4000-4999
Sites per thema:
psy0 algemeen
psy1 systemen
psy2 denken
psy3 brein
psy4 individu
psy50 diagnostiek
psy54 behandeling
psy6 optimaal
psy7 groepen
psy8 suboptimaal
psy9 optimaal

4300 Spritueel Bewustzijn


Van Bewustzijn tot Spiritualiteit



Bepalingen

Als we bewustzijn definiëren als een bruikbaar inwendig beeld van de uitwendige werkelijkheid, dan is spiritualiteit het toppunt van bewustzijn: op een doorleefde manier (d.i. een samengaan van voelen, weten en ervaren) een waarachtig inwendig beeld hebben van de totale werkelijkheid, of toch er zo dicht mogelijk bij.

Ontwikkelingsstadia

Het bewustzijn is niet aanwezig van bij de geboorte. Het ontwikkelt zich langzamerhand tijdens het leven en wordt, als het ver genoeg kan evolueren, steeds completer, d.w.z. spiritueler.



1. De ontwikkeling van de hersenfunctie

De systemen van het Heelal (volgens Teilhard) worden in hun functioneren en in hun evolueren steeds geleid door iets.

  1. In het begin (fasen 1 tot 5, de zg. lithosfeer of fasen van de dode stof) bestaat er geen georgansieerd leidend systeem: alles wordt bepaald door uitwendige, deels toevallige situaties die inwerken op de structuur, de verplaatsingen, het gedrag en de evolutie der bestaande systemen.
  2. Vanaf de biosfeer (fasen 6 tot 8, de zgn. biosfeer der levende stoffen) is er een centraal stuursysteem (CSS), dat niet alleen de structuur der wezens bepaalt, maar ook meer en meer hun gedrag. In het begin is dit CSS gewoon het centraal bijhouden van de vroegere "ervaringen" in structuur en gedrag, door de chromosomen en het genetisch apparaat. Dit CSS zit bij de eobionten en protozoa in de (cel)kern (DNA, RNA), en bij de metazoa in de hersenen, onder de vorm van een steeds grotere reeks instincten en reflexpatronen, die door de omstandigheden geactiveerd worden.
  3. Bij de metazoa (niveau 8, het hoogste van de biosfeer) verloopt de ontwikkeling van de hersenfunctie in 3 fasen:
    1. het reflexniveau: er is een toenemend aantal vaste reflexen en reactiepatronen (bv. nestbouw). De ontwikkeling ervan gebeurt volgens de algemene Darwiniaanse evolutiewetten. Deze gedragscodes worden erfelijk doorgegeven aan de volgende generatie.
    2. het leerniveau: hierbij is het mogelijk om nieuwe reflex- en gedragspatyronen toe te voegen aan het repertorium. Deze ontstaan door toeval in het individueel leven en, in minder sterke mate, door het kopiëren van ouders en mededieren. In het gedrag der ouders zitten soms procedures om de leerkans van de kleintjes te bevorderen, bv. door hen te bestraffen bij bepaald gedrag, door hen voor te doen en te beschermen tijdens de leerfase. Bepaalde instincten kunnen de ontdekking van nieuw gedrag bevorderen, bv. zenuwachtig beginnen experimenteren in toestanden van angstig of geestdriftige opwinding.
    3. het bewustzijnsniveau: door de ontwikkeling van de frontale hersenen bij de hoogste primaten en bij de mens, kunnen mentale voorstellingen en experimenten mogelijk zijn, zodat de ervaring niet meer onontbeerlijk is. Ook bevordert de ontwikkeling van de taal zowel de overdracht van kennis naar de volgende generaties, als het ontwikkelen en benoemen van abstracte begrippen. Dit bewustzijn laat toe om, door denken en communiceren, een inwendig een beeld op te slaan van delen van de werkelijkheid die men niet zelf geobserveerd heeft.

Omdat het waarnemen van levensnoodzakelijke en soms levensbedreigende voorwerpen en wezens zou versneld worden, bevat het waarnemingssysteem der dieren enkele mechanismen voor de snelle interpretatie van schaarse maar belangrijke gegevens. Zo kunnen bv. een gelaat, een levend wezen, dus een potentiele vijand en potentieel voedsel of een prooi vrij snel vanuit enkele elementaire details herkend worden. Dit instinct leidt wellicht tot de menselijke neiging tot antropomorfisme en theomorfisme, d.w.z. het "zien" of veronderstellen van een (bovennatuurlijk) wezen achter onbegrepen fenomenen. Dit mechanisme leidt tot het magisch, en later het mythisch denken. In extreme, pathologische omstandigheden leidt dit tot paranoia en bijgeloof.

