2000-2999
Sites per thema:
psy0 algemeen
psy1 systemen
psy2 denken
psy3 brein
psy4 individu
psy50 diagnostiek
psy54 behandeling
psy6 optimaal
psy7 groepen
psy8 suboptimaal
psy9 optimaal

2300 Integreren

HET INTEGRATIEF DENKPROCES

PRINCIPE

Bij een integratie tracht men de waardevolle aspecten en de voordelen der verschillende alternatieven te combineren, zonder de nadelen van elk van deze alternatieven.

UITGANGSPUNTEN

1. Men gaat uit van de gedachte dat elk voorstel waarschijnlijk een stuk van het ideaal bevat, dat elk idee een deel van de waarheid inhoudt. Men vertrekt tevens van de veronderstelling dat elke opmerking ergens zinvol is, ook al wijkt ze sterk af van de mening der anderen. De kans dat een gesprekspartner er glad naast zit of debiel is, is ontelbare malen kleiner dan de kans dat hij toch iets zinvols weet te vertellen. Een tegenstrijdigheid tussen standpunten wordt dus altijd als schijnbaar en als paradoxaal beschouwd, en nooit als essentieel.

2. Men gelooft tevens dat het steeds mogelijk is tegenstrijdigheden tussen opvattingen of strevingen op te lossen, zonder iets van het essentiële te verliezen. Men vertrekt hierbij dus van de werkhypothese er bestaat uiteindelijk maar één waarheid, één ideaal. Als men de indruk heeft dat er equivalente alternatieven bestaan, dan is het integratieproces nog niet voldoende geweest. De idee van het mogelijk bestaan van equivalente alternatieven is een mythe.

Dit wil niet zeggen dat men dit ideaal nu al of gemakkelijk zal vinden. Het wil wel zeggen dat men zich niet neerlegt bij de gemakkelijkheidsoplossing der alternatieve equivalenten, en dus de discussie staakt met het excuus elk zijn waarheid, alles heeft zoveel nadelen als voordelen, dat is allemaal erg subjectief, de gustibus non disputandum est, enz.

WERKWIJZE

Integreren kan op een directe en een indirecte manier gebeuren. De directe is niet gemakkelijk, vermits wij nog niet beschikken over een volledig uitgewerkt algoritme, d.w.z een hanteerbare procedure. Het is nochtans interessant de verschillende te maken stappen voor ogen te hebben. Meestal zullen we daarom een indirecte methode gebruiken, die ons helpt om aan te voelen wat de essentiële kern is van een reeks onverzoenbare of moeilijk te rangschikken elementen, zonder dat we die meteen kunnen formuleren.

1. DE DIRECTE METHODE

Men gaat er dus van uit dat standpunten die onverzoenbaar zijn dit slechts in schijn zijn. Ze bevatten een kern van waarheid (de essentiële elementen), die echter verhuld is in een reeks gevolgtrekkingen die te verregaand zijn geweest, d.w.z. die niet verantwoord waren (de overdreven inkleding). Als het gaat over theoretische, verklarende inzichten (inducties, hypothesen), dan spreekt men van een overgeneralisatie. De geformuleerde wetten zijn eigenlijk niet zo algemeen als ze voorgesteld worden. Ging het over concrete conclusies (deducties, projecten), dan spreekt men van overconcretisatie. De concrete vormen van een actievoorstel lijken belangrijk te zijn, maar zijn in feite bijkomstig.

Deze twee fenomenen samen noem ik een eductie van de oorspronkelijke inzichten: men is ergens te ver gegaan, bij gebrek aan andere inzichten die deze veralgemeningen zouden onmogelijk gemaakt hebben.


De eerste stap die men dus moet zetten is een retroductie uitvoeren van de verschillende standpunten. M.a.w. men tracht de stelling te ontdoen van de overdreven generalisaties of concretisaties. Dit is uiteraard niet gemakkelijk. In praktijk zal het er vaak op neerkomen dat men de stellingen meer nuanceert, of onderzoekt wat erachter zit. Men tracht dus terug te keren naar de essentie, naar de kern. De moeilijkheid is om onderscheid te gaan maken tussen de essentie (de waarneming, de behoefte), die niet mag verloren gaan, en de overdreven veralgemening of concretisatie, die bijkomstig is. Zodra men bij dit analytische werk op een niveau komt dat een combinatie van de twee verschillende standpunten geen enkel probleem meer vormt, dan kan men ze samenvoegen. In het nieuwe standpunt zal dus niets essentieels verloren gegaan zijn. Er kunnen nog overbodige educties bestaan, maar deze kan men voorlopig niet opmerken. Pas als men dit geïntegreerde standpunt later opnieuw eens moet integreren met een nieuw standpunt heeft men kans deze resterende educties op te merken.

ANALYSE

Om een retroductie uit te voeren moet men dus, bij een inductie-integratie, terugkeren naar de uitgangspunten, en bij een deductie-integratie, terugkeren naar de onderliggende principes of de onderliggende behoeften.

