2000-2999
Sites per thema:
psy0 algemeen
psy1 systemen
psy2 denken
psy3 brein
psy4 individu
psy50 diagnostiek
psy54 behandeling
psy6 optimaal
psy7 groepen
psy8 suboptimaal
psy9 optimaal

2001 Overzicht


INLEIDING


Een tweede basiswetenschap voor de hedendaagse psychologie houdt zich bezig met het uitwisselen en verwerken van informatie door intelligente systemen, waartoe zowel de hogere diersoorten en de mens, als de kunstmatige intelligentie in recente computers moeten gerekend worden.

Het probleem bij de mens is, dat er in zijn hersenen twee functies door elkaar verlopen, nl. de zuivere logische, en de emotioneel getinte "psychologische" (die we later zullen omschrijven). Gelukkig zijn er tal van situaties in het leven, waar beide functies elkaar ondersteunen. Doch helaas zijn er ook een heleboel omstandigheden, waar beide functies mekaar storen, d.w.z. dat ze elk andere eisen stellen aan de gedachtengang: bv. psychologische, emotionele redenen kunnen er iemand toe brengen om minder realistisch te denken, zodat hij voordehandliggende zaken niet inziet, terwijl het onder ogen zien van de realiteit hem anderzijds soms veel morele pijn kan doen, hetgeen hij helemaal niet verlangt.

Als de persoon er niet in slaagt om beide functies van het denkvermogen te verzoenen, dan ontstaan er ofwel emotionele stoornissen, ofwel realiteitsvervormingen. Om tot een realistische synthese van beide functies te komen, is het nuttig ze beide apart te bestuderen. Hier bestuderen we enkel de logische.


BEPALING


Logica is de wetenschappelijke studie der processen waarbij informatie verwerkt, doorgegeven en toegepast wordt.

"Informatie" werd vroeger gedefinieerd als een geheel van micro-impulsen, die intelligente systemen toelaat om zich een inwendig beeld te verschaffen van de uitwendige werkelijkheid (waartoe ook zijzelf behoren). Dit inwendig beeld bestaat zowel uit directe waarnemingen als uit de massa veronderstellingen die daaruit direct en indirect worden afgeleid. Deze informatie bestaat echter ook voor een groot deel (bij de volwassene misschien het grootste, bij de computer bijna uitsluitend) uit overgedragen informatie, afkomstig van andere intelligente systemen, en deze omvat zowel uit waarnemingen, hypothesen als raadgevingen.


INDELING


Het gebied der logica omvat dus drie grote terreinen: de denkprocessen, de communicatie, en de organisatieleer.


A. DENKPROCESSEN


Hierbij onderzoekt men enerzijds hoe de mens, strikt logisch gezien, het best zou denken, en (later) hoe psychologische en emotionele verschijnselen hem hierbij komen storen.

Vooreerst is er een omschrijving van het begrip inzicht. Echt inzicht is vooral weten waar iets zijn toepassing zal vinden. En dit echt inzicht kan meestal enkel maar tot stand gebracht worden door een praktijkervaring, wat erg vervelende consequenties heeft, niet alleen voor het denken, maar ook en vooral voor communicatie en didactiek. Een belangrijke consequentie hiervan is o.m. dat ons onderwijs meestal weinig didactisch ingericht is, omdat de praktijk er veel te weinig plaats krijgt (zelfs tijdens de "stages").

Het verkrijgen van inzichten gebeurt steeds vanuit een ervaring, via contrastwerking en analogie. Dat betekent onder meer dat het niet veel zin heeft uitleg over iets te geven als er geen vraag naar bestaat.

Vervolgens is er de studie van het complete denkproces. Dit proces bestaat uit meerdere fasen, die elk op een andere manier gestoord kunnen worden. Sommige fasen komen zelfs zelden tot stand, tenzij de persoon bewust denktechnieken heeft geleerd.

De hoofdfasen hierbij zijn: de ideeënverzameling, en de synthese der verzamelde ideeën.

A. Bij de ideeënverzameling maakt men onderscheid tussen exogene inspiratie (de ideeën die van buiten komen, via observatie en informatie), en de endogene inspiratie (de ideeën die oprijzen uit het eigen onbewuste). Talrijke technieken kunnen het rendement van dit inspiratieproces gevoelig opvoeren:

1. een rationeel interpretatiesysteem

Korzybski, de grondlegger van de rationeel-emotionele therapie, onderzocht hoe onze manier van denken en van formuleren van onze gedachten het best zou gebeuren, om tal van denk- en communicatiefouten te vermijden. De rationeel-emotionele psychologie gaat ervan uit dat onze psychische stoornissen zoniet uitgelokt, dan toch mogelijk gemaakt worden door onze gebrekkige manier van formuleren van de begrippen, zowel voor onszelf (denken) als voor elkaar (communiceren).

