4000-4999
Sites per thema:
psy0 algemeen
psy1 systemen
psy2 denken
psy3 brein
psy4 individu
psy50 diagnostiek
psy54 behandeling
psy6 optimaal
psy7 groepen
psy8 suboptimaal
psy9 optimaal

4705 Afweermechamismen


BEPALING

Afweermechanismen zijn methodes (psychische processen) die een persoon onbewust maar ook soms bewust aanwendt om niet te moeten (voelen dat hij moet) groeien en de groei zelf overbodig laat lijken.

ONTSTAAN

Tijdens zijn leven staat de mens voor het voortdurende conflict dat zijn behoeften en verlangens niet zomaar meteen in te passen zijn in de verwachtingen en beperkingen die hij ondervindt vanuit de omgeving, en evenmin steeds met elkaar te verzoenen zijn. De menselijke GROEI wordt gedefinieerd als een onbewuste en bewuste poging om de eigen behoeften beter in te passen, te "integreren", met elkaar en met de vereisten vanuit de omgeving, zonder uiteraard het essentiële van de eigen behoeften prijs te geven.

De menselijke groei is een nuttige, maar desondanks moeizame en onaangename aangelegenheid. Daarenboven maakt het besef dat hij moet groeien hem kwetsbaar, omdat het een bedreiging vormt voor zijn narcistische behoeften. Het bewust en onbewust aanvoelen van de noodzaak tot groei wordt daarom beleefd als een FRUSTRATIE, waartegenover onze psyche zich onbewust tracht te verdedigen. Dit is wat men WEERSTAND noemt. Deze weerstand bestaat uit een reeks psychische processen, die men AFWEERMECHANISMEN noemt. Deze weerstand is slechts op korte termijn nuttig, doordat hij een zekere opluchting biedt. Doch daar hij de groei als dusdanig tracht te vermijden, wordt het frustratieprobleem niet echt opgelost, en komt de persoon op termijn vaak in een nog ergere probleemsituatie. De NEUROSE is een vastgelopen ontwikkelingsstadium, waarbij de afweermechanismen uiteindelijk alle verdere groei geblokkeerd hebben.

Afweermechanismen hoeven niet aangeleerd te worden tijdens het leven. Eigenlijk zijn het primitieve denkvormen die van bij de het begin aanwezig zijn. Men moet integendeel leren constructief te denken.

Elke frustratie leidt vroeg of laat, bewust of onbewust, tot een poging tot revanche. Deze kan negatief of destructief zijn, of daarentegen positief of constructief. Revanche betekent dus niet "wraak", maar is een latere poging om in een vergelijkbare situatie, ten opzichte van de oorspronkelijke frustrator of personen die erop gelijken (overdracht), alsnog aan te tonen dat men het beter kan dan vroeger, en beter dan de frustrator zelf. Adler noemde dit "compensatie", maar dit woord heeft bij Freud en zijn opvolgers een andere betekenis gekregen. De revanche zelf is uiteraard geen afweermechanisme, maar een reële verwerking (afreageren) van het probleem. Het afweermechanisme is wat de geest er voorlopig mee doet, tot de constructieve revanche is genomen.

OPMERKINGEN

1. Deze mechanismen komen eigenlijk tot uiting in elke levenssituatie, maar meer toch binnen relaties, vermits het samenleven hogere eisen stelt en minder ontsnappingsmogelijkheden toelaat. Verder is elke vorm van verwerken van leed, trauma's en verlies (rouwproces) een illustratie van het toepassen van afweermechanismen.

2. De verschillende persoonlijkheidstypes worden in feite gekenmerkt door een voorkeur in het gebruik van bepaalde afweermechanismen. 

3. Het duidelijkst uiteraard komen de afweermechanismen tot uiting in de psychotherapeutische situatie, die immers bewust naar het opwekken van groei is gericht. Vermits het de bedoeling is van de psychotherapie en het psychologisch consulentschap om de cliënt te helpen groeien, zal een belangrijk therapeutisch werk erin bestaan de remmende afweermechanismen te vervangen door meer aangewezen. Een goede kennis van de afweermechanismen is dus onontbeerlijk voor iedereen die dit vak serieus wil beoefenen.

Binnen de psychotherapie moeten afweermechanismen niet per se bestreden of bewust gemaakt worden. Enkel als dit het therapeutisch proces, dus de groei bevordert, is het aangewezen. M.a.w., als men de cliënt niet kan brengen tot betere afweermechanismen, dan is het ondergraven of afbreken der bestaande mechanismen gevaarlijk voor zijn psychisch evenwicht. Daarenboven kan het te vroegtijdig blootleggen van een afweermechanisme leiden tot vergrote weerstand tegen de veranderingspogingen van de therapeut. 

Therapie omvat dus steeds twee facetten: het laten verdwijnen van de huidige, blokkerende of minder gunstige afweermechanismen, en het ontwikkelen van betere, minder nadelige afweermechanismen, en zo mogelijk groei.

4. De frustraties en "trauma's", die aan de basis liggen der afweermechanismen, kunnen van twee soorten zijn: (1) de aanwezigheid van iets negatiefs, bv. verkrachting, onrechtvaardige behandeling, machtsmisbruik door een ander in het algemeen, maar (2) veel frequenter zijn ze de afwezigheid van iets positiefs, te weinig onvoorwaardelijke waardering gehad hebben tijdens zijn jeugd, zodat het fundamenteel zelfvertrouwen te weinig is ontwikkeld en de emotionele kwetsbaarheid te groot.

Zowel in de vroegere psychotherapieën, als in onze hedendaagse mediacultuur in het algemeen, bestaat de denkneiging om "trauma" te beperken tot de aanwezigheid van het negatieve. Ook kijkt men veel meer naar de uitlokkende factor, dan naar de klaarmakende en bekrachtigende factoren.Dat laat veel schuldprojectie toe.

HISTORIEK

Freud beschreef voor het eerst de afweermechanismen. De eerste keer (1915) beschreef hij 4 afweermechanismen: tegen zichzelf keren (bv. masochisme), overdekking door het tegendeel (gedrag dat iets anders schijnt te bewijzen bv.vriendlijk zijn tegen vijand), verdringing (verwijderen uit het bewustzijn) en sublimatie (het onaanvaardbare ombuigen tot aanvaardbaar vb. iemand die geobsedeerd is door vagina's wordt gynaecoloog). 

Vooral zijn dochter Anna Freud (1936) werkte dit thema uit, en stelde 9 (+ sublimatie = 10) afweermechanismen voor: regressie, verdringing, reactievorming, isolering, ongedaanmaking, projectie, introjectie, terugplooien op zichzelf, overdekking door het tegendeel, en sublimatie.

Doch elke psychoanalytische auteur geeft zowat zijn eigen lijstje:

Fenichel ziet er slechts 9: sublimatie, denegatie, projectie, introjectie, verdringing, reactievorming, ongedaanmaking, isolering, regressie. Hij maakt daarenboven onderscheid tussen afweermechanismen tegen de driftopstoten, en afweermechanismen tegen de affecten (onaangename gevoelens).

