2000-2999
Sites per thema:
psy0 algemeen
psy1 systemen
psy2 denken
psy3 brein
psy4 individu
psy50 diagnostiek
psy54 behandeling
psy6 optimaal
psy7 groepen
psy8 suboptimaal
psy9 optimaal

2202 Denkmateriaal

HET VERZAMELEN VAN
UITGANGSPUNTEN VOOR INDUCTIE


INLEIDING


Een denkproces bestaat zoals gezegd uit 3 fasen: het verzamelen van materiaal waarmee zal gedacht worden, inductie, d.w.z. het opbouwen van inzichten vanuit het denkmateriaal, en tenslotte deducties, d.w.z. het maken van concrete vooruitzichten en/of plannen op basis van een recombinatie van de inzichten met concrete gegevens.


Voor het verzamelen van partiële inzichten bij bewust gebruiken van de integratieve wetenschappelijke methode zijn ook namen bedacht als "assimilatie, intellectie, perithese".


Op het eerste gezicht zouden we onderscheid kunnen maken tussen twee soorten uitgangspunten, nl. (1) observatie-data en (2) partiële inzichten. Data zijn losstaande feiten, partiële inzichten zijn verbanden tussen die losstaande feiten.


OPMERKING


In praktijk is het niet zo nuttig om het onderscheid tussen data en partiële inzichten te maken. Immers, zodra men weet dat een bepaald "gegeven" met iets in verband staat, dan is het in feite reeds verbonden met een partieel inzicht, ook al weet men (nog) niet welke waarde of functie dat gegeven heeft in het geheel. Zuivere data, nl. feiten die volledig losstaan van bepaalde fenomenen, zijn eigenlijk nooit uitgangspunten voor een denkproces, vermits men er hoe dan ook niets kan mee doen. Hoogstens kan men de vraag stellen of ze al of niet iets te zien hebben met een bepaald proces, maar alvorens dit kan beantwoord worden moet men reeds een inzicht hebben in het proces zelf.


Het zien dat zijn partner zich kwaad maakt is meer dan een gegeven. Theoretisch zou men kunnen stellen: "Jan spreekt luider en sneller dan gewoonlijk". Maar niemand zal een dergelijk feit ooit zo bekijken. In praktijk zeggen we: "Jan maakt zich kwaad", en onmiddellijk zijn er reeds enige partiële inzichten bij verbonden, die weliswaar achteraf kunnen gecorrigeerd worden, maar die er toch al zijn: "Jan is iemand die zich kwaad kan maken"; "Als de kinderen vervelend zijn, wordt Jan kwaad"; "Jans liefde voor mij is niet sterk genoeg opdat hij zijn ergernis overal zou onderdrukken", enz.


Opmerking

Bemerk hier reeds een fundamenteel verschil met de klassieke logica die ondermeer in de wis- en natuurkunde worden toegepast. Inderdaad, wat men daar "data" noemt zijn in feite steeds partiële inzichten, d.w.z. "verbanden". Inderdaad, "gegevens" bij een wiskundig of meetkundig probleem worden steeds aangeboden onder de vorm van een vergelijking, bv. a = 5, b = 10. Met een lijst gegevens als 5, 10, 18 kan men geen denkwerk doen, tenzij men bepaalde elementen verzwijgt, zoals "(y kan verschillende waarden aannemen, zoals) 5, 10, 18"


Besluit

We kunnen dus zeggen dat "gegevens" eigenlijk steeds partiële inzichten zijn. In praktijk betekent "verzamelen van gegevens om op voort te bouwen" in feite steeds "verzamelen van partiële inzichten om ze te integreren tot een groter inzicht".

INFORMATIEBRONNEN


De partiële inzichten waarop de mens voortbouwt om tot een geïntegreerder inzicht te komen, bereiken hem uit drie bronnen, en dit via enkele methodes.

1. eigen ervaring

Dit zijn de fenomenen die men persoonlijk door observatie ondervindt, waarbij deze observatie ofwel passief kan zijn (staan kijken), ofwel interactief (omgaan met iets).


