5000-5399
Sites per thema:
psy0 algemeen
psy1 systemen
psy2 denken
psy3 brein
psy4 individu
psy50 diagnostiek
psy54 behandeling
psy6 optimaal
psy7 groepen
psy8 suboptimaal
psy9 optimaal

5023 Modus 2: Chronisch


Chronische Modus 2-pathologieën


Dit zijn de "klassieke" orale neurosen:

 

1. DEPRESSIEVE NEUROSE 

 

OPMERKING

Een neurotische depressie is een overgangsvorm tussen reactieve depressie en depressieve neurose, maar soms worden de termen neurotische depressie en depressieve neurose door elkaar gebruikt.

 

BEPALING

Een neurotische depressie is een depressie die ofwel te lang duurt, ofwel niet meer in verhouding staat tot de oorzaak. Bv. jarenlang blijven treuren over een affectief verlies of een professionele tegenslag.

 

DSM-code As I:

300.40 Neurotische depressie, depressieve neurose

 

OORZAAK

Treedt vnl. op bij orale persoonlijkheden, die een reactieve depressie oplopen. In de depressiviteit ontdekken zij onbewust een nieuw middel om belangstelling op te wekken of zich van moeilijke taken te ontdoen, en de reactieve depressie wordt meer en meer neurotisch.

 

SYMPTOMEN

Zelfde symptomen als reactieve depressie, maar duren langer, en er zijn meer lichamelijke klachten.

Meest opvallend is het spontaan klagen, of, omgekeerd, het niet willen meedelen van de oorzaak (tenzij na enig aandringen). De neurotische depressie gaat meer en meer lijken op een orale karakterneurose met depressieve en hypochondrische trekken.

 

Dit gedragspatroon lijkt op het eerste gezicht goed op een depressie. Zowel de betrokkene als zijn naaste omgeving zullen deze dan ook zo benoemen en aanpakken. Nochtans is het geen echte depressie, geen eigenlijke stemmingsstoornis. Het is veeleer een manier van denken, een persoonlijkheidstype geworden. De betrokkenen heeft als het ware van een nood een deugd gemaakt. Door een langdurige en schijnbaar ongeneeslijke depressie, die hij eerst vruchteloos bestreed, is hij er uiteindelijk toe gekomen sommige voordelen van dit depressief-zijn te gaan appreciëren. Deze voordelen mogen schaars en bedenkelijk lijken voor iemand die niet depressief is, voor de chronisch gedeprimeerde zijn ze echter niet te versmaden: het is een onweerlegbare manier om aandacht te krijgen, en een geldig excuus om zich van tal aan onaangename verplichtingen te onttrekken. Deze depressieve neurosen reageren dan ook weinig tot niet op antidepressiva. 

 

DIFFERENTIAALDIAGNOSE

Bij een reactieve depressie zal de persoon eerder verbergen dat hij gedeprimeerd is. Doet men hem over een ander onderwerp spreken, dan kan hij tijdelijk opgewekt zijn en zelfs lachen (bv. op begrafenis).

Bij een neurotische depressie laat de persoon zich moeilijk afleiden van zijn depressieoorzaak, en keert er telkens op terug of zwijgt als het over iets anders gaat.

Bij een endogene depressie is de persoon altijd droevig, waarover men ook praat en waarover hij ook denkt. Hij kan geen oorzaak aangeven voor zijn depressiviteit.

 

BEHANDELING

 

Psychotherapie 

Even moeilijk als bij de orale karakterneurose. Het probleem is te trachten voldoende belangstelling en attentie te tonen voor de persoon, en toch niet teveel in te gaan op zijn klaaggedrag: luistert men teveel naar de klachten, of toont men te weinig belangstelling, dan nemen de klachten toe. Inzichtsverwerving is wenselijk maar moeilijk.

In sommige gevallen gebruikt men gedragstherapie: men ontneemt de persoon alle mogelijkheden tot contact, en dwingt hem bv. te bed te blijven zolang hij enige klacht vertoont; men laat zich niet manipuleren. Is alleen bruikbaar als behandeling de eerste keer dat hij deze neurotische tendens vertoont.

 

> secundaire depressie (uit te werken)

 

2. Medicatie

Helpt soms, vooral in begin.