Nacht houdt zich aan de 10 afweermechanismen van Anna Freud, maar voegt er identificatie aan toe.

Baron, Byrne & Kantowitz sommen er 6 op: repression, reaction formation, rationalization, displacement, projection, regression.

Rycroft houdt zich aan de 9 afweermechanismen van Anna Freud, maar voegt er splitsing en loochening aan toe.

Horowicz somt er (alfabetisch) 29 op: acting out, altruism, conversion of passive to active, denial, devaluation, disavowal, displacement, dissociation, distortion, exaggeration, humor, idealization, intellectualization, isolation, minimization, omnipotent control, passive aggression, projection, projective identification, rationalization, reaction formation, regression, repression, somatization, splitting, sublimation, suppression, turning against the Self, undoing.

In deze tekst wordt een poging tot integratie voorgesteld, een gestructureerd geheel, dat meer wil zijn dan een losse opsomming.

BESCHRIJVING

We omschrijven dus het afweermechanisme als een zuiver mentaal proces, grotendeels onbewust, soms ten dele bewust. Dit proces heeft tot doel een inwendige "beeldvervorming" te bewerkstelligen zodat frustrerende, traumatiserende en conflictueuze ervaringen, behoeften en herinneringen minder storend en bedreigend overkomen bij de betrokkene. Het uiteindelijke doel is niet te moeten groeien, en vooral niet te moeten beseffen dat men moet groeien.

Weerstand is het basisgevoel van bedreigd-zijn, van aanvoelen van een nakende frustratie, die het afweermechanisme uitlokt.

INDELING

We mogen de (1) eigenlijke afweermechanismen niet verwarren met (2) strategieën, gebruikt door de cliënt om zijn evenwicht te bewaren, zoals acting-out, ziektewinst, en (3) methodes, gebruikt door de cliënt om de anderen, bv. de partner of de psychotherapeut te manipuleren, zoals schuldinductie, verleiding. Deze strategieën bevatten uiteraard ook afweermechanismen, doch het begrip afweermechanisme zou best beperkt worden tot (1) de intrapsychische processen van de cliënt. Dit onderscheid is niet steeds gemakkelijk te maken, bv. als de strategie bestaat uit slechts één afweermechanisme, zoals projectie (denkmechanisme) en schuldinductie (methode).

1. DE EIGENLIJKE AFWEERMECHANISMEN

WERKINGSPRINCIPE

Afweermechanismen zijn mentale processen (beeldvervormingstechnieken) die de betrokkene moeten toelaten de werkelijkheid op een minder bedreigende manier te beleven.

Het is belangrijk om in te zien dat deze mentale beeldvervormingstechnieken niet moeten aangeleerd worden, maar dat zij in feite uitingen zijn van het spontane denken van de mens. Van nature uit denkt de mens neurotisch, d.w.z. past hij de beelden en herinneringen aan aan zijn psychische behoeften. Het is eerder het "logische", "rationele", "objectieve" denken, waarbij hij rekening houdt met de werkelijke gevolgen en de gevolgen op lange termijn, dat in de loop van jeugd moet aangeleerd worden. 

SOORTEN

De aangewende processen laten toe de werkelijkheid (1) niet te zien, of (2) anders te zien. Men kan ook (3) zichzelf anders gaan zien.

1.1. METHODES OM DE WERKELIJKHEID NIET TE ZIEN

De hersenen beschikken over het vermogen om belangrijke hoeveelheden informatie snel onbereikbaar te maken in het geheugen. Dit is geen actief proces, maar een automatisch gevolg van aan iets niet meer te denken.

Duwt men de gehele herinnering aan iets weg, met alle ermee verbonden associaties, dan spreekt men van verdringing. In extreme gevallen kan het gebeuren dat de herinnering niet echt verdrongen is, maar de hersenen gewoon geblokkeerd worden als ze in de buurt van die herinnering komen. Ook kan de aandacht van het probleem afgeleid worden door somatisatie: de angst blijft min of meer bestaan, maar wordt volledig afgeleid door een reeks lichamelijke symptomen. Men denkt dus niet meer aan de frustrerende situatie.

Gebeurt de verdringing maar gedeeltelijk, dan spreekt men van dissociatie.

1.1.1. De werkelijkheid volledig niet zien

A. VERDRINGING

Dit is een proces van opvallend snel vergeten, door er niet meer aan te denken. Het denkmodel is hierbij: "er is geen probleem".

Freud onderscheidde primaire en secundaire verdringing: Primair: van meet af aan worden onaanvaardbare driftuitingen onbewust gehouden; secundair: later worden onaanvaardbare uitingen verdrongen. Freud dacht dat verdringing altijd het gevolg was van een psychotrauma (de gebeurtenis van iets negatiefs). Tegenwoordig weet men dat de afwezigheid van iets positiefs veel erger kan zijn dan de gebeurtenis van iets negatiefs. Nu zijn er meer depressies dan vroeger omdat we nu meer aanvoelen wat we missen.

Depressie en verdringing sluiten elkaar niet uit. Bv: de jaloersheid van een moeder naar haar dochter toe rond seksualiteit. Moeder gaat dochter afschrikken door bv te zeggen dat daardoor haar resultaten zullen dalen. Dit is een verdringing van moeder: de werkelijkheid mag niet gezien worden. Als blijkt dat de dochter goede punten haalt en seks heeft, dan beseft de moeder dat ze vroeger iets gemist heeft en dat kan leiden tot depressie.

Voorbeelden

Psychose: totale verdringing van de realiteit

oraal: verdringing van de eigen behoeften, met orale compensatie en soms hysterische conversie

Oorzaken

Freud meende dat de meeste verdringingen secundair waren, d.w.z. dat bewustzijnsinhouden achteraf verdrongen werden terwille van inwendige conflicten, of terwille van de taboes in de cultuur. Hij dacht trouwens dat het vooral, zoniet uitsluitend de seksuele natuur van onze diepste behoeften was die taboe was in onze cultuur.

Thans weet men dat de meeste zaken "verdrongen" zijn, omdat zij gewoon nog nooit de kans gehad hebben om bewust te worden, en dit niet enkel om hun taboe-inhoud, maar omdat onze taal en inzichten heden ten dage nog geen pasklare termen ter beschikking hebben gesteld om deze onbewuste denkbeelden bewust te kunnen laten worden.

Dit heeft ook te maken met aandacht en geheugen. Sommige zaken dringen niet door tot het aktief geheugen maar blijven hangen op het niveau van het passief geheugen. Door er niet aan te denken komt het niet in je geest. Enkel door associaties kan je erbij komen. Hier is het belangrijk op te merken dat dit soms een verwrongen beeld kan geven, de herrinering kan gekleurd zijn.

