4000-4999
Sites per thema:
psy0 algemeen
psy1 systemen
psy2 denken
psy3 brein
psy4 individu
psy50 diagnostiek
psy54 behandeling
psy6 optimaal
psy7 groepen
psy8 suboptimaal
psy9 optimaal

4460 Hechtingsfenomeen



Inleiding

De laatste decennia maakt in psychologische kringen en ook populair het begrip "hechting" een enorme opgang, en daarmee samenhangend de begrippen "scheidingsangst" en "hechtingsvrees". Ze beschreven een gedrags- en gevoelsfenomeen dat in de klassieke psychoanalytische over het hoofd was gezien, hoewel het zeer duidelijk herkenbaar was, zowel bij kind als volwassenen. Achteraf gezien is het belang van dit fenomeen een beetje overroepen, en wie de behoeftenleer goed bekijkt vindt die fenomenen er meestal duidelijk duidelijk in terug. De theorie is dan ook sterk aangevallen door psychoanalytici.

Het begrip werd gelanceerd door de Engelse psychiater en psychoanalyticus John Bowlby (1907-1990), die na de Tweede Wereldoorlog de psychische schade beschreef veroorzaakt door het wegvallen van (de nabijheid van) de zorgende moederfiguur bij zeer jonge kinderen. Het begrip werd later sterk uitgewerkt door de Amerikaans-Canadese ontwikkelingspsychologe Mary Ainsworth (1913-1999).

Wat hier volgt is de integratieve visie.

Omschrijving

Oorspronkelijk beschreef Bowlby de neiging van kinderen van 6m tot 2j, wat overeenkomt met de orale fase, om zich aan de zorgende moederfiguur te "hechten", d.w.z. daar bij voorkeur contact mee te zoeken en er zich "veilig" bij te voelen. Emotioneel wordt dit bekrachtigd door lachen naar de moeder (en andere nabije figuren), een lach die overigens beantwoord wordt. Ook knuffelen en stoeien hoort daarbij, inslapen in de armen van de moederfiguur, en vanuit die nabijheid de buitenwereld onderzoeken. Als die veilige nabijheid plots wegvalt ontstaat er een angstige, schreiende paniekreactie. Wordt in deze kwetsbare periode die veilige zorgzame nabijheid vaak onverklaarbaar en voor het kind onremedieerbaar verstoord, dan ontstaan er later vaak relationele problemen.

Verklaring

De behoeftenbevrediging, beschreven in de Integratieve Psychologie en sterk geïnspireerd door het psychoanalytisch mensbeeld, kan op haar beurt vrij goed meerdere van deze fenomenen verklaren, zeker als men rekening houdt met behoeften als vachtcontact, aandacht en waardering (= de meeste aandacht), invloed (d.w.z. de neiging om te manipuleren om zelf te kunnen blijven vertoeven in een "veilig" territorium, en ook de behoefte aan integratie in een groter, sterker geheel (in dit geval de sterkere ouders).

Maar daarenboven bestaat er duidelijk een instinctieve neiging bij "hogere" jonge wezentjes om in hun vroegste tijd de nabijheid op te zoeken van de ouderfiguur, zoals jonge eendjes moeder eend volgen (en elke grote figuur die ze ontwaren nadat ze uit het eitje zijn gekomen, dus bv ook de bioloog). Ook huisdieren zoeken in nood steevast bescherming bij hun baasje. Wat Bowlby beschreef was dus in feite niet meer dan de combinatie van een reeks behoeften, en de invloed van het volg-instinct bij jonge zoogdieren (en vogels). Een instinct is op zichzelf uiteraard geen behoefte, hoewel we wel sterk de neiging voelen eraan te beantwoorden. Dit instinct heeft duidelijk een beveiligend effect in de periode dat jonge zoogdieren (en vogels) het kwetsbaarst zijn, en versnelt hun fundamenteelste leerprocessen door veilig experiment onder toezicht van de aanwezige moederfiguur.

Er wordt gepostuleerd dat de persoon een inwendig "werkingsmodel" heeft van de eigen persoonlijkheid, deze der anderen, en de beste manier om daarmee om te gaan.

Pathologie

Pedagogisch

Kwetsuren in de hechtingsperiode blijken, althans statistisch. te leiden tot latere relationele problemen, hoewel er soms spectaculaire uitzonderingen zijn. Met "moederfiguur" wordt hier vaak de moeder bedoeld, maar elke zorgende kan deze rol aannemen. Er kunnen er ook meerderen zijn, bv beide ouders, kindermeisje, grootouders...

