4000-4999
Sites per thema:
psy0 algemeen
psy1 systemen
psy2 denken
psy3 brein
psy4 individu
psy50 diagnostiek
psy54 behandeling
psy6 optimaal
psy7 groepen
psy8 suboptimaal
psy9 optimaal

4870 Vrouwelijk denken


VROUWELIJK en MANNELIJK DENKEN
Andy Louwyck
Kris Roose

Vrouwelijk denken

Vaak vermelden vrouwelijke denk(st)ers dat er een fundamenteel verschil bestaat tussen vrouwelijk en mannelijk denken, en dus tussen vrouwelijke en mannelijke wijsbegeerte. De resulterende modellen worden dan respectievelijk met horizontaal, gelijkwaardig of vaginaal en verticaal, hiërarchisch of fallisch aangeduid. Het evolutiemodel van Teilhard en het vier kwadrantenmodel van Wilber worden in die context als hiërarchisch en dominant bekritiseerd.


Ik vind het erg moedig een dergelijke kritische beschouwing te formuleren. Toch wil ik er even op ingaan, omdat ik van mening ben dat die verschillen niet zo sterk zijn als men misschien vermoedt. Ik hoop dat deze poging niet als een sterk relativistische houding wordt geduid, waarbij een dergelijk relativisme eigenlijk niets méér is dan een verdoken fundamentalisme.

Het fundamenteel denkproces

Als jonge wetenschapper geloof ik niet meer in het logisch positivisme, maar neem ik ook geen vrede met de relativistische stelling dat er alleen maar relatieve waarheden bestaan en dat alles daarom maar een mening is. Het lijkt mij immers tegenstrijdig om vanuit een relativistisch uitgangspunt dergelijke absolute uitspraken te formuleren, maar helaas heeft niemand mij totnogtoe zijn of haar oplossing van deze Russell-paradox uitgelegd. Evenmin vind ik meningen niet altijd even boeiend en het valt mij altijd op hoe mensen die het tegendeel beweren er dan toch altijd in slagen om mijn mening op dat vlak niet echt boeiend te vinden. De vraag die ik mij verder steeds stel is of deze mensen het ook nog boeiend zouden vinden om zich dag in dag uit te moeten schikken naar de mening van een baas die er alleen op uit is zijn eigen zakken te vullen. Maar goed, deze kritiek is hier waarschijnlijk niet van toepassing, omdat men nog het begrip model hanteert. Toch vraag ik mij af hoe men de begrippen ‘waarde’ en ‘waarheid’ definieert wanneer men ze in één adem met het begrip ‘model’ noemt.


Ik denk dat zowel vrouw als man de opvatting delen dat de menselijke geest te beperkt is om de oneindige werkelijkheid te doorgronden. Vandaar dat wij naar mijn mening in ons rationeel denken geen andere keuze hebben dan die oneindige werkelijkheid te discretiseren, willen wij er toch vat op krijgen. Discretiseren is een woord uit het wiskundig jargon en duidt op het discreet maken van een continue variabele. Bij het digitaliseren van een foto bijvoorbeeld worden analoge signalen gediscretiseerd. Het resultaat van het discretiseren van een continu domein noemen wij een discretisatie. Ik weet dat ik nu de grenzen van de strikte definitie van het woord zal overschrijden, maar kun je mij volgen als ik beweer dat onze rationele kennis enkel uit discretisaties bestaat en dat je daarom discretiseren als een eenheidsbewerking van interpreteren kunt zien? Op basis van associaties en abstracties trekken wij grenzen binnen de werkelijkheid, maar zijn die grenzen daarom ook werkelijkheid? Stel dat onze oren lichtgolven opvingen en onze ogen geluidsgolven waarnamen, hoe zouden wij dan de werkelijkheid ‘begrenzen’? Ik vermoed dat sommige van die grenzen anders zouden liggen, maar dat is eigenlijk niet het punt waar ik naartoe wil. Het gaat er hier om dat wij ook in deze hypothetische situatie de werkelijkheid zouden discretiseren. Is het dan onlogisch om vanuit dit besef te besluiten dat deze discretisaties enkel mentale constructies zijn en dat de werkelijkheid misschien een oneindig continuüm is en dus in eenheid bestaat? Volgens mij is het deze redenering die mystici maken wanneer ze over eenheid spreken en die eenheid proberen ze te ervaren door de rationele geest, dat fantastische digitaliseerapparaat, even stil te leggen. Dat dit inderdaad geen rationeel bewijs is voor het bestaan van eenheid, daar ben ik het volledig mee eens, maar volgens mij zullen die mystici zich daar niet druk om maken of gemaakt hebben, juist omdat zij het rationele denken zoveel mogelijk proberen uit te schakelen.

