4000-4999
Sites per thema:
psy0 algemeen
psy1 systemen
psy2 denken
psy3 brein
psy4 individu
psy50 diagnostiek
psy54 behandeling
psy6 optimaal
psy7 groepen
psy8 suboptimaal
psy9 optimaal

4301 Bewustijn en Denken

BEWUSTZIJN en DENKEN


1. De ontwikkeling van de hersenfunctie

 

Het Heelal (zie Teilhard de Chardin) wordt in zijn functioneren en in zijn evolueren steeds geleid door iets. Daar waar er in het begin (en voor de eerste vijf fasen, de zg. lithosfeer of fasen van de dode stof) geen georgansieerd leidend systeem bestaat (alles wordt bepaald door uitwendige, deels toevallige situaties die inwerken op de structuur der bestaande systemen), ontstaat er vanaf de biosfeer (fasen 6 tot 8, de zgn. biosfeer der levende stoffen) een centraal stuursysteem (CSS), dat niet alleen de structuur der wezens bepaalt, maar ook meer en meer hun gedrag. In het begin is dit CSS gewoon het centraal bijhouden van de vroegere "ervaringen" in structuur en gedrag, door de chromosomen en het genetisch apparaat. Dit CSS zit bij de eobionten en protozoa in de (cel)kern (DNA, RNA), en bij de metazoa in de hersenen, onder de vorm van een steeds grotere reeks instincten en reflexpatronen, die door de omstandigheden geactiveerd worden. [Kris 13.07.05]

Bij de metazoa (niveau 8, het hoogste van de biosfeer) verloopt de ontwikkeling van de hersenfunctie in 3 fasen:

  1. het reflexniveau: er is een toenemend aantal vaste reflexen en reactiepatronen (bv. nestbouw). De ontwikkeling ervn gebeurt volgens de algemene Darwiniaanse evolutiewetten. Deze gedragscodes worden erfelijk doorgegeven aan de volgende generatie.
  2. het leerniveau: hierbij is het mogelijk om nieuwe reflex- en gedragspatyronen toe te voegen aan het repertorium. Deze ontstaan door toeval in het individueel leven en, in minder sterke mate, door kopiëren van ouders en mededieren. In het gedrag der ouders zitten soms procedures om de leerkans van de kleintjes te bevorderen, bv. door hen te bestraffen bij bepaald gedrag, door hen voor et doen en te beschermen tijdns de leerfase. Bepaalde instincten kunnen de ontdekking van nieuw gedrag bevorderen, bv. zenuwachtig beginnen experimenteren in toestanden van angstig of geestdriftige opwinding.
  3. het bewustzijnsniveau: door de ontwikkeling van de frontale hersenen bij de hoogste primaten en bij de mens, kunnen menstale voorstellingen en experimenten nogelijk zijn, zodat de ervaring niet meer onontbeerlijk is. Ook bevordert de ontwikkeling van de taal zowel de overdracht van kennis naar de volgende genmeraties, als het ontwikkelen en benoemen van abstracte begrippen. Dit bewustzijn laat toe om, door denken en communiceren, een inwendig een beeld op te slaan van delen van de werkelijkheid die men niet zelf geobserveerd heeft. [Kris 13.07.05]

We kunnen spreken van ‘primitief bewustzijn’ en van (menselijk) bewustzijn. Het primitief bewustzijn hebben mensen gemeen met de zoogdieren. Het is het bewust zijn (weet/besef hebben) van dingen die direct nodig zijn om in leven te blijven en bewust zijn van de manieren waarop ‘pleziertjes’ worden gevonden en gerealiseerd. De instincten en de reflexen zijn door de band de opslagplaats van dit bewustzijn. Deze kennis wordt ook fylogenetische kennis genoemd. Heeft een dier dan geen (menselijk) bewustzijn? Eerder uitzonderlijk. Een dier heeft wel leervermogen, maar grof gesproken kunnen we stellen dat een dier genoeg heeft aan zichzelf. De wereld van het dier is gesloten.
Het (menselijk) bewustzijn overschrijdt dit primitief bewustzijn. Het voegt er iets aan toe. De mens (en sommige dieren in beperkte mate) kan namelijk gebruik maken van talige begrippen (concepten) om de werkelijkheid rondom zich te representeren in zijn denken. De opslagplaats van deze begrippen is het geheugen. Maar de mens kan met zijn bewustzijn méér dan alleen maar de werkelijkheid representeren: hij (zij) kan mentale bewerkingen maken met deze begrippen buiten de werkelijkheid om. In fantasie, in stapsgewijs redeneren, in deduceren… Hij kan zelfs dingen beredeneren die in de werkelijkheid niet bestaan, bv. berekeningen uitvoeren met ‘complexe’ getallen, waarbij ‘i-kwadraat’ gelijk is aan -1. Door zijn bewustzijn kan hoeft de mens dus niet altijd te experimenteren in de werkelijkheid, of alles zelf meegemaakt hebben, om kennis van iets te hebben.
De wereld van de mens is door zijn bewustzijn open. De mens heeft niet genoeg aan zichzelf. De mens is intentioneel betrokken op de werkelijkheid rondom zich. Hierdoor ontwikkelt hij levensvisies, moraal, samenlevingsafspraken, werktuigen. Hierdoor deelt hij tijd en ruimte in. Hierdoor verwerft hij encyclopedische kennis en kan hij rubriceren, catalogiseren, combineren, interpreteren,
Sommigen noemen elke vorm van CSS een vorm van bewustzijn, en dat is het ook, vermits er, eerst als hardware en later als software, een soort inwendig beeld bestaat van de (omgevende) werkelijkheid. Men kan ook de term bewustzijn beperken tot de hoogste, volledige vorm, en dat is het menselijk bewustzijn, waar er inderdaad voor het eerst in de evolutie een min of meer volledig inwendig beeld van de uitwendige werkelijkheid bestaat of toch kan bestaan. [Kris 13.07.05]


