5000-5399
Sites per thema:
psy0 algemeen
psy1 systemen
psy2 denken
psy3 brein
psy4 individu
psy50 diagnostiek
psy54 behandeling
psy6 optimaal
psy7 groepen
psy8 suboptimaal
psy9 optimaal

5013 Modus 1: Chronische


Chronische vormen van psychosen


Deze duren jaren-, en zonder behandeling meestal levenslang, buiten enkele lichtere gevallen. Schizofrenie en paranoia komen het meeste voor. 

 

INDELING

Al naargelang de leeftijd waarop een chronische psychose begint, heeft zij een ander aspect en een andere naam. Het verschil wordt vooral veroorzaakt door het feit dat patiënten, die pas op latere leeftijd psychotisch worden, al vele jaren "normaal" hebben geleefd, zodat zij beschikken over tal van normale denkpatronen en sociale reflexen, waardoor hun ziekte hen minder stoort in hun contact met de buitenwereld.

 

SOORTEN

Wordt men psychotisch tussen

0-10 jaar: Autisme (we bedoelen niet: ASS)

10-20 jaar: Hebefrenie

20-40 jaar: Schizofrenie / Paranoïde Schizofrenie

na 40 jaar: Paranoia / Parafrenie

 

1. KINDERLIJK AUTISME

 

BEPALING

Een zeer vroeg optredende chronische psychose. 

 

DSM-code As I

299 Autistische stoornis bij het kind

 

Opmerking

Autisme heeft 3 verschillende betekenissen: 

1) De oorspronkelijke betekenis: dát kenmerk van volwassen psychotici waarbij ze in een eigen, oncommuniceerbare wereld schijnen te leven. Bij schizofrenen, bij wie de waan oninvoelbaar is, valt dit het meest op. Maar ze kunnen wel goed praten en aandacht hebben voor de omgeving.

2) Een vroege vorm van psychose: totaal afgesloten van de buitenwereld, blijkbaar wel intelligent maar bijna nooit pratend (mutisme)

3) Een (slechte) afkorting van de Autisme-Spectrum-Stoornissen (ASS). 


Doordat term 3 momenteel het meest bekend is, is hier nogal wat verwarring rond. 

 

De verwarring tussen 2) en 3) wordt weerspiegeld in het vroegere taalgebruik van kinderpsychiaters, die termen als “kinderpsychose”, “ vroegkinderlijk autisme”, “vroegkinderlijk schizofrenie”, “symbiotische psychose” en “autisme” door elkaar gebruikten, alsof het om verwisselbare diagnoses ging.

 

Het autisme (zoals bedoeld in 3) is in vele opzichten anders dan het autisme van de schizofrenie: er is geen actieve terugtrekking uit het sociale leven, maar een falen om sociale relaties te ontwikkelen; het fantasieleven is niet rijk, maar juist bijzonder arm; er is geen episodisch verloop met verbetering en terugval, zoals bij schizofrenie; en het komt zelden tot de andere symptomen van schizofrenie; meer bepaald waandenkbeelden en hallucinaties.

Die verschuiving in het denken rond autisme (zoals bedoeld in 3) vindt men weerspiegeld in de DSM, die kinderautisme onder brengt bij “pervasive developmental disorders”, terwijl kinderschizofrenie gewoon bij schizofrenie ingelijfd wordt. 

 

VOORKOMEN

Ongeveer 4 op 1000 (0.4 %). Dus 40.000 in België, meestal jongens.

 

OORZAAK

Wellicht organisch: aangeboren hersenletsels, in de buurt van de hersenstamzone die de aandacht regelt. Meer jongens, omdat hun hersenen op zeer jonge leeftijd in vergelijking met het meisje over minder herstelmogelijkheden beschikken.