Taal en model

Laten we nu vanuit deze redenering even stilstaan bij het dualistische karakter van de taal. Uiteindelijk is dat volgens mij ook het resultaat van het discretiseren van de werkelijkheid. Want wat gebeurt er als ik bijvoorbeeld iemand ‘verdraagzaam’ noem? Eerst en vooral projecteer ik zijn of haar n-dimensionale persoonlijkheid op de dimensie van die ene persoonlijkheidstrek die ik op dat moment wil beschrijven. Dit is volgens mij al een vorm van discretiseren, omdat de door mij waargenomen gedragingen en opvattingen van die persoon verdeeld worden in relevant en irrelevant betreffende dat kenmerk. Vervolgens deel ik het continue spectrum van dat kenmerk op in twee intervallen, waarbij ik het ene interval ‘verdraagzaam’ noem en het andere ‘onverdraagzaam’, naargelang de gediscretiseerde gedragingen en opvattingen van die persoon dichter liggen bij de respectievelijke extremen. Met dit laatste bedoel ik dat er niemand bestaat die wij als 100% verdraagzaam of 100% onverdraagzaam kunnen bestempelen. De meeste mensen beseffen wel, denk ik, dat wanneer zij zichzelf verdraagzaam noemen, dit eerder een ideaal is waarnaar zij streven en dat er veel situaties zijn waar het niet zo duidelijk is waar zij de grens tussen verdraagzaam en onverdraagzaam moeten leggen. Bovendien is het mij al opgevallen dat persoonlijkheidskenmerken die naar het extreme neigen vaak met hun dualistische tegenhanger kunnen verward worden. Zo vind ik dat verdraagzame mensen in hun streven naar verdraagzaamheid heel vaak onverdraagzaam zijn. In dat verband zou ik de paradox kunnen formuleren dat verdraagzaamheid tot onverdraagzaamheid leidt en van hieruit tot de conclusie komen dat we de gulden middenweg moeten zoeken tussen de twee extremen. Het zijn bovendien twee kanten van dezelfde medaille en zo bekeken vormen ze een eenheid.