De meest directe manier om dit te doen is het antwoord te zoeken op de directe vragen: (bij een inductie:) - vanuit welke waarnemingen, feiten of gegevens vertrekken we om deze hypothese te staven? - is de door ons gebruikte hypothese wel de minimale? M.a.w. kunnen de zaken die we trachten te verklaren niet op een eenvoudiger manier uitgelegd worden? - (proefdeductie:) als we onze hypothese nu eens toepassen op situaties die op het eerste gezicht analoog zijn, wordt het voorspelde resultaat dan inderdaad bevestigd?

(bij een deductie:) - welke behoefte(n) tracht ik, trachten wij te vervullen met dit project, deze projecten? - welke behoeften liggen achter deze aangehaalde behoeften?

VOORBEELDEN

1. tegenstrijdige opvattingen (inductie van een hypothese): - Op een leraarsvergadering tussen leraren die in dezelfde klas lesgeven, wordt gesproken over leerling Jan. De ene leraar beweert: "Jan is stout", de andere integendeel: "Jan is braaf". De integratie is bv. dat Jan in lessen die hem boeien heel coöperatief is, en storend wordt van zodra het hem niet meer boeit.

2. tegenstrijdige verlangens (deductie van een project): - De man wil op vakantie naar zee, de vrouw naar de Ardennen. Dit lijkt onverzoenbaar, een compromis dringt zich op. Als ze echter integreren, dan ontdekken ze dat ze bv. naar de Kempen kunnen gaan, waar zowel de rust van de Ardennen als de open natuur van de zee te vinden is.

2. DE INDIRECTE METHODES

Daar het analytische werk van de directe methode niet gemakkelijk is, zal men vaak indirecte methodes gebruiken. Het principe hiervan is dat men niet direct integreert, maar de omstandigheden die een spontane, intuïtieve integratie mogelijk maken, begunstigt.

De technieken zijn dus eerder inspirerend, en garanderen geen integratie. Een eigenlijk algoritme van de logica van de integratie (d.w.z. van de inductie van een nieuw model of hypothese) is nog steeds niet beschikbaar in de logische wetenschappen.

We zullen deze technieken als volgt bespreken: eerst beschrijven we het eigenlijke spontane integratieproces, en vervolgens beschrijven we de inspiratiebronnen die de noodzakelijke elementen voor het integratieproces kunnen opleveren.

A. HET CENTRALE PROCES: DE CYCLISCHE IDEEËNINTEGRATIE


Deze intellectuele activiteit verloopt in meerdere cycli van telkens twee fasen: inspiratie en integratie.

1. In een eerste fase verzamel je zoveel mogelijk losse ideeën. Je noteert ze gewoon op een blad of in een computerfile, ongestructureerd zoals ze je invallen, elk punt bv. voorafgegaan door een streepje. Voor deze ideeëngaring neem je gewoon wat er in jezelf spontaan opwelt als idee. Het is goed dit in de loop der tijd enkele malen te herhalen. Je kan ook inspiratie zoeken door aan anderen vrijblijvend te vragen wat ze erover denken. Die anderen hoeven helemaal geen specialisten terzake te zijn, of hun antwoord grondig voor te bereiden, integendeel. Je kan zelfs in een woordenboek of ander referentiewerk inspiratie zoeken. Zelfs brainstormingstechnieken kunnen helpen. Het herlezen van de eigen nota's kan zeer inspirerend zijn.

2. In een tweede fase tracht men een integratie te maken van de ideeën die men reeds heeft: men ordent ze, en past het schema voortdurend aan tot wanneer alles er een aanvaardbare plaats in gevonden heeft. Bij dit schematiseren kan men algemene indelingen gebruiken (bepaling, werking, soorten, oorzaken, gevolgen, toepassingen, tegenmaatregelen), of gewoon maar klasseren wat men heeft. Bij deze indelingspoging zullen ongetwijfeld lacunes voorkomen, d.w.z. men zal door het schema begrijpen dat bepaalde onderdelen wel, en andere nog niet ingevuld zijn. Dit werkt dan inspirerend. De bedoeling van het maken van een structuur, een schema is dus niet de overtuiging dat men nu alles heeft, maar integendeel het verlangen om zo gauw mogelijk te ontdekken wat er nog ontbreekt, zodat men inspiratie krijgt om verder te zoeken. In het algemeen tracht je om opsommingen van 5 of meer elementen te rubriceren, d.w.z samen te brengen rond een centraal idee of schema. Een lange opsommingen van elementen wil altijd zeggen dat je de kern van het systeem nog niet gevat hebt. Anderzijds laat zo'n opsomming je juist toe om de kern te vatten.

Na deze integratiepoging volgt een tweede inspiratiefase: men wacht nieuwe ideeën af, en geeft soms zelfs zijn eerste synthesepoging te lezen aan kritische lezers. Hun reacties en aanvullingen zijn dan zeer bruikbaar om het schema opnieuw te verrijken, te vervolledigen. Men verricht dan een tweede integratiepoging.