 

Men heeft bij toeval ontdekt dat bij proefdieren (muizen) die, het thans verboden Duitse kalmeer- en slaapmiddel, Thalidomide (Softenon) toegediend kregen in het eerste derde van de zwangerschap, de foetus zware misvormingen had. Er zijn echter bij de proefmuizen misvormingen in de hersenstam ontdekt, in de buurt van het aandacht-richtcentrum (waar de ogen, de oren e.d. gericht worden naar een opvallend signaal), hetgeen sterk overeenkomt met één der basissymptomen van autisme. <site>

 

SYMPTOMEN

Bij 1/3 epilepsie. Contactstoornissen: in zichzelf gekeerd, niet spelen met anderen, geen richtreflex, communicatie door gebaren, geen oogcontact. Weigeren iets te leren, geen besef van gevaren. Hyperactiviteit, stereotype bewegingen, manie om voorwerpen te laten draaien. Weerstand tegen veranderingen, abnormale gehechtheid aan bepaalde voorwerpen. Soms fascinering door bepaalde zintuiglijke prikkels, bv. urenlange handbewegingen.

 

Autisme is veel zwaarder dan wat men doorgaans ASS noemt. Autisten kunnen zich niet handhaven in een normale gezins- of leefsituatie, en vertoeven dan ook meestal in instituten voor mentaal gehandicapten, wat gezien hun IQ uiteraard onterecht is.

 

BEHANDELING

Met enorm veel (jarenlang) geduld trachten het contact te leggen. De ouders hebben hierbij veel steun nodig.

 

 

2. HEBEFRENIE

 

BEPALING

Een "arme" vorm van schizofrenie, d.w.z. met weinig of geen wanen en hallucinaties. Men spreekt ook soms van "Propfschizophrenie" (Du. = "geënte" schizofrenie).

 

DSM-code As I

295.10 Hebefrene schizofrenie, "disorganized type schizophrenia"

 

VOORKOMEN

Ontstaat tussen 10 en 20 jaar, vaker bij debielen.

 

SYMPTOMEN

Vooral regressie tot primitief, ontremd en ongestructureerd gedrag. Inadequate emotionele reacties zoals grimassen, zinloze lachbuien, "onnozel" doen.

Behandeling: zie schizofrenie.


3. SCHIZOFRENIE

 

BEPALING

Schizofrenie is een psychose waarbij de waan ongestructureerd is en dus voor ons oninvoelbaar. (schizo = gespleten, phren = geest, gemoed)

OUDE NAAM: dementia praecox

 

DSM-codes As I

295.2- Katatone schizofrenie (negativisme) 

295.3- Paranoïde schizofreniee

295.6- Defectschizofrenie

             -2 chronisch

             -4 chronisch met opstoten    

                 -5 genezen (remissie)

297.10 Paranoia 

295.70 Schizoaffectieve stoornissen

 

DSM-codes As II

301.2 Schizoïde persoonlijkheidsstoornis

301.22 Schizotypische persoonlijkheidsstoornis

 

OPMERKING

De term "schizofrenie" wordt door leken (en journalisten) vaak verkeerd gebruikt: ze hebben de neiging om gewone (neurotische) ambivalenties, incongruenties tussen wat men voelt en denkt, of zelfs inconsequenties tussen sommige principes en bepaalde toepassingen als "schizofreen" te bestempelen.

 

De echte "splijting van de persoonlijkheid" die met "schizofrenie" bedoeld wordt, is echter van gans andere aard: het is niet zozeer het uiteenvallen in twee gelijkaardige elementen, maar een dissociatie tussen het "observerende ik" en het "handelende ik". Het is alsof men z'n eigen observator wordt, dat men het gevoel krijgt dat het niet het "ik" is dat handelt, maar iemand anders in zich. (Bleuler)

 

ONTSTAAN

Het psychotisch worden is een langzaam proces dat in feite reeds begint in de vroegste kinderjaren doch pas op de leeftijd van 20 tot 40 jaar duidelijk wordt. Hoe jonger dus de schizofreen, hoe moeilijker het is een diagnose te stellen.

 

Door een gebrek aan kansen op slagen, of door een te hoog angstniveau, is de persoon er nooit toe gekomen om technieken te leren waardoor hij succes kan hebben in de realiteit. Dit leidt bij hem tot een groeiend gevoel dat hij niets kan, waardoor hij nog minder zal gaan experimenteren, en aldus terecht komt in een vicieuze cirkel. Door dit gebrek aan contact met de realiteit komt hij weldra tot de overtuiging dat ook de realiteit en hijzelf anders zijn dan de anderen. Hij gaat meer en meer leven in een denkbeeldige wereld die voor ons steeds minder invoelbaar is. Zijn gedrag is alleen te verklaren vanuit zijn waanwereld en voor ons onbegrijpelijk als we de gebruikelijke interpretatienormen aanleggen.