 

2. HYSTERIE

 

BEPALING

Neurose gekenmerkt door het optreden van pseudo-neurologische of pseudopsychotische verschijnselen, zonder dat er sprake is van een neurologische of psychotische aandoening, als uiting van onverwerkbare en verdrongen psychische conflicten. Deze conflicten worden dus als het ware omgezet tot symptomen: men spreekt daarom ook soms van conversiehysterie.

 

DSM-code As I

300.81 Hysterie met somatisatie

DSM-code As II

301.5 Histrionische persoonlijkheid, theatraal

 

KENMERKEN

Het klassiek voorbeeld van de pathologische orale zijnsvorm is de hysterie. Deze soort patiënten wordt gekenmerkt door hun onvermogen om psychische frustraties en zware stress op een adequate, psychische manier te verwerken. Daarnaast worden wij getroffen door hun versterkt vermogen om deze onverwerkte conflicten en emotionele spanningen om te zetten in lichamelijke symptomen. Dit kan gaan van emotionele aanvallen tot volledige verlammingen van ganse ledematen.

 

Hysterie wordt door enkele typische nevenverschijnselen gekenmerkt. Vooreerst vertoont de patiënt een belle indifférence ten opzichte van zijn symptomen, d.w.z. dat hij blijkbaar niet afziet van de schijnbare ernst van zijn handicap. Vervolgens kloppen de fenomenen vrijwel nooit met de vereisten van de neurologie. Een gebied van verlamming of van gevoelloosheid valt praktisch nooit samen met een anatomisch bezenuwingsgebied, maar meer met functionele, psychologisch herkenbare eenheden, zoals een hand, een arm, e.d..

 

Hysterie kwam in de negentiende eeuw en in de eerste helft van de twintigste eeuw meer voor. Thans is het praktisch verdwenen, althans in West-Europa. Het komt nog wel veel voor in Noord-Afrika. Er is dus duidelijk een culturele factor in het spel. Het lijkt erop dat hysterie gemakkelijker vóórkomt in culturen waar de wetenschappelijke geneeskunde reeds haar intrede heeft gedaan, maar waar de algemene ontwikkeling van brede lagen van de bevolking nog niet zover gevorderd is dat men hysterie gemakkelijk als een onechte medische kwaal herkent.

 

OORZAKEN

We moeten zoals bij elke neurose onderscheid maken tussen vier factoren: de persoonlijkheid waarbij een hysterisch symptoom kan ontstaan, de behoefte die het ontstaan van een symptoom mogelijk en waarschijnlijk maakt, en de gebeurtenis waaruit het symptoom zich ontwikkelt. Daarnaast zijn er de bekrachtigende factoren.

 

1) Persoonlijkheid

Deze is praktisch altijd oraal: neigend tot afhankelijkheid, beïnvloedbaar, theatraal, de oorzaak steeds buiten zich plaatsend.

Soms anale persoonlijkheid, als ze zodanig gefrustreerd wordt dat ze regresseert tot orale toestanden.

 

2) Onbevredigde behoefte

Gelijk welk gedrag stellen op bevrediging van behoeften, geloven dat symptomen echt zijn.

Bv: een gebrek aan relatievoldoening, de aanwezigheid van een concurrent die met meer aandacht wegloopt en niet kan uitgeschakeld worden, een te grote verantwoordelijkheid.

 

3) Uitlokkende gebeurtenis

Een ziekte, tegenslag, ongeval, of een woedebui van de persoon. Door de reacties van de omgeving, die plots meer rekening houdt met de persoon, gaat het symptoom onbewust beloond worden, en aldus in stand gehouden, ook nadat er geen eigenlijke oorzaak meer voor is.

Ofwel wordt het symptoom spontaan gecreëerd, en is dan geïnspireerd, hetzij op de problematiek (bv. verlamming van de hand bij ambivalente moeder die vreest haar kind te zullen slaan), hetzij op een ziekte van iemand uit de omgeving (vaak de onbewuste concurrent).

Er weze nogmaals op gewezen dat gans deze ontwikkeling onbewust gebeurt: hysterie is geen simulatie.