Dat is nu ook de reden, denk ik, waarom vele religieuze en mystieke teksten vol paradoxen staan, net om ons te laten ‘aanvoelen’ dat het rationele denken en dus ook onze taal beperkt zijn. Vooral de taoïstische wijzen waren meesters van de paradox. Zo begint Lao Tzu zijn Tao Te Ching met de waarschuwende zin: ‘De Tao waarover men kan spreken is niet de eeuwige Tao’. Wanneer men bijvoorbeeld de uitspraak van de Boeddha dat ‘onze vijanden de beste leermeesters zijn’ als een dualisme ervaart, dan ben ik daar mee akkoord, maar in de conclusie dat dit oorlogstaal is, kan ik mij niet vinden. Ik zie het eveneens als een paradox, namelijk door een radicaal dualisme in uitspraken te hanteren het dualisme in onze geconditioneerde geest teniet doen. Nu, dat is mijn bescheiden mening en misschien moet ik mij eerst wat meer gaan verdiepen in Oosterse wijsbegeerten alvorens dergelijke uitspraken te doen. In ieder geval liet bovenstaande redenering mij toe meer inzicht te verwerven in de paradoxale en dubbelzinnige aard van onze omgangstaal. Talrijke tegenstrijdigheden die ik voordien in de werkelijkheid ervoer en mijn geest onrustig maakten werden plots ‘opgelost’, omdat ik besefte dat ze het resultaat waren van mijn rationele beperktheid. En de absurditeit van conflicten op persoonlijk en maatschappelijk vlak werd eveneens zichtbaar in het licht van dit inzicht. Een mooi voorbeeld hiervan is de overtuiging die sommigen hebben dat mensen geboren binnen bepaalde landsgrenzen, die in wezen niks meer zijn dan mentale constructies, hierdoor meer rechten hebben dan mensen buiten deze grenzen geboren. Landsgrenzen zijn nuttig op bestuursvlak, maar zouden nooit de verbondenheid van mensen in de weg mogen staan. Of algemeen stel ik dat het discretiseren van de werkelijkheid een praktische waarde heeft, maar zich nooit kan beroepen op de volledige theoretische waarheid. Conflicten in dat verband zijn dus irrelevant, maar jammer genoeg wel dagelijkse kost, doordat discretisaties al te vaak voor werkelijkheid genomen worden. In dit verband volg ik ook de taalfilosoof Wittgenstein wanneer hij beweert dat uitspraken nooit waar of onwaar zijn, maar enkel nuttig of onnuttig.

Objectief en subjectief

Maar voor mij blijft de vraag waar de grens moet getrokken worden tussen objectief en subjectief en hiermee komen we weer bij het probleem van het relativisme. Voorlopig zie ik het als volgt, voortbouwend op het hierboven besproken model van het discretiseren. Je zou kunnen stellen dat de discretisaties subjectief zijn en verwijzen naar subjectief gekleurde ervaringen van de werkelijkheid, die weliswaar een objectieve gegevenheid bezitten. Die objectiviteit ligt vooreerst in het feit dat die ervaringen er zijn en dus een onvoorwaardelijk bestaansrecht moeten krijgen en verder in het feit dat ze reproduceerbaar zijn. Laat mij toe deze redenering te verduidelijken met het voorbeeld van de man die zijn hond beschrijft aan zijn vriend. Dat die man zijn hond zintuiglijk en emotioneel ervaart is een objectief gegeven. De manier waarop de man die ervaringen ondergaat hangt af van zijn lichamelijke en geestelijke constitutie en is dus subjectief en bovendien uniek. Wanneer hij die ervaringen echter wil herhalen, dan zal hij deze ervaringen rationeel moeten vatten en dus discretiseren. Hetzelfde geldt wanneer hij deze ervaringen wil ‘delen’ met zijn vriend. Uiteraard zal die vriend alleen maar tot gelijkaardige ervaringen kunnen komen als hij met die hond geconfronteerd wordt en dan nog zal zijn unieke lichamelijke en geestelijke constitutie ervoor zorgen dat zijn ervaringen van de hond nog iets anders zijn dan die van zijn vriend. Toch is het niet onredelijk te stellen dat die ervaringen van beide personen tot op zekere hoogte gelijk zijn, omdat wij allen tot op zekere hoogte over hetzelfde lichaam en dezelfde geest beschikken (voor zover dit natuurlijk twee afzonderlijke substanties zijn). Het feit dat wij ons allen heel vaak kunnen terugvinden in de rationele omschrijvingen die anderen geven van hun ervaringen is daar voor mij een bewijs van.


