4000-4999
Sites per thema:
psy0 algemeen
psy1 systemen
psy2 denken
psy3 brein
psy4 individu
psy50 diagnostiek
psy54 behandeling
psy6 optimaal
psy7 groepen
psy8 suboptimaal
psy9 optimaal

4410 Intellectuele Ontwikkeling (Piaget)


INLEIDING

Misschien het meest invloedrijke werk met betrekking tot hoe de intellectuele ontwikkeling plaatsvindt is die van Jean Piaget. Piagets (1952) werk had in hoofdzaak betrekking op het gebied van de cognitie; hij besteedde weinig aandacht aan de emoties en beweegredenen van kinderen. Het centrale thema is een zich ontwikkelende  “intelligentie” of “logica” die verschillende vormen aanneemt gedurende het verloop van de ontwikkeling. Het is een fasentheorie over ontwikkeling. Een fase impliceert een innerlijke consistentie en harmonie tussen alle cognitieve functies binnen een zeker niveau van ontwikkeling. Het impliceert ook discontinuïteit, dwz dat iedere opeenvolgende fase kwalitatief is te onderscheiden van de andere die eraan vooraf ging, zelfs als de overgang van de ene fase naar de andere gebaseerd is op en elementen bevat van een eerdere fase.

Piaget verdeelt de cognitieve ontwikkeling in vier te onderscheiden fasen: de sensomotorische fase (van geboorte tot twee jaar), de pre-operationele fase ( van twee tot zes of zeven jaar), de fase van de concrete operaties (van zes tot zeven tot ongeveer elf) en de fase van de formele operaties (vanaf ongeveer twaalf jaar). Het hoofdkenmerk van de sensomotorische fase is dat het kind slechts een beperkte mogelijkheid heeft om de kennis over de wereld te berde te brengen en te begrijpen en dus te denken.

Echter, het kind leert de omgeving te kennen door voortdurende activiteit, exploratie  en manipulatie. Kinderen leren geleidelijk over object permanentie, dwz de continue aanwezigheid van een object dat ook buiten beeld is. Gedurende de tweede fase, de preoperationele, vormt het kind innerlijke beelden van de wereld – symbolisch spel, beelden, taal, en tekenen – en kan ermee handelen alsof ze echt zijn. Binnen de fase van de concrete operaties is het kind nu in staat om en beperkt aantal logische processen uit te voeren, in het bijzonder als dit met concrete materialen kan gebeuren, zoals bijv. blokken sorteren. Het begrip is echter nog steeds afhankelijk van concrete ervaringen met gebeurtenissen en objecten, meer dan met abstracte of hypothetische begrippen. Vanaf twaalf jaar, wordt gezegd dat mensen in de fase van de formele operaties zijn, met de mogelijkheid om logisch te redeneren en om abstracte hypothesen te formuleren en te testen.

Piaget’s algemene mechanisme voor het vormen van kennis is evenwicht, de oplossing voor cognitieve ongelijkheid door een nieuwe uitgebalanceerde organisatie op een hoger niveau. Evenwicht vereist twee processen – assimilatie en accommodatie. Als kinderen zich ontwikkelen, integreren ze verschillende schema’s in georganiseerde, omvattende kennispatronen, die klaarblijkelijk een coherente visie op zichzelf en de wereld vormen.

Piaget ziet ontwikkeling als een interactie tussen fysieke rijping  (organisatie verandert in anatomie en fysiologie)  en ervaring. Door deze ervaringen, construeren kinderen kennis en begrip – waaruit het concept van het constructivisme en het paradigma van de constructivistische pedagogiek en leerplan voortkomt. In deze benadering, strookt het leerplan met de belangstelling van de leerling, bouwt nieuwe informatie en ervaringen op de eerdere kennis en ervaring. Het bouwt op de kinderlijke onmiddellijke nieuwsgierigheid en initiatief. Zoals Kamii (1990) naar voren brengt, als nieuwsgierigheid en initiatief aanwezig zijn, weten we dat er mentale activiteit plaats vindt.

