4000-4999
Sites per thema:
psy0 algemeen
psy1 systemen
psy2 denken
psy3 brein
psy4 individu
psy50 diagnostiek
psy54 behandeling
psy6 optimaal
psy7 groepen
psy8 suboptimaal
psy9 optimaal

4100 Inhoud van de geest


DE INHOUD VAN DE GEEST

INLEIDING

Het eerste belang van dit hoofdstuk is: het duidelijk leren omgaan met de fundamentele begrippen van de psychologie. Inderdaad, veel van deze begrippen worden in de dagelijkse omgangstaal in een te vage betekenis gebruikt, waardoor vaak misverstanden optreden en oeverloze disputen, die snel opgelost zouden zijn als men de gebruikte termen eerst duidelijker definieerde.

Het tweede belang is: de basismechanismen van de gedachtengang leren kennen, wat ons moet toelaten om later de denk-, gevoels- en gedragsprocessen beter te begrijpen, alsook de principes van onze activiteit als groei-inductor.

Opmerking: in vele gesprekken en zelfs in niet-psychologische publicaties waar men de psychologie zijdelings aanraakt, is het nog steeds een beetje de mode om de psychologie te zien als een subjectieve, weinig gedefinieerde en daardoor weinig bruikbare wetenschap. De meeste stellingen en verklaringen worden wel eens tegengesproken door andere, even gezaghebbende bronnen. Deze opvatting over de psychologie noemt men de mythe van de onbruikbare psychologie. Deze mythe is zeer belangrijk als rationalisatie voor elkeen die zijn eigen relatieve falen wil goedpraten, en in elk geval niet gemotiveerd is om professionele hulp te zoeken voor zijn gebrekkig relationeel en psychologisch functioneren. Deze tegenstrijdigheden zijn echter meestal maar schijn, en bestaan bijna niet in de ogen van wie de psychologie integratief benadert, en dus overal iets waardevols probeert te ontdekken.

1. BEPALING (MENSELIJKE) GEEST

De menselijke geest of psyche kan gezien worden als de software van de hersenen. Inderdaad, op vele punten gaat de vergelijking op: het is een geheel van informatieverwerking, om van waarnemingen (input) tot beslissingen (output) te komen. Het programma is het geheel van associaties die de gedachtengang tussen input en output bepaalt. Het gehele leven door is er een voortdurende aanpassing van dit "programma", op basis van de opgedane levenservaringen.

Therapie, consultancy, m.a.w. groei-inductie is een poging om dit programma op belangrijke punten bij te sturen.

Opmerkingen: 1. Een oudere opvatting, die heden soms nog in religieuze en alternatieve middens opgeld maakt, is de animistische opvatting, die ervan uitgaat dat de klomp vlees, die de hersenen maar zijn, onmogelijk de zetel kan zijn van zulke verfijnde, esthetische, morele en creatieve fenomenen als de activiteiten van de menselijke geest. Er wordt hierbij dan een ziel (anima) verondersteld, waar de echte geestelijke processen plaatsvinden. De hersenen zijn niet meer dan een ontvangstation van deze geestelijke golven, zoals een televisietoestel de beelden die het toont niet zelf ontwikkelt, maar slechts ontvangt. Deze opvatting berust op een oneerbiedige onderschatting van de mogelijkheden van complex zenuwweefsel. Deze onderschatting is sinds de spectaculaire ontwikkeling van computers wel afgenomen. Anderzijds brengt deze animistische hypothese geen verklaring, maar slechts een verschuiving van het probleem, want dan moet er ook nog uitgelegd worden hoe deze processen in de ziel tot stand komen. En dan komen we uiteindelijk weer op hetzelfde verhaal terecht. 2. Het volledig situeren van de intellectuele, emotionele en psychische processen in de hersenen doet geen uitspraak over het al dan niet bestaan van buitenzinnelijke en bovennatuurlijke fenomenen als telepathie, intuïtie, leven na de dood, enz. Het is alleen het standpunt dat deze fenomenen wellicht ook uitgelegd kunnen worden met een cerebrale geest, en dat er vooralsnog geen nood is aan, en geen argumenten voor het bestaan van een animistische hypothese.

OMSCHRIJVING

Nochtans gaat de vergelijking met een computer op verschillende punten niet op.

(1). Vooreerst is er een kwantitatief verschil. Zelfs de meest complexe computer heden ten dage is wellicht nog vele malen kleiner dan een hersenstel, waar er ongeveer 13 miljard zenuwcellen zijn, die in de hersencortex gemiddeld 80.000 verbindingen hebben per cel met andere cellen.