We kunnen spreken van ‘primitief bewustzijn’ en van (menselijk) bewustzijn. Het primitief bewustzijn hebben mensen gemeen met de zoogdieren. Het is het bewust zijn (weet/besef hebben) van dingen die direct nodig zijn om in leven te blijven en bewust zijn van de manieren waarop ‘pleziertjes’ worden gevonden en gerealiseerd. De instincten en de reflexen zijn door de band de opslagplaats van dit bewustzijn. Deze kennis wordt ook fylogenetische kennis genoemd. Heeft een dier dan geen (menselijk) bewustzijn? Eerder uitzonderlijk. Een dier heeft wel leervermogen, maar grof gesproken kunnen we stellen dat een dier genoeg heeft aan zichzelf. De wereld van het dier is gesloten.

Het (menselijk) bewustzijn overschrijdt dit primitief bewustzijn. Het voegt er iets aan toe. De mens (en sommige dieren in beperkte mate) kan namelijk gebruik maken van talige begrippen (concepten) om de werkelijkheid rondom zich te representeren in zijn denken. De opslagplaats van deze begrippen is het geheugen. Maar de mens kan met zijn bewustzijn méér dan alleen maar de werkelijkheid representeren: hij (zij) kan mentale bewerkingen maken met deze begrippen buiten de werkelijkheid om. In fantasie, in stapsgewijs redeneren, in deduceren… Hij kan zelfs dingen beredeneren die in de werkelijkheid niet bestaan, bv. berekeningen uitvoeren met ‘complexe’ getallen, waarbij ‘i-kwadraat’ gelijk is aan -1. Door zijn bewustzijn hoeft de mens dus niet altijd te experimenteren in de werkelijkheid, of alles zelf meegemaakt hebben, om kennis van iets te hebben.

De wereld van de mens is door zijn bewustzijn open. De mens heeft niet genoeg aan zichzelf. De mens is intentioneel betrokken op de werkelijkheid rondom zich. Hierdoor ontwikkelt hij levensvisies, moraal, samenlevingsafspraken, werktuigen. Hierdoor deelt hij tijd en ruimte in. Hierdoor verwerft hij encyclopedische kennis en kan hij rubriceren, catalogiseren, combineren, interpreteren, ...

Opmerking Sommigen noemen elke vorm van CSS een vorm van bewustzijn, en dat is het ook, vermits er, eerst als hardware en later als software, een soort inwendig beeld bestaat van de (omgevende) werkelijkheid. in die zin schrijven zij soms een ziel toe aan virussen, atomen, elektronen, enz. Ze beroepen zich daarbij soms op Teilhard om deze bijzondere vorm van dualisme te rechtvaardigen. Men kan ook de term bewustzijn beperken tot de hoogste, volledige vorm, en dat is het menselijk bewustzijn, waar er inderdaad voor het eerst in de evolutie een min of meer volledig inwendig beeld van de uitwendige werkelijkheid bestaat of toch kan bestaan.

2. De fasen van het bewuste denken

Hoewel er bepaalde waarnemingspatronen (archetypes) en handelwijzen (instincten) zijn aangeboren, is de bewustwording een cyclisch gebeuren, een proces met als fasen:

  1. waarnemen/ervaren van aspecten van de werkelijkheid
  2. interpreteren van de waargenomen gegevens
  3. nadenken over de betekenis van deze waarnemingen in een groter kader, door vergelijking met bestaande hypothesen en bewaard feitenmateriaal.
  4. een realistisch plan uitwerken om aan deze werkelijkheid (met inbegrip van onszelf) iets te veranderen.


Kennis, dus bewustzijn, is maar volledig als zij tot een volledig succesvolle interactie leidt met die werkelijkheid.