1. Biologische factoren

Hoogstwaarschijnlijk een te hoge concentratie van sommige neurotransmitters waardoor:

- het angstniveau te hoog ligt en waardoor schijnbaar onbelangrijke mislukkingen bij het kind een enorme angst kunnen veroorzaken. Hierdoor gaat het dus abnormaal reageren op een in feite normale opvoeding.

- de persoon gemakkelijker gaat hallucineren.

Is een der ouders schizofreen dan heeft het kind 15% kans het te worden. Zijn beide ouders schizofreen dan heeft het kind 50% kans. Dit wijst dus op een zekere erfelijkheid, doch ook op een enorm belang van opvoedingsfactoren.

- een klein percentage van patiënten krijgt de psychose blijkbaar na virale besmetting van de hersenen, misschien (zeldzaam) door het algemeen verbeide herpesvirus (koorts-lip) dat in 90% van de bevolking aanwezig is.

 

2. Te weinig succes

In vele gevallen is de relatie (communicatie) met de ouders gestoord, in die zin dat het kind voortdurend dubbele boodschappen (double bind) ontvangt: een gedrag dat hij van zichzelf goed zou vinden wordt onmiddellijk door de ouders overladen met sterke schuldgevoelens.

Of de ouders delen aan het kind mee het graag te zien, maar uit hun gedrag blijkt het tegendeel. Bv. de ouders zeggen: "Je moet onafhankelijk zijn.". Ofwel ouders die nooit antwoorden op de inhoud van de opmerkingen van het kind maar wel op de al dan niet aanwezige bijbedoelingen. Op die manier krijgt de persoon meer en meer de indruk niet echt zichzelf te kunnen zijn, en krijgt mettertijd allerlei eigenaardige gevoelens over zichzelf.


VÓÓRKOMEN

Ongeveer 1-2% van de bevolking is schizofreen, onafhankelijk de cultuur

 

SYMPTOMEN

  

1. Hallucinaties (zinsbegoochelingen)

Hierbij neemt de persoon iets waar dat er in feite niet is. Er is een progressieve overgang tussen illusies (valse waarneming die je onmiddellijk corrigeert) en hallucinaties.

Een hallucinatie ontstaat door een te hoge concentratie aan neurotransmitters in de hersenen, en is hetzij aangeboren (bv. bij schizofrenie), hetzij veroorzaakt door gebrek aan vitamine B (alcoholisme).

Men maakt onderscheid tussen visuele, akoestische, haptische (tast) en kinesthetische (eigen lichaam verandert) hallucinaties.

 

2.    Wanen

 

a.    Wanen over zichzelf

 

1) Vreemdheidsgevoelens: je ervaart je eigen persoon als opgebouwd uit twee "ikken", je hebt de indruk dat het iemand anders is die voor je praat, je hebt de indruk dat je je eigen observator bent.

Opmerking: dit vreemdheidsgevoel kan ook voorkomen bij normale mensen, bv. bij lichte alcoholinname, of na een infectieziekte.

Deze vreemdheidsgevoelens leiden mettertijd tot depersonalisatie, waarbij men het gevoel heeft niet echt zichzelf te zijn, m.a.w. een gestoord lichaamsschema vertoont. Soms gaat het tot mentaal automatisme: de persoon heeft de indruk dat zijn gedachten, zijn geest in feite onder de invloed staan van iets buiten hemzelf, hij heeft de indruk dat hij werkt zoals een machine, dat hij de machteloze toeschouwer is van wat er zich afspeelt in zijn geest.

 

2) Gedachtenvlucht en gedachtenjacht: de persoon heeft soms de indruk dat zijn gedachten ofwel zeer snel gaan, ofwel steeds maar trager gaan en soms zelfs wel kunnen geblokkeerd zijn (gedachtenversperring).