  • VOORBEELD***

Deze cyclus wordt aldus enkele malen doorlopen.

B. DE INSPIRATIEBRONNEN

Beide fasen van de ideeën-integratie-cyclus verlopen beter als men inspiratiebronnen aanboort. We zullen onderscheid maken tussen inzichtelijke inspiratiebronnen, d.w.z. bronnen van nieuwe ideeën, en experiëntiële inspiratiebronnen, d.w.z. nieuwe ervaringen waaruit dan eventueel nieuwe inzichten kunnen ontstaan.

1) INZICHTELIJKE INSPIRATIEBRONNEN

a. Rubriceren / schematiseren

Bij deze methode gaat men ervan uit dat, als men een opsomming verkrijgt van meerdere naast elkaar staande elementen, bv. vanaf vier of vijf, het mogelijk moet zijn om een logisch schema aan te maken waarbinnen men deze elementen kan rubriceren. Men tracht de gelijkaardige samen te voegen, en een algemene categorie te abstraheren.

Deze methode heeft niet alleen het voordeel dat men op deze manier de onderliggende mechanismen en betrokken dimensies beter begrijpt, maar dat men na de indeling wellicht zal inzien dat er nog bepaalde concrete toepassingen ontbreken bij bepaalde onderverdelingen van het schema. Het wordt dan gemakkelijker om deze terug te vinden, of ­als ze nog niet bestaan­ deze uit te vinden.

b. matrix-methode

Bij deze methode tracht men de verschillende elementen volgens hun aard te klasseren in tabellen. Men tracht hierbij op intuïtieve manier de verschillende dimensies van het fenomeen te ontdekken. Immers, telkens men met een element zit dat men volgens zijn gevoel niet kunnen klasseren in de reeksen die we reeds hebben, zijn we op een nieuwe dimensie gestoten.

VOORBEELD

Bij de vraag welke de ideale muziek zou zijn vertrekken we vanuit zoveel mogelijk bestaande stijlen (bv. gregoriaans, jazz, barok, country). Hierbij onderscheiden we zoveel mogelijk dimensies (bv. ritme, harmonie, melodie, lengte, gevarieerdheid). We beperken ons in de hiernavolgende tabel tot twee dimensies, nl. harmonie (in de tabel van links naar rechts) en ritme (in de tabel van onder naar boven).


Het ideaal, de geïntegreerde oplossing is dus een synthese van het "ideaal" van alle dimensies die je kan onderscheiden.

Vb. het "ideale" opvoedingssysteem, rekening houdend met de verschillende mogelijke systemen, vb. Fröbel, jeugdbeweging, opvoeding thuis, school, enz. komen tot het ideale.

In een dergelijk schema kun je uiteraard slechts twee of drie dimensies uittekenen. Meer dimensies zijn ruimtelijk niet voor te stellen.

c. interviews en feedback

Als men bv. over een theoretisch onderwerp aan het nadenken is, of een project aan het voorbereiden, dan is het een zeer vruchtbare methode om aan tal van personen, zelfs onvoorbereid, te vragen wat zij over een bepaald thema denken, of welke elementen een dergelijk project zou moeten bevatten. Men zal daarbij de meest verrassende zaken vernemen, en versteld staan hoe men sommige zaken, die achteraf elementair lijken, vergeten was in zijn eigen oorspronkelijk idee.

Ook kan men zijn voorlopige teksten of halfuitgewerkte projecten tonen of te lezen geven aan allerlei personen, en hun reacties hierbij noteren. Dit blijkt in praktijk erg vruchtbaar te zijn, zelfs bij personen die de visie of het project grotendeels of volledig afkeuren.

d. vragenlijsten

Bij deze inspiratiemethode ­die een individuele vorm is van proefverbalisatie, zie verder­ tracht men antwoord te vinden op een batterij algemene vragen, zoals hoe, waarom, waarmee, op welke manier, met welke gevolgen, waartegen, waartoe.

De antieke sprekers hadden reeds een inspiratiemethode ontwikkeld die zij de chrie noemden, en die hen toeliet om voor de vuist indrukwekkende voordrachten te houden.

Eén zeer inspirerende vraag is de PESSIMISTISCHE of NEGATIEVE VERONDERSTELLING: vooraleer je tot de uitvoering overgaat beeld je je in dat je realisatie zal mislukken en zoek je naar de oorzaak hiervan, rekening houdend met eigen ervaringen of met de ervaringen van anderen.

  • is dit een probleem voor personen met faalangst?***

Vb. bij het geven van een feest, je op voorhand voorstellen dat het zal mislukken en alle mogelijke oorzaken trachten te achterhalen zoals dranktekort, installatie defect, enz.

e. interactieve methodes

Hierbij maakt men gebruik van interactie met anderen, die ofwel vragen stellen, ofwel zelf ideeën spuien.