2. Het menselijke bewustzijn


Het verschil tussen de hersenen van mens en dier is de frontale hersenkwab. De functie van die kwab bestaat in het maken van projecties (inducties en deducties) vanuit het werkelijkheidsbeeld dat elders in de hersenschors bewaard wordt. Dit leidt tot verschillende nieuwe mogelijkheden:

  • het maken van abstracties, d.w.z. algemene tendensen in de werkelijkheid, natuurwetten. Dit is dus een stapje verder dan de gewone associaties die een dier maakt in een nieuwe omgeving.
  • het maken van veronderstellingen, d.w.z. werkelijkheidsbeelden over stukken van de werkelijkheid die (nog) niet werden geobserveerd. Dit gebeurt deels door deducties vanuit geïnduceerde hypothesen
  • het maken van plannen, creatieve ideeën, d.w.z. situaties die men wil bereiken, en ook morele kwoteringsprincipes. Het laat de persoon toe om proactief te leven, dus een doel na te streven, en niet enkel als een dier en doornee-mens te reageren op probleemsituaties.
  • hij kan zich ook inleven in andere situaties dan deze die hij actueel beleeft, en dus begrijpen wat er in anderen omgaat. Hij kan ook zichzelf relativerend bekijken. Hij heeft dus een zelfbewustzijn. [Kris 17.07.05]

Dit is het onderscheid dat Plotinus, en de Egyptische filosofie in het algemeen, maakten tussen ziel (ba, pneuma, anima) en geest (ka, psyche, nous, animus). Ook in het Corpus Hermeticum wordt hier vaak op gezinspeeld. Plant en dier hebben slechts een ziel, en leven reactief, d.w.z. ze volgen de instructies van hun instincten die geactiveerd worden door probleemsituaties. Hun gedrag is in grote mate voorspelbaar, en ze laten de wereld achter zoals ze hem gevonden hebben. Ze hebben enkel het wiel des bestaans draaiende gehouden. Slechts de mensen die tot volle bewustzijn komen via gnosis, spiritualiteit, en creatief engagement t.o.v. de wereld rondom hen, hebben ten volle hun geest ontwikkeld, en leven ernaar. De bedoeling van een Gnostisch Genootschap is dus: bij zijn leden de Ka wekken en levendig houden.

Het zelfbewustzijn is de hoogste functie van het menselijk bewustzijn. Het is jezelf als een onderscheiden ‘ik’ zien. Het is jezelf als onderwerp van je denken kunnen nemen. Het is jezelf als een zelfstandig wezen bezig zien in een bepaalde tijd-ruimtelijke context.

Als je immers openstaat op de werkelijkheid buiten jezelf, kan je je inleven in de andere. Dan kan je het perspectief van de ander innemen. Dan kan je jezelf zien functioneren. Je kan boos worden. Je kan je ergeren omdat je om iets futiels zo boos kan worden. Je kan je dan verwonderen over het feit dat je je kan ergeren over je boosheid. Met andere woorden: de mens kan vanuit een meta-positie naar zichzelf kijken. Het is alsof je nog een oog hebt ergens boven op een podium achter je dat naar jezelf kijkt en je je positie influistert. Daardoor heeft de mens ‘weet’ van zijn positie in de werkelijkheid en kan hij, op het moment zelf, zijn positie bijsturen. Hij kan daardoor op het moment innerlijk de keuze maken om bv. te doen alsof. Bovendien weet hij ook dat hij (iets) weet, hij ziet dat hij (iets) ziet, … De mens kan zichzelf vergelijken met anderen.