Seksualiteit is overigens geen groot taboe meer heden ten dage. In feite is het bewust streven naar een directe vervulling van de eigen behoeften taboe, omdat iemand die bewust de bevrediging van de eigen behoeften nastreeft binnen de samenleving te bedreigend wordt. Men mag dus niet te bewust worden van de eigen behoeften, seksuele evenmin als andere. Wil men iets doen ter bevrediging van de eigen behoeften, dan moet dit sociaal steeds aanvaardbaar zijn, d.w.z. passen in één der daartoe voorziene gebieden. Bv. voor de behoefte aan seksualiteit is daar het huwelijk, voor de behoefte aan rijkdom zijn daar de sociaal aanvaarde beroepen, voor de behoefte aan waardering zijn daar de sociaal nuttige activiteiten, enz.

Veel depressies komen dan ook voor bij vrouwen van 30-35 jaar doordat hun eigen behoeften op dat moment veelal wordt gereduceerd tot dienstbaarheid.

B. DENKREMMING / BLOKKADE

Dit is een intellectuele inhibitie, blokkeren van bepaalde bedreigende associaties. Deze inhibitie kan gepaard gaan met vage angst, dus angst die men niet kan duiden. De herinneringen kunnen niet meer boven komen vanwege te negatieve gevoelens, maar de angst is er wel. Je begrijpt echter niet vanwaar die angst komt.

Met hypnose is het soms mogelijk dergelijke inhibities op te heffen, en de verdrongen geestesinhoud bloot te leggen.

C. SYMPTOMATISATIE

Dit zijn onbewuste pogingen om de aandacht af te leiden via lichamelijke symptomen. Een nieuw symptoom komt de oude problemen verdringen, en het symptoom laat niet toe veel aandacht te besteden aan het diepere, echte conflict. Men gaat denken dat de oorzaak van het probleem in de somatische aandoening zit

Voorbeelden: vermoeidheid, CVS, koppijn, geeuwen, verstrooidheid, conversie bv. een hysterische aanval, flauwvallen. De somatische klachten kunnen soms zelfs onlogisch zijn tov bv de bezenuwing.

Ook psychisch: gemaskeerde depressie

1.1.2. De werkelijkheid gedeeltelijk niet zien

DISSOCIATIE, ISOLATIE, AFSPLITSING 

Dit is: vergeten van bepaalde onaangename aspecten door er niet meer aan te denken. Het is dus een partiële verdringing.

Voorbeeld: Al de affectieve associaties verdringen ("affectverdringing"= zich nog wel de gebeurde feiten kunnen herinneren maar niet meer in staat zijn de eigen emoties te herinneren die door de gebeurtenis zijn veroorzaakt), een "pragmatische" persoonlijkheid.

Al deze vormen van "niet bewust zijn" kunnen ondersteund worden door fantasmantische strategieën zoals vermijding (zie verder).

1.1.3. THERAPIE MET BETREKKING TOT METHODES OM DE WERKELIJKHEID NIET TE ZIEN

Verdringing kan men per definitie niet psychotherapeutisch bevorderen. Psychotherapie dient juist om verdringing ongedaan te maken. In extreme gevallen kan men wel proberen om onverwerkbare trauma's via hypnose te isoleren in het onderbewuste. Maar dat is vaak een gevaarlijke methode, omdat deze kunstmatig verdrongen herinneringen een bron van onbewuste spanningen kunnen blijven functioneren.

Een tweede manier waarop het verdrongene bewust kan gemaaakt worden, is door de techniek van de vrije associatie. Bij deze techniek uit de psychoanalyse, laat men de patiënt zijn gedachten op een ongestructureerde wijze vertellen. De ene gedachte wekt de andere op en op die manier komt de patient ook tot bepaalde inhouden die hij heeft verdrongen. In de les hebben we gezien dat de vrije associatie uitgaat van de basishypothese dat alles ooit bewust is geweest en dat is uitgewezen dat men van deze hypothese niet mag uitgaan. Dit staat echter niet in de weg dat men via vrije associatie zich opnieuw kan bewust worden van ervaringen waarvan men zich daarvoor bewust was maar in een later stadium heeft verdrongen.

Ten derde voeg ik eraan toe dat een therapeut samen met de patiënt tot verdrongen inhouden kan komen door samen met hem versprekingen (of faalhandelingen in het algmeen) te analyseren. Een voorbeeld: Een man verspreekt zich en noemt een dame die 'Kaatje' noemt, per ongeluk 'Schaatje', een andere man verdringt heel andere gevoelens op het moment dat hij haar 'Kwaadje' noemt. Voor alle duidelijkheid vermeld ik erbij dat niet elke verspreking veroorzaakt is door een verdrongen component en dat de interpretatie van de verspreking dient te gebeuren door diegene die ze heeft, slecht hij kent er de ware toedracht van.

Bij het bewustmaken van "verdrongen materiaal" moet men omzichtig te werk gaan: niet meteen alles volledig bewust proberen maken, en datgene wat bewust wordt ondersteunen met rationalisaties die de nog onverwerkbare aspecten wat afschermen voor het bewuste.

Verdringing is vooral gevaarlijk als het de groei blokkeert. In sommige gevallen kan verdringing echter gezond zijn.

Boven de 50 jaar zal de therapie er dan ook veelal op gericht zijn de client zijn gemiste kansen te helpen accepteren en niet zozeer om alles te willen blootleggen.

1.2. METHODES OM HET CONFLICT ANDERS TE INTERPRETEREN (rationaliseren, projecteren, enz.)

Deze denkmechanismen hebben als basismodel: "er is wel een probleem, maar toch moet ik niet groeien, want..."

Deze beeldvervormingsprocedures worden gebruikt opdat de werkelijkheid minder bedreigend zou zijn. Het bewuste wordt afgeschermd door bepaalde RATIONALISATIES, d.w.z. denkbeelden of uitspraken die de beeldvervorming schijnen te bevestigen. Een rationalisatie is dus geen compleet afweermechanisme, maar een hulptechniek, die aangewend wordt ter ondersteuning der eigenlijke afweermechanismen. Er zijn dus vele concrete vormen van rationalisatie.

Een conflict omvat steeds een afkeurenswaardig of een onverwerkbaar element, en een beter alternatief, d.w.z. de een of andere vorm van groei. Men kan nu trachten het eerste positiever, en het tweede negatiever voor te stellen.

1.2.1. PROBLEEMVERPLAATSING: PROJECTIE

Het conflict krijgt een andere interpretatie, doordat de oorzaak verschoven wordt: "ik zie hem graag, maar hij haat mij", "hij heeft erom gevraagd", "hij lokte het uit",...

Een klassieke toepassing van projectie is: de gevolgen als aanleiding of oorzaak beschouwen. Dit gebeurt des te gemakkelijker, omdat de meeste conflictsituaties eigenlijk circulair zijn, d.w.z. een versterkende opeenvolging van acties en reacties.