 

4) de reactie van de omgeving

Deze is belangrijk, en bepaalt in feite of het symptoom in stand zal gehouden worden. Gans onze medische en psychiatrische cultuur werkt in feite instandhouding in de hand. Nochtans is Hysterie uit onze cultuur aan het verdwijnen, doch nog zeer typisch bv. voor Noord-Afrikanen, Zuid-Italianen.

 

SYMPTOMEN

 

1) Het eigenlijke hoofdsymptoom:

a) Pseudo-neurologisch:

Motorisch: tremor, verlamming, tic, afonie, krop in keel.

Sensibel: anesthesie van lichaamsdeel, hypochondrische klachten (rugpijn, hoofdpijn, enz.), tintelingen.

Vegetatief: braken, draaierigheid, syncopes.

Meestal zijn deze symptomen zuiver neurologisch onmogelijk: bv. anesthesie van ganse hand: zuiver neurologisch zou bv. alleen het radialisgebied uitgevallen zijn.

 

b) Pseudo-psychotisch:

Amnesie 

apathie 

Infantilisme 

Mythomanie 

Hypomanie 

Hallucinaties 

Waangedachten

 

2) De psychische gesteltenis

Zodra het symptoom zich ontwikkeld heeft, is de neurotische angst verdwenen ("geconverteerd"). De patiënt staat verrassend nuchter, niet alleen tegenover zijn problematiek, maar ook tegenover het symptoom, en spreekt over de ergste verlammingen alsof het niets is ("la belle indifférence").

 

DIAGNOSE

Negatieve diagnose: Alle organische (of psychotische) grond uitsluiten. Door allerlei onderzoekingen moet men zeker zijn dat het symptoom niet veroorzaakt wordt door een "echte" ziekte: er zijn al patiënten overleden omdat de arts het symptoom als "hysterisch" beschouwde.

Positieve diagnose: Om zeker te zijn dat het hysterie is, moet men te doen hebben met een orale patiënt, en moet men een zeker idee hebben van de verdrongen problematiek. Door hypnose (een hysterisch symptoom verdwijnt onder hypnose) kan men de natuur met zekerheid bevestigen.

 

BEHANDELING

1) Het symptoom

Kan gebeuren met krachtige suggestie, grote inspuiting (zonder effect of lokaal een warmte- of pijngevoel opwekkend), "kinesitherapie", enz. Het risico is dat na het verdwijnen van het eerste symptoom -en als de onderliggende problematiek nog niet is opgelost- een ander, doorgaans moeilijker te behandelen symptoom ontstaat.

 

2) De onderliggende problematiek

Door groepstherapie, gezinstherapie, psychotherapie, narcoanalyse. Men moet de omgeving ertoe brengen minder aandacht aan het symptoom te geven, doch meer aan de constructievere eigenschappen van de persoon. Anderzijds moet de patiënt leren beschikken over meer sociaal aangepaste gedragswijzen, bv. assertiviteitstraining.

De onderliggende orale karakterneurose is echter zeer moeilijk te behandelen.

 

SPECIALE VORMEN

 

Renteneurose: waarbij de persoon zonder organische redenen, na een ongeval symptomen blijft vertonen, terwille van de financiële en/of psychische voordelen. (term gebruikt in Nederland)

 

Hospitalisatiesyndroom: de patiënt voelt zich veilig in het ziekenhuis, en

vertoont daarom een hysterische hulpeloosheid of symptomen als "wanen", epileptische aanvallen, enz..

 

Masochisme: Hierbij voelt de persoon zich goed in een rol van ondergeschikte waarmee weinig of geen rekening wordt gehouden. Morele pijn wordt uitstekend verdragen. In probleemsituaties overweegt vaak een houding van zelfopoffering. Enerzijds komt dit gedragspatroon goed overeen met de orale fantasmen, anderzijds zijn er de belonende fantasmen van onthechte liefde, zelfopoffering, onbaatzuchtigheid. Dit karakter treft men vaak aan bij de vrouwelijke partner van een zeer fallische of sadistische man, die ze trouwens onbewust zal opzoeken.

 

DSM-code As I

309.90 Hospitalisatiesyndroom, renteneurose

 


3. FOBIE

 

BEPALING

Een overdreven vrees voor dingen die normaal weinig of geen gevaar inhouden.