Uiteraard zal een model van een ervaring nooit die ervaring kunnen vervangen, maar het kan wel een richting geven en het biedt de ander de kans die ervaring zelf aan den lijve te ondervinden. De nauwkeurigheid van het model is uiteraard een garantie voor de effectiviteit van de verwijzing en volgens mij speelt de discretisatiegraad of verfijning daarin een belangrijke rol. Wanneer de man enkel maar over een hond spreekt, dan zal zijn vriend weten dat het geen kat is, maar daar houdt het ook op. Wanneer hij zijn ervaringen gedetailleerder beschrijft of meer discretiseert, dan vergroot de kans echter dat zijn vriend de hond onmiddellijk zal herkennen bij een eventuele ontmoeting - zelfs in aanwezigheid van andere honden - en bovendien bepaalde van zijn ervaringen zal kunnen herhalen. Samengevat zou ik kunnen schrijven dat preverbale ervaringen gediscretiseerd worden tot een rationeel (verbaal) model. Wanneer dat model doorgegeven wordt aan de ander, dan start deze bij het rationele. Wil hij tot het preverbale teruggaan (regressie), dan moet hij echter eerst voorbij de woorden gaan (transgressie). Ik gebruik in dat verband dus ook liever het beeld van de horizontaal bewegende zee, omdat ik eerlijk gezegd niet zou weten hoe ik die verschillende stappen verticaal moet rangschikken. Bovendien hou ik ook wel van de paradox dat elke transgressie een regressie is en daarmee verwijs ik eigenlijk naar mijn eenheidservaring. Deze was een gevolg van een transgressieve beweging ten opzichte van mijn rationele kennis en tegelijk hield ze een regressie in naar ‘het onbewerkte blok’ zoals taoïsten dat noemen.


Ik hoop dat het vanuit mijn voorbeeld ook mag duidelijk zijn dat ik ondanks een relativistische houding toch nog ruimte openlaat voor objectiviteit, niet alleen vanuit de gegevenheid van ervaringen, maar ook vanuit de effectiviteit van modellen, die voor mij ook een objectief gegeven is. Vooral dit laatste vind ik een belangrijk punt op ethisch vlak. Ethisch relativisme dat geen onderscheid maakt tussen goed en kwaad kent aan elk model een gelijke waarde toe. Volgens die redenering zou dan fascisme als politiek model evenwaardig zijn aan democratie. Ik kan mij daar moeilijk in vinden en dus stel ik dat het een objectief gegeven is dat sommige modellen beter de werkelijkheid afbeelden dan andere. Dit laat wel toe onderscheid te maken tussen goed en kwaad. Verder ga ik niet in tegen rationele kennis, maar zie ik er integendeel de noodzaak van in. Door het begrijpen van onze ervaringen van de werkelijkheid kunnen we ook ingrijpen in deze ervaringen en ze doorgeven aan anderen, wat niet alleen onze overlevingskansen vergroot, maar ons bovendien een diepere zin doet ontdekken in het leven.

Rationaliteit

De erkenning van objectiviteit en rationaliteit gaan voor mij gepaard met een erkenning van de wetenschap. Door wetenschappelijke activiteiten wordt de objectieve gegevenheid in kaart gebracht. Ervaringen van de werkelijkheid worden gerationaliseerd waardoor ze beter gestuurd kunnen worden. Waarnemingen leiden dus tot modellen die op hun beurt weer tot nieuwe waarnemingen leiden. Dit is de cyclus van de experimentele wetenschap, die echter dogmatisch is als zij de subjectieve component bij het waarnemen en interpreteren verwaarloost. Of zoals Quine het stelt is de wetenschap ondergedetermineerd door de waarneming. Bovendien zitten we met het probleem dat elke meting de waarneming beïnvloedt, wat ook geldt voor de positie van de waarnemer. De waarneming situeert zich dus steeds binnen de grenzen van een theorie of een paradigma zoals Kuhn dat noemt. Dit leidt volgens mij tot de conclusie dat modellen niet alleen gecalibreerd moeten worden door confrontatie met data, maar dat er ook een vergelijking van modellen moet gebeuren. En dit pleit voor een integratieve benadering naast de experimentele. Door vergelijking van de verschillende modellen onderling kan een gemeenschappelijke noemer gevonden worden, die de objectieve waarde van het model vergroot, omdat subjectieve componenten deels uit het model gezeefd worden.