Voorbeeld: men denkt ten onrechte dat de anderen boze intenties hebben ten opzichte van u. Men gedraagt zich daarom overdreven behoedzaam en achterdochtig. Dit lokt bij de anderen negatieve reacties uit. Deze negatieve reacties interpreteert men dan als bewijzen van de veronderstelde bedreigende instelling van die anderen.

Ook zelfrealiserende voorspellingen zijn hier een toepassing van.

1.2.2. PROBLEEMVERVORMING

Hierbij kan men proberen om de negatieve aspecten van de frustratie positiever te laten schijnen. Ook kan men het betere alternatief afbreken, zodat de frustratie toch nog de best mogelijke keus was.

Het negatieve verfraaien kan op volgende manieren:

A. HERBENOEMEN: POSITIEVE NAAM GEVEN

Men kan trachten de werkelijkheid en de opgelopen frustratie anders te zien dan dat ze oorspronkelijk of in de ogen der anderen lijken. Het conflict krijgt een andere, positievere "naam" (herbenoemen, bv. "mijn kwelduivel"). Humor vervult deze functie ook in grote mate. Ook dienstbaarheid, vooral bij orale persoonlijkheden, is een welkome rationalisatie: "ik maak mij toch nuttig voor ons gezin op die manier", i.p.v. "ik ben de slaaf van iedereen". "Mijn man kan niet communiceren. Maar eigenlijk kan hij het wel, alleen heeft zijn vorige vrouw hem teveel bedrogen. Het is daarom begrijpelijk dat hij zich afsluit van mij."

B. MAATSTAFVERSCHUIVING

Dit is een analoge techniek, die de waarde van iets tracht te veranderen door andere of bepaalde vergelijkingscriteria te kiezen: "ik kan niet beter", "ik kom van ver", "volgende keer beter", "toch al 10% beter dan de vorige keer"

Maatstafverschuiving is het onderliggende afweermechanisme bij fantasmatische strategieën als kritiekpreventie, anticipatie, pseudo-inzicht, zelfontwaarding (zie verder).

 

Let op: niet steeds is maatstafverschuiving een neurotisch afweermechanisme. Het kan soms een vorm van positief denken zijn, waarbij men de zaken realistischer tracht te bekijken dan in onze pessimistische cultuur gebruikelijk is. Voorbeeld: iemand behaalt in het eerste trimester 45%, in het tweede 55% negatieve denkwijze: je studie-uitslag is nog steeds niet zoals het hoort. je zal het nooit kunnen. positieve denkwijze: je bent enorm vooruit gegaan. Proficiat.

In dit geval is de neurotisce werkelijkheidsvervorming een verdediging tegen de schuldinductie in onze neurotische, secundaire cultuur, die mislukkingen aanwendt als argumenten voor afkeuring en bestempeling als minderwaardig.

C. RECHTVAARDIGING

Hierbij tracht men het probleemgevende gedrag voor zichzelf en/of de anderen te rechtvaardigen, zodat men gedeculpabiliseerd wordt.

Begeleidende rationalisaties: "ik heb het recht dat te doen"; "hij deed nog erger", "hij verdient het", "het zal hem leren", "hij mag zich daar niet mee bemoeien", "hij deed het óók", "hij deed het eerst", "zijn fout is nog groter", "hij verdient niet beter", "hij oogst wat hij zaait"

D. BALANSVERSCHUIVING

Hierbij kunnen bepaalde aspecten overbenadrukt worden ten koste van andere:

1) het positieve versterken: "'t heeft dan toch als voordeel...", "je kan toch niet altijd veranderen".

Relativeren is een concreet voorbeeld hiervan: "ik heb toch ook veel goed gedaan", "ik heb mijn best gedaan".

Nota: compensatie, overcompensatie, reactievorming, en overdekking door het tegendeel zijn fantasmatische technieken die deze balansverschuiving mogelijk moeten maken.

2) het negatieve afzwakken: "'t is toch nog zo erg niet", "je/men/ik kan er wel tegen", "ik heb al erger meegemaakt".

De mythe van het equivalent alternatief: "wat ik doe is inderdaad anders, maar even valabel", "het is een kwestie van keuze", "ik heb het recht om mezelf te zijn", "niemand is volmaakt (jij ook niet)", "'t is overal iets".Waardoor 2 zaken eigenlijk samengevoegd worden.

In het Engels heeft "equal" 2 betekenissen nl. "onrechtvaardig en gelijk" . "Nothing is more equal than an equal treatment of the unequal".

Hierdoor ontstaat het idee dat we allemaal gelijk zijn. We zijn echter niet gelijk maar gelijkwaardig en hebben daardoor evenveel recht om onze behoeften te bevredigen als de ander. Ieder mens is echter verschillend dus je moet ieder persoon eigenlijk verschillend behandelen. 

Het negatieve loochenen, door bewijzen aan te halen van het tegendeel. Dit is een veel gebruikt afweermechanisme als men kritiek hoort of krijgt van anderen. Men contesteert het label dat men op u plakt door bewijzen aan te voeren van gedragingen die deze uitspraak weerleggen. Men is geen "egoïst" omdat men kan aantonen hoeveel goede en edelmoedige dingen men gedaan heeft voor anderen. Deze vorm van rationalisatie lukt in feite altijd, omdat er geen eenvormig simplistisch gedrag bestaat. Iedereen doet wel eens het ene en het andere. Elke "algemene" uitspraak kan dus weerlegd worden. Hier beoordeelt men eigenlijk de hele persoonlijkheid en niet de fout.

1.2.3. METHODES OM HET ALTERNATIEF AF TE BREKEN

Soms moet men wel toegeven dat de fout of frustratie reëel is, maar praat men zich goed door het alternatief, dat wat men beter had kunnen doen, de groei zelf, of de persoon van de therapeut negatief af te schilderen.

A. HERBENOEMEN: NEGATIEVE NAAM GEVEN

Het alternatief van het eigen gedrag krijgt de naam "komedie spelen", "hypocrisie", "toegeven", "zich laten doen".

Het alternatief kan daartoe eerst gekarikaturiseerd (of gereduceerd tot een extreem) en daarna geridiculiseerd worden: "je kan toch niet aan álles denken", "je kan toch niet steeds onder spanning staan", "je kan toch jezelf geen geweld (blijven) aandoen", "ik kan toch niet de hele dag blijven denken aan al wat hij graag zou hebben van mij".

B. NIET-RECHTVAARDIGING

Jezelf het recht of de mogelijkheid ontnemen het alternatief gedrag te stellen: "ik heb het recht niet", "ik kan dat niet", "het leven is nu eenmaal zo", "pech gehad", "sorry, maar ik kies daarvoor", "een mens verandert niet", "het ligt aan mij, doch ik kan er niets aan doen", "ik geef toe dat dit mijn grenzen zijn".  Ook hier weer de spontaanheidsmythe.  Iets wordt echter spontaan als je het lang genoeg oefent.

