5000-5399
Sites per thema:
psy0 algemeen
psy1 systemen
psy2 denken
psy3 brein
psy4 individu
psy50 diagnostiek
psy54 behandeling
psy6 optimaal
psy7 groepen
psy8 suboptimaal
psy9 optimaal

5350 MBD-ADHD


MINIMAL BRAIN DAMAGE (MBD)

Dit is een ouderwetse naam, die oorspronkelijk (rond 1970) gebruikt werd als synoniem van Hyperkinetisch Syndroom. Later werd de term ADHD ingevoerd, en dacht men dat het om één duidelijk omschreven stoornis ging. Mettertijd ontstonden er met ADD, ASS, Asp, NLD, DCD, e.d. zodanig veel varianten, en ontdekte men ook dat al deze "nieuwe" aandoeningen eveneens veroorzaakt werden door (meestal perinatale) hersenletseltjes, niet zichtbaar op gewoon EEG, maar wel op een qEEG (met metingen van verhoudingen van frequenties, vooral van de thêta- en bêtagolven), en op IQ (significante discrepantie tussen linker en rechter hemisfeer bv), dat er weer nood kwam aan een gemeenschappelijke term. Het oude "Minimal Brain Damage" lijkt daarvoor een ideale kandidaat...


1. ATTENTION DEFICIT HYPERACTIVITY DISORDER (ADHD)

Omschrijving

Mensen met ADHD kunnen zich moeilijk concentreren. Alle prikkels zijn even sterk. Een prikkelarme omgeving is niet altijd de oplossing omdat de eigen gedachten ook kunnen afleiden (dagdromen). Het is niet de omgeving die de persoon afleid, maar het eigen onvermogen om prikkels efficiënt te selecteren. Dit wordt ook wel inhibitiezwakte genoemd (inhibitie = het onderdrukken van een prikkel). Ze kunnen echter in hyperfocus gaan (de aandacht is zodanig gefocused dat er bijna geen andere prikkels meer binnen komen) wanneer ze iets bijzonder interessant vinden. Dit wekt bij de omgeving de reactie op "Ze kunnen het wel, als ze maar willen". Er wordt echter vergeten dat het meestal geen bewust proces is dat mensen met ADHD in hyperfocus brengt, en zij hier niet zomaar zelf voor kunnen kiezen. 
Mensen met ADHD zijn vaak impulsief, ze handelen voordat ze nadenken. Ze hebben moeite om hun gedrag te plannen en te organiseren. Hierdoor hebben ze moeilijkheden met taken en in de omgang met anderen.

Er zijn 3 subtypes van ADHD. Het hyperactief-impulsieve type (ADHD-HI), het onoplettende type zonder overbeweeglijkheid (ADD) en het gecombineerde type (ADHD-C). Dat betekent dat niet alle mensen met ADHD dezelfde problemen hebben. Sommige zijn hyperactief, anderen zijn zeer rustig (met hun aandacht mijlenver weg). Sommigen zijn zodanig in hyperfocus bij een taak en hebben moeite om de aandacht te verleggen naar iets anders. Anderen zijn alleen maar lichtelijk onoplettend en vooral impulsief. Weer anderen hebben problemen op elk gebied.

ADHD valt hier onder de contactstoornissen omdat het contact met de omgeving vaak conflictueus is en er is sprake van leerstoornissen. Ze zijn sneller geïrriteerd en sneller verveeld. Vooral op school omdat ze daar lang moeten stil zitten en luisteren wat er wordt verteld. Men kan ook vragen stellen bij de effectiviteit van het onderwijs in de huidige vorm voor deze groep kinderen (zie behandeling).

DSM-codes As I

314.01 ADHD
314 ADD
314.9 AD(H)D NNO

Oorzaak 

ADHD is een ontwikkelingstoornis. Het onstaat tijdens de vroege ontwikkeling van het kind. De oorzaak van ADHD is nog niet volledig bekend. Er is sprake van een "andere" ontwikkeling van de hersenen. De oorzaak van de afwijkende functionerende systemen in de hersenen is nog niet heel duidelijk. Het werd vroeger MBD genoemd (minimal brain damage en later minimal brain dysfunction).