Integratief model

Dit betekent volgens mij niet dat het integratieve model dichter bij de werkelijkheid staat. Het blijft een afbeelding van de werkelijkheid, maar de kans dat het die werkelijkheid effectiever afbeeldt is groter. Hiermee koppel ik de waarde van een model aan zijn praktisch nut, de efficiëntie waarmee het ervaringen kan beschrijven en ze als een soort van instrument kan sturen. Deze waarde is uiteindelijk ook een ervaring die gediscretiseerd moet worden en bevat daarom een subjectieve component. Omdat er dus op geen enkel vlak een zuivere objectiviteit kan bereikt worden, is het volgens mij enorm belangrijk dat de wetenschap zoveel mogelijk een ondubbelzinnig formalisme hanteert door het formuleren van eenduidige axioma’s, definities en stellingen. Uiteraard zijn dit opnieuw discretisaties die deels subjectief zijn. Hun objectiviteit ligt echter in het gegeven dat afspraken een noodzakelijke voorwaarde zijn tot wederzijds begrip. Twee personen moeten het al eens zijn over bepaalde discretisaties alvorens ze die discretisaties door onderling overleg kunnen verfijnen. Teruggrijpend naar het voorbeeld van de hond zou dit betekenen dat beide mannen het al eens moeten zijn over het begrip hond alvorens ze tot een gedetailleerder beschrijving kunnen overgaan. Dit betekent niet dat de afspraken aan de basis liggen van wetenschappelijke kennis. Ook dit beeld zou een te hiërarchisch beeld zijn dat terugkoppeling naar de basis verwaarloost. In dat verband hou ik meer van het beeld van Quine, die spreekt van een ‘web of beliefs’ met in het centrum de axioma’s en aan de randen de empirische activiteiten. Het web zelf wordt dan zogezegd door logische redeneringen gevormd, maar in feite zijn het in hoofdzaak psychologische processen die de aaneenrijging bepalen. Vanuit dit beeld wordt het dan ook duidelijk dat er geen onderscheid is tussen analytische en synthetische begrippen, gezien zij allen in hetzelfde web voorkomen en elkaar beïnvloeden. Daarmee weerlegde hij ook de mythe van het logisch positivisme. In mijn bewoording zou dit betekenen dat bepaalde ervaringen niet alleen leiden tot een verfijning van de discretisaties, maar ook tot een herdefiniëren van bepaalde vooraf afgesproken grenzen in het model. Tenslotte zou ik hier nog willen onderlijnen dat de beperkingen van de wetenschap niet wegnemen dat zij tot op heden de meest indrukwekkende menselijke samenwerking is en dat alleen al boezemt bij mij vertrouwen in. Bovendien is zij zelfkritisch en valt zij niet terug op de alwetendheid van een enkeling.

Hiërarchische modellen

Ik vind ook dat bepaalde modellen te hiërarchisch zijn en dus een indruk van dominantie geven. Omdat ik ook geloof in het subjectief gekleurd zijn van die modellen, is het zeker logisch de vraag te stellen in hoeverre seksegebondenheid een rol speelt. Maar als lid van een arbeidersfamilie zou ik ook de vraag kunnen stellen in hoeverre de sociale afkomst daar geen rol in speelt. Het is eveneens door bepaalde emancipatorische bewegingen dat ik hier en nu met jullie zit te denken, een schitterende ervaring die mijn grootouders en zelfs mijn ouders nooit hebben meegemaakt, omdat zij bepaalde kansen niet hebben gekregen die wij wel hebben gehad. Het mag ook duidelijk zijn uit mijn bovenstaande redeneringen dat er wat mij betreft zeker ruimte moet gemaakt worden om de vinger te bestuderen die naar de maan wijst. Maar dat bestuderen vereist weer een andere vinger en wie garandeert dat deze vinger recht is? Vandaar dat ik – en dat is een persoonlijke opvatting – het nuttiger vind om het wijzen te bestuderen dan de vinger, of beter gezegd, dat de kennis over de vinger enkel als functie heeft zijn wijzen sneller te begrijpen. Eenmaal dat wijzen begrepen is, kan ik zelf de maan ervaren en hoef ik mij niet meer druk te maken over het al dan niet krom zijn van de vinger. We zijn allemaal in zekere zin geconditioneerd en die conditionering hebben we nu eenmaal niet volledig zelf in de hand.