(1) Als zij vragen stellen, dan moet men ter plekke een antwoord verzinnen. Heel vaak zal het gebeuren dat men dan de inspiratie krijgt voor nieuwe inzichten. Dit noemen we proefverbalisatie.

We trachten hierbij iets onder woorden te brengen om zo tot nieuwe inzichten te komen. Het is een poging om via verbaliseren elementen van ons onderbewuste naar het bewuste te brengen.

Dit verschijnsel komt vaak voor bij lesgeven: vaak komen we tot dieper inzicht door de vragen die onze studenten of ons gehoor ons stelt.

Ook psychotherapie berust in vele gevallen op het onder woorden brengen van de verschillende elementen om tot een oplossing te komen, cfr. de Rogeriaanse benadering (zie verder bij communicatie). Doch niet enkel voor de cliënt is het een situatie van proefverbalisatie, ook voor de therapeut die, al pratend over de problemen van zijn cliënt, progressief nieuwe inzichten ontwikkelt, en deze met zijn vroegere inzichten integreert.

Indien we niet over een gesprekspartner beschikken kunnen we onze ideeën ook trachten neer te schrijven. Daardoor wordt het denkproces schijnbaar wel vertraagd, doch intussen wordt de kans op het krijgen van invallen verhoogd, zodat het rendement toch stijgt.

Een vruchtbare vorm van proefverbalisatie is het herformuleren van zijn standpunt: hierbij tracht men, via herhaalde pogingen, zijn standpunt zodanig te herformuleren, dat het niet meer in strijd is met dat van de anderen, die dezelfde poging kunnen ondernemen. In praktijk zal het vaak neerkomen op nuanceren , d.w.z. de beperkende omstandigheden aangeven binnen hetwelk zijn standpunt geldig is.

(2) Als men zich, individueel of gezamenlijk, aan het denken zet over eventuele mogelijke oplossingen voor het probleem, en vervolgens deze alternatieven kritisch bekijkt (d.w.z. hun voor- en nadelen belicht), dan is de kans groot dat er zich weldra tussen al deze alternatieven een goede integratie zal bevinden. Deze methode noemen we brainstorming.

  • moeilijk voor mensen die niet bereid zijn te integreren***

Belangrijk bij brainstorming is misschien niet alleen het grote aantal aangebrachte nieuwe ideeën, maar de mentaliteitsverandering die eraan ten grondslag ligt, en die bestaat in het principieel op voorhand accepteren van het feit dat een oplossing kan gevonden worden, en dat de concrete vormen in een schijnbaar conflict in wezen bijkomstig zijn.

2) EXPERIËNTIËLE INSPIRATIEBRONNEN

a. Proefrealisatie

Bij deze methode gaat men uit van de overweging dat het op voorhand, d.w.z. vóór men aan de reële ervaring is begonnen, wellicht niet mogelijk zal zijn om alle (belangrijke) aspecten en dimensies van zijn probleem te doorgronden. Slechts al doende leert men.

We zijn hierbij bewust van het feit dat onze plannen nog niet volmaakt zijn, maar gaan toch tot de uitvoering over, overtuigd dat de praktijk de beste en de snelste leerschool is. Het is een voorzichtige realisatie waarbij we het risico zo laag mogelijk houden (bv. door hulp van anderen in te roepen) maar met als doel zo veel mogelijk bij te leren, inspiratie op te doen. Deze strategie berust op volgend fenomeen:


Op het eerste gezicht zou men denken dat hoe beter we iets voorbereiden, hoe beter het effect zal zijn (theoretische lijn). Deze gedachte wordt vaak als argument aangewend om iets uit te stellen. Bv. ik voel me nog niet zeker, ik voel me nog niet rijp om een relatie aan te gaan.

In praktijk is het echter zo dat het voordeel van langer voorbereiden na enige tijd verdwijnt. Verschillende factoren dragen daartoe bij: (1) als je maar blijft nadenken op basis van je vroegere ervaringen en beschikbare inzichten krijg je steeds minder inspiratie. Het denkproces verloopt steeds moeizamer, is steeds onvruchtbaarder, en betekent uiteindelijk vaak tijdverlies. (2) hoe langer we uitstellen om aan iets te beginnen, hoe meer we bewust worden van de mogelijke problemen en van onze relatieve onmacht daartegenover. (3) bij lange twijfel worden we vaak voorbijgestoken door anderen, of heeft ons leven zich ongemerkt dusdanig gereorganiseerd dat de beoogde verandering eigenlijk al voorbijgestreefd is, niet meer nodig lijkt. (4) soms heeft de lange aarzeling en voorbereiding de resterende tijd zo kort gemaakt, dat een eventuele realisatie van het overwogen project onmogelijk geworden is. (5) de tijd dat je iets uitstelt betekent ook dat je mogelijke tijd verliest om allerlei ervaringen op te doen.