Tegenwoordig heerst de mythe dat ADHD een modeverschijnsel is. ADHD is er altijd al geweest. Vanaf 1850 vinden we beschrijvingen van ADHD-gedrag terug. In 1902 maakte Britse arts George Still de eerste omschrijving van ADHD. ADHD komt in alle culturen en landen voor. De toename van ADHD heeft eerder te maken met toename van problemen voor ADHDers in de snelle moderne westerse maatschappij. Door ADHD een modeverschijnsel te noemen ontneem je mensen met ADHD de kans op behandeling en kwets je hen en hun naasten die ermee moeten omgaan. Sociaal isolement is een gevaar voor een gezin met een of meerdere personen met ADHD. Gepaste zorg voor mensen met ADHD en hun ouders, broertjes, zusjes, partner en kinderen moeten beschikbaar zijn. 

Het gemiddelde percentage ligt wereldwijd tussen 3-10 % afhankelijk van de manier waarop de symptomen worden beoordeeld en anderzijds door het feit dat de problematiek in bepaalde gebieden meer voorkomt. Je zou ook kunnen stellen dat ADHD in bepaalde culturen of maatschappijen meer aanpassingsproblemen veroorzaakt, waardoor er meer nood is aan gepaste hulpverlening. 

Mogelijke oorzaken van hersenletsel als oorzaak van ADHD:

  • Tijdens de geboorte: gebrek aan zuurstof, moeizame geboorte. Door de verbeterde obstetrische mogelijkheden zullen meer kinderen met een problematische geboorte overleven.
  • Afwijkende ontwikkeling van de hersenen voor de geboorte door gebruik van medicamenten door de moeder (vooral gevaarlijk in de 10e en 11e week van de zwangerschap). Beschadigingen zijn soms pas merkbaar rond het 4e levensjaar.
  • Vergiftiging van de baby tijdens de zwangerschap: bv. er zit meer lood in de atmosfeer dan vroeger. 
  • Voedsel: de eetgewoonten van de mens zijn niet goed. De kwaliteit van het voedsel is zodanig verslechterd dat er een tekort is aan bepaalde voedingsstoffen en een teveel aan schadelijke stoffen in ons voedsel. De voeding van de moeder is van invloed op de ontwikkeling van de baby tijdens de zwangerschap. Na de geboorte is de voeding van het kind zelf van invloed op de ontwikkeling van zijn hersenen. Bvb: een tekort aan omega-3 vetzuren. Goedkope producten (fast-food) missen essentiële voedingsstoffen. Er zijn meer allergieën dan vroeger. Dit is een teken dat er meer luchtvervuiling is en een slechte voeding. 
  • Moeders die (mee)roken, drinken en/of softdrugs gebruiken. Rook bevat teer en is zeer schadelijk, er ontstaat een gebrek aan zuurstof bij het kind. 

Hersenfuncties:
ADHD is een stoornis in de hersenen. De prefrontaalkwab en het limbysche systeem zijn minder actief. Er is een onevenwicht tussen de neurotransmitters dopamine, noradrenaline en serotonine. De prefrontaalkwab speelt een belangrijke rol bij de executieve functies: aandacht, concentratie, regulatie van gedrag, controle van impulsen, planning van toekomstige handelingen en gevoeligheid voor straf en beloning. Het lymbische systeem speelt een rol bij emotie, geheugen en motivatie. 

Bij een normale ontwikkeling van de executieve functies is men in staat om doelgericht en aangepast gedrag te reguleren:

  • Doel bepalen
  • Afleidende factoren uitschakelen.
  • Volgorde van handelingen plannen.
  • Taken die hiervoor nodig zijn stap voor stap uitvoeren.
  • Emoties, motivatie en alertheid reguleren.
  • Ervaringen uit het verleden laten meespelen bij verwachtingen over en beslissingen voor de toekomst.

Mensen met ADD hebben een achterblijvende ontwikkeling van deze executieve functies. Zij:

  • hebben moeite om complexe handelingen te coördineren.
  • hebben moeite om doelgericht te werk te gaan in nieuwe situaties. Het lukt niet om snel een plan op te stellen zodat ze het belangrijkste eerst doen. 
  • leren niet zo snel van hun ervaringen en staan van tevoren minder stil bij de consequenties van hun gedrag.
  • kiezen vaak kortetermijnoplossingen en -beloningen. Het is erg moeilijk om directe beloning te laten schieten en (in plaats daarvan) te werken voor een doel of beloning in de toekomst.