(2). Een computer houdt zich rustig, totdat hij een bevel krijgt. Dan voert hij dit uit, en "valt" dan weer "stil". De hersenen daarentegen zijn steeds actief, in de zin dat ze van bij de geboorte met een opdracht bezig zijn (het onderhouden en beschermen van het eigen lichaam, en het opzoeken van steeds gelukkiger situaties). Deze hersenactiviteit kan ook nooit crashen zoals een computer doet die vaak een programma stopt met een foutmelding, en dan stilstaat. Hersenen werken steeds door. Lukt het ene denkspoor niet, dan wordt er een ander uitgeprobeerd.

Men zou dus kunnen zeggen dat een computer enkel reageert op instructies, en stilvalt als deze zijn uitgevoerd, terwijl een levend wezen een reeks ingebouwde doelstellingen heeft (o.a. proberen gelukkig worden), en ook zonder instructies steeds actief is, op zoek naar het realiseren van deze doelstellingen.

(3). Daarenboven neemt een computer alle informatie aan die binnengebracht wordt, terwijl de hersenen informatie filteren, d.w.z. alleen die informatie weerhouden die nuttig schijnt te zijn voor het nagestreefde doel, nl. het geluk.

(4) Het vierde en wellicht belangrijkste verschil, is dat wij over een bewuste ik, een zelf, beschikken. Hoewel we allen weten wat dat is, is het moeilijk te omschrijven. De eenvoudigste omschrijving van bewustzijn is: het beschikken over een inwendig beeld van de uitwendige werkelijkheid. Dit is geen kwestie van alles of niets: ook een insect heeft een beperkt beeld van de uitwendige werkelijkheid, en zelfs de intelligentste mens beschikt niet over een volledig beeld van deze werkelijkheid. Het is dus iets dat progressief toeneemt in de loop van de evolutie der levende wezens. Ook een computer beschikt over een zeker bewustzijn, in de zin dat er een zekere inwendig beeld is van de uitwendige werkelijkheid.

(5). Daarbij komt nog dat de meest complexe computer of het meest complexe programma nog steeds enkel deductief, d.w.z. logisch en exact kan denken, terwijl de hersenen de enige vormen van intelligentie zijn die inductief kunnen denken. Daarenboven denken levende wezens associatief, d.w.z. niet noodzakelijk logisch. We komen er verder op terug.

Dit bewuste beeld van de uitwendige werkelijkheid, de kennis, bestaat dus ruwweg ingedeeld uit drie elementen:

1. de directe waarnemingen. Dit is als het ware de fotografische kennis van de werkelijkheid, zoals die in de loop van het leven progressief wordt opgebouwd, door ervaring.

2. de veronderstellingen. We kennen veel over de werkelijkheid zonder dat we dit ooit direct hebben waargenomen. Deze reeks inzichten wordt op twee manieren opgebouwd:

a. door reconstructies van de werkelijkheid, op basis van allerlei associaties met aanverwante kennisgebieden. Dit zijn dus interpretaties.

b. door beschrijvingen van de werkelijkheid door anderen, overgebracht via taal of andere informatiedragers, zoals visuele. Zelfs ervaringen met virtual reality zijn niet dezelfde als realistische ervaringen.

3. de verwachtingen. Dit zijn inzichten in de werkelijkheid van zaken die nog niet bestaan, maar die we door allerlei denkprocessen vermoeden. Dit omvat dus de nog niet gerealiseerde mogelijkheden, zowel van de werkelijkheid buiten ons, als van onze eigen mogelijkheden die nog moeten gerealiseerd worden. Creativiteit is de mate waarin we realistische verwachtingen kunnen construeren.

a. vooreerst de vooruitzichten

b. dan de creativiteit

OPMERKING

Het is belangrijk te beseffen dat, voor de hersenen, er geen verschil is tussen veronderstellingen van bestaande maar nog niet waargenomen zaken, en verwachtingen over nog te realiseren zaken. De menselijk hersenen kunnen dus, meer dan de huidige computers en de dierenhersenen, zich stukken werkelijkheid inbeelden die niet direct waargenomen zijn.

Dit ontwikkelen van nieuwe beelden gebeurt door a. vanuit de direct waargenomen kennis algemene regels af te leiden. Dit noemt men inductie: van concreet naar abstract. COMPUTER KAN DIT NIET b. op basis van algemene regels nieuwe concrete situaties te recombineren. Dit heet deductie. DE MENS KAN NIET LOGISCH DENKEN

TOEPASSING

Om te illustreren hoe moeilijk het is voor een mens om zuiver logisch, d.w.z. deductief te denken, volgend probleem. Er wordt een kort verhaal gegeven. Gelieve dit aandachtig, desnoods meerdere keren te lezen. Daarna volgen een paar gevolgtrekkingen. Bij elk daarvan moet u aangeven of ze -vanuit de gegevens van het verhaal- juist (J) of onjuist (O) zijn, ofwel niet kunnen beoordeeld worden bij gebrek aan informatie (?).