C. BALANSVERSCHUIVING

1) de negatieve kenmerken en gevolgen maximaliseren: "het is veel te geriskeerd", "het duurt te lang", "het kost te veel", "men zal het niet aanvaarden", "het kan niet lukken", "je kan wel goed studeren, maar er is in het leven toch meer dan studie", "groeien als mens is niet zonder gevaar, het leidt tot spanning en constante ontevredenheid".

2) de positieve kenmerken minimaliseren: "het sop is de kool niet waard", "wat hou je er aan over?"

Het positieve loochenen, door bewijzen aan te halen van het tegendeel. Dit is een veel gebruikt afweermechanisme als men lof hoort over anderen. Men contesteert het label dat men op die andere plakt door bewijzen aan te voeren van gedragingen die deze uitspraak weerleggen. "Hij is misschien wel vrijgevig, maar voor alles wat hij je schenkt verwacht hij een tegenprestatie". Deze vorm van rationalisatie lukt in feite altijd, omdat er geen eenvormig simplistisch gedrag bestaat. Iedereen doet wel eens het ene en het andere. Elke "algemene" uitspraak kan dus weerlegd worden. Daarenboven is iedereen uiteindelijk gedreven door zijn eigen behoeften, zelfs bij het edelmoedigste gedrag. Zelfs het kritiek geven aan de andere door hem te wijzen op het eigen voordeel dat hij ergens nastreeft, is een uiting van zelf streven naar zijn eigen voordeel. Er is uiteindelijk geen egoïstischer opmerking dan iemand te verwijten "egoïst" te zijn.

1.3. METHODES OM ZICHZELF ANDERS TE INTERPRETEREN

Doordat men aan zichzelf binnen de frustrerende context een ander beeld geeft, komt de situatie minder frustrerend over.

1.3.1. ZICHZELF BETER ZIEN

A. IDENTIFICATIE 

Identificatie is een vorm van groei-illusie: men maakt zichzelf wijs (en troost zichzelf) dat men de kwaliteiten heeft van een betere, sterkere persoon (bv. vaderfiguur).

B. INTROJECTIE 

Bij introjectie neemt men de criteria van sterke figuren, bv. de ouders, de leiders, de sterke anderen over.

C. PSEUDO-GROEI

Hierbij levert men psychologische inspanningen zonder dat de kern van het probleem wordt aangeraakt, bv. men leer de ruzies verdragen, de ander vergeven, zonder da de communicatie eigenlijk wordt verbeterd. Men leert minder drinken zonder dat het onderliggende gebrek aan sociale vaardigheden wordt aangepakt. In moraliserende en schuldinducerende culturen, zoals sommige religies, is de zelfverbeterende aandacht eerder gericht naar het onderdrukken van de symptomen en complicaties van suboptimaal gedrag, dan naar de onderliggende oorzaken. 

D. GROEI-ILLUSIE

Bv: Ik heb een grote stommiteit begaan en ik zeg tegen mezelf dat ik het nooit meer zal doen. Dit is een groei-illusie, want het moment dat ik mezelf moet bewijzen, moet nog komen.

Groei-illusie wordt ook nog omschreven bij fantasmatische strategieën, omdat je dan andere probeert te overtuigen van je illusie.

1.3.2. ZICHZELF SLECHTER ZIEN

A. REGRESSIE

Hierbij valt men niet alleen terug tot primitievere vormen van functioneren, die minder inspanningen vergen, maar valt men vooral terug tot een primitievere manier om de frustrerende werkelijkheid te beleven, zodat de conflictsituaties soms hun frustrerend karakter verliezen (dus het mogelijk maken van beeldvervorming). Bv: het is jouw schuld niet dat je maar een man bent. Men vernauwt als het ware zijn bewustzijnsveld tot de realiteit op korte(re) termijn, of tot één enkel aspect.

Acting-out is een vorm van acute regressie. Tot chronische regressie behoren ziektewinst en therapieverslaving.

2. STRATEGIEËN

2.1. REËLE STRATEGIEËN

Werkelijke strategieën proberen iets te vermijden. Bv: fobieën, om die frustrerende associaties niet meer te moeten voelen/zien. Nog voorbeelden zijn acting out en agressie.

2.2. FANTASMATISCHE STRATEGIEËN

Dit zijn bepaalde gedragingen, gesteld om bepaalde afweermechanismen in onze fantasmen toe te laten. Bv: citeren van incest, vormen van neurotiseren. Om jezelf toe te laten neurotisch te denken, bv: hoe kan het ook anders met de opvoeding die ik gehad heb... Je schuift de schuld zo weg van je gedrag en tracht je neurotisch denken te rechtvaardigen.

2.2.1 bij verdringing

A. VERMIJDING

Hierbij vermijdt men systematisch de situaties, waarin de frustratie wordt opgelopen. Ontslag nemen, fobie, rituele ongedaanmaking, conversie zijn daar voorbeelden van. Het kan gaan tot zelfmoord (de totale vlucht).

Analoge methodes: oppervlakkig praten (rond de pot draaien, de therapietijd vullen), dissociatie van de psychotherapiesituatie van het "echte" leven, afspraken vergeten.

B. SYMPTOOMONDERDRUKKING

Hierbij tracht men het probleem te loochenen door zichzelf geweld aan te doen, "normaal" te doen, een "geen probleem meer"-houding aan te nemen.

2.2.2. bij probleemverplaatsing

SCHULDPROJECTIE

Dit is een mentale techniek, waarbij men de oorzaak van het probleem bij een andere projecteert. Op die manier blijft de frustratie zoals ze is, maar gaat men zelf vrijuit, omdat men niet de "oorzaak" is van het probleem.

2.2.3. bij het negatieve verfraaien (balansverschuiving)

A. PERSEVEREREN

Door het conflictueuze gedrag te blijven herhalen tracht men zichzelf en/of de anderen voor te houden dat het eigenlijk toch niet (zo) afkeurenswaardig is, en dat men het hoe dan ook niet gelooft.

Dit kan gaan tot compulsief en obsessioneel gedrag.

B. REACTIEVORMING

Het onaanvaardbare impuls overdekken door een gedrag dat het tegendeel schijnt te bewijzen. Overdekking door het tegendeel is een analoge strategie. "Ik doe je uiteindelijk pijn om je eigen bestwil".

 

2.2.4. bij zichzelf beter zien

A. PSEUDOGROEI

Bij deze reeks houdingen wordt de groei die vanuit het conflict voor de hand schijnt te liggen, als onmogelijk, nadelig of overbodig afgeschilderd. Men blijft hierbij ofwel steken in de probleemoplossende fase, ofwel in de uitvoerende fase:

 

1) INEFFICIËNTE PROBLEEMOPLOSSING: piekeren, blijven nadenken over een mogelijke oplossing, doch deze nooit vinden.

 

2) INEFFICIËNTE UITVOERING: zich inspannen zonder dat het lukt, stoppen na één poging, mislukte "eerlijke" pogingen.

Toepassing: bij de "mislukkingsneurose" (névrose d'échec) blijft men steeds maar opnieuw op een inadequate manier zijn best doen.