Model en werkelijkheid

We hebben ook allen onze redenen om ons op een bepaald vlak benadeeld te voelen. Ons rationeel denken doet altijd op één of andere manier de werkelijkheid geweld aan door het discretiseren. Wanneer de ander mijn persoonlijkheid discretiseert tot een paar eigenschappen, dan is dat altijd een sterke vereenvoudiging, zoals ik eerder al uitgelegd heb. Vandaar wellicht dat sommige mensen beweren dat je mensen niet in hokjes mag stoppen. Paradoxaal genoeg lijkt het mij dat zij die uitspraak meestal doen tegen iemand die zij in het hokje stoppen van de mensen die mensen in hokjes stoppen. Zij lijken bovendien niet de redenering te maken dat elke persoon als enige in het unieke hokje zit dat de doorsnede voorstelt van alle hokjes waartoe hij behoort. Het probleem ligt dus niet bij het discretiseren op zich, maar bij het voor werkelijkheid aanzien van de resulterende discretisaties. Pas in dat laatste geval wordt de betreffende persoon gereduceerd en dus geweld aangedaan. De vele conflicten in onze wereld zijn voor mij een bewijs dat mensen te vaak reduceren of denken gereduceerd te worden. Dat laatste is een belangrijke aanvulling, omdat mensen die anderen reduceren ook denken dat anderen hen reduceren, terwijl dat niet altijd zo hoeft te zijn. Bovendien reduceren ze zichzelf doordat zij hun zelfbeeld, hun ego voor werkelijkheid aanzien. Vandaar dat ik het volgende aforisme als leidraad neem tijdens mijn sociale interacties: woorden zijn een middel om de Ander als doel te zien en niet omgekeerd. Of met de bewoording van Levinas: ‘het Gelaat van de Ander is een oproep om mijn denken steeds opnieuw te wijzigen’. Mijn denken is niet gesloten. En als ik vermoed dat de Ander mij reduceert, dan geeft dit inzicht mij het geduld en de kracht om de Ander niet zelf te gaan reduceren.

Ik denk dat ik mijn punt nu duidelijk heb gemaakt. Ik probeer mij niet te ergeren aan de beeldspraak die binnen bepaalde modellen gebruikt wordt.