Vervolgens deze antwoorden bespreken met uw buurman. U zal merken dat vele oordelen, hoe eenvoudig het probleem ook lijkt, volledig verschillend zijn.

VERHAAL

Een zakenman had zojuist de lichten van de winkel uitgedaan toen er een man verscheen die om geld vroeg. De eigenaar opende de kassa. De inhoud van de kassa werd bij elkaar gegraaid en de man rende weg. Een politieman werd onmiddellijk in kennis gesteld.

GEVOLGTREKKINGEN

1. Een man verscheen nadat de eigenaar de lichten van zijn winkel uitgedaan had.

2. Niemand vroeg om geld.

3. De man die de kassa opende was een zakenman.

4. De eigenaar graaide de inhoud van de kassa bijeen en rende weg.

5. Alhoewel de kassa geld bevatte, laat het verhaal niet weten om hoeveel geld het ging.

6. De dief vroeg om geld van de eigenaar.

Het antwoord staat op de laatste bladzijde van dit hoofdstuk.

HET ZELF, HET IK

Een bewustzijn is nog geen Ik. Een Zelf of een IK is een bewustzijn dat een zekere individualiteit bezit, d.w.z. 

1. zichzelf ziet als een functionele eenheid, los van de andere bewuste wezens (samenhang in de ruimte) 

2. een zekere continuïteit bezit in de herinneringen (samenhang in de tijd: het verleden) 

3. een reeks doelstellingen voor zichzelf tracht te realiseren (samenhang in de tijd: de toekomst).

GEDRAG EN BEWUSTZIJN

Niet alle gedrag (output) is bewust, dus ontstaan via een bewuste gedachtengang tussen input en output.

Er zijn daarenboven aangeboren gedragspatronen, en aangeleerde gedragspatronen, dus waarover niet meer nagedacht wordt.

2. DE INHOUD VAN DE GEEST

BEPALING GEDACHTEN

Binnen de psyche circuleren voortdurend allerlei "beelden" of GEDACHTEN, die wij duidelijk of vaag waarnemen met onze "verbeelding". Daar men nog nooit een plaats in de hersenen heeft gevonden waar kwetsuur in staat zou zijn de "verbeelding" uit te schakelen, denkt men dat er geen gelokaliseerde verbeelding is, maar dat een beeld gewoon de elektrochemische "activatie" is van een "herinnering", die door talrijke "ASSOCIATIES" verbonden is met andere herinneringen. Elk geactiveerd beeld roept in principe talloze andere beelden op, maar telkens wordt een SELECTIE gemaakt, zodat de "activatieketen" slechts langs één enkele weg verdergaat, en zodat wij uiteindelijk slechts aan één enkele zaak tegelijkertijd kunnen denken. Deze selectie gebeurt aan de hand van enkele criteria, zoals: (1) gelukswaarde van het beeld (2) sterkte van het impuls (de beelden van buiten zijn veel sterker dan de beelden van binnen, zodat we ons niet gemakkelijk kunnen concentreren op onze gedachten, als er veel informatie van buiten komt) (3) frequentie van de associatie (een gedachtengang of associatieweg die herhaaldelijk gevolgd wordt, verloopt op de duur automatisch), en (4) het doel of de oplossing die we op dat bepaalde ogenblik willen bereiken.

NIVEAU VAN BEWUSTZIJN

De inhoud van onze geest is niet steeds van hetzelfde bewustzijnsgehalte. In de psychologie wordt onderscheid gemaakt tussen bewustzijn en bewustheid.

1. Bewustzijn

Bewustzijn is de mate waarin iets van de buitenwereld tot ons doordringt Dit kan zuiver neurologisch bekeken worden, d.w.z. elementair, psychisch of wijsgerig.

(1) In de neurologie noemt men bewust die werkingstoestand van de hersenen, waarbij de informatie vlot naar binnen komt, en de bevelen vlot uitgevoerd worden. Onbewust of bewusteloos zijn situaties, waarbij deze doorgang is verbroken: coma, slaap.

(2) In de neuropsychologie tenslotte noemt men bewust alles wat zich afspeelt in de hersenschors, en onbewust alles wat op lagere niveaus gebeurt: basale kernen, cerebellum, enz. Dus wat we doen na erover nagedacht te hebben is bewust, onbewust al datgene wat we doen zonder erover na te denken.

(3) Wijsgerig betekent bewust: beseffen wat onze taak en functie is in het leven, de wereld en het heelal, en anderzijds ook bewust zijn van wat het impact is van ons gedrag. Men spreekt ook van een bewustzijnsveld.

Bij primitief bewustzijn (hetzelfde niveau als een dier) zijn we ons alleen bewust van de dingen die direct nodig zijn om ons in leven te houden, en van de manieren waarop wij pleziertjes kunnen vinden in het leven. Het leven van dergelijke mensen is realistisch in de platvloerse betekenis van het woord. Soms komt de ook over als materialistisch, egoïstisch.