 

b.    Wanen over de realiteit

 

De persoon heeft de indruk dat de realiteit zich anders voordoet dan dat men zich eigenlijk voorstelt. Dit kan uiteindelijk leiden tot derealisaties waarbij de persoon de indruk heeft dat de werkelijkheid anders is dan de manier waarop hij ze vroeger heeft waargenomen. Hij krijgt dan een gevoel van bv. déjà-vu, waarbij hij de indruk heeft dat een situatie die hij nog nooit eerder heeft meegemaakt, toch vroeger al heeft beleefd; ofwel jamais-vu, waarbij hij een situatie die hij eigenlijk al heeft beleefd, toch nieuw vindt. Vaak met hallucinaties.

 

Die wanen zijn daarenboven oninvoelbaar.


 3.    Gedragssymptomen


a) Verminderd spontaan gedrag

·       Katatonie: niet meer bewegen, steeds dezelfde houding bewaren.

·       Katalepsie: als een wassen pop bewogen kunnen worden.

·       Mutisme: zwijgen. Soms selectief

·       Stupor: een soort verlamming van angst.

·       Stereotypieën: steeds dezelfde bewegingen herhalen, een soort actieve katatonie.

·       Echolalie: nazeggen.

·       Echopraxie: handelingen nabootsen.

·       Bevelsautomatisme: prompt de bevelen uitvoeren.

 

Al deze vormen van verminderd gedrag zijn in feite uitingen van een enorme angst om initiatief te nemen. Daarenboven is het vaak een delirante manier van communiceren.

 

b) Toegenomen gedrag

·       Plotse ongemotiveerde handelingen, plotse activiteit na langdurige zelfbeheersing ("acting out").

·       Hyperagressief gedrag.

·       Dwaas en eigenaardig gedrag.

·       Misdadig gedrag (lijkt soms psychopathisch).

 

De betekenis van al deze gedragingen kan alleen begrepen worden vanuit de inhoud der waangedachten.

 

4. Contactsymptomen

·       Präcoxgefühl (Du.): het vreemde gevoel (van "glazen wand") dat wij (als therapeut) hebben bij contact met een schizofreen (schizofrenie = dementia praecox).

·       Autisme: het feit dat patiënt leeft in een volledig eigen wereld, voor ons oninvoelbaar. De woorden hebben vaak een andere betekenis, en soms gebruikt hij volledig nieuwe woorden (neologismen).

·       Discordanties: de wanverhoudingen (voor ons) tussen de verschillende stappen van de redenering, of tussen gedrag en spreken.

 

SOORTEN

Vaak wordt schizofrenie ingedeeld in type 1 en type 2.

 

TYPE 1: hierin overwegen de "positieve" symptomen, zoals wanen en hallucinaties. Bij dit type zijn opvoedingsfactoren en scheikundige stoornissen wellicht de belangrijkste. Dit type reageert goed op neuroleptica.

 

TYPE 2: hierin overwegen de "negatieve" symptomen, zoals katatonie en afstomping. Weinig sociaal contact, hoge geremdheid. Bij dit type zijn anatomische factoren (bepaalde hersenafwijkingen, die psychose is verwant aan de Z. van Parkinson?) wellicht de belangrijkste. Dit type reageert weinig goed op de klassieke, incisieve neuroleptica, maar beter op de "tweede generatie antipsychotica", de "(re)socialiserende". 

 

EVOLUTIE

 

1.    Voorfase

 

Tijdens hun kinderjaren geven deze toekomstige schizofrenen vaak een hypernormale, brave indruk: ze zijn in feite te angstig om zich buiten de opgelegde patronen te wagen. Soms zijn er wel uitingen van grote angst (vluchtreacties, zelfvernielingsdromen) of pogingen tot verzet (meestal negatief verzet), zoals autisme en (sommige gevallen van) anorexie.

 

2.    Aanzet

 

De psychotische decompensatie (regressie) komt vaak na het begin van een nieuwe levensfase (huwelijk, hogere studies, geboorte kind), of de dood van een ouder.

 

Het begint

·       hetzij in opstoten (opwellingen van hallucinaties, wanen, angst), (D.) Schub 

·       hetzij progressief (borderline = grensgeval, "schizophrenia incipiens" = beginnende schizofrenie).

Soms is er een geleidelijke overgang tussen een schizoïde karakterneurose en de psychose.

