4000-4999
Sites per thema:
psy0 algemeen
psy1 systemen
psy2 denken
psy3 brein
psy4 individu
psy50 diagnostiek
psy54 behandeling
psy6 optimaal
psy7 groepen
psy8 suboptimaal
psy9 optimaal

4310 Magisch Denken

HET MAGISCH DENKEN

SITUERING

Elke mens doorloopt de diverse stadia van het magisch over mythisch naar rationeel functioneren. Hij heeft namelijk een aangeboren neiging, gesitueerd in zijn frontale hersenen, om zich van de omgeving een verklarend model te bedenken. Naargelang zijn ervaring en inzichten toenemen evolueert dit werkelijkheidsmodel van zeer simplistisch naar zeer realistisch. De opeenvolgende fasen zijn: magisch, mythisch, rationeel en spiritueel of postmodern. In het Westen functioneren heel wat mensen, met voldoende scholing, voornamelijk op het rationele niveau.


BEPALING

Magisch denken is het hanteren van een zeer simplistisch werkelijkheidsbeeld, waarbij men veronderstelt dat achter (bijna) alles wat leeft, beweegt en belangrijk is een bovennatuurlijke kracht zit, en zelfs dat 'alles leeft', dat 'alles' (ook het levensloze) invloed op de persoon heeft.

Dit komt zowel voor bij individuen en opgroeiende mensen als bij culturen. Bij zware stress is een neiging om terug te keren naar een primitievere denkwijze: regresseren.


KINDERLIJKE UITINGSVORM

Het stadium van het magisch functioneren herkennen we vooral bij jonge kinderen van 3-4-5… jaar. Maar sommige jongeren en volwassenen blijven in hun omgaan met de werkelijkheid voornamelijk magisch functioneren. En wellicht zal ieder van ons met momenten nog handelen volgens kenmerken van het magische functioneren. Dit gebeurt vooral op momenten van grote stress, zware tegenslag, depressie en lichamelijke pijn, …


MAGISCHE INTERPRETATIES

De magische benadering van de werkelijkheid levert een wereldbeeld op dat bezield en bewoond is door zoveel ‘kinderlijke ideeën’: feeën, kabouters, trollen, spoken, geesten (engelen), verschijningen (van de H. Maagd), kosmische signalen, …

Nog een typisch kenmerk: wie magisch functioneert voegt ‘toevallige’ dingen samen tot ‘wezenlijke verbanden’. Er is geen correcte logica tussen oorzaak en gevolg. Gedachten en woorden hebben een ‘activerende’ kracht. (Denk aan voodoo, kerkelijke rituelen, aangeprate schuldcomplexen, ...)

Enkele voorbeelden:

  • Vertellen over een ongeval aan een reisgenoot in de wagen, krijgt een afwerende reactie: ‘zwijg, of …’ (of ons overkomt dit ook).
  • Jantje krijgt van grootvader onder zijn voeten omdat hij in de werkplaats met tangen bezig was. Jantje wordt gestraft en is daardoor zeer boos en fluistert: ‘Opa dood’. Enkele dagen later krijgt grootvader een hartaanval. Jantje denkt dat zijn woorden de dood van grootvader veroorzaakt hebben en hij voelt zich daardoor heel schuldig.
  • “Alles” kan dus magisch functionerende mensen ‘beïnvloeden’''. Zij moeten dan ook de juiste rituelen volgen, anders overkomt hen een ongeluk… Daartoe hebben zij dan ook geluksbrengers nodig: een mascotte, een talisman, een totem, een bepaald voorwerp.
  • Wie in grote mate magisch functioneert, doet dat zowel in zijn denken (als je hier van ‘denken’ mag spreken – misschien is de term ‘bewustzijnsniveau’ beter geschikt), in zijn voelen en in zijn handelen. Het is alsof de persoon ‘gevangen’ zit in zijn benaderingswijze van de werkelijkheid en onmogelijk niet-magisch kan functioneren. Hij kan alleen maar  'denken'. Hij zit als het ware ingekapseld en kan dan niet op zichzelf terugblikken en zichzelf als ‘magisch’ betitelen. Hij kan de logische (rationele) argumenten van anderen niet inpassen in zijn magisch wereldbeeld. Soms lukt het wel eens dat zo'n persoon door de verstandelijke argumenten rationeler tegen de werkelijkheid aankijkt, maar heel vlug keert die persoon terug naar zijn ‘magisch bewustzijnsniveau’.


