2000-2999
Sites per thema:
psy0 algemeen
psy1 systemen
psy2 denken
psy3 brein
psy4 individu
psy50 diagnostiek
psy54 behandeling
psy6 optimaal
psy7 groepen
psy8 suboptimaal
psy9 optimaal

2401 Spiritualiteiten

SPIRITUALITEITEN
Marc B, 2008

Vooraleer ik een bepaling van spiritualiteit geef, wil ik enkele inleidende verkenningsronden maken.


INLEIDING


1) Perceptuele kennis


In alle culturen, filosofieën, religies… komen ‘koans’ voor. In onze cultuur zijn er de bekende koan-achtige vragen: ‘Wat is de zin van het leven?’, ‘Bestaat God?’, ‘Wat is de werkelijke werkelijkheid?’, ‘Wie ben ik?’, …

Een koan is een uitspraak of raadsel, dat in het Zen-boeddhisme tot doel heeft de leerling te verwarren, door het denken met een zodanige paradox te confronteren, dat het denken op de achtergrond treedt ten opzichte van de directe waarneming/beleving. De zo te bereiken continue directe waarneming, zonder (voor)oordelen, wordt in het boeddhisme verlichting genoemd. Het gaat bij een koan niet zozeer om het oplossen van het raadsel, maar om het inzicht in het belang van de paradox, zowel de specifieke paradox van de koan zelf, als het bestaan van paradoxen op zich. Een koan kan dus enerzijds een vraag zijn, die het begrip van een student in de Zen op de proef stelt. Tevens kan een koan een uitspraak zijn van een Zen meester, of een antwoord op een vraag aan hem gesteld [bv. Wat is het geluid van één klappende hand.] (naar Wikipedia)

De antwoorden op deze vragen proberen we dan met ons denken op te lossen. Logisch en causaal redenerend. Maar dan zijn deze antwoorden altijd fout, want altijd ‘onaf’. De leermeester in het Boeddhisme stuurt zijn leerling dan terug: “opnieuw, want je hebt het niet begrepen”. Waarom? Omdat deze antwoorden steunen op ‘conceptueel denken’, terwijl koans beroep doen op ‘perceptueel denken’.

Conceptuele kennis is die kennis waarmee we de werkelijkheid omschrijven. Hiervoor gebruiken we taal. We ‘begrijpen’ aspecten van de werkelijkheid en vatten ze in ‘begrippen’. Deze kennis is overdraagbaar aan anderen.

Perceptuele kennis is die kennis die we van de werkelijkheid hebben doordat we vertrouwd zijn met iets of ermee bekend zijn doordat we het zelf beleefd hebben. Deze kennis is niet-conceptueel en dus niet afhankelijk van de taal. Een man kan bv. nooit perceptueel weten wat en hoe het is om een kind te baren. Een moeder ‘weet’ dat wel. Maar als ze erover spreekt schieten woorden tekort. Een andere moeder ‘weet’ wel waarover ze spreekt, maar ‘au fond’ kunnen haar woorden de ervaring niet vervangen of overbrengen. We kunnen er boeken over schrijven en lezen: allemaal conceptuele kennis. Maar met nog geen honderd boeken kan je de beleving van de barenspijn en de erop volgende intense vreugde van binnenuit ‘verstaan’ of voelen.

Ook onze waarneming is veel meer perceptueel dan conceptueel. Een voorbeeld: we kunnen honderden mensen herkennen van gezicht (perceptuele kennis), maar we zijn niet in staat (vanwege de beperktheid van onze concepten en onze taal) om honderden verschillende beschrijvingen van deze gezichten te geven.

Met een koan wil men ons in de werkelijkheid plaatsen zonder dat we de werkelijkheid reduceren tot hetgeen wij er met rationeel denken over kunnen theoretiseren. Een koan vraagt naar een besef, een intuïtie, een beleven van de werkelijkheid. Een koan oefent dus ons perceptueel kennen. (cf. esoterische kennis)


2) Caleidoscoop van spiritualiteiten


Spiritualiteit is een verzamelwoord voor talloze opvattingen over de hele werkelijkheid. Net als het woord God. Deze verzamelwoorden zijn evenwel ‘vervuild’: ze verpakken zovele, zelfs tegenstrijdige inhouden. Als alles spiritualiteit is, dan wordt dat woord bijna niets-zeggend.