Ook de ontwikkeling van innerlijke spraak loopt achter. Bij de normale ontwikkeling praten kinderen eerst hardop over wat ze gaan doen en hoe ze iets gaan doen, later wordt dit in gedachten gedaan. Dit heeft als functie om het gedrag te reguleren: als we ons willen beheersen, als we plannen maken voor onzelf, als we willen nagaan voor onszelf of een opgelegde regel redelijk is. Bij mensen met ADHD is er verminderde innerlijke spraak, waardoor zij meer nood hebben aan sturing en structuur van buitenaf. 

Invloed van de opvoeding

Pedagogische complicaties kunnen optreden wanneer de manier van opvoeden een averechts effect heeft op het kind. Een normale opvoeding kan een verkeerde opvoeding zijn voor een kind met ADHD. ADHDers krijgen van hun 6-14j elke dag commentaar op hun gedrag ( bvb: "zit stil!"). Dit zorgt voor een verstoorde ontwikkeling van het zelfbeeld en het fundamenteel zelfvertrouwen (FZV). 
Opvoeding in het algemeen is een uitdaging en specifiek voor elk kind, maar nog meer bij kinderen met ADHD. Een kind met ADHD leert minder snel vanzelf wat normaal gedrag is en wat niet. De invloed van de omgeving is hierdoor extra bepalend voor hun ontwikkeling. 
Bij ouders kan opvoedingsmoedeloosheid ontstaan. Het is voor hen een moeilijke taak om een onderscheid te leren maken tussen onwil en onvermogen en daar ook naar te handelen. Opvoedingsondersteuning moet voor de ouders beschikbaar zijn. 

Diagnose

Veel mensen met ADHD en bepaalde hulpverleners hebben de neiging om ADHD te omschrijven als een variant van een normaal mens en niet als een stoornis. Zo krijg je twee uitersten van denkwijzen over ADHD:

1.    rechts denken: diagnose stellen, in hokje stoppen van abnormaal.

2.    links denken: het is een normale variant.

Het valt echter niet te ontkennen dat ADHDers in hun leven heel wat hindernissen tegenkomen door o.a. hun concentratieproblemen en impulsiviteit. Onbehandelde ADHD kan leiden tot een zeer negatief zelfbeeld en het verliezen van de drijfveer om je best te doen. Er zijn mensen met ADHD die medicatie nodig hebben. Dit kost zorg en dus ook geld. Het is dus moeilijk om zomaar van een normale variant te spreken. Een integratieve benadering is noodzakelijk. 

In de vroegere psychiatrie beschreef men gedragsstoornissen en keek men niet niet zozeer naar de oorzaak. ADHD is eerder een neurologisch fenomeen. 
Maar volgens het moderne biopsychosociaal model (en zeker volgens het psychoneuroimmunologisch model) geldt dat bij alle psychiatrische diagnoses oorzaken gevonden kunnen worden in de biologische systemen. Met oorzaken wordt dan eerder bedoeld dat de mens in interactie staat met de omgeving en dat er dus ook een interactie bestaat tussen de omgeving en zijn biologische systemen (zenuwstelsel, hersenen, immuunsysteem). Vanuit een genetische aanleg onstaat een psychiatrische stoornis of een ontwikkelingstoornis in interactie met de omgeving. Dit geldt dan zowel op psychisch als op lichamelijk vlak (gedrag, voedsel, stoffen, (infectie)ziektes ).

In de DSMIV worden criteria omschrijven waaraan iemand moet voldoen om de diagnose ADHD te krijgen. Dit wordt zo bepaald om te zorgen dat hulpverleners het eens kunnen zijn over wanneer er gesproken wordt van een ADHDer en wanneer niet. De omschrijving van de criteria is echter nogal vaag. Er is geen concrete omschrijving hoe vaak een bepaald storend element uit het gedrag moet voorkomen. Zodanig is de diagnose gebaseerd op een indruk, en niet op een wetenschappelijk aantoonbare frequentie van bepaald gedrag. Daarom is het belangrijk dat er voor een diagnose een uitgebreid onderzoek wordt gevoerd op basis van veel informatie van de persoon in kwestie, de ouders en verschillende professionele hulverleners. 