B. GROEI-ILLUSIE

Hierbij houdt men zichzelf en de anderen voor dat men uit het probleem iets geleerd heeft, en dat het nu nooit meer zal gebeuren: "volgende keer beter", tabula rasa-illusie ("als ik alles opnieuw begin, zal het nu probleemloos gaan"), "OK, ik heb het begrepen, het zal niet meer gebeuren", "dat zal mij niet meer gebeuren, dat zweer ik je"

C. OVERCOMPENSATIE

Hierbij tracht men aan te tonen dat men beter is dan de frustrerende omgeving zou vermoeden, door gedragingen te gaan vertonen die het omgekeerde suggereren van wat men als verwijt zou kunnen krijgen.

Lief zijn voor mensen die men in feite haat of minacht, overdreven stipt zijn als men vaak het verwijt krijgt van te laat te zijn, veel over zijn gevoelens praten als men de kritiek krijgt van koel of te intellectueel te zijn, enz.

 

2.2.5. bij zichzelf slechter zien

WRAAK-ILLUSIES

Men beeldt zich in dat men op de frustratie revanche zal nemen, maar in praktijk gebeurt dit nooit: wraakfantasieën, denkbeeldige revanche, agressieve dromen.

3. MANIPULATIEMETHODES

Dit zijn gedragingen, gesteld ten opzichte van de medemens, met als belangrijkste motivatie: het verdraagbaarder maken van de frustrerende situatie. We zullen onderscheid maken tussen manipulaties van de situatie waarin frustratie optreedt of zou kunnen op treden, en manipulaties van de frustrator, d.w.z. de persoon die de frustratie uitlokte of er getuige van was.

3.1. MANIPULEREN VAN DE FRUSTRERENDE SITUATIE

3.1.1. DE UITLOKKENDE SITUATIE ONGEDAAN MAKEN

Hierbij tracht men de situatie, waarin de frustratie beleefd wordt of werd, ongedaan te maken. Dit kan men doen door de situatie te vluchten (bv. ontslag te nemen, iemand te ontslaan, een relatie verbreken, vrienden laten vallen). Dit kan gaan tot spoorloos verdwijnen of zelfmoord.

Meestal heeft men voor zichzelf een excuus (rationalisatie) nodig om dergelijke duidelijke stappen te kunnen zetten. de overweging dat vluchten nog de minst slechte houding is, omdat al de rest onmogelijk of nog erger is, is een frequent excuus. Men ontwikkelt zelfs de theorie dat zelfmoord een moedige daad is.

Men kan anderzijds wel aanwezig blijven, maar de frustratie loochenen, d.w.z. publiek volhouden dat er niets aan de hand is, dat dit de normale of minstens onvermijdelijke gang van zaken is.

3.1.2. DE UITLOKKENDE SITUATIE ANDERS DOEN LIJKEN

De meest gebruikte methode is informatievervalsing. Hierbij tracht men het beeld dat de andere van u en van uw frustraties zou kunnen krijgen, te veranderen, of minstens in twijfel te doen trekken. Dit kan zowel actief gebeuren (verkeerde gegevens uitsturen) als passief (verkeerde of onvolledige informatie niet corrigeren).

Bv. liegen, zwijgen (schuchterheid, verlegenheid, mutisme, onbespreekbaar maken). Soms vergezeld van de rationalisatie dat "die gegevens toch maar zouden kunnen misbruikt worden", "wat niet weet niet deert", "gij interesseert u niet voor mij"). Wordt soms ingekleed als "diplomatie".

Overcompenseren, d.w.z. dat wat men niet vermoedde of dat afwezig was, juist sterk gaan benadrukken en demonstreren is een andere manier van informatievervalsing. Het is daarenboven een goede revanche, vermits ze gewoonlijk constructief is.

3.2. MANIPULEREN VAN DE FRUSTRATOR

De frustrator is de persoon die de frustratie uitlokt, kan uitlokken, of er getuige van is, of zou kunnen zijn. Men kan trachten deze zodanig te manipuleren, dat de frustratie verminderd wordt, vermeden of hersteld.

3.2.1. De frustrator wegdoen, of minstens demotiveren

A. DE FRUSTRATOR VERWIJDEREN

Hierbij tracht men de frustrerende persoon uit de situatie, de werkomgeving, de relatie, de nabijheid te verwijderen. Vb. de relatie afbreken, "elkaar een tijdje niet zien om eens de dingen op een rijtje te kunnen zetten, om te voelen of men de andere wel mist", de andere ontslaan, agressie, moord.

B. DE FRUSTRATOR AANVALLEN

Op die manier hoopt men dat hij zal gedemotiveerd zijn om zijn frustrerende houding of gedrag vol te houden. Men kan hem gewoon intimideren, d.w.z. bang maken, ofwel zijn frustrerend gedrag of zijn opmerkingen tegen hem keren ("Ge kunt het wel goed zeggen, maar in uw eigen leven doet ge het toch niet", "Ik geef tenminste eerlijk toe dat ik het niet kan, gij niet") Uiteraard zit in deze aanval al een stuk revanche, en is het dus niet enkel een manipulatiemethode.

1) TEGENAANVAL (INTIMIDATIE)

Hierbij wordt de medemens, partner door agressief gedrag ontmoedigd om verder te doen met zijn frustrerend gedrag of opmerkingen. Soms wordt dit al geanticipeerd. Doorgaans is er een disproportie tussen de uitlokkende factor in het gedrag van de andere, en de eigen emotionele reactie.

2) SCHULDINDUCTIE

Dit is een manipulatiemethode waarbij men demotiveert (of denkt te demotiveren) om zijn frustrerende rol verder te spelen. Doch daarenboven laat het toe om zichzelf te deculpabiliseren, d.w.z. de oorzaak van het probleem te projecteren op iemand anders.

Dit is een vaak gebruikte manipulatiemethode binnen de westerse cultuur van dit ogenblik, omdat onze cultuur het schuldbegrip zo duidelijk hanteert.

3) COMMUNICATIEMISBRUIK

Hierbij worden de (bedreigende) communicatiepogingen van de andere aangewend tégen hem. Bv.

 

a) schaakmatstrategie: "met u valt niet te spreken", "gij kunt dat niet begrijpen", "gij begrijpt nooit niets", "met hem/haar/u valt toch niet te praten", "gij begrijpt mij toch niet", "mannen en vrouwen gebruiken een andere taal".

 

b) inspelen op de vorm i.p.v. op de boodschap: "gij hebt misschien gelijk, maar gij zegt het op een te pijnlijke manier". (Cfr Multatuli's "Barbertje moet hangen")

 

c) inhaken op het overdreven, niet-bedoelde of vergeten aspect: "heb ik dan nooit iets goed gedaan?", "aha, nu toont gij uw ware ik", "al lachend zegt de zot zijn waarheid" b) De frustrator anders doen zijn

Hierbij tracht men de attitude van de mogelijke frustrator te doen veranderen naar een neutrale houding, of zelfs naar een positieve.