Binnen het religieuze denken in de Kerk omschrijft men spiritualiteit als het ‘verwerkelijken van een aspect uit het leven van Jezus’. Een franciscaanse levenshouding bijvoorbeeld focust zich op Jezus’ onthechting en maakt ze tot centrale levensoptie. Armoede is dan ook het centrale woord in de franciscaanse spiritualiteit, zoals ‘prediken’ het centrale woord is in de dominicaanse spiritualiteit. Of ‘voorkeurliefde voor de zwaksten in onze samenleving’ de spiritualiteit van de Broeders van Liefde samenbalt.

Maar Redfield met zijn ‘Celestijnse belofte’ claimt ook het begrip spiritualiteit. Als je het woord spiritualiteit intikt in het zoekprogramma Google, dan krijg je in het Nederlands 488.000 hits. Aurahealing, oorkaarsen, bioritme, eenheidsbewustzijn, droomuitleg, ‘open mind’, wichelroedelopen, lachmeditatie, Stonehenge, Reiki, astrale entiteiten, soefisme, Rozenkruisers, Etty Hillesum, de flower power, milieubewegingen, … elke levensvisie, elke religie, elke godsdienst, … het valt blijkbaar allemaal onder de rubriek ‘spiritualiteit’.

Deze caleidoscoop van ‘spiritualiteiten’ roept vragen op: Verwart men niet te vlug spiritualiteit met mogelijke neveneffecten ervan (zoals vermogens, het paranormale, … waarbij men streeft naar ‘beheersing’ en zichzelf zoekt)? Waar vind je een norm om ‘valse spiritualiteit’ te onderscheiden van ‘echte spiritualiteit’? Is er evolutie mogelijk binnen een spiritualiteit of in de mens die spiritueel wil leven? Is het mogelijk dat er mensen bestaan zonder enige vorm van spiritualiteit in hun leven?


3) Zelfbewustzijn en spiritualiteit


Wat is bewustzijn?


We kunnen spreken van ‘primitief bewustzijn’ en van (menselijk) bewustzijn. Het primitief bewustzijn hebben mensen gemeen met de zoogdieren. Het is het bewust zijn (weet/besef hebben) van dingen die direct nodig zijn om in leven te blijven en bewust zijn van de manieren waarop ‘pleziertjes’ worden gevonden en gerealiseerd. De instincten en de reflexen zijn door de band de opslagplaats van dit bewustzijn. Deze kennis wordt ook fylogenetische kennis genoemd. Heeft een dier dan geen (menselijk) bewustzijn? Eerder uitzonderlijk. Een dier heeft wel leervermogen, maar grof gesproken kunnen we stellen dat een dier genoeg heeft aan zichzelf. De wereld van het dier is gesloten.

Het (menselijk) bewustzijn overschrijdt dit primitief bewustzijn. Het voegt er iets aan toe. De mens (en sommige dieren in beperkte mate) kan namelijk gebruik maken van talige begrippen (concepten) om de werkelijkheid rondom zich te representeren in zijn denken. De opslagplaats van deze begrippen is het geheugen. Maar de mens kan met zijn bewustzijn méér dan alleen maar de werkelijkheid representeren: hij (zij) kan mentale bewerkingen maken met deze begrippen buiten de werkelijkheid om. In fantasie, in stapsgewijs redeneren, in deduceren… Hij kan zelfs dingen beredeneren die in de werkelijkheid niet bestaan, bv. berekeningen uitvoeren met ‘complexe’ getallen, waarbij ‘i-kwadraat’ gelijk is aan -1. Door zijn bewustzijn kan hoeft de mens dus niet altijd te experimenteren in de werkelijkheid, of alles zelf meegemaakt hebben, om kennis van iets te hebben.