Deze factoren verklaren daarom de gebogen lijn krijgen immers: hoe langer je wacht, hoe meer tijd je verliest om ervaringen op te doen.

Vb. wanneer we willen leren schaatsen en het steeds maar uitstellen omdat we er nog niet klaar voor zijn, omdat we ons theoretisch beter willen voorbereiden, dan laten we heel wat tijd verloren gaan tijdens dewelke we reeds nuttige ervaringen hadden kunnen opdoen.

Een proefrealisatie is een manier van handelen, waarbij men zich voorzichtig op nieuw terrein begeeft, d.w.z. dingen gaat doen die men nog nooit gedaan heeft, en intussen alle mogelijke signalen van beginnende problemen tracht op te vangen en er een oplossing voor te vinden. Uiteraard begint men niet zomaar. Men verzamelt eerst zoveel mogelijk ideeën, uit zoveel mogelijk bronnen, en volgt bv. het voorbeeld van mensen die al een stuk van de weg hebben afgelegd.

Wetenschap en nieuwe technologieën, zowel in de geneeskunde als in de ruimtevaart, verlopen bewust volgens deze methode. Doch in feite doet iedereen het in het even op die manier: voortdurend begint hij zaken die hij nog nooit heeft gedaan, bv. een relatie opbouwen, seksualiteit, enz. Al doende leert hij.

Eigenlijk is het werken via een proefrealisatie de enige goede manier van werken in het leven. Het is niet meer dan intelligent leven. Men zou steeds alle zaken die men onderneemt levenslang volgens deze werkwijze moeten sturen, d.w.z. voortdurend trachten de gebruikte methode te integreren met nieuwe elementen op basis van de opgedane ervaringen en verzamelde inspiraties.

b. Experiëntiële communicatie

Deze methode wordt vooral aangewend in omstandigheden waar je (nog) over het essentieelste niet kunt discussiëren, bv. bij kunst, sympathie, delicate dingen zoals seksualiteit, voeding, zaken beschrijven waar onze taal te kort schiet, non-verbale communicatie.

Deze techniek wordt in de communicatieleer experiëntiële communicatie of ervaringscommunicatie genoemd. Het is in de praktijk de belangrijkste communicatiewijze voor personen die over de diepste waarden in het leven ene consensus moeten proberen verwerven, zoals een echtpaar. Het is een communicatiewijze die verloopt via het gezamenlijk uitproberen en beleven der verschillende alternatieven (of de voorstellen van de ander). Vooral de psychologische bereidheid ertoe is de grote moeilijkheid.

De neiging binnen onze cultuur om communicatie te reduceren tot discuteren is veelbetekenend, en berust op de renaissancemythe dat belangrijke zaken in het leven steeds verbaal kunnen beschreven worden, en dat dergelijke beschrijvingen voor elkaar overtuigend zijn.

Bij experiëntiële communicatie komen de betrokkenen langzamerhand tot een consensus op basis van hun gemeenschappelijke ervaringen. De gesprekken die zij intussen hebben zijn eerder mededelingen van gevoelens en indrukken, dan eigenlijke discussies over de grond van de zaak.

Het fenomeen doet zich trouwens spontaan voor in elke relatie of groep die lang tijd samenblijft. Op tal van punten, die nochtans nooit uitgepraat zijn, blijkt zich mettertijd een consensus geïnstalleerd te hebben. Beide partners bv. moeten in groep slechts even kijken naar elkaar om van elkaar te weten dat zij er hetzelfde over denken, ook al kunnen zij dat standpunt niet (goed) onder woorden brengen.

STADIA/NIVEAUS VAN INTEGRATIE

In zijn streven om te evolueren van monotheorieën naar integratie doorloopt men een drietal niveaus, die telkens een stap dichter komen bij het ideaal van één coherent theoretisch kader.Het EERSTE stadium is het eclectisch stadium. Voorbij het stadium van monotheorieën, die slechts enkele aspecten van een fenomeen bestuderen, en daarbij stellen dat alles gezegd is, en dat alle andere denkers die iets anders zeggen dan de eigen theorie het niet echt begrepen hebben, staat men in het eclectisch stadium open voor de waarde van andere benaderingen, ook al deze niet (meteen) te rijmen met de eigen theorieën. Maar daar er nog geen dieper theoretisch verband is, zal men in het eclectisch stadium meestal stellen dat ene theorie en ahar toepassingen vooral in bepaalde situaties aangewezen zijn, bv. gedragstherapie bij fobie, medicatie bij depressie, psychoanalyse bij obsessies, systeemtherapie bij relationele problemen.

Bv.: Vele pragmatische psychiaters en psychotherapeuten beoefenen hun vak op deze wijze, hoewel niet-psychiaters noodgedwongen het medicamenteus aspect moeten verwaarlozen.
Bv. een medisch of maatschappelijk congres waarbij men verschillende vertegenwoordigers van denkrichtingen uitnodigt en na elkaar laat spreken, zonder dat er op het einde een integratie(poging) plaatsgrijpt.
Bv.: een boek/thesis waar men rustig verschillende theorieën naast elkaar stelt.

