4000-4999
Sites per thema:
psy0 algemeen
psy1 systemen
psy2 denken
psy3 brein
psy4 individu
psy50 diagnostiek
psy54 behandeling
psy6 optimaal
psy7 groepen
psy8 suboptimaal
psy9 optimaal

4430 Ontwikkeling volgens Erikson


Levenstaak, deugd en psychoanalytische fase:

Zuigeling (0-18m): vertrouwen/fundamenteel wantrouwen = hoop = oraal

Peuter (18m-3j): autonomie / schaamte, twijfel = wil = anaal

Kleuter (3-5j): initiatief / schuldgevoel = doelgerichtheid = oedipaal

Basisleerling (6-12j): vlijt / minderwaardigheid = competentie = latentie

Adolescent (12-18j): identiteit / identiteitsverwarring =  trouw = ?

Jongvolwassene (18-35j): intimiteit / isolement = liefde = genitaal

Rijpe volwassene (45-60j): generatief /stagnerend = zorg =?

Oudere (60j-): ego-integer/ wanhopig = wijs = ?


De theorie van Erikson valt onder de categorie van de Ego-psychologie en is verwant aan die van Freud. De theorie van Erikson laat die van Freud ongemoeid. Toch is er wel een wezenlijk verschil: Freud stelde dat de mens gedreven werd door seksuele driften en dat het individu deze moest kanaliseren om te overleven. Erikson had het liever over spontaniteit en het ontwikkelen van Ego-Kracht.

De theorie van Erikson gaat ervan uit dat er een vast programma zit in de ontwikkeling van de psyche van mensen. Eerst ontwikkelt zich vertrouwen, dan wilskracht, dan moed, enzovoorts. Het gaat fase voor fase. De fase zijn onderling afhankelijk en zijn vastgelegd in de genen. Het is net zo’n soort programma als de manier waarop een foetus zich ontwikkelt. Voor een stabiele ontwikkeling kan er geen fase worden overgeslagen. In het mensenleven zijn er kritische perioden voor de ontwikkeling van bepaalde delen van de persoonlijkheid die later veel moeilijker moeilijk overgedaan kunnen worden, mocht dat nodig zijn.

Het epigenetische programma brengt het kind in iedere fase nieuwe uitdagingen. Het kind leert beter om te gaan met de situaties die hij door zijn rijping op een bepaald moment kan gaan ervaren. Dit spontane proces brengt het kind in problemen. Was hij even geleden nog in harmonie met zijn omgeving, nu blijkt hij niet meer instaat om adequaat te reageren. Het resultaat is het ervaren van een crisis. Het doorleven hiervan is een leerproces dat leidt tot een nieuw evenwicht: Equilibrium. Het individu staat dan op een hoger plan dan daarvoor. Erikson noemt dit het groeien van de Ego-Kracht. Iedere fase leidt tot de ontwikkeling van een specifieke ego-kracht.

De theorie van Piaget beschrijft ook zoiets: Groeien gaat in de theorie van Piaget middels Assimilatie en accommodatie. Wanneer de ervaren werkelijkheid past in de bestaande denkstructuur dan zal het kind dit een plaats kunnen geven. Maar als er iets wordt ervaren dat hier niet in past dan levert dat problemen op. Het kind moet zich aanpassen,accommoderen, zodat er een breder begrip ontstaat van de werkelijkheid. Het kind kan dan omgaan met situaties die voor hem voorheen ‘niet bestonden’ of onbegrijpelijk waren. Het is de spontane ontwikkelingsdrift die het kind zijn grenzen steeds doet tegenkomen en crisis/verwarring in kracht omzet.


1. Vertrouwen tegenover fundamenteel wantrouwen

In de eerste fase ontstaat het vertrouwen dat de verzorger er altijd is, zodat het kind vertrouwen in de omgeving en de wereld om hem heen verkrijgt. Uit diverse onderzoeken is gebleken dat het belangrijk is dat verzorgers het kind een veilige basis bieden en het kind van daaruit aanmoedigen op onderzoek uit te gaan. Voor het verschaffen van een veilige basis is een invoelend begrip en sensitiviteit voor het gehechtheidsgedrag van het kind nodig en de bereidheid en de wil hieraan tegemoet te komen. Vervolgens de erkenning dat boosheid van kinderen vooral voortkomt uit frustraties van hun behoefte naar liefde, affectie en zorg. Sensitieve verzorgers ontwikkelen een veilige en stabiele band met hun kinderen, omdat ze adequaat op de wensen en behoeften van hun kinderen reageren.

