5000-5399
Sites per thema:
psy0 algemeen
psy1 systemen
psy2 denken
psy3 brein
psy4 individu
psy50 diagnostiek
psy54 behandeling
psy6 optimaal
psy7 groepen
psy8 suboptimaal
psy9 optimaal

5003 Functie-analyse


Inleiding

Dit is de term die in de integratieve psychologie gebruikt wordt ter opvolging van de term "diagnose". Inderdaad, dit klassieke begrip uit het medisch ziektemodel, past helemaal niet in het groeimodel. Zoals het ziektemodel zelf, suggereert de term "diagnose" dat de mens spontaan optimaal zou functioneren, maar dat door een of andere tegenslag ("trauma", "ziekte") niet doet, en dus een "genezende" behandeling moet ondergaan. Niet alleen is dat een verkeerde analyse der feiten, daarenboven geeft het aan de cliënt een excuus om zelf geen groeiinspanningen te doen, en laat het de therapeut toe zich te beperken tot het gemakkelijkste, namelijk het bestrijden van wat negatief is.

Bepaling

Functieanalyse is een onderzoek naar de diverse functies van de persoonlijkheid van de cliënt. Het omvat zowel de storende, te sterk aanwezige negatieve denk-, handel- en gevoelspatronen, die in het medisch model "symptomen" worden genoemd, als te zwakke, onderontwikkelde positieve  denk-, handel- en gevoelspatronen, waar in het medisch model bijna nooit over gesproken wordt.

De negatieve zijn soms (1) uitingsvormen van een gemis (bv wenen, depressie bij gebrek aan aandacht en bevrediging der behoeften), en soms (2) compensatiepogingen voor een gemis, (bv autoritair gedrag als er geen spontane bewondering en vertrouwen optreedt bij de omgeving, veel eten bij gebrek aan bevrediging op andere gebieden).

De positieve zijn denk-, handel- en gevoelspatronen die ertoe leiden dat de eigen behoeften tot bevrediging komen. Dit zal des te beter lukken naarmate men hierbij rekening houdt met de behoeften der anderen, en bij tegenstrijdigheden eerder naar een integratie dan naar een keuze streeft.

Daarnaast zijn ook de evaluatiecriteria. Dikwijls kent men het optimale gedrag, maar wordt het niet op het goede moment (en voor de goede toepassingen) aangewend. Overigens kan iedereen regresseren, d.w.z. bij te grote stress en frustratie teruggrijpen naar primitievere denk-, handel- en gevoelspatronen, die op kortere termijn en fantasmatisch meer voordeel schijnen op te leveren.

Het onderzoeken en beschrijven van de mogelijke "oorzaken" waarom men teveel negatieve en te weinig positieve kwaliteiten ontwikkeld heeft helpt gewoonlijk niet veel om de persoonlijkheid te optimaliseren, hoewel het wel emotioneel kan ontladen, deblokkeren en motiveren tot een constructieve revanche.

Werkwijze

A. Functieanalyse kan vanuit minstens drie bronnen gebeuren, en best zouden ze er alle bij zijn.

1. Spontane verhaal

Hierbij laat men de cliënt spontaan vertellen hoe zijn problemen beleeft, en welke verklaring hij daarvoor aangeeft. Hoewel deze aanvankelijke zelfanalyse uiteraard nog niet de verfijning heeft van een integratieve functieanalyse, is ze uiteraard hoogst bruikbaar. Buiten wat de cliënt aan feitenmateriaal brengt, wordt voor de geoefende psychoanagoog ook duidelijk met welk persoonlijkheid persoonlijkheid hij te doen heeft, en kan hij de stemming al inschatten.

Dit spontane verhaal heeft verder twee bijkomende functies. (1) Bijna alle cliënten vertoeven in een emotioneel moeilijke periode, en hebben een enorme nood aan empathie. Ze verwachten dit ook van de consultaties. (2) De cliënt wil ook de coach leren kennen, en zich al een evaluerend gedacht vormen van wat hem te wachten staat, hoe ernstig zijn toestand wordt ingeschat, en hoe positief de psychoanagoog de groeikansen en vooruitzichten ziet. De reacties van de psychoanagoog zijn hierbij dus belangrijk, en kunnen de motivatie, de goede groei-attitude, en zelfs het afhaken bepalen.

