5000-5399
Sites per thema:
psy0 algemeen
psy1 systemen
psy2 denken
psy3 brein
psy4 individu
psy50 diagnostiek
psy54 behandeling
psy6 optimaal
psy7 groepen
psy8 suboptimaal
psy9 optimaal

5009 ENKELVOUDIGE SYNDROMEN



In de integratieve psychodiagnostiek worden de syndromen ingedeeld in 2 groepen:

1. de enkelvoudige syndromen
2. de complexe syndromen

De enkelvoudige syndromen zijn zuivere "psychische" aandoeningen, dus "software"-onvolkomenheden in de hersenen, in de "geest". Ze omvatten wat men klassiek psychosen, neurosen, psychopathie en stemmingsstoornissen incl.depressie pleegt te noemen. Ze zijn echter geklasseerd volgens het functioneringsniveau dat gebaseerd is op Freuds ontwikkelingsmodel. Telkens worden ze opgedeeld in karaktertrekken, en dan acute, plotse en kortstondige syndromen, en chronische, die (onbehandeld) veel langer duren. De chronische ontstaan door een neurotiseringsproces, dat vroeger besproken werd.

De complexe syndromen zijn telkens een combinatie van enkelvoudige psychische syndromen met lichamelijke facetten, die ofwel oorzaak, ofwel gevolg, ofwel beide kunnen zijn.

Subfunctionele vaardigheden


Verder wordt in de integratieve diagnostiek bij de Enkelvoudige syndromen ook onderscheid gemaakt tussen
1. de klassieke pathologische of "positieve" symptomen (sorry voor deze misleidende medische term), waarmee wordt bedoeld de aanwezigheid van storende, negatief, onaangepast, zelfbeschadigend gedrag, en
2. de subfunctionele of "negatieve" symptomen, waarmee wordt bedoeld de afwezigheid van nuttig, positief, zelfbevoordelend gedrag. Inderdaad, bij elk der Freudiaanse ontwikkelingsfasen horen gedragingen die voordeel kunnen opleveren voor de persoon, en indirect ook vaak voor de omgeving.

Een overzicht van enkele nuttige levensvaardigheden:

1. Modus 1 (irreëel): Fundamenteel zelfvertrouwen, en verbeeldingskracht: fantastische, schier krankzinnige verbeelding, het leggen van ongebruikelijke associaties. Dit kan werken als inspiratie voor bepaalde kunstvormen (muzikaal, visueel, abstracte kunsten), maar ook bij humor.

2. Modus 2 (oraal): zich laten gaan en kritiekloos aanvaarden en doen wat anderen (in wie men vertrouwen heeft) verwachten en willen doen met jou, ongeremd zijn emoties uiten en intensief beleven, is vaak een groot voordeel, bv. in het bereiken van trance, in het (schaamteloos, ongeremd) spelen van een rol, in liefdevolle overgave en teerheid in seksualiteit, het zich laten verzorgen bij ziekte en kwetsuren. Overigens behoort het zich kunnen laten gaan en overgeven aan de zorg en tederheid van anderen tot onze aangeboren behoeften. Het is helend dergelijke ervaringen (als zij complicatieloos zijn)

3. Modus 3 (anaal): strikt organiseren en controleren is zeker een belangrijke vaardigheid in het leven, zowel individueel (wilskracht, zelfcontrole), in de omgang met machines en computerprogramma's e.d., en sociaal in groepen en samenwerkingsverbanden. Verder is negatieve assertiviteit (nee durven/kunnen zeggen) helaas in onze neurotische samenleving een onmisbare voorwaarde tot subjectief geluk.

4. Modus 4 (fallisch): kunnen lesgeven, leiden, de positieve assertiviteit (durven ja-zeggen, initiatieven nemen), sociale vaardigheden zoals zich integreren in een groep, oppervlakkig plezier, zelfbewuste intimiteit.

5. Modus 5 (genitaal): om optimaal in een relatie te kinnen functioneren moet men kunnen integreren en communiceren, en tevens beschikken over een krachtige zelfcontrole (besproken onder modus 3) en een reeks bewuste inzichten in menselijk en intermenselijk functioneren.

In vele psychotherapieën, zeker deze die steunen op het ziektemodel, worden bovenstaande vaardigheden niet beschouwd, zelfs niet aangevoeld, als een mogelijke oorzaak van psychisch dysfunctioneren. Dit is dubbel jammer, want vele symptomen hebben naast hun signaalfunctie van fundamentele onbevredigdheid, zijn ook pogingen zijn om deze onderontwikkelde functies te compenseren. Een integratief psychoanagoog zal daar integendeel veel aandacht aan geven.

Bv frequent ruzie maken, als onhandige compensatie voor een onvermogen tot constructieve communicatie. Storend gedrag als compensatie voor gebrek aan aandacht en het vermogen deze aandacht op constructieve manier te verwerven. Negatieve zelfrealisatie (puberteit, revolterend gedrag, oppositioneel gedrag) als compensatie voor een onvermogen om op constructieve, integratieve manier zichzelf te realiseren. Seksueel sadisme als compensatie voor z'n onvermogen om op tedere manier af te dalen tot diepe vormen van wederzijds vertrouwen en overgave. herhaaldelijk mislukken in studies, met depressies voor gevolg, omdat men als hoogbegaafde nooit wilskracht en zelfdiscipline hoefde te ontwikkelen.