De wereld van de mens is door zijn bewustzijn open. De mens heeft niet genoeg aan zichzelf. De mens is intentioneel betrokken op de werkelijkheid rondom zich. Hierdoor ontwikkelt hij levensvisies, moraal, samenlevingsafspraken, werktuigen. Hierdoor deelt hij tijd en ruimte in. Hierdoor verwerft hij encyclopedische kennis en kan hij rubriceren, catalogiseren, combineren, interpreteren,


Wat is zelfbewustzijn?


Het zelfbewustzijn is de hoogste functies van het menselijk bewustzijn. Het is jezelf als een onderscheiden ‘ik’ zien. Het is jezelf als onderwerp van je denken kunnen nemen. Het is jezelf als een zelfstandig wezen bezig zien in een bepaalde tijd-ruimtelijke context.

Als je immers openstaat op de werkelijkheid buiten jezelf, kan je je inleven in de andere. Dan kan je het perspectief van de ander innemen. Dan kan je jezelf zien functioneren. Je kan boos worden. Je kan je ergeren omdat je om iets futiels zo boos kan worden. Je kan je dan verwonderen over het feit dat je je kan ergeren over je boosheid. Met andere woorden: de mens kan vanuit een meta-positie naar zichzelf kijken. Het is alsof je nog een oog hebt ergens boven op een podium achter je dat naar jezelf kijkt en je je positie influistert. Daardoor heeft de mens ‘weet’ van zijn positie in de werkelijkheid en kan hij, op het moment zelf, zijn positie bijsturen. Hij kan daardoor op het moment innerlijk de keuze maken om bv. te doen alsof. Bovendien weet hij ook dat hij (iets) weet, hij ziet dat hij (iets) ziet, … De mens kan zichzelf vergelijken met anderen.

De effecten van het zelfbewustzijn (het kunnen innemen van die meta-positie) is dat de mens, als enig wezen, schaamte en schuldgevoel kan ervaren, en fierheid, generositeit, wroeging, verontwaardiging… Heel wat ethische gevoelens en houdingen komen hieruit voort. Maar meer dan dat: de mens kan hierdoor relativerend denken, hij kan zichzelf plaatsen op de tijdsas van verleden-heden-toekomst. Ook het besef van absurditeit is een van de effecten van het zelfbewustzijn. Zonder zelfbewustzijn heeft de mens geen onrustigmakend gevoel dat hij onwaardig, onnuttig en zinloos leeft.

Ook de spiritualiteit is een effect van het zelfbewustzijn. De spiritualiteit is het vermogen van de zelfbewuste mens om te antwoorden op het besef van absurditeit. Het is zien dat er meer is in de werkelijkheid dan wat we aan de oppervlakte zien, horen, voelen, ruiken… dat de werkelijkheid meer is dan wij met ons verstand over die werkelijkheid kunnen vatten. Door het zelfbewustzijn voelen we aan, benoemen we voor onszelf dat wij ons leven niet zelf maken, maar dat het leven ons ontglipt, dat er in ons, door ons, ondanks ons ‘iets’ ons doet leven. Het leven overkomt ons (elke vorm van nieuw leven, nieuwe kans, nieuwe hoop). Het lijden overkomt ons (elke vorm van dood, verbittering, onmacht, rechteloosheid). De liefde overkomt ons (elke vorm van genegenheid, vriendschap, verliefdheid, groei in relaties, onvoorwaardelijke trouw). Al deze dingen hebben wij niet in de greep, zijn nauwelijks te manipuleren. We begrijpen dit dus nauwelijks, maar ze stemmen de mens tot verwondering, dankbaarheid, inkeer, loyauteit, maar leiden ook wel tot dofheid, onmacht en de grote schreeuw ‘waarom’, ‘waarom ik’?.