Het spontane verhaal gaat langzaam over in een gestructureerd interview, waarbij de ervaren psychoanagoog bepaalde zaken navraagt om een vollediger en genuanceerdere voorgeschiedenis te verkrijgen. Soms kunnen vragenlijsten nuttig zijn, afhankelijk van het intellectuele peil van de cliënt. De cultuur speelt hierbij een rol. Zij bepaalt zeer sterk de bereidheid van de cliënt om aan dergelijke gesprekken deel te nemen.

2. Testing

Sommige psychologische testen zijn heel nuttig in de psychoanagogie, zoals de MMPI (vooral de schalen ivm met de testbetrouwbaarheid, de 3 depressieschalen die tevens de verdringing testen, de psychoseschaal 8, de energieschaal 9), de NPV (vooral schalen 1,2,6 en 7), de Test van het Constructief Denken (TCD) hoewel die deels schalen 1 en 7 van de NPV overlapt. Een geïntegreerde test, die al deze nuttige elementen vervat, wordt ontwikkeld aan het NPC.

Het nut is driedubbel. Niet alleen wordt de psychoanagoog geholpen in zijn functie-analyse, maar de resultaten hiervan kunnen ook de cliënt duidelijk maken op welke functies hij zou moeten verbeteren. En tenslotte kunnen van tijd tot tijd de test herdaan worden, om vooruitgang te meten.

3. Biologische metingen

Bij het maken van een functie-analyse zijn enkele biologische metingen nuttig en soms zelfs onmisbaar, wil men niet nodeloos de "psychologische toer opgaan", d.w.z. toestanden als psychogeen bestempelen en aanpakken, die zuiver biologisch zijn, hoewel ze soms toch kunnen leiden tot neurotisering.

(1) bloedonderzoek, vooral bij depressieve en chronisch vermoeide toestanden, zoals de DST (Deaxamethasonesuppressietest). Hierbij wordt onderzocht of er al dan niet sprake is van een endogene depressie (of hypomanie). Ook de EBV-test (Epstein-Barr Virus) is belangrijk: het checkt een banale virale infectie (klierkoorts, mononucleose) die vaak ongemerkt voorbijgaat, maar maanden-, soms jarenlang gevoelens van vermoeidheid (CVS) en depressie kan uitlokken. Verder klassieke zaken als aantal Rode Bloedcellen, ijzervoorraad, bloeddruk (niet zozeer die in rust, maar de veranderingen na een kleine inspanning) kunnen sommige symptomen verklaren.

(2) qEEG (kwantitatief Elektro-encefalogram), d.w.z. een EEG met kwantitatieve computeranalyse. Zowel de thêta-bêta-verhouding, die meestal gestoord is bij concentratiestoornissen na minimal brain damage, meestal door hypoxemie rond de geboorte, als de (wiskundig) afgeleiden (Z-scores) van de meeste hersengolven, die wijzen op hersenfunctiestoornissen, zoals depressie, angst, weerstand, e.d. Het is niet duidelijk of die waarneembare golfveranderingen iets te zien hebben met de oorzaak van die toestanden, of gewoon symptomatische uitingen zijn. In elk geval is gebleken dat het therapeutisch beïnvloeden van deze elektrische fenomenen ook de onderliggende psychologische en intellectuele processen beïnvloedt.

B. Bijstelling van de Functieanalyse

De resultaten van de functieanalyse moeten later uiteraard bijgesteld worden, als de eerste invloeden van de psychoanagogie merkbaar worden.

Soms zijn er mentale toestanden die het onmogelijk maken om meteen een goede functieanalyse te doen, bv een depressie, angsttoestanden, psychotische syndromen, maar ook euforie, fatalisme, haat en wraakgevoelens. Die moeten dan eerst, eventueel medicamenteus, aangepakt worden.

Niet alles is namelijk op gelijk welk ogenblik bespreekbaar. Er moet vaak een normalisering komen van de stemming, en een reeks voorbereidende gesprekken (psycho-educatie) is vak aangewezen, zonder uiteraard te vervallen in "lesgeven", want de emotionele kant van het inzicht is minstens zo belangrijk als de rationele boodschap.