Piaget’s theorie plaats actie en zelfgestuurd probleem oplossen in het centrum van leren en ontwikkeling. Door het handelen binnen de wereld ontdekt de leerling hoe deze te controleren.

Piaget’s theorie is de laatste jaren onder toenemende kritiek komen te staan in het bijzonder m.b.t. zijn gezichtspunt op  de fasen en egocentrisme, zijn nadruk op de incompetentie van kinderen en het geen aandacht besteden aan culturele en sociale aspecten (Grause en Walsh, 1998). Donaldson (1978) heeft overtuigend aangetoond dat Piaget de cognitieve mogelijkheden van kinderen op een aantal terreinen heeft onderschat. Zoals vele post-Piagetiaanse onderzoekers hebben aangetoond zijn kinderen cognitief tot veel meer in staat dan was aangenomen. De huidige stand van zaken m.b.t. het kader voor de sociaalcognitieve theorie is dat geslachtsspecifiek gedrag het resultaat is van de interactie tussen de omgeving en de sociale kennis van het kind  en de ontwikkeling van cognitieve structuren. Gedurende hun individuele ontwikkeling, leren kinderen eerst door een extern reguleringsproces, gevolgd door een proces van zelfregulatie.

Piaget onderscheidde drie mechanismen waarmee kennis vergaard wordt: assimilatie, accommodatie en equilibratie. Volgens Piaget bestaat kennis uit structuren (de termen schema's, schemata, systeem gebruikte hij ook wel eens). Een structuur kan een andere structuur assimileren; de assimilerende structuur neemt de geassimileerde structuur in zich op. Een voorbeeld hiervan is het interpreteren van een willekeurige kerktoren (de geassimileerde) door de structuur voor kerktorens (de assimilator). Accommodatie is de verandering van een structuur als gevolg van het assimileren; de kerktoren-structuur past zich ook aan aan de huidige kerktoren. Deze beide mechanismen dienen voor een gezonde ontwikkeling in een evenwicht te zijn, en daar zorgt equilibratie voor.

Als gevolg van assimilatie en accommodatie ontstaan er tijdens de ontwikkeling steeds complexere structuren. Piaget was ervan overtuigd dat fundamentele eigenschappen van kennis ervoor zorgen dat ontwikkeling zich in verschillende (meestal vier) niveaus manifesteert. Er bestaan volgens Piaget dan ook kwalitatieve verschillen tussen kinderen die zich in verschillende niveaus bevinden. Piaget wist vrij nauwkeurige leeftijdsgrenzen vast te stellen voor deze niveaus, al zijn andere wetenschappers er nog niet over uit of ze wel echt bestaan...

De Zwitserse psycholoog Piaget deed veel onderzoek naar het denkproces. Hij werkte mee aan de ontwikkeling van een intelligentietest voor kinderen. Het viel hem daarbij op dat kinderen van dezelfde leeftijd steeds dezelfde soort foute antwoorden gaven op vragen die hij stelde. Hiermee was zijn interesse voor de ontwikkeling van het denkproces gewekt. Hij bedacht vervolgens een theorie die verklaart hoe de cognitieve ontwikkeling, het denkproces, bij kinderen verloopt.

Piaget stelde een theorie op over de cognitieve ontwikkeling. De basisbegrippen uit zijn theorie:

  1. Schema
  2. Assimilatie en accomodatie
  3. Evenwicht 

1. SCHEMA

Een schema is een vereenvoudigde voorstelling van iets.

Als je een ruimte anders wilt inrichten, kun je in een schema weergeven hoe je het ongeveer wilt hebben. Je maakt een plattegrond en tekent de tafels, de stoelen, en de kasten. Natuurlijk teken je niet de hele audio hoek met alles wat erop en erin staat. Je tekent een symbool of je schrijft er een woord voor op , op je plattegrond. Aan de hand van dat schema overleg je over de inrichting. Op papier kun je net zo lang schuiven totdat je de ideale indeling hebt gevonden.

Iets dergelijks gebeurt ook in de hersenen. Voor alles wat je waarneemt bestaat een innerlijk schema. Bij alle informatie die binnenkomt wordt het bijbehorende schema gezocht.
Een baby heeft nog maar heel weinig schema's tot zijn beschikking. Hij heeft bijvoorbeeld een grijpschema en een zuigschema. Door middel van ervaring moeten die schema's steeds worden aangepast.