Het TWEEDE stadium is het comparatief stadium, waarbij men parallellen zoekt tussen diverse theorieën. Men vergelijkt de diverse aspecten, en komt vaak tot vergelijkende tabellen waarin men dan opmerkt dat elke monotheorie enkele aspecten heeft geformuleerd, maar geen enkele alle. Eventueel ontwerpt men dan een completere visie die alle aspecten beschrijft.
Bv. De moderne Amerikaanse filosoof Ken Wilber behandelt in zijn meeste boeken telkens een kennisgebied, waarvan hij dan de verschillende monotheorieën klasseert naast elkaar, en aantoont dat elk daarvan slechts enkele aspecten van een completer geheel benadrukt. Ook Fritjof Capra ging grotendeels op deze wijze tewerk in boeken als De Tao van de fysica, en  Het Keerpunt.
Bv.: comparatieve godsdiestwetenschappen illustreren zeer goed deze werkwijze.

Deze benadering is nog niet echt integratief omdat men meestal op het formuleringsniveau van de monotheorie blijft hangen. Uiteraard zal anderzijds deze klassementen, als ze echt realistisch zijn, ons een hele stap dichter brengen bij het begrijpende der onderliggende processen. Men kan zeggen dat in het comparatieve stadium de diverse monotheorieën naast elkaar staan, en steeds onmiddellijk te herkennen zijn, terwijl ze in het integratieve stadium in elkaar verweven zijn en niet meteen als dusdanig te herkennen. Soms noemt men dit comparatief stadium ook het synthesestadium, omdat de diverse monotheorieën min of meer samengevoegd zijn.

Het DERDE stadium is dit van de echte integratie. Hierbij zijn de diverse monotheorieën niet echt bij elkaar gevoegd, maar hervertaald naar de onderliggende processen. Vanuit de nieuwe, integratieve theorie die aldus werd gemaakt zijn dus niet onmiddellijk de aangewende theorieën noch hun terminologie onmiddellijk te herkennen, omdat niet de buitenkant van de theorie werd samengevoegd, maar de essentiële bouwstenen, die vaak niet onmiddellijk zichtbaar zijn voor wie kennis maakt met de monotheorie.
Overigens worden er tijdens het ontwikkelen van een integratieve theorie doorgaans nieuwe elementen toegevoegd, omdat in het samenvoegen der monotheorieën duidelijk niet alles was aangebracht
Als het integratieproces degelijk is geweest, en men tot één samenhangende theorie ie gekomen, dan kan men, bij wijze van soort "proef", de verschillende uitgangstheorieën afleiden uit de integratieve theorie door haar te vereenvoudigen (reduceren), stukken en nuances te laten wegvallen enz. Deze reductie is trouwens de belangrijkstebewijsmethode van een integratieve theorie.
Bv.: vele in deze website aangegeven theoretische modellen, bv. over de denkprocessen, over de evolutiestadia van de persoonlijkheid, over de indeling der pathologieën, over de integratieve behandelingsschema's.
Bv.: de integratieve evolutietheorie van Pierre Teilhard de Chardin is hier een prachtige illustratie van.
Bv.: men kan door Einsteins formules te vereenvoudigen (voor lage snelheid -in vergelijking men de snelheid van het licht- en relatief grote voorwerpen -in vergelijking met de atoomdeeltjes-) tot de formules van Newton komen, die slechts juist zijn als men blijft bij relatief trage en relatief grote voorwerpen.

VOORDELEN VAN INTEGRATIE

In feite heeft integratie niets dan voordelen, vermits men ervan uitgaat dat het positieve van de verschillende alternatieven samengebracht werd. Zogenaamde integraties die tot nadelen schijnen te leiden, zijn per definitie onvolledige, onafgewerkte integraties, want het betekent dat men met bepaalde elementen niet of te weinig rekening heeft gehouden.

Wel zal een goede integratie moeite kosten, omdat wij als mens nooit of in elk geval onvoldoende hebben geleerd om te integreren, noch wij noch onze cultuur de geschikte mentaliteit verschaffen om goed te kunnen en te durven integreren.

MOGELIJKE PROBLEMEN BIJ INTEGREREN

1. Onvoldoende tijd om te integreren

Het is zo dat het niet steeds mogelijk zal zijn om binnen de gestelde tijdspanne te integreren, of tot integraties te komen met mensen die dit niet belangrijk vinden, of wier positie zo sterk is (of lijkt) dat ze zich (meestal slechts tijdelijk) kunnen permitteren om hun wil op te dringen. Het is vooral moeilijk om te leren integreren in conflictsituaties, omdat daar de motivatie om zijn eigen standpunt door te drukken of om zeker niet onder te doen voor de andere het grootst zijn. In praktijk zijn de meeste integraties dus onvolmaakt, partieel, zodat ze gevonden oplossingen mettertijd een verdere integratie wenselijk maken.