Een kind raakt de kachel aan en merkt dat hij zich pijnlijk verbrandt


2. opgestapelde herinneringen

Het is zo dat niet alle opgedane ervaringen onmiddellijk volledig geïntegreerd worden. In praktijk is er slechts een heel klein gedeelte van al onze vroegere ervaringen geïntegreerd tot completere inzichten. Dit betekent dus, dat er steeds nog een enorme voorraad "feitenmateriaal" en "partiele inzichten" overblijven, waaruit wij, door er later over na te denken, nieuwe completere inzichten kunnen opbouwen. Dit verschijnsel noemt men reflectie of "nadenken".

3. communicatie

Partiele inzichten kunnen ons ook overgebracht worden door anderen. Het niveau van inzicht hierbij kan zeer wisselend zijn: ofwel kan het gewoon feiten betreffen die in verband staan met iets, ofwel min of meer uitgewerkte opinies over de aard van dit verband.

WAARNEMINGSMETHODES

Het materiaal dat ons langs de drie bovenstaande kanalen bereikt dringt niet noodzakelijk door tot ons bewustzijn. Soms blijft het zelfs niet eens in ons geheugen bewaard. Er bestaan duidelijk enige voorwaarden opdat bepaalde partiele inzichten tot ons zouden doordringen. Deze voorwaarden zijn hoofdzakelijk van (neuro)psychologische aard, en zullen elders uitvoerig besproken worden. Nu reeds echter kunnen we een praktisch onderscheid aangeven:


1. spontaan inzicht, d.w.z. zaken die ons opvallen of die zomaar in ons opkomen, zonder dat wij hiervoor bepaalde technieken aanwenden. Hoewel deze methode in praktijk wel de meest gebruikte zal zijn, is ze zeker ook de minst productieve.

Een kind komt tegen kachel en voelt dat deze warm is.


2. contrastverhoging: als we ons in een bepaalde situatie iets voorstellen, voor we de situatie hebben waargenomen of de communicatie is opgetreden, zal ons vervolgens veel meer opvallen, dan als we "onbevooroordeeld" naar de informatie zouden toegaan.

Iets proberen maar zich de afloop eerst inbeelden en vervolgens zien hoe het in praktijk is, bv. een scheikundig experiment, een bepaald computerprogramma. 


3. vragen formuleren: niets valt ons meer op dan informatie die aanknoopt bij bepaalde vragen die in ons leven. Dit lokt dan "eureka"-ontdekkingen uit.

Het "eureka"-gevoel treedt vooral op als wij belangrijke associaties kunnen leggen. Vermits gecommuniceerd materiaal veel associatie-armer is dan ervaringsmateriaal, zal de techniek van het aanknopen bij een bewuste vraag vaak nuttig, zoniet noodzakelijk zijn. Dit vindt zijn toepassing in elke situatie waar informatie wordt overgedragen: de spreker (of schrijver) moet zoveel mogelijk trachten "aan te knopen" bij partiële inzichten of vragen die leven bij de luisteraar (lezer).

Zich afvragen hoe men zijn eigen schilderij "anders" zou kunnen bekijken, hetgeen moeilijk is, vermits men het zelf gemaakt heeft en plots in een spiegel toevallig een schilderij bekijken dat aan de muur hangt.

Klassieke vragen om zichzelf te bevragen zitten in de antieke "chrie" (vragen als waarom, hoe, waardoor, mogelijke mislukkingen)

Toepassingen

Uit het bovenstaande blijkt dat de toevoer van "gegevens" voor het erop volgend integratieproces groter en vruchtbaarder is, naarmate er meer contrast aanwezig is, zodat de dingen meer opvallen, en zodat uit de variaties rond een thema meer de essentie opvalt.

Vandaar dat technieken, die ernaar streven de vruchtbaarheid van het denkproces te doen toenemen, zoals creativiteit in kunst, wetenschap en zelforganisatiemethodes, bijna steeds zullen beginnen met technieken van verhoogd contrast, zodat de "inspiratie" toeneemt.

Ook ziet men dat de grootste genieën vaak uit kruispunten en smeltkroezen van culturen komen, omdat daar op natuurlijke wijze de meeste contrasten aanwezig zijn.

De moderne muziek is in Amerika ontstaan uit een kruising van de westerse harmonische, en de Afrikaanse ritmische en improvisatorische muziek.