 

Een fobie is een overdreven of te langduirge vrees voor een bepaalde situatie die theoretisch wel enig potentieel gevaar inhoudt, maar waar de meeste mensen weinig tot geen moeite mee hebben. Bekende voorbeelden zijn straatfobie (pleinvrees), sociofobie of de vrees om onder de mensen te komen, claustrofobie, fobie voor bepaalde dieren (honden, spinnen), fobieën voor auto's, boten, vliegtuigen, messen, besmetting, enz..

 

Net als de depressieve neurose zijn fobische neurosen niet echt wat ze lijken. Ze zijn meestal niet ontstaan door reële beangstigende ervaringen zoals een auto-ongeval, maar ontstaan meer sluipend. Er is een wanverhouding tussen het reële gevaar, de objectieve traumatiserende ervaringen, en de omvang van de vrees. De verklaring moet dan ook veel meer gezocht worden in psychische, fantasmatische processen, die een aannemelijke bescherming zoeken voor bepaalde dieper liggende, psychische angsten, en deze projecteren in bepaalde situaties. Fobieën ontstaan trouwens meestal in de beginfase van een depressie, en zijn in den beginne zeer gevoelig voor het effect van antidepressiva. Later gaan ze een eigen leven leiden, worden ongevoelig voor antidepressiva, maar daarentegen gevoeliger voor gedragstherapie en andere vormen van psychotherapie.


De (meestal Griekse) namen voor een 400-tal fobieën vindt u hier.

 

DSM-code As I

300.22 Agorafobie 

300.23 Sociofobie

 

DSM-code As II

301.82 Ontwijkende persoonlijkheid.

 

ONTSTAAN

Een orale persoonlijkheid hebben, of een sterk gefrustreerde anale.

Zeer grote behoefte voor iets, of angst voor iets, bv. schrik om onder de mensen te komen, schrik alleen gelaten te worden.

Plots voorval, bv. ongeluk, bijna een ongeluk.

Onbewust merkt men bepaalde voordelen van de symptomen. Dit houdt de "schrikreactie" in stand. Deze voordelen zijn de positieve beloning op een vermijdings- of ontsnappingsreactie.

 

Het ontwikkelingsmechanisme is in feite gelijkaardig aan hysterie. Doch fobieën ontstaan vooral bij orale persoonlijkheden, die naar de anale fase aan het evolueren zijn.

De "voordelen" zijn zowel reëel als fantasmatisch:

Reëel: zich niet meer in de angstwekkende situatie moeten begeven, en daar een geldig motief ("ziekte") voor hebben, zich ontslaan van verantwoordelijkheden.

Fantasmatisch: het angstwekkende van de vreessituatie zit vaak niet in het reëel gevaar, maar in de fantasmatische betekenis ervan.

 

SYMPTOMEN

De fobie zelf: angst + ontwijking, bv. acrofobie: vrees voor messen; claustrofobie: vrees voor gesloten ruimten, liften; agorafobie: vrees voor straten, recepties = sociofobie; zoofobie: vrees voor (bepaalde) dieren; microfobie: vrees voor besmetting; bloosfobie: vrees om te blozen.

Later komen er vermijdingsreacties bij, soms erg symbolisch (= ritueel). Deze kunnen tot echte dwanghandelingen uitgroeien, bv. herhaaldelijk z'n handen wassen bij microfobie.

Vb: Pathologische rouw: rouwproces duurt langer dan 1 jaar, men blokkeert en neurotiseert. 

Vb: Incestneurose: er is reeds bestaand een persoonlijkheidsprobleem die incestneurose later uitlokt.

 

BEHANDELING

 

Psychotherapie

Psychoanalyse: is een goede indicatie, maar duurt lang. Men tracht de persoon de fantasmatische betekenis van wat hij vreest te doen inzien, de onverwerkte onderliggende en vaak verdrongen frustratie.

Gedragstherapie: progressieve systematische desensitisatie

Na zich te hebben leren ontspannen beleeft de persoon in gedachten progressief de angstsituaties, en onderdrukt de angstreflex telkens door de ontspanning. Na een tijdje (enkele dagen) is de angstreflex uitgedoofd.