  • Daarom zegt men dat gnosis een geheel is van voelen, denken en doen.
  • Als beseffen niet leidt tot een bruikbaar inzicht en een gewijzigd gedrag, is het niet volledig geweest. Als denken niet berust op doorleefde ervaringen en niet leidt tot doeltreffend gedrag, is het onvolledig geweest. Als interveniërend gedrag niet berust op doorleefde waarnemingen en genuanceerde gedachtengang, is het onvolledig en ondoeltreffend geweest.

Anderzijds moet de vorige fase niet volledig uitgebouwd zijn alvorens de volgende mogelijk is: men kan empirisch doeltreffende gedrag ontwikkelen zonder volledig te beseffen waarom het werkt, men kan intuïtief inzichten raden alvorens ze bevestigd worden door ervaringen.

Via communicatie groeien inzichten meer dan door eigen ervaring, en is onze invloed groter dan door eigen handelingen.

Toch komen deze drie fasen na elkaar.

  • In de geschiedenis vindt men ook drie fasen terug in de ontwikkeling van de spiritualiteit: het mystieke beleven, de rationele analyse van de werkelijkheid, en min of meer doeltreffende methodes om die werkelijkheid te proberen beïnvloeden.

3. De bekende gebieden van de werkelijkheid

In het begin zijn ons slechts kleine delen van de werkelijkheid bekend. Deze gebieden breiden zich uit via onze geest. We kunnen hierbij onderscheiden:

  • het reële feitenmateriaal, en de abstracte wetmatigheden die deze realiteit ondersteunen en sturen. Deze wetten bestaan niet echt, maar zijn abstract. Ze "bestaan" in de zin dat wij ze kunnen "ontdekken" alsof ze er reeds waren. Maar in feite bouwen wij maar verder abstracties op, d.w.z. gedragskenmerken van delen van de werkelijkheid.
  • sommige delen van de werkelijkheid kunnen we waarnemen, andere delen niet. Het onwaarneembare bestaat enerzijds uit
    • zaken die nog niet bestaan (de toekomst). Deze omvat:
      • dingen die we creatief kunnen bedenken
      • dingen waar we ons geen flauw gedacht kunnen van vormen dat ze er ooit zullen komen
    • zaken die wel al bestaan (hebben) maar die we niet kunnen waarnemen, omdat
      • ze tot het verleden behoren
      • we de tijd nog niet gehad hebben ze te gaan observeren, bv. vreemde steden
      • ze op een verschijningsniveau zitten waar wij geen waarnemingszintuigen voor hebben, bv. radiogolven.
Sommige dingen die we (nog) niet kunnen waarnemen kunnen we ons inbeelden, dank zij ons voorstellingsvermogen, aangevuld met communicatie. Echter niet alles.
  • We kunnen hierbij dus onderscheiden:
    • de realiteit: waarneembaar heden, en reconstrueerbaar verleden en buiten-zintuiglijke fenomenen zoals radioactieve golven.
    • de surrealiteit: al de rest, d.w.z. de toekomst en het onvoorstelbare dat echter bestaat of ooit zal bestaan. Ook de evolutionaire groeikracht? Ook de verbondenheid van 'alles' binnen het 'grote' Mysterie (van het leven, van het denken): dàt iets tot leven komt, dàt er altijd weer inzichten ontluiken, ...? Ook de deelname van alles aan het Al (materie, plant, dier, mens, geest, ...)?


Voortdurend zullen we ons werkelijkheidsbeeld of model moeten aanpassen, en eenvoudige visies vervangen door meer genuanceerde. Soms zijn bepaalde stukken van ons werkelijkheidsbeeld ronduit verkeerd (bv. het veronderstellen van het bestaan van bovennatuurlijke wezens, ziel, e.d.)


4. De evolutie van ons werkelijkheidsbeeld

In het begin wordt een denkend wezen overspoeld door een grote hoop voorwerpen, gebeurtenissen en feiten, waarvan hij de samenhang niet goed vat. Terwijl ons bewustzijn langzaam toeneemt begrijpen we beter de samenhang, en vormt er zich een completer beeld van de achterliggende oorzaken en wetmatigheden. Hierin kunnen ruwweg de volgende fasen onderscheiden worden:

  1. het magisch denken. Hierbij zien we achter elk [bewegend] element een levend wezen: animisme, voodoo, pantheïsme. Verder.
  2. het mythisch denken. Hierbij wordt het betrouwbaar, gewoon materiaal omvangrijker, maar blijven er belangrijke gebieden over waar we geesten en goden veronderstellen. Er wordt dus verondersteld dat er twee naturen zijn: natuur en bovennatuur, lichaam en ziel, aarde en hemel. Bv. geloven in sprookjes en ideale situaties, Disneyland, polytheïsme, monotheïsme o.a. christendom. Verder
  3. het rationele denken. Hierbij wordt verondersteld dat er, buiten het waarneembare en wetenschappelijk onderzoekbare, niets bestaat, zeker geen bovennatuur. Dit is hetmoderne denken. Het is juist te veronderstellen dat er slechts één natuur bestaat, maar daaruit afleiden dat de verschijnselen die niet wetenschappelijk te onderzoeken zijn niet bestaan of de moeite niet lonen om ernstig te exploreren, is nogal gewaagd. De gebruikte weteschappelijke methode inde rationele fase is de exacte, experimentele, deductieve kwantitatieve research.
    Of, zoals Einstein zei: Niet alles wat telbaar is, telt, en niet alles wat telt is telbaar.
  4. het spirituele denken. Hierbij wordt verondersteld dat er vele zaken bestaan die (nog) niet meteen onderzoekbaar zijn, maar toch reëel. Het integratieve denken is een wetenschappelijke methode om die fenomenen te onderzoeken. Het bestaan van psychische software wordt aanvaard, maar betekent niet dat er bovenmenselijke wezensbestaan. Dit is het postmoderne denken. De gebruikte wetenschappelijke methode hier is de integratief-inductieve, of het geoperationaliseerde broertje ervan, de kwalitatieve research.


De eerste twee fasen vormen samen de secundaire denkcultuur, waarbij het heteropoiëtisch denken belangrijk is. Daarbij hoort ook het hiërarchische denken, en het negatieve-fatalistische denken ("er zijn zaken die ik nu eenmaal niet kan").

De volgende twee fasen vormen de tertiaire denkcultuur, waarbij het autopoiëtische denken belangrijk is. "Wij kunnen in principe alles kennen en realiseren". We kunnen samenwerken zonder menselijke hiërarchie (dus peer to peer) en valse-primitieve beloningssystemen (zoals geld).


5. Evolutie van de spiritualiteit

De belangrijkste verandering in onze westerse spiritualiteit is dat we langzaam evolueren van een secundaire naar een tertiaire spiriualiteit. We kunnen spiritualiteit niet begrijpen of zinvol bespreken als we niet eerst duidelijk aangeven over welke vorm we het nu precies hebben, want vele kenmerken zijn gewoon omgekeerd tussen beide types.

Secundaire spiritualiteit

Hierbij worden de beperkingen van de actuele werkelijkheid fundamenteel geaccepteerd ("Je zal niet ontbinden wat God in de hemel verbonden heeft"). Secundaire spiritualiteit wordt aangeboden als een soort energiebron om de beperkingen van ozne wereld te accepteren, te compenseren, en soms voorzichtig te proberen bijsturen ("... maar niet mijn wil maar uw wil geschiede").

Om die reden zal secundaire spiritualiteit niet veel veranderen aan het leven van hen die hem beoefenen (cfr slavenhandel in christelijk Amerika, paternalisme in het christelijk-liberale westen van de 19e eeuw, Rerum novarum pas ná de socialistische revolutie, zegenen der wapens tijdens WO2, ruzie tussen maçonnieke obediënties, enz.

Secundaire spiritualiteit is eerder een troostsysteem, een compensatiebeleving, en een impliciet gelijkgeven van de leiders en het systeem. De beoefenaars ervan worden sterker en voelen zich soms (krampachtig) beter, maar worden niet fundamenteel anders. Zij spreken over liefde maar hun samenlevingsvormen zijn even primitief, en soms nog primitiever dan profane groepen.

Tertiaire spiritualiteit

Zoals de Gnostici reeds zeiden kan men slechts spreken van kennis als weten aangevuld wordt door handelen en voelen. Alleen ervaring leidt tot waarachtig inzicht. Alleen dan legt men de goede accenten, de juiste associaties.