Evolutiemodellen

Dit geldt dus ook voor de evolutiemodellen. Bij evolutie ligt de nadruk ook op evenwicht en communicatie naast de pijl van de tijd. Elk groeiproces wordt gekenmerkt door een evenwicht tussen differentiatie en integratie, in die zin dat er tegelijkertijd meer van beide wordt verwezenlijkt. Een onevenwichtig groeiproces leidt tot dissociatie, wat bijvoorbeeld het geval is bij kanker. Verder vereist elk evolutieproces een vorm van communicatie en geheugen, met als gevolg dat er een tijdsas geconstrueerd kan worden, omdat communicatie een bepaalde richting veronderstelt. Het volgende gedachtenexperiment kan dit verduidelijken. Stel dat er een universum zou bestaan dat identiek is aan het onze met dat verschil dat de tijd een tegengestelde richting heeft. Stel ook dat men zijn evenbeeld uit het andere universum zou ontmoeten. Het zou onmogelijk zijn om met elkaar te communiceren omwille van de tijdsinversie in het geheugen van het evenbeeld. Er is dus een tijdsas nodig in elk evolutiemodel maar of de pijl nu naar boven, naar onder, naar links of naar rechts wijst is eigenlijk irrelevant. Wel relevant is het feit dat elk nieuw stadium in de evolutie geen breuk is met de voorgaande stadia, maar erop verder bouwt of ze omvat. Dit versta ik niet in een hiërarchische zin, maar eerder als de verschillende schalen waarop individuele groeiprocessen zich afspelen als onderdeel van het overkoepelende groeiproces. Wilber spreekt in dat verband van een holon, een geheel dat ook deel is van een groter geheel. In dat verband kom je ook tot Whiteheads eenheid-in-verscheidenheid.


Waarschijnlijk zal deze uitbreiding ook altijd een n-dimensionaal gebeuren zijn, wat in onze rationele geest gediscretiseerd wordt tot enkel een verticale en/of horizontale component. Interessant is ook om op te merken dat het evenwicht van elk groeiproces dynamisch is, wat aanleiding geeft tot een cyclisch model van de tijd. De combinatie van een lineair en een cyclisch tijdsmodel geeft het golfkarakter aan waarmee het evolutieproces tussen integratie en differentiatie zwenkt rond de evenwichtstoestand. Ook ben ik niet van mening dat het evolutiemodel een bevestiging is van het determinisme. In dat verband verwijs ik naar de theorieën van de fysicus Prigogine, die verenigbaar zijn met de Teilhardiaanse visie. De eerste beschrijven ook een dynamische kosmos waar de tijd onomkeerbaar is en waarin er zowel toeval als niet-toeval voorkomt. Systemen die in evenwicht zijn zouden deterministisch beschreven kunnen worden, ver-uit-evenwicht systemen zijn aan het toeval overgelaten en geven aanleiding tot nieuwe structuren door spontane zelfordening. Dergelijke nieuwe structuren zouden overeen kunnen komen met verschillende evolutiestadia.

Ik kan echter wel begrijpen dat voor sommige mensen het Teilhardiaanse model hiërarchisch of antropocentrisch aanvoelt. Het moge echter duidelijk zijn dat ik dat gevoel niet deel. Integendeel, het besef als holon deel uit te maken van evolutieprocessen op grotere schaal hebben mijn beheersingsdrang vervangen door een participatiegevoel. Het is trouwens een enorm overweldigende ervaring om plots door deze intense verbondenheid overvallen te worden. En ook het besef dat het heden voer is voor de toekomst zet aan tot bescheidenheid. Maar je kunt inderdaad de terechte vraag stellen in hoeverre die modellen met de werkelijkheid overeenkomen. Discretiseren is immers ook een proces van differentiatie en integratie en schept dus eenheid in verscheidenheid. In dat verband zou je ‘zijn’ als de ultieme discretisatie kunnen zien van ‘worden’, ‘zijn’ dat alles van elkaar onderscheidt en alles met elkaar verbindt in een eeuwig en continu ‘worden’. Je zou vanuit deze redenering dus inderdaad de conclusie kunnen trekken dat het vaststellen van al deze groeiprocessen enkel het gevolg is van de discretiserende werking van onze geest. En indien je het cartesiaanse dualisme materie/geest hanteert zou dat een logische gevolgtrekking zijn. Ik vind het echter logischer om dit dualisme ook als een discretisatie van ons denken te zien en dat leidt tot de tegenovergestelde conclusie, nl. dat alles doordrongen is van een creatieve Geest en dat de Kosmos een continu en oneindig evolutieproces is. En deze conclusie spoort mij dagelijks aan tot momenten van stille verwondering.