Bij vele enkelvoudige fobieën gebruikt men "flooding" (uitspraak: "fludding") = "onderdompeling": de persoon werpt zich meteen in de meest angstwekkende situatie, en blijft erin tot de angstreactie is uitgedoofd (enkele uren). Deze methode is veel doeltreffender dan systematische desensitisatie, psychoanalyse of rationele therapie. Helaas zijn er vele neurosen (sociofobie, hartinfarctfobie) waar deze methode niet bruikbaar is.

Na de symptoomonderdrukking en volgt er meestal bewustmaking van de onderliggende problematiek, kan men deze laatste aanvatten. Depressie is vaak de enige onderliggende problematiek.


Medicatie

Zoals gezegd gaan de meeste fobieën, vooral in de beginmaanden, over met antidepressiva, het best met tricyclische. Zowel in het begin als later kunnen angstremmers (diazepines, en in zwaardere gevallen neuropleptica) gebruikt worden. Het gebruik van enkel diazepines, dus zónder antidepressiva, heeft een groot risico van verslaving. Mét antidepressiva is dat risico zo goed als onbestaande.

 


4. HYPOCHONDRIE

 

BEPALING

Zich voortdurend zorgen maken over zijn gezondheid en de betekenis van allerlei kleine symptoompjes, kwaaltjeskankeraar.

 

DSM-code As I

300.7 Hypochondrie, "body dysmorphic disorder"

 

ONTSTAAN

Een angstwekkende situatie, waar de persoon zich niet van bewust is, bv. relatieprobleem, involutiedepressie.

Inspiratie door ziekte bij vriend of familielid, tv-programma, onhandige uitspraak van een dokter, ziekte.

Voordelen door: aandacht omgeving, excuus voor bepaalde activiteiten.

 

VOORKOMEN

Na begin nieuwe levensfase, vooral na 50j.

 

SYMPTOMEN

Klaaggedrag

Allerlei onderzoekingen en consultaties. Ze worden door geen enkel onderzoek overtuigd, omdat de onderliggende angst eigenlijk niet voortspruit uit het symptoom. Anderzijds sterken de herhaalde onderzoekingen hen in de mening dat er echt iets scheelt.

Depressie, soms zelfmoord.

 

DIFFERENTIAALDIAGNOSE

Niet verwarren met begin van psychose, met obsessies, met hysterie. Soms gevoel dat men leeg, rot is = syndroom van Cottard. Dit wijst op een beginnende (ouderdoms)psychose.

 

BEHANDELING

Moeilijk. Medicatie: anxiolytica, dogmatil, antidepressiva. Vooral vermijden de angst nog te vergroten. Trachten de onderliggende problematiek te behandelen.


5. ANGSTNEUROSE

 

BEPALING

Het krijgen van angstaanvallen, zonder te weten waarom.

 

DSM-code As I

300 Angststoornis NNO

 

ONTSTAAN

Moeilijk te verklaren. Soms een uiting van een onderliggende, verdrongen problematiek (meestal relationeel). Soms vroeger geconditioneerd (bv. concentratiekamp, blikseminslag, urenlange doodsangst) terwijl men de herinnering aan de traumatische situatie volledig verdrongen heeft.

 

SYMPTOMEN

Vooral de lichamelijke tekenen van angst. Een angstneurose kan zich, naargelang de persoonlijkheid, later ontwikkelen tot een hysterie of een obsessionele neurose.

 

BEHANDELING

Anxiolytica, soms zelfs neuroleptica

Gedragstherapie, indien men de stimulus kan achterhalen.



6. WERELDFOBIE (hikikomori)


"Wereldfobie" is een ernstige vorm van sociiofobie, waarbij vooral jongere mannen jarenlang hun kamer of huis niet verlaten, uit de schrik voor de sociale en professionele druk die in de buitenwereld heerst.

Vooral in Japan (heet daar hikikomori), maar ook in Europese landen met een zeer hoge jeugdwerkeloosheid.


4 July 2013 BBC

Why are so many Japanese men refusing to leave their rooms?