Door ons zelfbewustzijn kunnen we ons in een meta-positie plaatsen en zo kunnen we eigenlijk zien dat er een Mysterie achter, in, overheen de banale werkelijkheid schuilgaat. Dit Mysterie kunnen we niet conceptueel kennen, wel perceptueel. Al zijn velen het niet gewoon om het te zien, maar álle mensen beleven dit Mysterie, deze Werkelijkheid, deze Kosmos, deze Geest. Meermaals dus onbewust. Maar wie door anderen geprikkeld wordt en daardoor zichzelf hiertoe bewust openstelt (en daarvoor moeten tegenwoordig heel wat ‘moderne’ mensen hun wetenschappelijk fundamentalisme – alleen wat ik empirisch kan toetsen is de moeite van het onderzoek waard – durven overstijgen) kan expliciet spiritueel leven: hij besteedt op een overwogen wijze momenten van ‘denken, voelen en doen’ aan de werkelijkheid die achter het alledaagse ligt en die het alledaagse eigenlijk draagt. Hierdoor wordt deze mens omgevormd. Hij gaat anders gaan leven: milder, vuriger, onthechter, wijzer, helderder van geest, grootmoediger, fijngevoeliger, … in de richting van het ‘tertiaire’. Deze omvorming is een levenslang proces van groeien en integreren.


4) ‘God’ of spiritualiteit


In de westerse filosofie heeft men de werkelijkheid altijd vanuit drie invalshoeken benadert. Ofwel focuste men zich op de natuur en de kosmos (wereldbeeld), of op de mens (mensbeeld), of op God (godsbeeld). Deze drie aspecten beïnvloeden elkaar natuurlijk: als je bv. een platte-aarde-wereldbeeld hebt, dan zeg je ook iets over je visie op de mens en op God. Als je gelooft in het creationisme (bijbelse verhaal van de schepping in zes dagen) dan is het wereldbeeld en het godsbeeld daardoor beïnvloed. Zo is het godsbeeld ook bepalend voor het mensbeeld en het wereldbeeld dat je hanteert. Wie gelooft in een God-oude-man-met-een-baard die alle ‘voorzien’ heeft of in een God-de-Onbewogen-Beweger of in een ersoonlijke God, die Liefde is, dan zal dat ook veelzeggend zijn over het mensbeeld en het wereldbeeld van elk van deze personen.

We merken nu dat in het westerse denken in de 15de tot 17de eeuw het wereldbeeld een ‘moderne inkleuring gekregen heeft (met als orgelpunt de relativiteitstheorie en de kwantumfysica in de 20ste eeuw). Men noemt dit de ‘secularisatie’: het wereld worden van de wereld.

In de 18de-19de heeft zich een humaniseringsproces voltrokken. Er ontstonden menswetenschappen: geschiedenis, sociologie, psychologie, … Dit ‘mens-worden-van-de-mens’ had zijn consequenties in het filosoferen over de (ethische) verantwoordelijkheid en vrijheid van de mens.

Tijdens deze vier, vijf eeuwen is het op de bijbel gebaseerde godsbeeld sterk onder druk komen staan. Maar pas toen in de tweede helft van de 20ste de Kerk haar greep op het denken en het leven van de gewone mens begon te verliezen konden oosterse en andere alternatieve zingevingsystemen voet aan de grond krijgen. En het begrip spiritualiteit ging een weg van het ‘religieuze’ leven naar de gewone mens. Dit is eigenlijk een goede zaak. Daardoor kwam er ruimte om zoals L. Apostel te spreken van ‘Atheïstische spiritualiteit’.

Als wij vandaag de dag over de werkelijkheid spreken is het oude drieluik ‘wereldbeeld-mensbeeld-godsbeeld’ vervangen door een nieuw drieluik: ‘kosmologie – mensbeeld – spiritualiteit’. Voor de theïsten en deïsten blijft hier de mogelijkheid om het begrip spiritualiteit nog steeds te reduceren tot een persoonlijk of onpersoonlijk ‘godsbeeld’).

Het begrip ‘spiritualiteit’ is dus een ruimer begrip dan ‘God’. Dat is een goede zaak. Het grote gevaar is evenwel dat men opvattingen en gedrag via ‘de markt van spiritualiteiten’ langs de achterdeur terug binnenhaalt, die men met kritische rationaliteit ten aanzien van het magisch en mythisch ingekleurde begrip ‘God’ langs de voordeur buitengegooid heeft.