De effecten van het zelfbewustzijn (het kunnen innemen van die meta-positie) is dat de mens, als enig wezen, schaamte en schuldgevoel kan ervaren, en fierheid, verantwoordelijkheidsbesef, generositeit, wroeging, verontwaardiging, binnenpretjes, … Heel wat ethische gevoelens en houdingen komen hieruit voort. Maar meer dan dat: de mens kan hierdoor relativerend denken, hij kan zichzelf plaatsen op de tijdsas van verleden-heden-toekomst. Ook het besef van absurditeit is een van de effecten van het zelfbewustzijn. Zonder zelfbewustzijn heeft de mens geen onrustigmakend gevoel dat hij onwaardig, onnuttig en zinloos leeft.

Ook de spiritualiteit is een effect van het zelfbewustzijn. De spiritualiteit is het vermogen van de zelfbewuste mens om te antwoorden op het besef van absurditeit. Het is zien dat er meer is in de werkelijkheid dan wat we aan de oppervlakte zien, horen, voelen, ruiken… dat de werkelijkheid meer is dan wij met ons verstand over die werkelijkheid kunnen vatten.

Door het zelfbewustzijn voelen we aan, benoemen we voor onszelf dat wij ons leven niet zelf maken, maar dat het leven ons ontglipt, dat er in ons, door ons, ondanks ons ‘iets’ ons doet leven. Het leven overkomt ons (elke vorm van nieuw leven, nieuwe kans, nieuwe hoop). Het lijden overkomt ons (elke vorm van dood, verbittering, onmacht, rechteloosheid). De liefde overkomt ons (elke vorm van genegenheid, vriendschap, verliefdheid, groei in relaties, onvoorwaardelijke trouw). Al deze dingen hebben wij niet in de greep, zijn nauwelijks te manipuleren. We begrijpen dit dus nauwelijks, maar ze stemmen de mens tot verwondering, dankbaarheid, inkeer, loyauteit, maar leiden ook wel tot dofheid, onmacht en de grote schreeuw ‘waarom’, ‘waarom ik’?.

Door ons zelfbewustzijn kunnen we ons in een meta-positie plaatsen en zo kunnen we eigenlijk zien dat er een Mysterie achter, in, overheen de banale werkelijkheid schuilgaat. Dit Mysterie kunnen we niet conceptueel kennen, wel perceptueel. Al zijn velen het niet gewoon om het te zien, maar álle mensen beleven dit Mysterie, deze Werkelijkheid, deze Kosmos, deze Geest. Meermaals dus onbewust. Maar wie door anderen geprikkeld wordt en daardoor zichzelf hiertoe bewust openstelt (en ėaarvoor moeten tegenwoordig heel wat ‘moderne’ mensen hun wetenschappelijk fundamentalisme – alleen wat ik empirisch kan toetsen is de moeite van het onderzoek waard – durven overstijgen) kan expliciet spiritueel leven: hij besteedt op een overwogen wijze momenten van ‘denken, voelen en doen’ aan de werkelijkheid die achter het alledaagse ligt en die het alledaagse eigenlijk draagt. Hierdoor wordt deze mens omgevormd. Hij gaat anders gaan leven: milder, vuriger, onthechter, wijzer, helderder van geest, grootmoediger, fijngevoeliger, … in de richting van het ‘tertiaire’. Deze omvorming is een levenslang proces van groeien en integreren.


3. Kennis: aspecten van de werkelijkheid



Ik ga ervan uit dat de normale geestesinhoud niet de volledige realiteit weergeeft zoals die echt is. Reeds Plato gaf dat aan met zijn Mythe van de Grot: de mens ziet slechts de weerkaatsingen van de werkelijkheid tegen de muren van een donkere grot. Zoals het daglicht een diaprojectie of een filmbeeld verbleekt, zoals de waargenomen illusie dat de aarde plat is ons verhindert om te beseffen dat zij eigenlijk rond is, zoals we slechts de elektromagnetische golven zien tussen rood en violet, en de klanken horen tussen 50 en 20.000 Herz, hoewel er nog veel andere lichtfrequenties en klanken zijn, zo hindert de waarneming van de banale realiteit ons wellicht om de realiteit te zien zoals ze echt is. Daarom gebruikt men in de psychologie het begrip surrealiteit: dit is een versie van de realiteit, uiteraard bestaande uit elementen van de dagelijks waaargenomen realiteit, maar met proporties, dimensies, betekenissen, evolutietrends, enz. die we niet of slechts zeldzaam vermoeden.