2. Het niet kunnen realiseren van de bereikte integraties

Hoe schitterend de integratie ook is die men langs intellectuele weg bereikt heeft, en hoe tevreden de betrokken partijen ook zijn door het bereikte resultaat, de betrokken partijen moeten ook nog in staat zijn om de gemaakte conclusies en afspraken te realiseren. Ze moeten, m.a.w. kunnen groeien, dus in staat zijn hun persoonlijkheid op het gewenste moment in de gewenste zin te laten evolueren, ook al lijkt daar geen dwingende reden voor te bestaan.

Nu, de meeste mensen zijn daar niet toe in staat: ze hebben het nooit geleerd, en beschikken er evenmin de geschikte mentaliteit (de zgn. positieve of groeimentaliteit) voor dit groeiproces.

3. Niet alles is bespreekbaar

(a) datgene dat zich in ons onbewuste bevindt kan, alle goede intenties en eerlijkheid ten spijt, doorgaans niet besproken worden. (b) soms ontbreken in onze huidige taal en psychologie nog de nodige inzichten om bepaalde belangrijke fenomenen te beschrijven, bv. waarom we iets mooi of aangenaam vinden.

Met de term imponderabilia worden elementen aangeduid die belangrijk zijn, maar moeilijk of (nog) niet helemaal onder woorden kunnen worden gebracht. Sommige mensen voelen deze imponderabilia echter intuïtief aan, zodat zij soms slagen zonder bewust te kunnen verklaren waarom. Hun succes wordt dan soms zelfs aan het toeval toegeschreven. Dit is trouwens frustrerend voor iedereen die bewust tracht te leven, en dus voor de psychologie in het algemeen: psychotherapiepatiënten en cursusdeelnemers, die alle psychologische regels die zij hebben ontdekt en geleerd trouw trachten toe te passen, slagen toch soms nog minder goed dan personen die spontaan handelen, maar die blijkbaar een sterk intuïtief vermogen hebben voor imponderabilia.

4. Men wil soms niet alles bespreken

Sommige zaken zijn te delicaat om in relatie of groep besproken te worden, bv. iemands fouten, iemands inkomen, iemands geheime bijbedoelingen. Integratie veronderstelt daarom dat de relatie of de groep zeer veilig is.

5. Men is niet voldoende creatief of het duurt te lang om een integratie te bedenken

Creativiteit is niet bij velen aanwezig, en daarenboven is het niet steeds op bevel beschikbaar, maar schijnt het af te hangen van een reeks toevallige en oncontroleerbare factoren. Dit wil uiteraard niet zeggen dat enkele creatieve mensen zouden kunnen integreren, maar wel dat, hoe creatief men ook is, men niet steeds op het gewenste moment de goede inval zal kunnen krijgen.

6. Men kon schijnbaar een goede integratie bedenken, maar deze is niet te realiseren

Het kan zijn dat de geïntegreerde conclusie te duur is, te veel inspanningen vergt, te veel voorafgaande leerprocessen, enz. In dit geval is de "integratie" strikt genomen nog niet goed genoeg geweest, want als men geen rekening hield met de prijs, heeft men belangrijke factoren verwaarloosd.

ONDERSTEUNENDE RATIONALISATIES

Integreren is vooral dáár mogelijk, waar men ingezien heeft dat het een essentieel kenmerk is van geestelijke rijpheid, m.a.w. dat men fier mag zijn dat men kan integreren ("Joepie, een meningsverschil!"), veel fierder dan als men erin slaagt zijn wil of mening op te dringen of door te drukken. Onze cultuur is meestal echter nog niet rijp voor deze visie. Nochtans zijn goede relaties of teamwerking slechts mogelijk als deze overtuiging bewust aanwezig is.

OPMERKINGEN

1. Integratie betekent niet per se dat men alles in één activiteit moet synthetiseren. Het kan daarentegen een zeer goede integratie zijn om via verschillende concrete situaties zijn behoeften te vervullen.

Vb. Iemand die musicus wil worden maar dit niet kan, zou zijn verschillende verlangens (componeren, creatief zijn, optreden in publiek, enz.) kunnen realiseren in verschillende andere domeinen zonder echt musicus te worden.


2. Is integratie nodig?

Integratie is in elk geval nuttig. Ze is namelijk de essentie zelf van de groei als mens. Je kan natuurlijk gelukkig zijn zonder te groeien, maar de kans dat er mettertijd complicaties of conflicten ontstaan is zeer groot.