BEPALING VAN SPIRITUALITEIT


Wij hanteren een reeks abstracte begrippen, zoals rationaliteit, universaliteit, religiositeit, spontaneïteit, pluraliteit, … In deze rij past ook het woord ‘spiritualiteit’.

Zoals rationaliteit (en respectievelijk elk van die andere begrippen) aangeeft dat de mens zichzelf profileert als rationeel denkend en dat hij op die wijze de werkelijkheid wil benaderen, zo is spiritualiteit het gericht zijn van de mens op het spirituele.

Dit omvat altijd een dubbele beweging. [Met de woorden van Ruusbroec: inkeer en uitkeer.] Dit wil zeggen dat je enerzijds je denken, je voelen en verlangen, je aandriften, inperkt tot het spirituele en dat je anderzijds en vaak gelijktijdig de werkelijkheid buiten je, je context, benadert vanuit de focus van het spirituele. Het is dus een naar binnen gekeerde, innerlijke scherpstelling of toegespitste aandacht (je op bepaalde momenten niet laten afleiden door economische en andere beslommeringen). En tegelijk bekijk je de werkelijkheid door de bril van het spirituele. Hierdoor ervaar je die werkelijkheid als méér dan de oppervlakkige en banale actualiteit. Hoe ‘spiritueler’ je leeft, hoe meer je levensdomeinen uitbloeien vanuit die spirituele focus.

Laat me dan een hedendaagse definitie formuleren.

Spiritueel functioneren omvat diverse aspecten die in de volgende omschrijving opgenomen zijn. Ik onderscheid vier dimensies:

1: Je steeds weer bewust worden van je deelname aan de ontplooiing van de Kosmos [of de werkelijke Werkelijkheid] en daar je belangen en emoties op afstemmen …

2: …om zoveel mogelijk ruimte te scheppen in een dynamisch en creatief elan …

3: …waardoor de Kosmos (en je zelf als deel van de Kosmos) omgevormd en gerealiseerd wordt en evolueert …

4: … en dit in groeiende harmonie en verbondenheid met de Kosmos en met al je ‘rollen’ (je job, de relaties, je lidmaatschappen, je dagdagelijks bezig zijn, je diverse maatschappelijke posities, je bijzondere momenten van aanwezigheid, …); dit is de integratie in en met jezelf èn de integratie met het niet-jezelf.

In je spiritualiteit kom je dus altijd de Werkelijkheid tegen, èn kom je jezelf tegen. Op alle niveaus. Deze vier dimensies hoeden de spirituele mens voor egotripperij en voor een beheersingsdenken omwille van zichzelf.

Daartoe wil ik een aantal bijzondere aspecten aangeven van een hedendaagse vormgeving van spiritualiteit.


VOORWAARDEN of basishoudingen voor een hedendaags spiritueel leven


A. Formele voorwaarden


De eerste twee voorwaarden zijn op elkaar betrokken en kunnen niet afzonderlijk voorkomen:

1. wetenschappelijke plausibiliteit: wie vandaag de dag spiritueel wil leven, kan de verworvenheden van de wetenschappen niet zomaar negeren. Een gezonde kritische reflex en degelijke kennis van de stand van zaken in de wetenschappen zijn onontbeerlijk. Een spiritualiteit promoten, waarbij het creationisme als uitgangspunt genomen wordt is eigenlijk ‘valse’ spiritualiteit. Gezonde spiritualiteit moet de wetenschappelijke kritiek kunnen doorstaan.