Daar waar een secundaire spiritualiteitsgroep eerder vrijblijvend is, zullen de leden van een tertiaire spiritualiteitsgroep beginnen denken over hun relatie, de groepen waarin ze werken en leven, de opvoeding van hun kidneren, hun levensengagementen en -keuzes. En in een tertiaire spiritualiteitsgroep is er een voortdurende positieve evolutie merkbaar, waar allen rustig maar geestdriftig aan participeren.

Andere bedenkingen, nog te intregreren:

Wat men de realiteit pleegt te noemen is in feite niet de realiteit die ons het meest aanspreekt. De surrealiteit, die nog grotendeels virtueel is, spreekt ons in feite veel meer aan, omdat hij beter beantwoordt aan onze behoeften. Daarom zouden we de dagdagelijkse realiteit evenzeer de quasi-realiteit kunnen noemen.

In de westerse filosofie heeft men de werkelijkheid altijd vanuit drie invalshoeken benaderd. Ofwel focuste men zich op de natuur en de kosmos (wereldbeeld), of op de mens (mensbeeld), of op God (godsbeeld). Deze drie aspecten beïnvloeden elkaar natuurlijk: als je bv. een platte-aarde-wereldbeeld hebt, dan zeg je ook iets over je visie op de mens en op God. Als je gelooft in het creationisme (bijbelse verhaal van de schepping in zes dagen) dan is het wereldbeeld en het godsbeeld daardoor beïnvloed. Zo is het godsbeeld ook bepalend voor het mensbeeld en het wereldbeeld dat je hanteert. Wie gelooft in een God-oude-man-met-een-baard die alles ‘voorzien’ heeft of in een God-de-Onbewogen-Beweger of in een persoonlijke God, die Liefde is, dan zal dat ook veelzeggend zijn over het mensbeeld en het wereldbeeld van elk van deze personen.

We merken nu dat in het westerse denken in de 15de tot 17de eeuw het wereldbeeld een ‘moderne inkleuring gekregen heeft (met als orgelpunt de relativiteitstheorie en de kwantumfysica in de 20ste eeuw). Men noemt dit de ‘secularisatie’: het wereld worden van de wereld.

In de 18de-19de eeuw heeft zich een humaniseringsproces voltrokken. Er ontstonden menswetenschappen: geschiedenis, sociologie, psychologie, … Dit ‘mens-worden-van-de-mens’ had zijn consequenties in het filosoferen over de (ethische) verantwoordelijkheid en vrijheid van de mens.

Tijdens deze vier, vijf eeuwen is het op de bijbel gebaseerde godsbeeld sterk onder druk komen staan. Maar pas toen in de tweede helft van de 20ste de Kerk haar greep op het denken en het leven van de gewone mens begon te verliezen konden oosterse en andere alternatieve zingevingsystemen voet aan de grond krijgen. En het begrip spiritualiteit ging een weg van het ‘religieuze’ leven naar de gewone mens. Dit is eigenlijk een goede zaak. Daardoor kwam er ruimte om zoals L. Apostel te spreken van ‘Atheïstische spiritualiteit’.

Als wij vandaag de dag over de werkelijkheid spreken is het oude drieluik ‘wereldbeeld - mensbeeld - godsbeeld’ vervangen door een nieuw drieluik: ‘kosmologie - mensbeeld - spiritualiteit’. Voor de theïsten en deïsten blijft hier de mogelijkheid om het begrip spiritualiteit nog steeds te reduceren tot een persoonlijk of onpersoonlijk ‘godsbeeld’.

Het begrip ‘spiritualiteit’ is dus een ruimer begrip dan ‘God’. Dat is een goede zaak. Het grote gevaar is evenwel dat men opvattingen en gedrag via ‘de markt van spiritualiteiten’ langs de achterdeur terug binnenhaalt, die men met kritische rationaliteit ten aanzien van het magisch en mythisch ingekleurde begrip ‘God’ langs de voordeur buitengegooid heeft.


6. Vormen van spiritualiteitsbeleving

Spiritualiteit is dus de verzameling der technieken en belevingsmethodes die ons toelaten een beetje verder door te dringen in die surreële werkelijkheid. En vermits deze werkelijkheid uiteindelijk geprojecteerd wordt uit wat wij wél al kennen, zal de surrealiteit voor een groot deel subjectief verschillen. Daarenboven is niemand echt bewust wat die surreële dimensies uiteindelijk allemaal voorstellen.