2. de techniek van de contrastwerking is heel belangrijk: door op voorhand doelstellingen, verwachtingen en voorspelde resultaten te formuleren, wordt de observatie zowel als het spontane denken veel vruchtbaarder.

3. de techniek der "brainstorming" is een combinatie van beide vorige bronnen, waarbij de endogene inspiratie via exogene prikkels wordt geactiveerd.

4. ook zijn er de ogenblikken waarop het denken meestal vruchtbaarder verloopt dan op andere. En deze ogenblikken komen helaas niet altijd overeen met de ogenblikken waarop we het meest gemotiveerd zijn dit te doen: lang voordat het nodig is, op onverwachte momenten, onmiddellijk na de activiteit, na een mislukking.

B. De fase der ideeënsynthese heeft tot doel orde te scheppen tussen de vaak onsamenhangende en soms tegenstrijdige ideeën. Drie methodes zijn daarbij bruikbaar: de keuze (selectie), de combinatie (compromis), en de integratie (de creatieve synthese).

1. Bij de keuze gaat men ervan uit dat, als ideeën tegenstrijdig lijken, er een juist is, en alle andere verkeerd. Men tracht daarbij de juistheid van het ene, en de onjuistheid van het andere aan te tonen. De juistheid van het ene sluit de juistheid van het andere uit. Zijn er geen voldoende argumenten aanwezig, dan gaat men over tot een "stemming", een "keuze". De wil van de meerderheid ("vox populi vox Dei") of van de meest ervarenen, of van de hiërarchische chef heeft meer kans om juist te zijn, zo veronderstelt men.

Het verkeerde van deze redenering is, dat het uitgangspunt ("een idee is juist, en dus alle andere verkeerd") onjuist is.

2. Bij het compromis tracht men niet tot een keuze te komen, maar tot een combinatie der verschillende ideeën, waarbij men echter te weinig aan analyse en herformulering der standpunten doet, om de essentie aan het licht te brengen. Men brengt alzo een schijnsynthese tot stand, waar men inderdaad een stuk erkent van elk uitgangspunt, maar geen inwendige coherentie vindt.

3. Tenslotte is er de integratie, die ervan uitgaat dat in veruit de meeste gevallen alle standpunten een grond van waarheid bezitten, en dat de tegenstrijdigheid slechts schijnbaar is, d.w.z. berust op een te grote veralgemening van het uitgangspunt, of op het formuleren der conclusies (die tegenstrijdig zijn) i.p.v. het formuleren der uitgangspunten (die verzoenbaar zijn). Daarom moeten sommige ideeën geherformuleerd worden naar hun essentiëlere kenmerken, omdat ze te ver gingen in hun conclusies, waardoor ze tegenstrijdig leken aan andere ideeën. Bij deze integratie wordt (vaak, maar niet noodzakelijk altijd) een verbeterd theoretisch kader ontworpen. Ook ontstaan er daardoor allerlei originele combinaties van elementen, wat men "creativiteit" noemt. Deze kan soms bewust nagestreefd worden, maar verloopt heel vaak via onbewuste associaties en analogieën.


B. PROGRAMMEERTALEN


Tot het zuivere denken behoort ook het weergeven van inzichten en instructies ten behoeve van computers, en in het algemeen de vraag hoe informatie, kennis het beste kan bewaard en gesymboliseerd worden, m.a.w. de studie van de (ideale) taal, en de (ideale) computertaal.


C. COMMUNICATIE


Communicatie bestaat in het uitwisselen van boodschappen tussen intelligente systemen, met het doel elkaars beeld van de werkelijkheid te vervolledigen, en elkaar aldus in een bepaalde zin te beïnvloeden.

Communicatie is dus een bewuste vorm van exogene inspiratie.

De boodschap wordt echter nooit in zijn geheel medegedeeld, maar bestaat steeds uit een "signaal", en een "interpretatie-" of "referentiekader". Men situeert het ontvangen signaal in zijn verondersteld referentiekader, dat aan het signaal de betekenis geeft. Zender en ontvanger hanteren hierbij vaak een licht verschillend referentiekader, waardoor identiek begrip niet gemakkelijk is, en bijna nooit spontaan tot stand komt. De "zender", d.w.z. de persoon die de boodschap uitstuurt veronderstelt uiteraard, dat de ontvanger, zijn gespreks- of communicatiepartner, hetzelfde referentiekader hanteert als hij.


- TOEPASSINGEN


1. Daar er vaak echter een verschil bestaat tussen het referentiekader van zender en ontvanger, kunnen er tal van misverstanden ontstaan.