3. Wat als iemand niet meewil, als bv. de partner de communicatie blijft uit de weg gaan? Er is geen tovermiddeltje voor dit probleem: het is een fundamenteel communicatieprobleem. Volgende zaken kunnen echter helpen:

- men moet zich bewust zijn dat men zelf aan de basis kan liggen van het ontstaan of het onderhouden van de zwijghouding van de partner, bv. omdat men bewust of onbewust te bedreigend overkomt o.m. door goedbedoelde maar ongevraagde kritiek te geven, door voortdurend de andere het gevoel te geven tekort te schieten, door veel te weinig waardering uit te stralen, door steeds maar goede redenen te vinden om de bijdragen van de andere af te keuren. - zelfs iemand die zwijgt kan men aanpakken met een empathische houding, door op respectvolle manier de redenen van zijn zwijgen te formuleren (zonder interpretaties). - men mag het zwijgen van de andere zeker niet als voorwendsel gaan gebruiken om zelf te gaan zwijgen (passief-agressieve revanche) - ruziemaken is eigenlijk een poging om te integreren, namelijk het niet willen prijsgeven van die aspecten die men zelf belangrijk vindt. Bij ruziemaken gaat men meestal niet ver genoeg, maar blijft hangen op het stadium van het kenbaar maken van de standpunten (beginfase van het integreren). - anderzijds kan men niet verwachten een optimaal niveau te bereiken in een groep of relatie waar de deelnemers niet "rijp" zijn voor dit soort communicatie.


4. Is integratie haalbaar?

De grootste kritiek op de integratie, als doel en als methode, komt van de zgn. realisten, die volhouden dat integreren geen haalbare kaart is. De mensen zijn er niet rijp voor, de tijd die ervoor nodig is is veelal te kort, de vereiste creativiteit is niet algemeen genoeg aanwezig, enz. Het is dus een soort utopie, waar je in praktijk niet ver mee geraakt. De praktijk, dat zal uiteindelijk toch een vermengeling van keuzes en compromissen worden.

Deze mensen hebben gelijk, even gelijk als zij die beweerden dat een vliegtuig nooit in de lucht zou geraken, dat een metalen schip hoe dan ook zinken zou (je moest maar een sleutel in het water werpen om te zien wat er gebeurt met metaal in water), dat er nooit meer iets mooiers dan Bach en Chopin zou getoondicht worden, dat zo'n schatrijk en machtig bolwerk als het communisme nooit zou vallen, enz. Inderdaad, deze voorspellers hebben gelijk, in de mate dat ze alles wat niet meteen grootschalig en zonder in spanningen kan toegepast worden als utopisch beschouwen. Ze hebben des te meer gelijk, telkens ze vanuit de sterkere situatie reageren die hen toelaat om de zwakkere en de minderheid te verdrukken en om het uitproberen van alternatieven te verbieden of te verhinderen. De kritiek is juist, als men vertrekt vanuit statistische waarnemingen die ondubbelzinnig aantonen dat, zeker voor bewuste en directe integratie, de overgrote meerderheid van de bevolking de kunst van het integreren wellicht nooit zal kunnen beheersen, en dat zelfs zij die wél bewust en direct een integratie nastreven in hun pogingen zeker maar zelden doorstoten tot een probleemloos en duurzaam ideaal.


Zolang je in een sterke positie zit, zolang de creativiteit der anderen je positie niet bedreigt, zolang je je onbevredigde behoeften en mogelijkheden voldoende kan verdringen en/of compenseren, zolang je niet geconfronteerd wordt met het lijden en de ontbering van de slachtoffers van je voorkeur voor keuzes en compromissen, kan je rustig volhouden dat integreren een utopie is.


Maar telkens komt er een moment dat de zaken, die je door gebrek aan integratie mist, toch gaan doorbreken, de verdrongen behoeften en begaafdheden zich gaan wreken, de afgestotenen en genegeerden zich gaan manifesteren, de slimmere concurrenten die wèl geloofden dat het anders kon jouw positie in het gedrang gaan brengen.


Integreren moge misschien een vèraf liggende luxe lijken, het is niet verstandig ze te verwaarlozen, en eigenlijk is het niet ethisch. Al het lijden in de wereld, zowel in de schoot van een mislukte huwelijksrelatie als op politiek en militair wereldniveau, kan verklaard worden door een gebrek aan integratie. Immers, alle middelen zijn vandaag al voorhanden om een mooie mensheid te organiseren. Het ongeloof in de integratie laat de overgrote meerderheid van onze middelen braak liggen.


Er is maar één troost voor hen die op dit ongeloof stuiten: zelfs al geloven sommigen niet in de superioriteit van bewust integreren, de feitelijke, onbewuste integratie, zowel in denken als in menselijk handelen en organiseren, is een onafwendbaar proces, dat spontaan verloopt, ook bij hen die er niet in geloven of er zich niet van bewust zijn. Defeitelijke, onafwendbare integratie binnen de psychologie bv. illustreert dit prachtig (zie elders).


Nochtans zijn er situaties waar integreren niet wenselijk is, bv. omdat de tijd niet voldoende meer is, of omdat de moeite te groot zou zijn, bv. integreren met iemand die de dood nadert, of integraties tussen volwassen wordende kinderen en hun ouders.