 

In de beginfase wordt de psychose gekenmerkt door grote angst, verminderde activiteit (blijven liggen, zitten staren; lijkt vaak op depressie), toegenomen inkeer (observatie van zijn denkprocessen en subliminale proprioceptieve gewaarwordingen), dwanghandelingen en -gedachten, een gevoel onherroepelijk iets verschrikkelijks te zullen ondergaan, enz..

 

Alle bovengenoemde symptomen zijn echter geen bewijs voor psychose, en kunnen ook in neurosen voorkomen. Dit maakt de diagnosis bij het eerste contact zo moeilijk.

 

3.    Het volledig syndroom

 

Vervolgens wordt het floride stadium bereikt: duidelijke waandenkbeelden, hallucinaties, delirant gedrag. Dit stadium is door de medicatie thans zeldzaam geworden. Komt praktisch niet meer voor dank zij de veralgemeende behandeling)

 

4. Gestabiliseerde schizofrenie  


5. Eindfase

 

Uiteindelijk komt de patiënt in een schizofrene dementie terecht: een volledige affectieve en intellectuele afstomping. Door de medicatie is dit thans zeldzaam.

 

 

DIFFERENTIAALDIAGNOSE

 

Schizofrenie lijkt soms sterk op andere syndromen:

 

1) In de beginfase

·       Depressie: beide zijn gekenmerkt door een verminderde activiteit. Het contact is echter gans anders: de depressie is invoelbaar. Moeilijker is het onderscheid met een endogene depressie. Het onderscheid is nochtans belangrijk, vermits antidepressiva bij een beginnende schizofrenie de waan enorm vergroten, wat soms kan leiden tot uitbreken der psychose of zelfmoord.

·       Obsessie: het verschil is niet gemakkelijk en wordt slechts duidelijk na een dieper contact.

·       Psychotische decompensatie (dus geen chronische, maar een acute psychose): als een zwakke (bv. orale) persoonlijkheid erg gefrustreerd wordt, of een zwaar psychotrauma ondergaat, dan kan soms een kortdurende decompensatie optreden die erg gelijkt op schizofrenie. Is het onderscheid moeilijk, dan spreekt men wel eens van hysterische psychose.

·       Schizoïde karakterneurose: de grens tussen schizoïdie en schizofrenie is soms moeilijk te trekken. Er is wel al een lichte depersonalisatie, en soms derealisatie, doch er zijn nog geen duidelijke wanen. Blijft zo'n overgangssituatie lang duren, dan spreekt men van een borderline (grensgeval).

 

2) In de floride fase

·       Paranoia: deze wanen zijn meestal sterk gekleurd door wantrouwen, hoewel ze meer invoelbaar zijn dan bij schizofrenie. De waandenkbeelden van de schizofreen kunnen echter paranoïde gekleurd zijn = paranoïde schizofrenie.

·       Parafrenie: bv. grootheidswaanzin. Goed contact, weinig angst.

·       Psychopathie: het antisociaal gedrag van de schizofreen kan soms erg gelijken op dat van psychopathie. Bv. iemand die zich verdekt opstelt bij een drukke straat en in de menigte begint te schieten.

·       Delirante melancholie: een endogene depressie (of manie) kan zo diep zijn, dat het contact met de realiteit tijdelijk verloren gaat (psychotische decompensatie): de patiënt gaat waandenkbeelden vormen.

 

3) In het eindstadium

·       Vormen van dementie, bv. alcoholdementie, seniele dementie, dementia paralytica (syfilis).

 

Met bepaalde intelligentietests kan men een goed onderscheid maken tussen psychotische en organische dementie. Een voorwaarde is echter een goed contact, en dit is nu precies het probleem bij de schizofreen.

 


Speciale vorm: HET SCHIZOAFFECTIEF SYNDROOM

 

Hierbij zijn er unipolaire of bipolaire, of soms gemengde stemmingsstoornissen bij een psychotische patiënt. De psychotische symptomen domineren echter. Soms moeilijk te onderscheiden van een delirante melancholie. Wellicht zelfde als borderline.?