Voor mij is evolutie niet alleen een troost maar ook de stille hoop dat de mensheid uiteindelijk het punt mag bereiken waarbij de differentiatie en integratie maximaal is en perfect in evenwicht, zodat emancipatie een overbodig begrip geworden is. Het zou het eindpunt zijn waarbij er geen minderheidsgroepen meer bestaan omdat er maar één groep is, een groep waarin ieder individu de ruimte krijgt om op zijn manier aan de gemeenschappelijke ruimte te bouwen. Het eindpunt zou tevens ook het beginpunt kunnen zijn dat door Chuang Tzu als volgt beschreven wordt: “In de eeuw van de volmaakte deugd werd er geen waarde gehecht aan kennis en men gebruikte geen knappe mensen. De vorsten waren als de hoge takken der bomen en het volk als de herten des wouds. Zij waren rechtuit en stipt zonder te weten dat dit plichtmatigheid was. Zij hielden van elkaar zonder te weten dat dit menslievendheid was. Zij waren eerlijk en trouw zonder te weten dat dit rechtschapenheid was. Zij vervulden hun beloften zonder te weten dat dit goede trouw was. In hun eenvoud hielpen zij elkaar zonder te weten dat dit behulpzaamheid was. Daarom lieten hun daden geen spoor achter en werd hun geschiedenis niet opgetekend”. Volgens mij komt het hierop neer dat mensen wel nog die begrippen zouden kennen, maar ze niet meer gebruiken om elkaar te reduceren of “de slimme onderscheidt zich niet meer van de domme, de rechtvaardige onderscheidt zich niet meer van de onrechtvaardige en de schone onderscheidt zich niet meer van de lelijke”. Maar helaas hebben we dat punt nog niet bereikt en dus hebben emancipatorische bewegingen nog steeds hun waarde. Het is volgens mij deze evolutie waar Wilber ons wil attent op maken wanneer hij over pre- en transrationaliteit spreekt en het verwondert mij dan ook niet dat hij het feminisme verdienstelijk vindt.

Besluit

In die zin zou ik dus ook kunnen zeggen dat de man zich niet meer zou onderscheiden van de vrouw enkel en alleen op basis van stereotype beelden. De uitspraak van Aristoteles dat de vrouw minderwaardig is aan de man omdat zij ontvankelijk is in het liefdesspel vind ik persoonlijk even reducerend als de uitspraak van dr. Bo Coolsaet dat de man van nature uit agressief is omdat de penetratiedaad grensoverschrijdend en agressief is. Ik heb een groot deel van mijn jeugd op de eerste rij gezeten bij de versie van mijn ouders hun strijd der seksen. Die strijd heeft ook jarenlang in mezelf gewoed en om eerlijk te zijn maakt het mij moedeloos en depressief, zelfs vandaag nog. Ik zie er het nut niet van in en op dat vlak ben ik ook nog steeds in de war. Ik weet niet meer of ik nu als man de deur wel of niet moet open houden voor de vrouw. In ieder geval houd ik de deur open voor horizontale modellen. Ik ben er nieuwsgierig naar en ik hoop dat het voor een deel mijn verwarring kan oplossen. Ik denk ook dat uit alles wat ik hier geschreven heb het nu moet duidelijk zijn dat ik op zoek ben naar het evenwicht tussen oost en west, eenheid en veelheid, weten en niet-weten, ondernemen en ondergaan, man en vrouw, vader en zoon, want enkel dat zal van mij een heilige geest maken. Als sommige vrouwelijke denk(st)ers van mening zijn dat mijn opvattingen te seksegebonden zijn, dan ben ik zeker bereid te spreken door te luisteren en meer vrouwelijke ideeën in mijn denken te integreren. Maar ik hoop ook dat die vrouwen hun grotere levenswijsheid kunnen laten spreken om op dat vlak geduld met mij te hebben en mij als man van de 21ste eeuw de kans geven het op dat vlak beter te doen dan mijn voorvaderen.