2. Het uitsturen van signalen is niet noodzakelijk bewust. Zelfs als men geen signaal tracht uit te sturen, kan men geobserveerd worden, en deze observaties kunnen geplaatst worden in een bepaal referentiekader. Vandaar dat men in de communicatietheorieën zegt, dat "men niet niet kan communiceren", m.a.w. ook niets zeggen is zeer veelzeggend. Ook stuurt men voortdurend "non-verbale" signalen uit: spontane lichamelijke reacties en houdingen.

3. Doordat men ook signalen kan uitsturen zonder het te willen, kunnen de bewust uitgestuurde boodschappen soms tegenstrijdig zijn aan de onbewust uitgestuurde boodschappen. Bv. iemand ziet er zeer getrokken uit, doch zegt "dat er niets scheelt". Belangrijke studies zijn gemaakt over de non-verbale communicatie (in beide richtingen) o.m. tussen therapeut en cliënt, en lange beschouwingen werden gewijd over hoe bv. het bureel van de therapeut er moet uitzien, hoe mensen in groep het best geplaatst worden, enz.


OPMERKING:


In de communicatietheorie gaat men vaak over tot het bespreken van de inhoud van het referentiekader. In feite verlaat men hierbij het gebied van de communicatiewetenschap, en komt men in het gebied van de studie van het onbewuste in de mens, zijn behoeften, fantasmen, vroegere frustraties, weerstanden, en de gevoeligheid die hij daardoor vertoont voor bepaalde signalen en symbolen. Dit moet dus eerder "dieptepsychologie" dan communicatietheorie genoemd worden.


D. DIDACTIEK


Didactiek is te beschouwen als een speciale vorm van communicatie, waarbij de informatie praktisch steeds uit dezelfde bron komt en maar één doel heeft: inzicht op te wekken bij de toehoorder.

Door het langdurige van het fenomeen, het eenrichtingskarakter, en vooral het feit dat men boodschap na boodschap geeft, terwijl de "praktijk"-ervaringen vaak zeldzaam zijn of zelfs volledig ontbreken, worden er hoge eisen gesteld aan de opeenvolging der boodschappen, om dan nog te zwijgen van de motivationele kant.

De grootste fout die men vaak maakt, is te veronderstellen dat didactiek het overbrengen van inzichten is. In feite is didactiek het bij de leerling stimuleren van inzichtprocessen. De meest voor de hand liggende methode, nl. het gewoon "systematisch" overbrengen van theoretisch mooi gestructureerde schema's, is weinig bevorderlijk voor inzicht.


E. ORGANISATIELEER


Deze valt uiteen in twee delen:

1. organiseren van zijn werkzaamheden in het algemeen, dus het opstellen van een programma, het voorzien van allerlei onverwachte voorvallen, het cyclisch organiseren (opdoen van bijkomende informatie tijdens de uitvoering, d.w.z evalueren en bijsturen). Tot die organisatie in het algemeen behoort ook het schikken van mogelijke hulpvoorzieningen, klasseren, enz.

2. Organisatie van samenwerkende groepen mensen, bv. een bedrijf. Dit is het "toppunt" van logische processen: het is (via communicatie) trachten de inzichts- en communicatieprocessen van de groep optimaal te houden.

Een der eerste principes van optimale organisatie, is dat de inzichten het meeste kans hebben te ontstaan daar waar men het dichtst bij de praktijk staat. Nu is het zo, dat in de meeste (hiërarchische) structuren de "werkende" en "denkende" functies gescheiden worden. Een enorme rendementsdaling -ook als de organisatie perfect volgens plan verloopt- is hierbij onvermijdelijk.

Een ander aspect van de organisatieleer is de optimale tijd die aan elk der fasen van de inzichtverwervingscyclus moet besteed worden. Een der belangrijkste fenomenen hierbij is, dat inzicht sneller optreedt als er meer (contrastrijke) ervaring is. Nu valt op, dat in de meeste organisaties die wij kennen, alsook in onze cultuur ("bezint eer ge begint") men veel te lang poogt eerst een inzicht te verwerven alvorens tot de praktijk over te gaan, en dat anderzijds experimenten binnen eenzelfde groep tegengewerkt worden ("gebrek aan eenheid en eensgezindheid, welweterij").

Tenslotte dient nogmaals herhaald te worden, dat al deze verworvenheden van de logica nooit direct op mensen mogen toegepast worden, zonder rekening te houden met de motivationele factoren (emoties, psychologische fenomenen). Heel vaak zal het rekening houden met deze motivaties leiden tot een communicatie, didactiek, organisatie, e.d. die "rationeler" is, d.w.z. strikt genomen minder "logisch", doch om psychologische redenen "efficiënter". Dit wordt besproken onder "inzichtverwerving" bij het optimale functioneren van de mens.