By William Kremer and Claudia Hammond
BBC World Service

As many as a million young people in Japan are thought to remain holed up in their homes - sometimes for decades at a time. Why? For Hide, the problems started when he gave up school."I started to blame myself and my parents also blamed me for not going to school. The pressure started to build up," he says. "Then, gradually, I became afraid to go out and fearful of meeting people. And then I couldn't get out of my house. "Gradually, Hide relinquished all communication with friends and eventually, his parents. To avoid seeing them he slept through the day and sat up all night, watching TV."I had all kinds of negative emotions inside me," he says. "The desire to go outside, anger towards society and my parents, sadness about having this condition, fear about what would happen in the future, and jealousy towards the people who were leading normal lives."

Hide had become "withdrawn" or hikikomori.

In Japan, hikikomori, a term that's also used to describe the young people who withdraw, is a word that everyone knows.Continue reading the main story.

Tamaki Saito was a newly qualified psychiatrist when, in the early 1990s, he was struck by the number of parents who sought his help with children who had quit school and hidden themselves away for months and sometimes years at a time. These young people were often from middle-class families, they were almost always male, and the average age for their withdrawal was 15.

It might sound like straightforward teenage laziness. Why not stay in your room while your parents wait on you? But Saito says sufferers are paralysed by profound social fears. "They are tormented in the mind," he says. "They want to go out in the world, they want to make friends or lovers, but they can't. "Symptoms vary between patients. For some, violent outbursts alternate with infantile behaviour such as pawing at the mother's body. Other patients might be obsessive, paranoid and depressed. An overlapping group of people with the hikikomori, otaku are "geeks" or "nerds"

They are known for their obsessions, especially manga cartoons and anime"Otaku" is the formal word for "you" in Japanese - it's thought that the term came about from the tendency of socially awkward manga fans to use over-formal language. In press coverage, both otaku and hikikomori have been linked with serious sex crimes.

When Saito began his research, social withdrawal was not unknown, but it was treated by doctors as a symptom of other underlying problems rather than a pattern of behaviour requiring special treatment. Since he drew attention to the phenomenon, it is thought the numbers of hikikomori have increased. A conservative estimate of the number of people now affected is 200,000, but a 2010 survey for the Japanese Cabinet Office came back with a much higher figure - 700,000. Since sufferers are by definition hidden away, Saito himself places the figure higher still, at around one million.

The average age of hikikomori also seems to have risen over the last two decades. Before it was 21 - now it is 32.

So why do they withdraw? The trigger for a boy retreating to his bedroom might be comparatively slight - poor grades or a broken heart, for example - but the withdrawal itself can become a source of trauma. And powerful social forces can conspire to keep him there.

One such force is sekentei, a person's reputation in the community and the pressure he or she feels to impress others. The longer hikikomori remain apart from society, the more aware they become of their social failure. They lose whatever self-esteem and confidence they had and the prospect of leaving home becomes ever more terrifying.

Parents are also conscious of their social standing and frequently wait for months before seeking professional help.Welcome to NHK! was a novel, comic book and cartoon that focused on the life of a hikikomori

A second social factor is the amae - dependence - that characterises Japanese family relationships. Young women traditionally live with their parents until marriage - men may never move out of the family home. Even though about half of hikikomori are violent towards their parents, for most families it would be unthinkable to throw them out.

But in exchange for decades of support for their children, parents expect them to show respect and fulfil their role in society of getting a job.

Matsu became hikikomori after he fell out with his parents about his career and university course.

What about the girls? Hikikomori are seen as predominantly male - Tamaki Saito says males occupy 70%- 80% of the groupHowever, an internet survey by NHK found just 53% to be male. Andy Furlong at the University of Glasgow speculates that female withdrawal into the home seems so natural to Japanese society that women hikikomori may remain unreported".

"I was very well mentally, but my parents pushed me the way I didn't want to go," he says. "My father is an artist and he runs his own business - he wanted me to do the same." But Matsu wanted to become a computer programmer in a large firm - one of corporate Japan's army of "salarymen. But my father said: 'In the future there won't be a society like that.' He said: 'Don't become a salaryman. Like many hikikomori, Matsu was the eldest son and felt the full weight of parental expectation. He grew furious when he saw his younger brother doing what he wanted. "I became violent and had to live separately from my family," he says. One way to interpret Matsu's story is see him as being at the faultline of a cultural shift in Japan.