Mensen die slimmer zijn zien mogelijkheden die anderen niet zien, en zijn zich meer bewust van hun mogelijkheden. Ze slagen er dan ook in de anderen voorbij te steken in carrière, materiële rijkdom, enz.

Dan zijn er dezen die het geheel beter beseffen. Dit kan op ene negatieve manier zijn, waardoor ze in verzet gaan, en de verbetering van de wereld vooral zien als het bestrijden van wantoestanden en schuldigen. Dit kan ook op een positieve manier zijn, waardoor ze een maximale verantwoordelijkheid zien voor zichzelf, en de vooruitgang vooral zien als het tot stand brengen van nieuwe inzichten en zaken die tot stand moeten gebracht worden.

Het Boeddhisme tracht het neurotische ik, waarbij men negatief denkt en alleen een simplistisch eigenbeeld of zelf heeft, los te laten (desidentificatie) en te vervangen door een waarachtiger ik (re-indentificatie) waarbij men zich meer bewust is van de sluimerende mogelijkheden en van zijn ware functie in het heelal. Mediteren is hun weg daarnaartoe, maar studie en bewustworden van de werkelijke toestand van kosmos en de zin van het leven is daar ook weg naar toe. Kunst en surreële ervaringen kunnen ook helpen om dit doel te bereiken.

2. Bewustheid

Sommige beelden kunnen wij duidelijk in onze verbeelding oproepen, andere veel moeilijker, en dan zijn er beelden die ongetwijfeld in onze hersenen circuleren, maar die men nooit in de verbeelding krijgt. Theoretisch behoren deze laatste dus eigenlijk niet aan de definitie "beeld".

Voor beelden die vlot in de verbeelding komen, gebruikt men de term "bewust", voor de andere de term "onbewust".

(1) Freud noemt bewust, datgene waar we op het ogenblik zelf aan denken (een gedachte), onderbewust zijn de beelden die we in de' verbeelding kunnen krijgen, doch die er op dat ogenblik niet zitten, de rest is onbewust, schijnbaar vergeten, doch in feite nog aanwezig en bv. tijdens de droom actief.

(2) In deze cursus noemen we het "bewuste" de verzameling van de beelden die we in de verbeelding kunnen krijgen, onderbewust al datgene wat we aanvoelen, maar net niet in de verbeelding ("onder woorden") kunnen krijgen, en onbewust al datgene wat in ons zit, maar waar we op dat ogenblik niet kunnen aan denken.

In en uit het bewuste

Volgens Freud en de psychoanalyse zitten bepaalde beelden in het onbewuste, omdat ze, terwille van hun frustrerende pijn, verdrongen zijn uit het bewuste. De psychoanalyse streeft er da ook naar deze onbewuste herinneringen via vrije associatie en het wegnemen van weerstanden bewust te maken, zodat ze kunnen herbeleefd en anders verwerkt worden.

Volgens de modernere inzichten bestaat dit verdringingsproces wel, maar zitten de meeste beelden in het onbewuste gewoon omdat we ze vergeten zijn door er weinig over na te denken, maar vooral omdat het ervaringen zijn die we nog nooit onder woorden konden krijgen, vooral omdat er vaak zelfs nog geen woorden en begrippen voor bestaan. Dank zij de vooruitgang van de psychologie slagen we er meer en meer in om onbewuste beelden bewust, d.w.z. verbaliseerbaar te maken.

Eén van de grootste problemen bij communicatie is niet zozeer dat we niet kunnen of willen praten, maar dat onze belangrijkste gevoelens en ideeën (nog) niet kunnen onder woorden gebracht worden, zelfs niet voor onszelf.

SOORTEN BEELDEN

De beelden of gedachten die in onze geest of psyche circuleren kunnen ingedeeld worden naar de mate waarin ze aan andere psychische fenomenen zoals gevoel en actie zijn gekoppeld:

(a) zuivere beelden: staan totaal los van andere inkomende of uitgaande impulsen

(b) waarnemingen: beelden, opgewekt door inkomende impulsen

(c) strevingen: beelden, die activiteit uitlokken van spieren die iets kunnen doen in de buitenwereld: onze stem, onze handen, onze voeten, enz.

(d) emoties: beelden, die effecten binnen ons lichaam uitlokken, die we dan meestal weer kunnen waarnemen. Emoties zijn in feite een combinatie van b en c.

A. ZUIVERE BEELDEN

Dit zijn beelden die "gewoon" in onze hersenen circuleren, d.w.z. "neutraal", zonder enige gevoelsmatige betekenis te hebben: "LOGISCHE", "NUCHTERE" GEDACHTEN, bv. het uur van de bus, de regels van de taal, berekeningen, enz.