2. Zelfstandigheid tegenover schaamte en twijfel

De omgeving moedigt onafhankelijkheid en exploratief gedrag aan van het kind. De ouders kunnen verstikkend en overbeschermend zijn of ze laten het kind juist aan hun lot over. In beide gevallen wordt de exploratiedrang van het kind geremd en loopt zijn ontwikkeling schade op.

3. Initiatief tegenover schuldgevoel

Het kind leert zelf activiteiten ondernemen en taakjes verrichten, zoals het aan- en uitkleden. In deze fase zal hij allerlei activiteiten ondernemen en ondernemingszin aan de dag leggen. Het kind heeft plezier met wat hij doet en tot stand brengt. Het kind kan ook onvoldoende ruimte krijgen zijn ondernemingszin uit te leven, of hij krijgt te weinig veiligheid en structuur aangeboden. In deze gevallen zal het kind zich schuldig gaan voelen in plaats van te genieten van wat het bereikt.

4. Vlijt tegenover minderwaardigheid

Het kind leert in deze fase lezen, schrijven, rekenen, handenarbeid, muziek instrument bespelen, sporten, enz. Het kind ontwikkelt zich volop. Vertrouwen in het eigen kunnen is belangrijk (zelfvertrouwen). Dat ontstaat als het kind aangemoedigd en positief bekrachtigd wordt. Het kind zal dan een positief zelfbeeld ontwikkelen, het gevoel dat hij er mag zijn en de moeite waard is. Bij onvoldoende positieve bekrachtiging of voortdurende negatieve bejegening, dreigt het gevaar dat er een gevoel van tekortschieten ontstaat en een gevoel van minderwaardigheid. Het kind voelt zich minderwaardig en ontwikkelt een laag zelfbeeld.

5. Identiteit tegenover rolverwarring

De seksuele rijping wordt ingezet, de kindertijd loopt ten einde. Het lichaam groeit snel en de geslachtelijke rijping vindt plaats. Het leven lijkt soms op de kop te staan, het is zoeken naar een juist evenwicht. De puber / adolescent ontwikkelt een eigen identiteit. Er kan ook rolverwarring plaatsvinden, bij voorbeeld op basis van twijfels aangaande de eigen seksuele identiteit.=


6. Intimiteit tegenover isolement

In deze fase staat de mens voor de ontwikkelingstaak een wederkerige en intieme relatieop te bouwen die volgens Erikson bestaat uit de volgende componenten:

·       wederkerigheid van orgasme;

·       met een beminde partner;

·       van het andere geslacht;

·       met wie men in staat en bereid is, een wederzijdse verantwoordelijkheid te delen;

·       en met wie men in staat en bereid is, de cycli te reguleren van werk, voorplanting en recreatie;

·       teneinde ook voor het nageslacht een bevredigende ontwikkeling te garanderen.¹

7. Openstaan voor verandering tegenover stagnatie

Het doorgeven aan de volgende generatie van wat men belangrijk en waardevol vindt aan waarden, normen, geloof, ontwikkeling, staat centraal. Men ontwikkelt zich vaak ook in creativiteit en op geestelijk gebied. Werk is in deze fase cruciaal.

8. Ego-integriteit tegenover wanhoop

Ego-integriteit laat zich het beste omschrijven als: "Slechts hij die de zorg heeft gehad voor dingen en mensen en zich heeft aangepast aan de triomfen en teleurstellingen waarmee het uit innerlijke noodzaak op zich genomen vaderschap over mensen, dingen en denkbeelden gepaard gaat - slechts hij kan geleidelijk de vrucht van deze zeven stadia doen rijpen."² Kernbegrippen hierbij zijn ontwikkeling, verantwoording en aanvaarding.


(Tanja Buyst, 19.02.13)