Laten we afspreken dat surreëel de werkelijkheid beschrijft zoals ze echt is, terwijl transcendent elke belevingstoestand is die geprojecteerd is vanuit ons actueel, "realistisch" werkelijkheidsbeeld. Dus alles wat surreëel is, is transcendent, maar niet alles wat transcendent is, is surreëel. We gaan er hierbij van uit dat indrukken van buiten nooit zuiver worden weergegeven, maar altijd geïnterpreteerd en vervormd zijn door de reeds bestaande herseninhoud.

De kennisneming van de werkelijkheid door ons bewustzijn is een proces. In het begin nemen we enkel de omgeving rondom ons waar. Hoewel zich dit observatieveld voortdurend uitbreidt, zijn er steeds stukken die we moeilijk of nooit zullen kunnen waarnemen: het verleden, de toekomst, de uiteinden van de kosmos, onobserveerbare fenomenen die buiten het bereik van onze zintuigen vallen, enz. Ons frontaal denkvermogen laat ons echter, in tegenstelling tot de dieren, toe om vanuit het gekende zaken te projecteren, tereconstrueren die we nooit observeerden. De intermenselijke communicatie, boeken, media e.d. helpt ons voor de rest. Maar hoe veel we ook projecteren, ons werkelijkheidsbeeld is nooit compleet, en bij projecties maken we bijna altijd simplistische veralgemeningen (zoals "de aarde is plat"). [Kris 13.07.05]

De totale werkelijkheid rondom ons, die de zin van ons bestaan en onze levenopdracht bepaalt, bestaat uit delen die we bewust kennen (o.m. de wetenschappen, het verleden, het heden), delen die we onderbewust vermoeden (o.m. wat zich in de geest afspeelt), en delen die we nog niet vermoeden, waar we dus nog onbewust van zijn, maar die toch belangrijk zijn of kunnen worden voor ons (o.m. onbekende natuurverschijnselen en -wetten, uitvindingen die ooit nog zullen gebeuren en hun toepassingen). Het onderwerp van de spiritualiteit is al datgene dat nog onbewust en grotendeels onderbewust is, dus alles wat het bewuste transcendeert. Spiritualiteit is het geheel der activiteiten (intellectueel, symbolisch, ritueel, artistiek) die we beleven om toch zoveel mogelijk dat transcendente, dat surreële aan te voelen.

Conceptuele kennis is die kennis waarmee we de werkelijkheid omschrijven. Hiervoor gebruiken we taal. We ‘begrijpen’ aspecten van de werkelijkheid en vatten ze in ‘begrippen’. Deze kennis is overdraagbaar aan anderen.

Perceptuele kennis is die kennis die we van de werkelijkheid hebben doordat we vertrouwd zijn met iets of ermee bekend zijn doordat we het zelf beleefd hebben. Deze kennis is niet-conceptueel en dus niet afhankelijk van de taal. Een man kan bv. nooit perceptueel weten wat en hoe het is om een kind te baren. Een moeder ‘weet’ dat wel. Maar als ze erover spreekt schieten woorden tekort. Een andere moeder ‘weet’ wel waarover ze spreekt, maar ‘au fond’ kunnen haar woorden de ervaring niet vervangen of overbrengen. We kunnen er boeken over schrijven en lezen: allemaal conceptuele kennis. Maar met nog geen honderd boeken kan je de beleving van de barenspijn en de erop volgende intense vreugde van binnenuit ‘verstaan’ of voelen.

Ook onze waarneming is veel meer perceptueel dan conceptueel. Een voorbeeld: we kunnen honderden mensen herkennen van gezicht (perceptuele kennis), maar we zijn niet in staat (vanwege de beperktheid van onze concepten en onze taal) om honderden verschillende beschrijvingen van deze gezichten te geven.