Veilige hechtingsperiode
< De moederfiguur beantwoordt snel en aangepast de behoefte aan aanwezigheid en aandacht van het kind
> Het kind is rustig, protesteert bij vertrek van de moederfiguur maar is gerustgesteld als ze terugkomt, en begint dan weer nieuwe dingen te exploreren. Vreemden kunnen ook in die rol aanvaard worden, maar de voorkeur gaat steeds uit naar de moederfiguur.

Onveilige hechtingsperiode

1) Ontwijkend gedrag
< De moederfiguur reageert weinig geruststellend bij het angstige kind, negeert vaak het wenen en zet snel aan tot zelfstandigheid.
> Kind betrekt die figuur niet bij het spel, reageert weinig bij weggaan of terugkeren van de moederfiguur. Er is niet veel verschil met de houding tov vreemden. Weinig hechtingsgedrag, en duidelijk lager FZV

2) Ambivalent gedrag
< Weinig en wisselend, onberekenbaar aandachtsgedrag. Slechts reagerend op sterke hechtingssignalen zoals hard wenen
> Vindt geen veiligheid bij moederfiguur, woede bij weggaan, niet weer beginnen spelen bij terugkeer. Een vreemde kan niet troosten.

3) Ontregeld gedrag

< angstig of beangstigend gedrag, verlating, affectieve wreedheid, geweld, machtsmisbruik
> verstijven van angst, paniek, totale afwezigheid van hechtingsgedrag, afkeer in houding en gedrag

Biologisch

Organische factoren zouden hierbij een rol spelen, zoals bv het temperament (waarbij vooral Dopamine bij angst, en Sertonine bij vermijdingsgedrag een rol spelen).

Ook de hormonale rijping die aan de puberteit, en de temperamentsverandering daarbij, voorafgaat. Het eerste moment dat deze volwassenwordingsfase begint noemt men "adrenarche", het begin van de rijping van de bijnierschors, waardoor eerst DHEA vrijgemaakt worden, de voorloper van de geslachtshormonen.

Latere leeftijd

Het relatief grote succes van deze hechtingstheorie inspireerde, vanaf ongeveer 1980,  zowel psychologen als de minder wetenschappelijke schrijvers en alternatieve theoretici tot het uitbreiden van dit fenomeen als verklaring voor goed en minder goed relationeel gedrag op latere leeftijd, als kind, prepuber, puber, jongvolwassene.

Wat in de klassieke, psychodynamische geïnspireerde psychologie bestempeld werd als "relatie-onrijpheid" of "neurotische relaties".

In die zin onderscheidt men vier types van personen-in-relatie:

1) het harmonisch-zelfzekere type ("secure")

Dezen hebben een positief van zichzelf en van de ander. Ze vinden een goed evenwicht tussen onafhankelijkheid en autonomie enerzijds, en afhankelijk makende intimiteit.

2) het angstig-bezorgde type ("anxious-preoccupied") (oraal)

Dit type, dat overeenkomt met de orale modus, heeft een minder positief zelfbeeld, en zoekt enorm veel emotionele bevestiging, wat hen emotioneel afhankelijk maakt, en dus weer wat angstiger. Ze zijn minder zeker van, en dus iets achterdochtiger over hun partner. Ze uiten gemakkelijk hun gevoelens, reageren impulsief onder de stemming van het ogenblik, die ze niet goed kunnen relativeren. Ze zijn "hechtingsverslaafd", ze hebben de intimiteit nodig als bevestiging door de buitenwereld.

3) het angstig-vermijdend type ("fearful avoidant") (anaal)

Ze ervaren intimiteit en blijvende nabijheid als bedreigend. Ze vertrouwen de partner niet, maar twijfelen ook aan zichzelf. Ze hebben duidelijk "hechtingsvrees".

4) het afwijzend-vermijdend type ("dismissive-avoidant") (fallisch)

Ze willen aan zichzelf en anderen bewijzen dat boven de nood aan intimiteit staan, onafhankelijk en onkwetsbaar. Ze verdringen hun emotionele signalen die hen zouden kunnen doen twijfelen aan zichzelf, en bestempelen mensen met intensere emoties als waardelozer. Ze verdringen hun hechtingsvrees door superieur aan iedereen te (proberen) bewijzen dat ze "daarboven staan".

Gevolgen

Het populair worden van de Hechtingstheorie heeft enkele gevolgen gehad op onze cultuur, vooral voor situaties waar jonge kinderen (te lang) gescheiden werden van hun moeder, zoals kinderziekenhuisbezoek, internaten, rolverdeling van de opvoedsters in kinderdagcentra, enz.