Voorbeeld: Marcel speelt in de verhoogde box. Hij grijpt naar een bal en wil erop zuigen. Dat gaat niet zo lekker en hij laat hem weer vallen. Dan ziet hij de bal stuiteren, dat wekt zijn interesse. Hij herhaalt dit spelletje keer op keer. Hij gaat het ook met andere voorwerpen uitproberen. Hij ontdekt zo dat er stuiterdingen en niet-stuiterdingen zijn. Zo ontstaat een nieuw schema: het stuiterschema.

Een schema geeft niet alleen aan hoe iets eruitziet, maar ook wat je ermee kunt doen. In de loop van de ontwikkeling beschikt een kind over steeds meer schema's waartussen relaties ontstaan. Daarmee is gecompliceerd gedrag mogelijk. Zo beschikt een baby in eerste instantie over een kijkschema en een grijpschema waar geen verband tussen bestaat. Pas als een baby daar een relatie tussen aanbrengt, komt hij tot oog-hand-coördinatie. Piaget noemt de structuur die zo onstaat de cognitieve structuur. Dankzij de cognitieve structuur weten wij, denken wij en kunnen wij bewust handelen. 

2. ASSIMILATIE EN ACCOMODATIE

Ieder mens wil volgens Piaget in evenwicht zijn met zijn omgeving. Twee processen spelen daarbij een rol:

Assimilatie: de waarneming aanpassen aan de innerlijke schema's

Accomodatie: de schema's aanpassen aan de waarneming

Dat wat je waarneemt moet passen in je cognitieve structuur. Klopt dit niet met de schema's die je hebt, dan kun je de waarneming zo aanpassen dat het wel klopt. Assimileren noemt Piaget dat.

Voorbeeld: De zevenjarige Franka is gek op Sonja die sinds kort stage loopt op de buitenschoolse opvang. Sonja staat altijd voor je klaar, wil altijd een spelletje met je doen als je daarom vraagt en is altijd vrolijk. Franka merkt niet eens op dat Sonja ook weleens wat minder enthousiast reageert. Pas als dat vaak gebeurt merkt ze dat er iets niet klopt met het beeld dat ze van Sonja heeft. Sonja is nu goed ingewerkt en doet niet meer alles wat de kinderen van haar vragen. 'Probeer het eerst maar eens zelf', krijgt Franka steeds vaker van haar te horen.

De nieuwe Sonja past niet meer in het schema 'Altijd Vrolijk, staat altijd klaar'. Het gebeurt nu te vaak dat Sonja daarvan afwijkt. Assimileren is niet meer de oplossing, er moet iets anders gebeuren. Tot nu toe heeft Franka de informatie van buitenaf aangepast aan haar schema. Maar nu zal ze haar schema moeten aanpassen. Accomoderen noemt Piaget dat. Het schema dat bij Sonja hoort wordt nu: Áardig, maar doet niet alles wat je vraagt'. Bij accomoderen past het kind dus zijn innerlijke schema aan. Zo ontstaan steeds nieuwe schema's. Een kind kan zo steeds ingewikkelder waarnemingen doen en zijn gedrag wordt steeds gevarieerder.

3. EVENWICHT

Het streven naar evenwicht is de motor van ontwikkeling.

Als de waarneming niet meer kan worden opgenomen in het innerlijke schema dan is het evenwicht verbroken. Het kind streeft er vervolgens naar om het evenwicht te herstellen. Er ontstaat zo een nieuwe cognitieve structuur. Dankzij die nieuwe structuur begrijpt een kind meer van zijn omgeving. Zijn gedrag wordt gevarieerder. Dat zie je aan zijn spel. Als gevolg van dat nieuwe gedrag doet een kind nieuwe ervaringen op, ervaringen die niet in zijn bestaande schema's passen. Het evenwicht is dan opnieuw verbroken en het hele verhaal begint weer van voor af aan. De ontwikkeling komt zo op een steeds hoger plan.