2. ‘open mind’:

a. inclusiviteit: niets wordt bij voorbaat weggelachen of weggehoond. Ook niet wat naar ‘valse’ spiritualiteit neigt. Toch wil dit niet zeggen dat magisch of mythisch denkende mensen kunnen blijven doordrammen omdat zij die respecthouding niet innemen.

b. ontvankelijkheid voor het Mysterie (of het Leven, de Kosmos, de Werkelijkheid, …): zien / beleven dat het leven meer/anders is dan het louter sensibele en rationele

c. wakkerheid (of alertheid): hedendaagse spiritualiteit is het tegendeel van het ‘in-slaap-gewiegd-zijn’ en de te gemakkelijke terugplooiing in het eigen cocon. Wat er in de kosmos gebeurt wordt opgenomen, waarbij men streeft naar luciditeit.

3. evolutionair bewustzijn: hedendaags spiritueel leven maakt niet alles gelijk. Met planten ga je bv. anders om dan met dieren en weer anders dan met mensen. Alles groeit en evolueert. Ook het spiritueel leven is een dynamisch proces. Hedendaagse spiritualiteit staat open voor de groei en de evolutie van de werkelijkheid èn voor de persoonlijke spirituele groei (via spirituele stadia). Er is dus in elke groep ook altijd een ongelijktijdige gelijktijdigheid (niet iedereen evolueert even vlug).

4. intentionaliteit: wie authentiek spiritueel wil leven kan niet anders dan betrokken zijn op de buitenwereld en streeft ernaar ‘meer leven’ te realiseren. De werkelijkheid laat hem/haar niet onverschillig.

5. bezonnenheid: spiritueel leven kan moeilijk zonder geregelde inkeer, stilte (of innerlijkheid en een cultuur om de perceptuele kennis te vergroten [muziek, kunst, …]), maar tevens moet het spirituele leven gevoed worden van buitenaf (studie, lectuur, samenspraak om de conceptuele kennis te vergroten, …) opdat het spirituele gecommuniceerd kan worden.


B. Inhoudelijk


De spiritueel levende mens wordt omgevormd en krijgt geleidelijk aan een andere verhouding tot zichzelf en tot de wereld. Het materiële, het relationele, het economische, het emotionele, … krijgt een andere waardering. Het is een verschuiving van ‘je laten leven’ (door commerce en reclame, door agenda en media…) naar ‘zelf leven’, vanuit een innerlijke aandrift (en overvloed). Hier wil ik enkele accenten aangeven die later nog uit te werken zijn: Wie hedendaags spiritueel is inhoudelijk met hetzelfde bezig als een ander maar hij/zij legt accenten en geeft voorkeuren aan:

- het kwalitatieve gaat voor op het kwantitatieve

- eerder creatief dan reproductief

- eerder stimulerend dan behoudend

- meer verbindend dat scheidend

- eerder onderhandelend en sociocratief dan afdwingend met macht, …

- de innerlijke bewogenheid gaat voor op berekening

- eigen beleving (esoterie) gaat voor op het volgen van een goeroe of gids of dogma, lectuur (esoterie)

- con-vivialiteit (wereldwijde integratie) gaat voor op egocentrisme en sociocentrisme

- persoonlijk aangevoelde verantwoordelijkheid gaat voor op externe sturing

- …

Zijn dit ook niet een aantal van de kenmerken van een tertiaire ingesteldheid?

Deze voorkeursopties, als gevolg van een spirituele levensvisie en levensstijl, worden zichtbaar in de structurering van het leven: het handelen wordt door doortrokken van de spiritualiteit. Ik geef hier enkele kenmerken aan:

1. bewust van de eigen verantwoordelijkheid ook handelen, al draagt iets geen eer, al wordt het niet gezien en wordt er geen rekenschap van gevraagd;

2. bewust plannen van meditatieve momenten, als een soort ‘behoefte’ om de druk van het leven stil te leggen, om bij jezelf thuis te komen;

3. actief omgaan met routine-momenten waaruit een zoekend-beleven ontstaat van rituelen;

4. zo handelen dat elk moment bewust zinvol is, alsof je dit nog eeuwig (Nietzsche) zo zou willen herdoen.

5. liefde beleven die de ander tot extase brengt (= vorm van grootmoedigheid);

6. zo omgaan met hypocrisie van de ander dat de ander ook zelf in zijn meta-positie naar zichzelf kan kijken en kan groeien;

7. …