 

C. DE FRUSTRATOR AFLEIDEN OF VERANDEREN, FRUSTRATIEREPREVENTIE

Hierbij tracht men van de frustrerende situatie te voorkomen dat deze als een reden tot kritiek en frustratie zou kunnen geïnterpreteerd worden door de potentiële frustrator. Bij afleiden is dit eenmalig, bi veranderen is het een langduriger verandering van de relatie

1) KRITIEKPREVENTIE

Door de kritiek te anticiperen, op voorhand reeds toe te geven, of het belang van de "fout" te ontwaarden.

Bv. Zich verontschuldigen, spijt tonen, aan zelfbeschuldiging doen, waardering weigeren, dank weigeren, voornemens formuleren, zijn mooie intenties tonen (kleine geschenkjes)

Ook pseudo-groeiinspanningen behoren hiertoe: "ziet ge wel, ik probeerde het, maar 't lukt toch niet."

 

Overcompensatie, zich bij angst super-zeker gedragen, lief zijn tegen concurrenten of vijanden.

2) DE FRUSTRATOR AFLEIDEN

Hierbij tracht men de motivatie van de potentiële frustrator zodanig te veranderen in een positieve, dat deze geen zin heeft om te frustreren, integendeel.

a) MEDELIJDEN WEKKEN

Hierbij toont men uitdrukkelijk zijn lijden, hetzij zijn depressie of zijn lichamelijke symptomen (somatisatie), opdat de frustrator een andere, positievere houding zou aannemen, en zijn neiging tot bekritiseren of frustreren achterwege zou laten.

b) LIEFDE OPWEKKEN

Hierbij gaat men nog verder, en tracht een zeer positieve, zelfs amoureuze houding op te wekken. Soms gaat dit zelfs onbewust, waarbij men zich voelt verliefd worden op een persoon die de kwaliteiten heeft die men zelf mist. (orale regressie)

4. HET CONSTRUCTIEF, NIET-NEUROTISCH VERWERKEN VAN FRUSTRATIES

1. Constructieve revanche

De frustratie aanwenden als inspiratie en motivatie om het verder te brengen dat men zou geraakt zijn zonder frustratie, zonder daarbij iets negatiefs te doen, zodat de ander je niets kan verwijten en hopelijk zelf gefrustreerd wordt door zijn vroegere eigenmachtige beslissing.

 

Soms is die revanche minder constructief naar buiten (dus wel neurotisch), bv. een relatie beginnen met de partner van de frustrator, rechtover de ex gaan wonen in een andere relatie.

2. Therapeut/advocaat/zelfhulpgroepleider worden in het probleemterrein

Man kan de frustratie gebruiken als aanleliding om andere mensen van het probleem af te helpen, of de sterk lijkende frustrator vanuit een sterkere invalshoek aanpakken, bv een groep van seksuele slachtoffers samenbrengen.

3. Maatregelen nemen om dergelijke mislukkingen in de toekomst te voorkomen

Dir helpt wel niet voor het verleden, maar geeft fantasmatisch een toegenomen sterktegevoel.

HOE AFWEERMECHANISMEN AANPAKKEN?

INLEIDING

Bij een optimaal functionerende persoonlijkheid moeten conflicten en frustraties leiden tot groei. Afweermechanismen dienen immers slechts om het onaangename gevoel van de frustratie weg te nemen, zonder te moeten groeien.

Het proces waarbij onhandige en dus frustrerende behoeftenbevredigingen worden omgezet in meer aanvaardbare verlangens noemt men "integratie". Het proces der "sublimatie", beschreven door Sigmund Freud en later door Anna Freud, is een benadering van het begrip "integratie" uit de modernere psychologie. Freud zag sublimatie echter enkel als een vorm van neurotisch functioneren (bv. een priester die zijn seksuele behoeften sublimeert tot pedagogisch gedrag, gynaecoloog worden terwille van een overdreven seksuele behoefte om met veel vrouwen bezig te zijn). Anna Freud (1937) gaf al duidelijker aan dat het behoorde tot het "normale" functioneren. Ook Fenichel (1945) groepeert een reeks afweermechanismen "die slagen" onder de naam "sublimatie".

Het is merkwaardig dat men zodanig bezeten was door het bestrijden van de neurose, dat men niet meer zag dat er ook niet-neurotische verwerking kan zijn van frustraties en onaangepaste verlangens.

Tegenwoordig wordt therapie meer gezien als het bevorderen van het optimale functioneren, i.p.v. het bestrijden van het pathologische functioneren. Daardoor heeft het begrip "integratie" aan belang gewonnen.

Hoewel groeien en integreren de enige gezonde alternatieven zijn tegenover de afweermechanismen en de neurosen, valt de bespreking hiervan buiten het kader der eigenlijke afweermechanismen.

HET AANPAKKEN VAN AFWEERMECHANISMEN

Hierbij zullen we drie vragen bespreken:

  1. hoe herkennen we afweermechanismen?
  2. wanneer behandelen we ze?
  3. hoe behandelen we ze?

1. Hoe herkennen we afweermechanismen?

1) het vermoeden

We vermoeden dat de cliënt belangrijke afweermechanismen gebruikt, vermits hij anders niet in behandeling gekomen. De moeilijkheden die hij heeft wijzen op het bestaan van afweermechanismen, die verhinderd hebben dat hij de problematiek tijdig voorzag en doeltreffend aanpakken moest.

Ook kunnen we veronderstellen dat ze er zijn, vermits iedereen ze wel heeft, en we in deze neurotische wereld niet overeind kunnen blijven tenzij dank zij de hulp van afweermechanismen.

2) ze observeren

Langs allerlei signalen kan de persoon direct of in direct uiting geven aan zijn afweermechanismen, en aan zijn spanningen daaromtrent.

a. non-verbaal

In de houding van het lichaam kunnen allerlei tekenen van spanning, die wijzen op een achterstallige interpretatie teruggevonden worden: lichamelijke reacties als stotteren, transpireren, hyperventileren.

Ook psychisch kan dit blijken: afwezigheid, zich sociaal isoleren.

b. verbaal

Blijven hangen bij bepaalde onderwerpen, of juist oppervlakkig blijven en verspringen naar andere thema's. Sterke emotionele reacties (weigering, stemverheffing). Men spreekt van incongruenties als de tegenpartij luid of droevoge erkend.

Men kan ook duidelijk tegen de therapeut ingaan: hem trachten te overtuigen, manipuleren, afweren, bekritiseren, in de tegenaanval gaan, opmerkingen als "gij kunt dat niet verstaan".

Deze afweermechanismen kunnen spontaan optreden, of als reactie op iets dat gezegd of gedaan wordt.

3) navraag doen

Soms kan men afweermechanismen en hun onderliggende frustraties op het spoor komen door te vragen om te vertellen over de jeugd, over zijn vroegere bevindingen in de huidige relatie, over aangename en onaangename ervaringen, enz.