B. WAARNEMINGEN

Waarnemingen zijn beelden die opgewekt worden door impulsen, afkomstig uit het lichaam, die op hun beurt kunnen opgewekt worden door impulsen, afkomstig uit de omgeving.

Normaal zijn waarnemingen niet in staat de gedachtengang te verstoren: zij blijven beperkt tot een subcorticale verwerking (reflexen). Alleen als zij emoties opwekken, of sterk afwijken van het verwachtingsbeeld, trekken zij de "aandacht", en breken dan de inwendige associatieketen of gedachtengang af.

Voor het bewustzijn is er in principe geen verschil tussen exogene en endogene beelden: beide hebben bv. hetzelfde effect bij leerprocessen zoals conditionering.

Toepassingen:

1. Belangrijke methodes uit de gedragstherapie berusten eveneens op dit fenomeen: nieuwe gedragingen worden aangeleerd, en oude gedragingen afgeleerd door uitsluitend imaginair te werken.

2. Omgekeerd beantwoorden gedachten aan de regels van het gedrag, d.w.z. ze versterken bv. bij beloning, en verzwakking bij bestraffing. Ook hierop berust een therapeutische methode, nl. de rationeel-emotieve therapie.

Nochtans zijn de hersenen in staat onderscheid te maken tussen beelden die van binnen komen (fantasie) en beelden die van buiten komen (waarnemingen), omdat deze laatste detailrijker en "krachtiger" zijn. Zoals dia's slechts zichtbaar zijn als het kamerlicht is uitgeschakeld. Het is alleen op deze "beeldscherpte" dat onze hersenen afgaan.

Nochtans kunnen wij ons hierin vergissen:

1. Als de informatie van buiten wordt uitgeschakeld, bv. bij de slaap, dan zijn onze endogene beelden relatief veel krachtiger. Vandaar dat wij tijdens de droom ook de indruk hebben in de realiteit te vertoeven, met alle emotionele reacties van dien.

De informatie van buiten kan ook kunstmatig uitgeschakeld, bv. de proef der "sensorische" deprivatie": de persoon bevindt zich in een compleet duistere en geluidsgeïsoleerde kamer, op zachte temperatuur, met omzwachtelde handen, en zacht en echovrij beklede muren, zodat hij ook zijn echo niet kan horen. Na enige uren maakt zo iemand echte hallucinaties mee, hij droomt als het ware in waaktoestand.

Sommige personen kunnen door sterke concentratie de informatie van buiten zo sterk afzwakken, dat hun fantasie bijna zo klaar wordt als "reële" beelden, bv. geïnspireerde kunstenaars. Bij hypnose, en vlak voor het inslapen maken wij een analoog fenomeen mee.

2. De endogene beelden kunnen echter versterkt zijn, bv. door het nemen van drugs, die het effect der neurotransmitters zeer versterken. De hallucinaties, die bij sommige geestesziekten optreden, zijn wellicht door een soort endogene versterking van de neurotransmitterfunctie veroorzaakt, vermits zowel de geïnduceerde als de "spontane" hallucinaties verdwijnen met neuroleptica, d.w.z. producten die de neurotransmitterfunctie afzwakken.

C. STREVINGEN

Met deze algemene term worden alle gedachten aangeduid, die direct of indirect leiden tot gedrag. De meeste van deze gedachten lokken tevens emoties uit, omdat zowel de fantasmen als de strevingen in verband staan met de behoeften, d.w.z. de situaties die mogelijks een bevredigend gevoel opwekken. BEPALINGEN

Strevingen zijn gedachten (zowel bewust als onbewust) die leiden tot gedragingen, die op hun beurt moeten leiden tot het ontstaan van situaties die intens aangename fantasmen oproepen, ofwel direct bepaalde genotszenuwen prikkelen.

We delen de strevingen in in behoeften, verlangens en voornemens.

Als streefsituaties maar vaag omschreven zijn, dan noemen we ze behoeften: bv. honger, dorst, behoefte aan waardering

Zijn ze erg concreet, dan noemen we ze ook verlangens bv. zin in frieten, lust naar appelsiensap, verlangen iets te vertellen waarover men fier is.

Is een streving heel erg concreet en subjectief belangrijk, en lijkt ze realiseerbaar, dan wordt het een voornemen. Op het moment dat de realiseerbaarheid volmaakt lijkt te zijn, gaat het voornemen over in een bevel, dat uitmondt in effectief gedrag.

SOORTEN BEHOEFTEN

Hoe de behoeften ontstaan, wordt besproken bij de ontwikkeling van persoonlijkheid. Hier volgt alleen een kort overzicht.