 

DSM-code As 1

295.70 Schizoaffectieve stoornis



4. PARANOIA

 

BEPALING

Psychose waarbij de waan gestructureerd is en gekenmerkt door een hoge graad van achterdocht. (uit het Grieks, para = naast, nous = verstand, "achter-docht") . Invoelbaar

Nota:

·       Paranoïde  = neurotische karaktertrek; overdreven achterdochtig.

·       Paranoïsch = lijdend aan paranoia; delirante achterdocht.

 

DSM-code As I

       295.3- Paranoïde schizofrenie

                  -2 chronisch

                   -4 chronisch met opstoten

                   -5 genezen (remissie)

     297.10 Paranoia, "delusional disorder" 

 

DSM-code As II

301 Paranoïde persoonlijkheid

 

OORZAAK

In vele gevallen niet duidelijk. Soms voorafgegaan door een paranoïde karakterneurose. Soms bevorderd door doofheid, debiliteit, langdurige benadelingssituatie (gevangenschap, affectieve ontgoocheling), eenzaamheid. Soms bevorderd door hersenaftakeling: chronisch ethylisme, seniliteit. Doofheid.

 

SYMPTOMEN (en verschillen met schizofrenie)

Begint meestal na 40 j. (schizofrenie tussen 20-40j.). De waan is gestructureerd, en grotendeels invoelbaar. Het contact is nochtans vaak erg moeilijk. De waan kan vooral sensitief zijn (alles betrekken op zichzelf) of vooral expansief (zich met alles bemoeien). Doch ook de waan der schizofreen kan paranoïde zijn, doch is veel onsamenhangender.

 

Hallucinaties zoals waarnemen van toebereidselen op moord op patiënt, dreigende voetstappen, gassen door spleten en kieren, lawaai om geestelijk te ondermijnen, ... .

Verdedigingsactiviteiten: verschansen, schieten op bezoekers, niet meer durven eten uit schrik vergiftigd te worden,... .

 

BEHANDELING

·       Neuroleptica ter vermindering van angst en hallucinaties.

·       Psychotherapie met als bedoeling de waan "in te kapselen" d.w.z. niet trachten weg te praten, maar zodanig in te dijken dat sociaal contact mogelijk wordt, en vicieuze cirkels doorbroken.

 


 

5. PARAFRENIE

 

BEPALING

Psychose waarbij de waan gestructureerd is, doch niet gekenmerkt door achterdocht. Daardoor is er geen vicieuze cirkel van afzondering, en blijft een voldoende sociaal contact en normale levensactiviteit bewaard (para = naast, phrên = geest, gemoed)

 

DSM-code As I

295.9 Ongedifferentieerde schizofrenie

 

VOORBEELDEN

Grootheidswaanzin, uitvinderswaan, afstammingswaan, spiritistische waan, enz..

 

EVOLUTIE

In sommige gevallen gaat de omgeving toch spottend en agressief reageren, zodat er achterdocht ontstaat, en het tot paranoia kan evolueren. Bv. de dorpsgek.

 

BEHANDELING

Neuroleptica als het te erg wordt.


NOTA 

Door velen (meestal Amerikanen) wordt "parafrenie" als een soort paranoia beschouwd, en ze gebruiken de term parafrenie niet. Voor hen is het kenmerkendste voor paranoia dus niet de achterdocht, maar de gestructureerdheid van de waan.


6. CHRONISCH DELIRANTE PSYCHOSE

 

BEPALING

Een leven dat op vele gebieden (bv. professioneel, familiaal) soms normaal lijkt, maar dat op enkele beperkte gebieden, zoals bij parafrenie, blijk geeft van een ontstellend gebrek aan realiteitszin, van het formaat van een waan, met alle gevolgen voor de omgeving.

 

OPMERKING

1. De term "chronisch delirante psychose" (chronic delusional psychosis) wordt voorgesteld door de AIP, en is in de klassieke psychiatrie niet courant terug te vinden, tenzij in enkele vroege werken van Freud, waartoe toen zelfs nog de Manisch-depressieve psychose gerekend werd.

2. Niet iedereen die betrokken is bij de gegeven voorbeelden lijdt aan deze aandoening. In groepsverband (bv. genocide) zijn het uiteraard vooral de bevelgevers die eraan lijden. In de groep van personen die het uitvoeren zijn er verder ook psychopaten en (neurotische) sadisten terug te vinden.