Termen die een surreële ervaring omschrijven zijn: trance, transcendente ervaring, piek-ervaring, mystieke ervaring, vervoering, hypnotische toestand, extase, vereniging met het Ene (het Hogere, het Al, enz.), psychedelische ervaringen, artistieke ontroering, enz. Men zegt dat hallucinaties mogelijks ook surreële beelden weergeven, en niet noodzakelijk waanbeelden zijn. Men zegt dat een esthetische ontroering veroorzaakt wordt door het waarnemen van een realiteit die overeenkomt met ons onbewust surreëel verwachtingspatroon.

Situaties waarin gemakkelijker surreële ervaringen voorkomen zijn o.m. droom, gebed, meditatie, artistieke ervaringen zowel de creatieve als de observerende, euforische toestanden zoals massage, in de zon liggen en orgasme, parfums, symboliek en rituelen, uitputtingstoestanden en postvirale periodes, toxische toestanden bij druggebruik, sensoriële deprivatie, grootse multisensoriële ervaringen, surrealistische visuele en auditieve kunstervaringen, enz.

Deze voorkeursopties, als gevolg van een spirituele levensvisie en levensstijl, worden zichtbaar in de structurering van het leven: het handelen wordt doortrokken van de spiritualiteit.

Concrete vormen

De bedoeling van de verschillende vormen van spiritualiteitsbeleving is dus: het reële werkelijkheidsbeeld in ons bewuste te verruimen tot een surreëel.

Laten we eerst een lijst maken van concrete methodes die volgens de ervaringen van de mensheid spirituele ervaring schijnen uit te lokken, en deze lijst mettertijd trachten te rangschikken, en intussen de actieve bestanddelen ervan bloot te leggen.

Koans

In alle culturen, filosofieën, religies… komen ‘koans’ voor. In onze cultuur zijn er de bekende koan-achtige vragen: ‘Wat is de zin van het leven?’, ‘Bestaat God?’, ‘Wat is de werkelijke werkelijkheid?’, ‘Wie ben ik?’, …

Een koan is een uitspraak of raadsel in het Zen-boeddhisme met als doel de leerling te verwarren, door het denken met een zodanige paradox te confronteren, dat het denken op de achtergrond treedt ten opzichte van de directe waarneming/beleving. De zo te bereiken continue directe waarneming, zonder (voor)oordelen, wordt in het boeddhisme verlichting genoemd. Het gaat bij een koan niet zozeer om het oplossen van het raadsel, maar om het inzicht in het belang van de paradox, zowel de specifieke paradox van de koan zelf, als het bestaan van paradoxen op zich. Een koan kan dus enerzijds een vraag zijn, die het begrip van een leerling in de Zen op de proef stelt. Tevens kan een koan een uitspraak zijn van een Zen meester, of een antwoord op een vraag aan hem gesteld [bv. Wat is het geluid van één klappende hand.] (naar Wikipedia)

In een secundaire (conceptuele) context gebruikt men modellen als wetenschappelijke theorieën. Een model is steeds een vereenvoudiging van de werkelijkheid, waardoor het steeds mogelijk moet zijn om uitzonderingen en paradoxen te ontdekken. En koan verwijst naar zo'n paradox. Een paradox suggereert dus dat er aan de werkelijkheid nog meer dimensies zijn dan oorspronkelijk, binnen het model, vermoed. Het is dus meteen een uitnodiging om daarover na te denken, en de koan-ervaring zelf is surreëel, omdat het een onbeschrijflijke ervaring is (vanuit de secundaire illusie).

De antwoorden op deze vragen proberen we dan met ons denken op te lossen. Logisch en causaal redenerend. Maar dan zijn deze antwoorden altijd fout, want altijd ‘onaf’. De leermeester in het Boeddhisme stuurt zijn leerling dan terug: “opnieuw, want je hebt het niet begrepen”. Waarom? Omdat deze antwoorden steunen op ‘conceptueel denken’, terwijl koans beroep doen op ‘perceptueel denken’.

Met een koan wil men ons in de werkelijkheid plaatsen zonder dat we de werkelijkheid reduceren tot hetgeen wij er met rationeel denken over kunnen theoretiseren. Een koan vraagt naar een besef, een intuïtie, een beleven van de werkelijkheid. Een koan oefent dus ons perceptueel kennen (cf. esoterische kennis).