De diepste menselijke behoefte is deze naar geluk. Ze is aangeboren en ligt trouwens vast in de hersenen: alle zenuwen die aangename of onaangename ervaringen kunnen waarnemen, lopen samen naar het gelukscentrum in de hypothalamus. Vanuit dit centrum vertrekken enerzijds de banen van het autonoom zenuwstelsel, die in het lichaam de energie al dan niet vrijmaken om actief te zijn, en anderzijds een boodschap naar het nabijgelegen limbisch systeem, dat oordeelt of de recent opgenomen informatie (of gedragspatroon) belangrijk genoeg is om opgeslagen ("geleerd") te worden.

De behoefte naar geluk vertaalt zich op 3 manieren: (1) de fysiologische behoeften, praktisch allemaal aangeboren: honger, dorst, slaapbehoefte, vachtcontact, groepsinstinct, enz. (2) de psychologische behoefte aan waardering, in de eerste kindermaanden aangekweekt vanuit de fysiologische behoeften, en (3) de seksuele behoefte, een combinatie van fysiologische (vachtcontact, orgasme) en psychologische (waardering onder de vorm van tederheid, bewondering, vertrouwen, enz.)

De behoefte aan waardering uit zich verder onder allerlei vormen: intimiteit, creativiteit, tederheid, kosmische integratie, enz.

SOORTEN VERLANGENS

Men kan de verlangens op allerlei manieren indelen, bv. volgens hun aard, volgens de graad van bewustheid, volgens de graad van realisme, volgens hun sterkte, enz.

Bepaalde auteurs namen één enkel criterium om ze in te delen:

1. Freud deelde ze in volgens hun realiteitskarakter.

Hij maakte daarbij onderscheid tussen HET (Es) en BOVEN-IK (Ueberich), waarbij het Es grotendeels overeenkomt met wat wij behoeften noemen, en met onze primitiefste fantasmen en instincten in verband met deze behoeften, en het Ueberich voornamelijk met de eisen die, volgens onze subjectieve veronderstelling, door de omgeving aan ons gesteld worden. De tegenstrijdigheid tussen allerlei behoeften wordt conflict genoemd. We kunnen ons daar al dan niet van bewust zijn. VERSCHIL KT & LT> Frontale hersenen.

Voor deze conflicten tracht ons denkvermogen, op basis van onze kennis van de realiteit (samen het IK genoemd) oplossingen te vinden.

Freud stelt dat de meeste van onze behoeften en primitieve, d.w.z. simplistische fantasmen, in ons onbewuste vertoeven, gezien de censuur (taboe) van ons bewuste en de cultuur.

2. De transactionele analyse

Zij deelt de verlangens in in KIND (primitieve vormen, ongeveer het Es), OUDER (gestelde eisen door cultuur, opvoeders en ideaalbeeld van onszelf, ongeveer het Überich), en de VOLWASSENE (de realistische, geïntegreerde strevingen, ongeveer het Ich).

3. Indeling naar de oorsprong der verlangens

Alnaargelang hun oorsprong kunnen we de verlangens indelen in:

1) Aangeboren verlangens

Dit zijn gedragingen die we bijna automatisch ontwikkelen. Dit is vooral duidelijk bij kinderen. Bv. zuigen, schreien, glimlachen.

Sommige gedragingen worden later door leerprocessen ontwikkeld, maar deze leerprocessen zijn erg beïnvloed door allerlei bevredigingszenuwen en motorische mogelijkheden Bv. de manier waarop we eten, vrijen, lopen

2) Identificatie-verlangens

Deze ontstaan door te kijken naar voorbeelden van anderen, die ons inspireren. Bv. de manier waarop we spreken, ons kleden, het voedsel dat we graag eten.

3) Creatieve verlangens

Deze hebben we zelf uitgewerkt met onze verbeelding, uiteraard vertrekkend van inspiratie die we in het verleden gehad hebben. Bv. een originele manier van spreken, creatieve scheppingen

4) Revanche-verlangens

Dit is wellicht de belangrijkste bron van concrete verlangens. Adler noemde dit de compensaties.

Elke mens streeft er voortdurend naar, bewust en halfbewust, om situaties mee te maken waarin hij zich gelukkig voelt. Streeft hij bewust naar een bepaalde situatie, maar slaagt hij uiteindelijk niet in die te bereiken, dan betekent dit voor hem een frustratie, hetgeen hem een onaangenaam gevoel geeft, om verschillende redenen:

- het besef van het gemis is des te groter door het contrast met de illusie die met de activiteit gepaard ging.

- door ons geheugen blijft deze herinnering pijnlijk, vooral als we geconfronteerd worden met analoge situaties, waarin we dezelfde mentale, fantasmatische frustratie beleven (overdracht).

- elke frustratie vergroot het fundamenteel gevoel van onvermogen, dat in den beginne beperkt is tot het terrein zelf van activiteit, maar bij heel belangrijke of herhaalde frustraties uitbreiding neemt (depressie).

- herkennen we in de oorzaak van onze frustratie een ander levend wezen, dan wordt instinctief een agressiegevoel opgewekt, omdat de agressie-instincten geactiveerd worden.