Comorbide stoornissen:

Comorbide betekend 'samengaan met': de ene stoornis komt samen voor met de andere, soms is de tweede stoornis het gevolg van de effecten van de eerste stoornis. ADHD gaat in meer dan 70% van de gevallen samen met andere lichamelijke of psychische stoornissen:

  •  PDD-NOS (zie hoofdstuk ASS). Mensen met PDD-NOS hebben kenmerken van autisme, maar minder ernstig. Ze hebben problemen met sociale situaties en emoties. Ze begrijpen minder goed wat er in anderen omgaat (Theory Of Mind). Ze zijn gehecht aan een betrouwbare en voorspelbare omgeving en ze houden niet van verandering. De overeenkomsten met ADHD zijn druk gedrag en problemen met sociale vaardigheden. De oorzaak van de problemen is echter verschillend van ADHD. Maar door de uiterlijke overeenkomsten in gedrag is er vaak verwarring bij het stellen van een diagnose. De uiterlijke verschillen zijn dat mensen met ADHD meer sociale contacten hebben en dat ze zich beter in anderen kunnen inleven. Testen van Theory of mind en informatieverwerking (o.a. met de Figuur Van Rey) en uitbreide anamnese door verschillende zorgverleners en informatie van ouders, leerkrachten en de persoon zelf zijn belangrijk voor een goed onderscheid tussen beide diagnoses. 
  • Leerstoornissen bij 20-30% van de mensen met ADHD. Ondanks een hoge of gemiddelde intelligentie zijn er problemen met schoolse taken zoals lezen of rekenen:
    • dyslexie (leesstoornis)
    • dyscalculie (rekenstoornis)
    • dysorthografie (spellingsstoornissen)
    • dyspraxie (bewegingsstoornissen)
    • dysfasie (spraak-taalstoornissen)
  • Ticstoornis bij 10% van de ADHDers. Grimasen/trekkingen in het gezicht of plotse bewegingen of geluiden maken. Spanning zorgt ervoor dat tics erger worden.
  • Motorische stoornissen DCD (developmental coordination disorder). Hieronder valt dyspraxie: moeite met plannen, coördineren en uitvoeren van bewegingen. 
  • Angst- en stemmingsstoornissen bij 25% van de ADHDers, vooral bij meisjes en vrouwen. Stemmingsstoornissen worden vaak niet erkend bij kinderen. 
  • ODD (oppositional defiant disorder) oppossitioneel opstandige gedragsstoornis. 40-60% van de ADHDers heeft PDD en/of CD. Opstandig gedrag, snel kwaad en beledigd zijn, impulsiviteit. Vloeken, hatelijke opmerkingen maken en grove taal.
  • CD (conduct disorder) agressieve gedragsstoornis. Zelfde gedrag als bij ODD en bijkomend liegen, stelen, opzettelijk (lichamelijk) kwetsen en benadelen, eigendommen van anderen vernielen. Ze hebben geen schulgevoel, kunnen moeilijk spijt betuigen. 

Er zijn vaak syndromen die samengaan met ADHD-symptomen:

  • Gilles de la Tourette, 50-70% heeft ook ADHD.
  • FAS (Foetal Alcohol Syndroom): een stoornis in het centrale zenuwstelsel door alcholmisbruik van de moeder tijdens de zwangerschap.
  • Fragile X-syndroom: chromosoomafwijking met ontwikkelingsachterstand als gevolg.
  • Prader-Willi-syndroom: chromosoomafwijking met ontwikkelingsstoornis als gevolg. Deze mensen zijn meestal slap en dik.
  • XYY-syndroom: jongens (ja) met een X chromosoom teveel. Soms ontwikkelen ze zich langzamer en hebben ze gedragsproblemen.
  • Ziekte Von Recklinghausen (neurofibromatosis) het eiwit neurofibromine ontbreekt.
  • Syndroom van Marfan: aangeboren afwijking van het bindweefsel, extreme lengtegroei.
  • Shprintzen-syndroom (Velo Cardio Faciaal-syndroom): afwijkingen aan het verhemelte, hartruis en soms afwijkingen in het gezicht.