Andere ingrediënten:

  • theoretische teksten bestuderen die ons in een surreële sfeer brengen: Pierre Teilhard de Chardin, Leo Apostel
  • meditatief gebed dat steeds maar transcendenter wordt
  • aangrijpende muziek, vooral modernere zoals Arvo Pärt e.d.
  • van prachtige grootse natuurzichten genieten
  • de piekervaringen, zoals beschreven door Maslow
  • ongebruikelijke vormen van menselijk contact: lang zwijgend naast elkaar stappen (bv in een stormwind), elkaar minutenlang in de ogen kijken
  • repetitieve muziek

Toegepaste vormen

  • surreëel toneelstuk of film
  • in een opvallend mooie kathedraal of maçonnieke tempel komen
  • aangrijpende, vooral abstracte kunst
  • een prachtige liturgie / ritueel mee-beleven
  • alleen tussen ruïnes lopen
  • sommige klank- en lichtspelen, bv. in Egypte
  • mistige natuurzichten, gedempt licht
  • extreme situaties meemaken: een mijn bezoeken, waterval, Tibet, enz.

7. Waarin is een spiritueel geïnspireerd leven anders?

De vraag is of toegepaste spiritualiteit meer is dan een Spielerie, een aangenaam getinte subjectieve ervaring? D.w.z. zal een spiritueel geïnspireerd leven er, subjectief en objectief, anders uitziet dan het leven van mensen die geen werk maken van spiritualiteit?

Subjectief

Door het feit dat men bepaalde delen van de realiteit anders ziet door het spiritueel perspectief, voelt men ze wellicht ook anders aan:

  • sommige moeilijke levenssituaties, zoals zwaar lijden, levenseinde en dood, zien er anders uit
  • een frustratie wordt eerder beleefd als groei-uitdaging. Opgeven of eenzijdig afscheid nemen is meestal geen optie
  • men ziet vaak mogelijkheden waar men in het secundaire denken niet aandenkt. Want in secundaire sitiuatie evolueert men reactief d.w.z. probleem-oplossend, in het tertiaire pro-actief d.w.z. kans-aangrijpend
  • vooral als de frustratie van pogingen tot verbetering van iets zwaar worden, zodat elk ander mens wel zou opgeven, kan spiritualiteit aanmoedigen om verder te blijven proberen, niet dom of koppig, maar steeds op een verbeterde manier, overtuigd zijnde dat het eindelijk toch zal moeten lukken.
  • de medemens wordt niet beleefd als iemand die een potentiële bedreiging vormt voor het eigen geluk, maar als iemand die, zoals wij, kwetsbaar op zoek is naar zijn eigen geluk
  • een pijnlijk gebaar of actie van de medemens wordt niet beleefd als een aanval, maar als een kortzichtige poging om zelf wat gelukkiger te worden. We moeten hem/haar dus niet afstraffen of bespotten, maar proberen helpen om te komen tot methodes waardoor hij, zo mogelijk samen met ons, gelukkiger kan worden.
    Vader, vergeef het hen, want ze weten niet wat ze doen
  • ten opzichte van de dood, ziekte e.d. is er geen houding van angst of blind verzet, maar van diepe zekerheid dat men overgaat in een hogere vorm van bewustzijn.
  • er is een voortdurend besef dat alles altijd beter kan, niet als een soorrt obsessie, maar als een rustige, gelukkige zekerheid en continue opening voor iedeeën van anderen en van elders. Dit zowel voor wat betreft de eigen persoonlijkheid, rletaie, gezin en beroepsbeoefening, als voor de inzet in allerlei groepen en samenwerkingsverbanden.

Objectief

  • Sommige gedragspatronen en attitudes lijken eerder te behoren tot een bepaald, bv. flegmatisch karakter, of tot een bepaalde levensmentaliteit, bv. constructief denken.
  • Voor wie oppervlakkig kijkt, of vanuit een neurotische mentaliteit oordeelt, kunnen sommige attitudes eerder op een karikatuur lijken: bv. te onderdanig, te passief, utopisch i.p.v. idealistisch, enz., naïef..., bemoeizuchtig en betweterig ipv groeigericht, nooit tevreden ipv geestdriftig groeiend.

Auteurs: Marc Bittremieux en Kris Roose