- als mens streven we ook naar het gevoel van in ogen van de anderen, en door interiorisatie in onze eigen ogen de beste te zijn. Een frustratie wordt hierdoor niet alleen een concrete mislukking, maar het feit dat de ander ervan getuige was, of zou kunnen zijn, maakt een ook een zware frustratie voor onze waarderingsbehoefte. Door deze dimensie komt het dat een frustratie voor een mens zwaarder weegt dan voor een dier, en veel langer nawerkt.

Elke frustratie ontsteekt in ons de neiging (het sterke verlangen, bijna zo sterk als een behoefte) om later, liefst zo snel mogelijk aan te tonen dat de mislukkingsindruk die men van ons had, verkeerd was. We streven naar een soort "eer-"herstel, zoals in een sportieve revanche.

In zijn primitieve vorm neemt die revanchebehoefte soms de vorm aan van een voor de andere pijnlijke weerwraak, maar meestal zit ons revanchestreven mooi verweven in sociaal aanvaardbare, zelfs eerbare en geprezen gedragingen. Dit komt voor een groot deel, omdat de revanchebehoefte taboe is, en dus verborgen voor de anderen, en liefst ook verdrongen voor zichzelf moet zijn. Het verdringen heeft echter niet voor gevolg dat de behoefte verdwijnt, wel dat ze voortaan onbewust gaat werken.

Daar onze revanchebehoefte zo sterk is, en meestal verdrongen naar het onbewuste, komt het dat ons onbewuste een veel sterkere gedragsbepalende instantie is dan het bewuste, hetgeen een eeuw geleden reeds door Freud werd aangetoond.

D. EMOTIES

Emoties definiëren we als een gevoelsgeladen beeld. We zullen daarom eerst de gevoelens zelf bespreken, vervolgens de emotionele beelden, nl. de fantasmen, en tenslotte de emotionele waarnemingen.

1. EMOTIES

INLEIDING

Een levend wezen heeft op elk ogenblik een min of meer realistisch beeld over de situatie die hem omgeeft, d.w.z. over de kansen dat er al dan niet (on)aangename zaken gaan gebeuren, en over de tijd die men heeft om hier op te reageren. We blijven niet kalm als een computer, maar alnaargelang onze opvatting over onze situatie past ons autonoom zenuwstelsel ons lichaam aan, om het klaar te houden voor eventuele activiteiten. Bv. als er iets dreigt, dan stijgt onze bloeddruk, versnellen ademhaling en hartslag, wordt de bloedtoevoer naar onze huid en buik verminderd ten voordele van het bloed in hersenen, hart en spieren. Subjectief voelen we ons gespannen, gejaagd, en worden bleek. Onze pupillen sperren zich open, om maximaal het licht binnen te laten. Daarenboven wordt alnaargelang de hoogdringendheid, meer of minder psychische "energie" gemobiliseerd: we worden "wakker" van geest, ons vermoeidheidsgevoel verdwijnt, pijn wordt onderdrukt, onze spieren worden gespannen.

BEPALING

Emoties of gevoelens zijn een combinatie van (1) het idee dat we hebben over de gelukswaarde van onze huidige situatie, (2) de lichamelijke aanpassingsreacties van het lichaam, en (3) het subjectief waarnemen van deze reacties.

De stemming is een gevoel, dat de neiging heeft langere tijd constant te blijven.

STEMMING EN ENERGIE

Er is een direct verband tussen stemming, en vrijkomende psychische energie. Hoe meer wij de indruk krijgen dat er een aangename of onaangename situatie te wachten staat, hoe meer energie er vrijkomt. Deze kan zowel positief als negatief getint zijn. Positief: vreugde, opgewektheid, enthousiasme, euforie. Negatief: angst, paniek.

Lijkt er geen enkele aangename of onaangename situatie nabij te zijn, dan komt er praktisch geen energie vrij: verveling, neiging tot inslapen. Aan het andere uiterste, als de persoon zich volmaakt gelukkig of ongelukkig voelt, heeft hij ook geen energie meer over: na een goede maaltijd, na een orgasme, bij een terechtstelling.

2. FANTASMEN

BEPALING

Fantasmen zijn bepaalde flatterende of vernederende, meestal woordenloze voorstellingen over onszelf. Bv. "men houdt zich met mij bezig", "ik ben de sterkste", "ik ben knap".

Het waarnemen van bepaalde situaties, of van ons gedrag in bepaalde situaties roept onze fantasmen wakker, "activeert" ze. Die fantasmen roepen op hun beurt een gevoel van bevrediging op. Deze bevrediging geldt dan als beloning voor het gestelde gedrag, zelfs al is er in realiteit geen of zelfs een onaangename objectieve afloop. Bv. schreien: zelfs al is er niemand bij, voedt het fantasme "ik ben beklagenswaardig", of "niemand bekommert zich om mij". Tegen een tafelpoot schoppen koelt onze woede, omdat het onze wraakfantasmen voedt. Het bestaan der fantasmen verklaart ook masochisme, tegen onszelf spreken, met een pop spelen, zelfmoord....