Geslachtsverschillen:

Volgens huidig onderzoek zijn er meer mannen dan vrouwen met ADHD. Mogelijke oorzaken hiervoor zijn:

  • mannen hebben een groter hoofd, dus meer kans op schade in de hersenen bij de ontwikkeling.
  • vrouwelijke hormonen bieden meer kans op herstel bij hersenschade tijdens de ontwikkeling. (Bij waarneemnare hersenletsels geeft men jongetjes tot 1 jaar vrouwelijke hormonen.)

Recent onderzoek stelt deze man-vrouw ratio in vraag.

Volwassenen

Voorkomen: Recent (Zweeds) statistisch onderzoek heeft aangetoond dat er een schrikbarend verband is tussen ADHD bij volwassenen en misdaad. 3% van de kinderen in de totale bevolking lijdt aan ADHD, maar de helft lijdt er verder aan tijdens de volwassenheid. Naast aan concentratiestoornissen en ongedurigheid, lijden deze volwassenen ook aan impulsiviteit.
Ongeveer 7-40 % der "misdadigers" lijden aan ADHD, hoewel dit vaak niet herkend wordt. 37% der mannen, 15 % der vrouwen met ADHD zullen waarschijnlijk in botsing komen met het gerecht. Bij niet-ADHD-lijders is dit 9% (der mannen) en 2 % (der vrouwen).

Geneeskansen: Als deze volwassenen aangepaste medicatie nemen vermindert hun misdaadkans met 30-40 % (tenzij ze de medicatie meer dan 6 maanden onderbreken). Daarenboven leert de ervaring dat wie medicatie neemt ook meer deelneemt aan psychotherapie, wat uiteraard de geneeskansen vergroot. Sommigen "genezen" zichzelf, doordat ze proefondervindelijk vastgesteld hebben dat drugs als "speed" hen duidelijk verbetert.

Het besluit: als de overheid meer aandacht zou geven aan dit gegeven, zou er enorm bespaard worden, zowel in de schade aangericht door misdaden, de gerechtskosten, en het subjectief leed der betrokkenen. Hierop besparen is dus een heel slechte, kortzichtige maatregel. (uit BBC 22.11.12)

Behandeling

1. Medicatie

a) algemeen

Het is een persoonlijke afweging om medicatie te gebruiken of niet, in overleg met een arts die bekend is met ADHD. Niet iedereen met ADHD moet medicatie nemen. Voordelen van medicatie zijn dat ze de persoon met ADHD in staat stellen om het gedrag en de concentratie beter te reguleren. Ze slaan minder snel door en "het is niet meer zo druk in mijn hoofd". Het is ook niet goed voor de persoonlijke groei om steeds tegen mislukkingen aan te lopen. Als medicatie hierin een ondersteuning kan bieden, kan dat een groot voordeel zijn. Het is echter nog niet goed bekend wat de langetermijneffecten zijn van langdurig gebruik van medicatie tijdens de ontwikeling van de hersenen. 

Over kinderen met ADHD wordt vaak gezegd "Het zit er wel in maar het komt er niet uit". Door medicatie is een kind met ADHD vaak:

  • Beter bereikbaar voor de opvoeder.
  • Beter in staat zijn eigen gedrag in de hand te houden.
  • Beter in staat zijn schoolwerk af te maken.
  • Beter in fijn-motorische taken.
  • Beter in het laten verlopen van sociale contacten. 

b) amfetamines

De meest gebruikte medicatie zijn amfetamines. Bij ADHD is er sprake van een onevenwicht in neurotransmitters. Rilatine, het meest gebruikte amfetamine, brengt dit terug in evenwicht, hoewel de toegediende dosissen meestal nodeloos hoog zijn, en dus leiden tot vele bijwerkingen zoals slapeloosheid, eetlustvermindering, opgejaagdheid en angstaanvallen, en, bij kwetsbare personen, het opduiken van een sluimerende psychose. In de V.S. zijn er veel problemen met Rilatine (heet daar en in Nederland Ritalin) omdat het in sommige landen zoals in de USA vrij verkrijgbaar is en ouders zelf een te hoge dosis toedienen. 

Pubers en jongvolwassenen met ADHD nemen vaak stimulerende middelen (drugs die ook bestaan uit amfetamines) zoals XTC of cannabis omdat ze merken dat ze daar rustig van worden (zelfmedicatie). Het is belangrijk dat zij onder begeleiding toegang hebben tot echte medicatie en hulpverlening. Aan volwassenen met ADHD kan ook Rilatine gegeven worden.