Achteraf beschouwd, vind ik de term 'perceptuele kennis' toch niet zo geslaagd, omwille van de mogelijke verwarring. 'Perceptueel' verwijst naar 'waarneming' en dus naar zintuigen. Maar eigenlijk is 'perceptuele kennis' een ruimer begrip dan 'conceptuele kennis'. Dit laatste is de perceptuele kennis die we, via taal, in concepten, in ideeën kunnen verwoorden en overdragen op anderen. Wellicht is de term 'spirituele kennis' (of gnosis) toch beter geschikt om aan te geven dat er voorbij de rationele kennis (conceptuele kennis) een vorm van 'kennen' (niet 'kennis') bestaat: een kennen van het 'surrationele', een kennen van het Mysterie, een kennen met het derde oog (zie: Marcs website) [Marc 26.07.05]


4. Een driedimensionele benadering van de werkelijkheid [Marc 07.09.05]


e

Marc leidt het gesprek in aan de hand van de teksten over Bewustzijn? en over Spiritualiteit?. De volgende elementen werden aangebracht:

  • Oppositiestelling 1: 'van binnenuit leven (of spiritueel leven)' vs. 'je laten leven (door media, reclame, show, ...)'.
  • Oppositiestelling 2: 'conceptueel' denken vs. 'perceptueel' denken.
  • Wat is bewustzijn? Het onderscheid van menselijk bewustzijn met een 'technisch registratie-apparaat, zoals een fototoestel' wordt opgesomd. (Een fototoestel maakt geen verbinding met zichzelf; kent geen verleden, heden, toekomst; heeft geen visie op de werkelijkheid als geheel; ...)
  • Wat is zelfbewustzijn? Zelfbewustzijn is moeilijk te definiëren. Het begrip 'meta-positie' (zie: menselijk bewustzijn?) is wellicht een helderder begrip. Vanuit het zelfbewustzijn/de meta-positie komt de mens o.a. tot het besef van 'absurditeit'. Maar vanuit dat zelfbewustzijn/de meta-positie kan ook gaandeweg een antwoord op dezinledigheid geformuleerd worden. En dit is in feit het ontwikkelen van een spiritualiteit.
  • Marc verbindt de definitie van 'Spiritualiteit' met de vier kernwoorden van ons genootschap: inzicht - creativiteit - realisatie - integratie.
  • Een goede visie op spiritualiteit moet ook 'evolutie' en 'groei' in kaart brengen. Hiervoor schetst Marc zijn kubus-model. (Het is dus ook 'slechts' een model.)
    • De kubus is de gehele Werkelijkheid (realiteit en surrealiteit).
    • Doorheen de kubus (Werkelijkheid) loopt een doorsnede (met een deel binnen en een deel buiten de kubus): de levensbeschouwing die iemand heeft. Het deel binnen de Werkelijkheid is 'echt', het deel erbuiten is 'magische', 'mythische', 'fantasmatische' extrapolatie (zoals we dat bij vele godsdiensten aantreffen: hemel, hel, ...). De wetenschap, de rationaliteit, de 'gezonde' mysticiteit, ... betracht het 'deel buiten de kubus' in te perken, te toetsen, te ontnuchteren, ...
    • Die doorsnede kan vooraan in het vlak gebeuren of opschuiven naar achteren (of van links naar rechts, of van onderen naar boven). Dit is de evolutie die een mens meemaakt. Vandaar dat het vaak zo moeilijk is een levensvisie (doorsnede op de Werkelijkheid) te 'verstaan' die verder in de evolutie ligt. (Cf. wie magisch denkt, heeft niet de mogelijkheid zijn eigen magisch denken rationeel te overdenken.)


(N.B. je kan deze schetsen beter lezen als je er met de rechterknop op klikt en dan kiest voor 'afbeelding bekijken')

  • Verdere elementen van dit kubus-model:
    • Er zijn drie dimensies in dit model. Mensen evolueren van 'weinig' rationeel naar 'meer' rationeel, van 'weinig' mysticiteit naar 'meer' mysticiteit, van 'weinig' naturaliteit naar 'meer' naturaliteit. Deze drie woorden komen uit het model van Prof. Libbrecht (Comparatieve filosofie) en komen hier toch wat 'gekunsteld' over. [Wat is trouwens evolutie in 'naturaliteit'? Bv.: 1. Samenvallen met de natuur, zoals dieren enkel in hun biotoop kunnen overleven - 2. Loskomen van de natuur en de natuur tot cultuur maken - 3. Hernieuwde verbondenheid met de natuur: ecologisch bewustzijn (???)]
    • Als je dan die drie dimensies samenbrengt, krijg je een gegolfde doorsnede van de Werkelijkheid, ergens tussen links-onder-vooraan (als alfa-punt) naar rechts-boven-achteraan (als omega-punt), waarbij het 'gegolfd'-zijn aangeeft dat we in eenzelfde levensfase niet altijd even rationeel of even mystiek zijn...
    • Kris doet het voorstel deze drie woorden te wijzigen in: denken - voelen - doen.
    • Tevens ontbreekt in de huidige schets van dit model: Hoe evolueer je? Hoe evolueer je op een voldoende-gezonde wijze' - De noodzakelijke openheid naar 'nieuwe kennis' is hier moeilijk in kaart te brengen