Dit is in praktijk de allerbelangrijkste, maar spijtig genoeg de moeilijkst te begrijpen soort beloningen. Inderdaad, fantasmen zijn grotendeels onbewust, d.w.z. niet door de persoon in kwestie onder woorden te brengen (tenzij na psychoanalyse), en in vele gevallen zelfs in strijd met wat die persoon over zichzelf denkt (zijn "rationalisaties"). Bv. een moeder slaat haar kindje omdat het stout is. Ze denkt van zichzelf dat ze dit doet om pedagogische redenen, "voor zijn goed", doch in feite heeft ze onbewust haat tegen dat kindje, dat haar bv. aan huis vastkluistert.

3. EMOTIONELE WAARNEMINGEN

Dit zijn waarnemingen, die meteen sterke fantasmen oproepen, van negatieve of positieve aard. De positieve zijn de BEVREDIGINGEN, de negatieve de FRUSTRATIES.

Emotionele waarnemingen zullen een grote weerslag hebben op het denken en het gedrag, in die zin dat ze een corrigerend effect hebben op de latere fantasmen.

Anderzijds zullen emotie-arme inzichten bijna geen effect hebben op ons later denken, handelen of voelen, omdat ze bij de "neutrale" herinneringen worden opgeslagen, associatie-arm zijn, en overigens gauw vergeten.

Toepassing

Een therapie of een begeleid groeiproces heeft enkel effect, als er emotionele waarnemingen ("ervaringen") optreden. Dit kunnen actieve ervaringen zijn, waarbij men iets beleeft in relatie met de therapeut of de groepsleden. Ook emotionele associaties ("herkenningen") kunnen heel aangrijpend zijn, en het gedrag en de persoonlijkheid sterk beïnvloeden, zelfs al heeft de cliënt niets "gedaan".

De kritiek van gedragstherapie en gestalttherapie op de psychoanalyse als zou deze maar weinig veranderen aan de persoonlijkheid omdat er niets "ervaringsgerichts" gebeurd, is dus maar weinig relevant. Het gaat immers niet om de ervaring, maar om de emotionele dimensie en het leggen en veranderen van emoties en fantasmen.

HET CONCRETE GEDRAG

In praktijk wordt ons gedrag bepaald door dat verlangen, dat op een bepaald ogenblik het sterkst is. Deze Sterkte (S) beantwoordt aan volgende "formule":

S = Waarde (W) x Realiseerbaarheid (R)

De Waarde (W) is de som van de aantrekkelijkheid (A) voor onszelf, de morele druk (D) die op ons wordt uitgeoefend, en de materiële noodzaak (N) om iets te doen. Hiertoe behoren ook de bioritmische schommelingen.

W = A + D + N

De Aantrekkelijkheid van iets is het product van de objectieve (O) waarde van iets, verkleurd door de subjectieve fantasmatische beleving (F) ervan.

A = O x F

De Realiseerbaarheid (R) is omgekeerd evenredig met het aantal "stappen" dat nog moet gezet worden om het gedrag te realiseren:

R = 1 / aantal nog te zetten stappen ( = Z )

Dus hoe meer stappen we nog moeten doen om iets te realiseren, hoe minder aantrekkelijk iets schijnt.

Dus de volledige formule is:

S = [(O * F) + D + N] / Z


Het spreekt vanzelf dat zowel de factoren Waarde als Realiseerbaarheid subjectieve waarden zijn, de voortdurend wisselen volgens de tijd.

Daarenboven moet de sterkte boven een zekere minimumgrens komen die sterk varieert met de vermoeidheid en de algemene stemming.

Een theoretisch voorbeeld van een verlangensgrafiek is:

Een verlangensgrafiek. Op elk ogenblik verwezenlijken we het verlangen dat op dat ogenblik het sterkste is.

Hieruit leiden we af dat:

- de mens niet echt vrij is, maar automatisch zijn gedrag stelt. De indruk van "vrijheid" wordt geschapen door een onnaspeurbare complexiteit van de gedragsbepaling, dus door de afwezigheid van de indruk dat iemand anders ons gedrag bepaalt - het verlangen naar "vrijheid" is een neurotisch verlangen, dat we later zullen bespreken.

OEFENINGEN

1. Maak enkele verlangensgrafieken over jezelf, d.w.z. hoe je gedurende een zekere tijd veranderde van activiteit, en welke andere mogelijke gedragingen op de achtergrond aanwezig waren.

2. Bereid het onderwerp vrijheid voor. Als de mens zo gedetermineerd is als hier beschreven, hoe zit het dan met zijn vrijheid.