"Traditionally, Japanese psychology was thought to be group-oriented - Japanese people do not want to stand out in a group," says Yuriko Suzuki, a psychologist at the National Institute for Mental Health in Tokyo. "But I think especially for the younger generation, they want more individualised or personalised care and attention. I think we are in a mixed state.

"But even hikikomori who desperately want to fulfil their parents' plans for them may find themselves frustrated.Andy Furlong, an academic at the University of Glasgow specialising in the transition from education to work, connects the growth of the hikikomori phenomenon with the popping of the 1980s "bubble economy" and the onset of Japan's recession of the 1990s. It was at this point that the conveyor belt of good school grades leading to good university places leading to jobs-for-life broke down. A generation of Japanese were faced with the insecurity of short-term, part-time work.And it came with stigma, not sympathy.

Job-hopping Japanese were called "freeters" - a combination of the word "freelance" and the German word for "worker", arbeiter. In political discussion, freeters were frequently bundled together with "neets" - an adopted British acronym meaning "not in education, employment or training". Neets, freeters, hikikomori - these were ways of describing the good-for-nothing younger generation, parasites on the flagging Japanese economy. The older generation, who graduated and slotted into steady careers in the 1960s and 1970s, could not relate to them.

The opportunities have changed fundamentally," says Furlong. "I don't think the families always know how to handle that."A common reaction is for parents to treat their recalcitrant son with anger, to lecture them and make them feel guilty for bringing shame on the family. The risk here is that - as with Hide - communication with parents may break down altogether. But some parents have been driven to extreme measures.For a time one company operating in Nagoya could be hired by parents to burst into their children's rooms, give them a big dressing down, and forcibly drag them away to a dormitory to learn the error of their ways.

Kazuhiko Saito, the director of the psychiatry department at Kohnodai Hospital in Chiba, says that sudden interventions - even by healthcare professionals - can prove disastrous. "In many cases, the patient becomes violent towards the staff or the parents in front of the counsellors, or after the counsellors have left," he says.

Kazuhiko Saito is in favour of healthcare professionals visiting hikikomori, but he says they must be fully briefed on the patient, who must know in advance that they are coming.Continue reading the main storyHikikomori - just a Japanese thing?

Hikikomori has entered the Oxford English Dictionary as "In Japan: abnormal avoidance of social contact".

But Saito Tamaki believes it is also a problem in Korea and Italy. After a 2002 BBC documentary, Saito received a flurry of emails from British parents who said their children were in a similar condition.

Andy Furlong points out that young people in Western societies frequently "take time out" in gap years or have "false starts" on careers or courses without attracting stigmaHe adds that the preconditions for a hikikomori-like problem are falling into place in Europe, with 50% youth unemployment in some countries, forcing young people to continue living at homeIn any case, the do-nothing approach has been shown not to work. Tamaki Saito likens the hikikomori state to alcoholism, in that it is impossible to give up without a support network.His approach is to begin with "reorganising" the relationship between the patient and his parents, arming desperate mothers and fathers with strategies to restart communication with their children. When the patient is well enough to come to the clinic in person he can be treated with drugs and therapy. Group therapy is a relatively new concept to Japanese psychology, but self-help groups have become a key way of drawing hikikomori into wider society.

For both Hide and Matsu, the journey to recovery was helped by visiting a charity-run youth club in Tokyo known as an ibasho - a safe place for visitors to start reintroducing themselves to society.Both men have made progress in their relationships with their parents. Matsu has been for a job interview as a computer programmer, and Hide has a part-time job. He thinks that by starting to talk again with his parents, the whole family has been able to move on."They thought about their way of life in the past and in the future," he says. "I think that before - even though they were out working - their mental attitude was just like a hikikomori, but now they're more open and honest with themselves. So as their child I'm very happy to see them change. "Many parents of hikikomori visit the ibasho even though their children may never be well enough to come with them. 

Yoshiko's son withdrew from society very gradually when he was 22. At first he would go out to buy shopping, but she observes ruefully that internet shopping means this is no longer necessary and he no longer leaves the house. He is now 50 years old."I think my son is losing the power or desire to do what he wants to do," she says. "Maybe he used to have something he wanted to do but I think I ruined it."