EMOTIONELE UITINGEN

Wie ‘magisch functioneert’ projecteert in levensloze dingen en situaties ‘leven’, ‘gevoelens’, ‘zelfstandige bedoelingen’,

Enkele voorbeelden:'

  • Een stoel waar men tegen loopt, wordt een ‘stomme stoel’.''
  • Als de wagen niet start (door geen wintervoorbereidingen te treffen), klopt men op het stuur met de gedachte: ‘stomme auto’.
  • Een buiten de oevers tredende rivier, wordt ‘woest’ genoemd, alsof de rivier kwaad is en de mens wil straffen.
  • Orkanen, zoals Katrina en Rita, ‘leven’, worden ‘bezworen’ met rituelen.
  • De maan volgt je echt als je ’s nachts op stap bent.


MAGISCHE STRATEGIEEN

Wie magisch functioneert is ervan overtuigd dat de hele wereld ‘leeft’, dat alles (voorwerpen, planten, dieren, schaduwen, woorden, …) een ‘eigen bestaan’ leiden, als het ware bewoond door een soort ‘geest’. Van elke gebeuren, van elke handeling, van elke samenloop van omstandigheden, van elk vormgeving aan iets, ... kan dus een dreiging uitgaan. ‘Overal loert gevaar’, zingt Bram Vermeulen in zijn lied: ‘Daar loopt een doodgewone jongen’. Ook hoe je daarmee omgaat, bepaalt geluk of ongeluk: hoe je loopt, hoe je spreekt, hoe je iets na elkaar doet, hoe je in je bed kruipt, hoe je…


Enkele voorbeelden:

  • Niet op de naden van de stoepstenen durven lopen.
  • Niet onder een ladder durven doorlopen.
  • Enkel op de witte strepen van het zebrapad stappen.
  • Je been niet uit het bed durven laten hangen.
  • Je goed voelen hangt af van je uiterlijke opsmuk (het dragen van bepaalde juwelen).
  • ‘Als ik driemaal een witte wagen zie, slaag ik voor mijn examen.’
  • Ergens naar op stap zijn en elke telefoonpaal (op een bepaalde wijze) aanraken.
  • Het verboden achten om op bepaalde momenten om te kijken (bv. als je voor een deur staat).
  • Iets in je broekzak hebben (konijnenpoot, klavertjevier, …) om geluk af te dwingen.
  • Denk aan al de bizarre gedragingen van topsporters: een kruisje maken, altijd met eenzelfde been eerst op het veld stappen, bij wedstrijden altijd eenzelfde slipje aan hebben, ..
  • Een palmtakje op de vier hoeken van een akker planten, of in de schuur hangen, of achter het kruisbeeld.
  • In de wagen een St-Kristoffel-medaille hangen.

DE OVERGANG MAGISCH-MYTHISCH’

Dit is een geleidelijk ‘ontmaskeringsproces’. Anderen trekken het magisch functionerende kind uit zijn ‘bezielde’ omgang met de werkelijkheid. Denk bv. hoe kinderen een twijfelproces doormaken vooraleer ze ‘aanvaarden’ dat het moeder en vader zijn die Sinterklaas ‘spelen’. Het eigen uitdagingsspel door het kind zelf is vaak zeer effectief. En dan gebeurt iets bijzonders: eenmaal het besef doorgedrongen is dat 'niet alles' leeft en invloed uitoefent, kan je het kind niet meer wijsmaken dat iets toch nog magische invloed heeft, zoals je dan ook niet meer kan beweren dat Sinterklaas ‘écht’ bestaat. Er zijn jaren nodig (heel het lagere onderwijs) om het magisch (en mythisch) functioneren van het kind ‘uit te dagen’. Opvoeders (en onderwijs) hebben hierin een belangrijke taak.