze "hogere" en altruïstische motivaties niet tegenstrijdig waren met het streven naar het eigen geluk, maar juist de weg daartoe waren. Zei zelfs Christus niet letterlijk: Bemin uw naaste als uzelf, hetgeen zeker veronderstelt dat die neiging er moet zijn.
    En het tweede aan dit gelijk, is dit: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven. Er is geen ander gebod, groter dan deze. (Mr 12:31 )
  • Geleidelijk zag men in dat egoïsme slechts betekent proberen gelukkig te worden ten koste van de ander, en altruïsme, liefde proberen gelukkig te worden via het geluk van de ander.
  • Men besefte ook dat als er ooit een dieren- of mensensoort zou bestaan hebben waar altruïsme sterker wa dan egoïsme, deze soort intussen allang zou uitgestorven zijn.
  • Tenslotte bleek uit hersenonderzoek de laatste decennia dat de hersenen gewoon zo geprogrammeerd zijn dat wij op elk ogenblik streven naar die situatie waar we we ons, volgens onze subjectieve opvattingen van dat ogenblik, denken het meest gelukkig te zullen voelen. De neurotransmitter die daarvoor dient, dopamine, is ondertussen trouwens al geïdentificeerd.


2. Deze diepste behoefte vertaalt zich in twee reeksen iets concretere behoeften:

  • de fysiologische behoeften
  • de psychologische behoeften.


a. De fysiologische behoeften omvatten een hele reeks fysieke behoeften

  • sommige positief (d.w.z. iets te hebben), zoals voedsel, drank, seksuele bevrediging. Sommige zijn minder bekend, zoals de behoefte aan vachtcontact
  • sommige zijn negatief (d.w.z. iets niet te hebben), zoals geen pijn, geen vermoeidheid, geen kou, geen ziekte, geen gevulde blaas of endeldarm. We appreciëren de goede kant doorgaans enkel als we hem missen...

Bij de fysiologische behoeften worden in de psychologie doorgaans enkel de seksuele behoeften besproken, omdat, in normale omstandigheden, de andere zaken bijna nooit ontbreken tenzij in extreme omstandigheden (overlevenden van een ramp in onherbergzaam gebied).


b. De psychologische behoeften omvatten vooral waardering onder zijn vele concrete vormen. Minder bekend en soms overlappend zijn de behoeftes aan intimiteit, creativiteit, realiteitszin, zelfrealisatie, kosmische integratie (beseffen een belangrijk deel te zijn van een groter systeem, van club tot kosmos), tederheid.

Een enigszins apart staande behoefte, wellicht van dezelfde diepte als de geluksbehoefte, is de behoefte aan het controleren van de omgeving. Vele concretere behoeften, zoals creativiteit, kosmische integratie, en zelfs waardering kunnen gezien worden als een uiting van deze diepere behoefte, die als het ware aangeeft hoe de geluksbehoefte zich moet manifesteren. Ze is ook terug te vinden in de territoriumbehoefte bij de dieren. Deze behoefte bestaat ook bij de mens, maar het gebied wordt daar eerder psychisch dan ruimtelijke afgebakend, hoewel er ook zuiver ruimetelijke aspecten zijn: de minimale afstand dat we anderen dicht bij ons aanvaarden.


Ook is het interessant om te bestuderen hoe de behoeften t.o.v. de anderen zich bij de mens in de jeugd ontwikkelen.

  1. In zijn primitiefste vorm volgt de mens enkel zijn instinctieve reflexen, die erin bestaan om noodsignalen te geven (schreien) als er een behoefte (vnl. honger) pijnlijk wordt aangevoeld. Deze signalen manipuleren de moeder tot het voeden van het kind.
  2. In een volgend stadium merkt het kindje op dat voeding/bevrediging telkens volgt op het trekken van aandacht. Het kindje gebruikt mettertijd ook andere gedragsvormen (bv. spelen met lawaai) om die aandacht te trekken, en stopt al met wenen als de aandacht er komt, nog vóór de eigenlijke bevrediging er is. Dit stadium wordt het orale genoemd, omdat de mond bij wenen en voeden zo'n centrale rol speelt.
  3. In het volgend stadium ontdekt het kind het bestaan van de concurrent, die ook aandacht steelt van de moeder en andere belangrijke personen. Nu volstaat het niet enkel meer om gewoon aandacht te trekken, je moet de meeste aandacht weten te trekken. Dit is de diepere betekenis van waardering. Deze fase van omgaan met, en overtreffen / uitschakelen van de concurrent, die de overgang vormt van de orale fase naar de volgende fasen, heet men de Oedipale fase
  4. De concurrent wordt eerst agressief aangepakt: men tracht hem uit te schakelen of publiek te vernederen. Dit is de anale fase. Deze aanpak heeft echter een tweetal nadelen: de concurrent laat zich niet doen, en zal zich zo mogelijk wreken, en ook wordt agressie spociaal afgekeurd, zodat men niet echt zijn doel bereikt bij de buitenwereld.
  5. Daarom schakelt men langzamerhand over naar een sociaal acceptabeler methode: men toont zijn kwaliteiten, en tracht op die manier meer waardering te oogsten. Dit is weliswaar moeilijker dan de anale strategie, want met moet echt iets bewijzen, de handschoen opnemen, maar het is sociaal veiliger. Dit is de fallische fase.
  6. De beide vorige methodes, anaal en fallisch, hebben een groot nadeel: de concurrent wordt enkel in de eigen fantasmen (d.w.z. simplistische illusies) overtroffen, maar noch de concurrent, en vaak ook niet de omgeving, accepteren echt uw superioriteit, uw meerwaarde. Daarom schakelt men vroeg of laat over naar de indirecte, die doeltreffender en realistischer is, en waarbij de omgeving echt je kwaliteiten aanvaardt. methode. Dit is trouwens een zoogdierreflex zeer duidelijk bij honden en bonobo-apen: sympathieke signalen geven om iets te bekomen. Zodoende hebben we de genitale fase bereikt, een integratie van het streven naar het eigen geluk en daartoe het zo intens mogelijk streven anar het geluk van de ander. Het beeld genitaal is genomen vanuit zijn verwijzing naar seksualiteit, waarbij men de ander een orgasme bezorgt en er zo zelf een krijgt.


De subjectieve zin van het leven


De subjectieve dynamiek der behoeften leidt er dus uiteindelijk toe om zo harmonisch mogelijke relaties met de medemens op te bouwen, en al zijn kwaliteiten te gebruiken om zich creatief en constructief voor deze medemens in te zetten. Via het gelukkigmaken van de ander en zijn erkentelijkheid daarvoor, en het daartoe maximaal kunnen ontplooien van de eigen creativiteit en capaciteiten, wordt men zelf gelukkig, vooral als de ander uiting geeft aan zijn dankbaar bewustzijn van deze situatie, en zijn dankbaarheid op de best mogelijke manier tracht te uiten, namelijk door hetzelfde te doen jegens de ander.


Eindbesluit


Men ziet dat de subjectieve en de objectieve zin van het leven eigenlijk samenvallen: de medemens is juist gelukkig als hij zelf zo goed mogelijk functioneert in de systemen waarin hij zit en zich kan ontplooien. Daar bewust en wederzijds aan werken en er bewust van genieten zijn, in beide benaderingen, blijkbaar de sleutel tot het geluk.


Zoals Pierre Teilhard de Chardin het zei: Liefde tussen mensen is een lokale vorm van een kosmisch verschijnsel.


En Adler: http://pws.cablespeed.com/~htstein/tp-7b.htm


(Gecreëerd 2000 - Laatst bewerkt )