4) tests

Psychologische tests (zoals de MMPI, de NPV, Rorschach, TAT) laten vaak tot op grote hoogte toe om de meest gebruikte afweermechanismen op het spoor te komen.

Opmerking

Niet elke vorm van verzet tegen of kritiek op de psychotherapeut is een blijk van afweermechanismen! Soms kan de patiënt terecht kritische opmerkingen plaatsen bij de therapeut, voor wie het "veronderstellen dat het wel afweermechanismen zullen zijn bij de patiënt" soms kan gebruiken om de eigen onvolkomenheid weg te moffelen. Dit is dus een soort rationalisatie, projectie, dus een afweermechanismen bij de therapeut...

2. Wanneer behandelen we afweermechanismen?

M.a.w. hoe wordt de indicatie gesteld. We bepalen of we een afweermechanisme behandelen, en zo ja wanneer en hoe.

Het is namelijk niet omdat men een afweermechanisme heeft ontdekt, dat men het moet behandelen. Immers, afweermechanismen hebben ook een heel nuttige functie. Ze laten namelijk toe het psychisch evenwicht te bewaren in situaties die objectief gesproken onverwerkbaar zijn, zoals reële vormen van onbekwaamheid en onbereikbaarheid en de frustraties die dit illustreren, bittere realiteiten zoals de eigen dood of het verlies van een geliefde, enz.

In het algemeen moet men een afweermechanisme slechts behandelen als het de groei remt, d.w.z. als het meer nadelen heeft dan voordelen. Is een groeiproces op dat ogenblik niet mogelijk, dan is het beter het afweermechanisme te laten bestaan.

 

1) rationele beslissing

 

Hierbij wegen we de voordelen af tegen de nadelen, namelijk de voordelen van het afweermechanisme, en de voordelen van de interventie (of duiding).

Voordelen van het afweermechanisme: het bedreigende of (te) pijnlijke van de bewustwording wordt vermeden, het is soms stimulerend voor groei en constructieve revanche, het beschermt tegen een negatief zelfbeeld.

Nadelen van het afweermechanisme: het blokkeert de groei, en zelfs soms het functioneren (bv. bij een fobie). Het blokkeert ook de therapie.

Voordelen van de duiding: het laat de groei toe, ook de spontane groei. Het geeft meer vertrouwen in de therapeut.

Nadelen van de duiding: het is bedreigend en demotiverend, het is soms destructief voor de relaties van de cliënt, het doet een groeinood ontdekken die soms onrealiseerbaar is, bv. bij oudere of depressieve cliënten, het brengt de therapeut die die groei niet kan begeleiden soms in gevaar.

2) de intuïtieve beslissing

Deze komt vaker voor dan men denkt: de therapeut/consulent kan soms door zijn onbewuste tegenoverdracht geleid zijn bij zij intuïtieve beslissing. Vandaar de nood tot supervisie. In het algemeen worden beslissingen, ook bij de therapeut, veel vaker onbewust genomen dan men denkt, en zijn de "redenen" slechts rationalisaties.

3) door de cliënt zelf

Dit kan vreemd lijken, maar heel vaak beslist de cliënt zelf of hij wil dat het afweermechanisme ontmanteld wordt. Door al of niet bepaalde informatie aan te brengen geeft of ontneemt hij de therapeut de kans om een afweermechanisme te duiden.

Ook beschikt elke cliënt over een gezonde verdedigingsreflex, (die uiteraard ook een afweermechanisme is...) die erin bestaat de behandeling af te breken als zij te bedreigend wordt.

3. Hoe behandelen we afweermechanismen?

Uiteraard gaat hier bijna de gehele opleiding over, vermits het begeleiden van een groeiproces voor een groot deel uit het duiden en oplossen van afweermechanismen zal bestaan.

De algemene regel is dat een afweermechanisme niet moet verdreven worden, maar vervangen door een beter. De echte constructieve revanche, namelijk de groei, moet nog plaatsgrijpen, dus de frustratie blijft voorlopig nog bestaan. De therapeut moet een afweermechanisme slechts bestrijden in de mate dat de cliënt in staat is de gevolgen van dit nieuw inzicht zowel als de groeiprocessen min of meer zonder kleerscheuren te realiseren.

a) basisvoorwaarden

Vooreerst moet er een empathische sfeer heersen, d.w.z. een levensbeschouwing waarbij fouten en frustraties niet gezien worden als bewijzen van minderwaardigheid of onbereikbaarheid, maar als nuttige leermomenten, stimulerende ervaringen: meestal maakt een frustratie of de herbeleving ervan meer energie vrij dan een rationele overtuiging. De cliënt moet overtuigd zijn dat de therapeut hem onvoorwaardelijk goed en positief ziet.

Vervolgens is het nuttig om de frustratie te dedramatiseren zonder ze echter te banaliseren of als onbelangrijk af te doen. Zo wordt ze ook gemakkelijker verteld, omdat de betrokkene zich niet kwetsbaar meer voelt.

b) de rationele aanpak

Hiermee bedoelen we de logische, cerebrale, inzichtelijke manier om een pijnlijk psychisch probleem aan te pakken.

Men zal trachten een verdringing om te zetten in een rationalisatie, en een rationalisatie in een echte integratie.

Men kan de cliënt spontaan of met voorzichtige suggesties laten verbaliseren, d.w.z. onder woorden brengen, en daardoor anders leren beleven van de verdrongen frustratie. Men kan ook het referentiekader veranderen, d.w.z. een hele reeks herdefiniëren toe te passen. Men kan werken via parallellen, d.w.z. de patiënt te confronteren met de tegenstrijdigheid of opvallende gelijkenis van andere, analoge redeneringen.

Terwille van de grote hoeveelheid psychische energie die één duiding vraagt, is het het beste om maar één duiding per sessie te geven. Anders verdringt het ene het andere.

Hierin zit ook een stuk psycho-educatie waardoor de client meer inzicht verwerft in zijn eigen rouwproces en kan gedeculpabiliseerd worden.

Therapie is eigenlijk een geïnduceerd rouwproces.  

 c) emotionele aanpak

Hierbij kan men via rollenspel (cfr. belevingstherapie van Pesso) of directe beleving van emoties, eventueel via symboliek, via emotioneel beleefde analogieën, iemand door het gewoon te verhalen te werk gaan.

LITERATUUR

  • Baron, R., Byrne, D., & Kantowitz, B. (1980), Psychology, understanding behavior, Holt, Rinehart & Winston, New York
  • Fenichel, O. (1953), La théorie psychanalytique des névroses, I & II, PUF, Paris
  • Freud, A. (1936), Das Ich und die Abwehr-mechanismen, Wien
  • Freud, S. (1915), Die Verdrängung, Wien
  • Horowitz, M. (1988), Introduction to psychodynamics, a new synthesis, Basic Books, New York
  • Nacht, S. (Ed) (1969), La théorie psychanalytique, PUF, Paris
  • Rycroft, Ch. (1972), Dictionnaire de la psychanalyse, Hachette, Paris