 

DSM-code As I

295.9 Ongedifferentieerde schizofrenie

 

EVOLUTIE

In lichtere gevallen ziet men neurotische denkwijzen waarbij enerzijds enorme verdringing optreedt, en anderzijds overgewaardeerde gedachten.

 

In het geval van infanticide bv. is de lichtste vorm: het ontbreken bij de zwangere vrouw van "emotionele respons" t.o.v. haar zich ontwikkelende vrucht, geen voorbereidselen treffen voor de nakende bevalling.

 

Bij zwaardere vormen ontstaan er sterke rationalisaties, bijna delirant, en verdringing ("denial"), bv. over verklaringen van overgewicht en amenorree.

 

In de zwaarste gevallen is er echt sprake van psychose: zelfs geconfronteerd worden met een echografie van de foetus helpt niet. Ook wordt het feit dat de baby een apart individu is niet erkend, maar beschouwt de moeder dat als "een stuk van zichzelf". Het wordt weliswaar afgestoten, maar dit is dus geen moord. De moordende bevalling is dus iets passiefs, zoals op een toilet.


BEVORDERENDE FACTOREN

1. Emotionele stoornissen, zoals slechte kinderrelatie met moeder, uitgemoorde familieleden, begaafdheid maar langdurig onvermogen zijn levensdoel te realiseren en later onverwachte successen.

2. Lichamelijke problemen: overgewicht (camoufleert zwangerschap).

3. Lijden aan manisch-depressieve ziekte.



7. CHRONISCH HALLUCINATOIRE PSYCHOSE

 

Bepaling

Een persoon die van tijd tot tijd hallucinaties heeft, zonder dat de gedachtegang echt delirant wordt. Is in feite een psychoticus die op de grens der decompensatie leeft (neurotransmittergehalte lichtjes verhoogd).


Voorbeeld

Een persoon hoort "stemmen".


Behandeling

Een lichte bescherming met neuroleptica volstaat.

 

DSM-code As I

293.82 Psychotische stoornis met hallucinaties

 


8. OUDERDOMS- OF AFTAKELINGSPSYCHOSE

Bij seniele dementie en Alzheimer, arteriosclerose, tertiaire syfilis, kunnen psychotische beelden ontstaan (vooral megalomanie), vooral met wanen, minder met hallucinaties. Paralysis generalis

Zie verder bij mentale syndromen.

DSM-code As I

294.14 Alzheimer met psychotische verwikkelingen


 9. IDENTITEITSPSYCHOSEN

   
   a. Geslachtspsychose

  Bepaling

Het verlangen om tot het andere geslacht te behoren, op basis van de overtuiging dat men eigenlijk tot het andere geslacht behoort.

Opm. De betrokkene zal uiteraard niet bereid zijn dit verlangen als pathologisch te aanvaarden, en in onze huidige samenleving is het meestal taboe om daaraan te twijfelen. [Let dus op wat je als psychotherapeut vertelt buiten beroepskringen] Ook de betrokken chirurgische diensten willen niet van "psychische pathologie" horen, ook al omdat zij, meestal na psychologisch onderzoek, eerlijk overtuigd zijn dat ze aan de betrokkene een dienst hebben bewezen. Al was het maar omdat psychiatrische behandeling in dit geval doorgaans ongewenst en machteloos is.


DSM V

Gender Identity Disorder (GID) 


Oorzaak Soms vermoedt men genetische of hormonale factoren (bv hormonale behandeling van de moeder tijdens de zwangerschap) die hierin zouden kunnen meespelen. Maar meestal zijn er geen terug te vinden.

De toegenomen mogelijkheden van de moderne chirurgie om een uiterlijke geslachtsverandering te verwezenlijken, werken uiteraard bemoedigend op dergelijke pathologieën.


b. Verminkingspsychose

  Bepaling

Het verlangen om een (gezond) ledemaat te amputeren [site].


DSM V

Body integrity identity disorder (BIID)


Deze stoornis past in een geheel van analoge stoornissen zoals het obsessioneel verlangen om gehandicapt te zijn, zich als zware zieke te laten verzorgen, enz.