Zoals bij veel medicatie kan ook Rilatine in het begin bijwerkingen geven zoals hoofdpijn, misselijkheid, minder eetlust en moeilijker inslapen. De juiste dosis en dus goed overleg met de arts is hierbij van groot belang. Afvlakking van emoties en creativiteit komt voor. Waarschijnlijk is ook dit weer door het toedienen van een te hoge dosis. Belangrijk is dus een arts te vinden die ontdekt of vernomen heeft dan veel lagere dosissen even effectief en veel veiliger zijn.

Geschiedenis

Amfetamine is een bewerkt analoog van een bestanddeel van de Zeedruif (Ephedra), een plant die in het hele noordelijke halfrond voorkomt. Efedrine als plantenuittreksel wordt al duizenden jaren gebruikt in de Chinese geneeskunde tegen hoest, astma en mucoviscidose, omdat het de luchtwegen verwijdt zoals alle orthosympathische stoffen dat doen. Het werd gemaakt door een Roemeens scheikundige die in Berlijn werkte in 1887. Hij patenteerde het niet, de Amerikanen die het in 1927 namaakten namen er wel meteen een patent op. Het werd lang verkocht als benzedrine tregen hoest en ademhalinsgproblemen. De even effectieve variant methamfetamine werd al in 1920 in Japan gemaakt, en kon dus niet gepatenteerd worden.

Het stimulerend effect was in het begin onbekend, maar men vermoedt dat de volgelingen van Mithras het als een soort thee gebruikten, en daarin hun onvermoeibaarheid en euforie vonden. Vanaf 1938 ongeveer werd het product in hoge dosissen gebruikt door de verschillende legers in WO2, met de Blitzkrieg als pakkend voorbeeld. Vanaf de vijftiger jaren werd het gebruikt als stimuleermiddel in vermoeiende beroepen (zoals verachtwagenchauffeur) en in de drugswereld, en later bij intellectuele prestaties. Het gunstig effect op ADHD en andere vormen van Minimal Brain Damage werd pas ontdekt in de loop der jaren 1970. Later werd het ook gebruikt als eetlustremmer bij obesitas, en als vermoeidheidsverdrijver bij narcolerpsie en CVS.

Overigens lijkt het product zeer goed op NA (Nor-adrenaline, de energiegevende neurotransmitter van de hersenen) en op het natuurlijk amfetamine fenetylamine dat de hersenen zelf gebruiken. Het verhoogt het effect van DA (Dopamine), de belonings-neurotransmitter, wat misschien mede het verslavend effect verklaart. Het verhoogt ook de vrijmaking van glutamaat, een neurotransmitter die vooral het effect van andere neurotransmitters verhoogt. Het is dus niet echt een "kunstmatig" product. Het is ook effectief bij allergische reacties en immuunziekten. Al deze stoffen, zowel de natuurlijke (in plant en hersenen) als de semi-synthetische, met inbegrip van de antidepressiva, gelijken trouwens heel goed op elkaar.

c) antidepressiva

ADHD en ASS kan ook behandeld worden met antidepressiva, bijvoorbeeld met Nortriptyline (Nortrilen, tricyclisch antidepressivum). Omdat mensen met deze stoornissen veel frustraties moeten verwerken en hierdoor de comorbide stoornis van depressie kunnen krijgen. Vaak is er sprake van een gemaskeerde depressie: demotivatie door veelvuldige kritiek. Door de verbetering van het gemoed na 2 tot 3 weken krijgen de personen met ADHD en mensen met ASS meer moed om te compenseren. 

2. psychotherapie /pedagogie / begeleiding ouders

Medicatie dient altijd een onderdeel te zijn van een plan van aanpak. Medicatie wordt liefst gegeven in combinatie met psycho-educatie voor de persoon zelf en zijn omgeving, en gesprekstherapie. Medicatie maakt de gesprekstherapie beter mogelijk en de gesprekstherapie zorgt voor een beter FZV. Verder moet er bij de begeleiding van deze mensen aandacht zijn voor:

  • Ziekte-inzicht.
  • Acceptatie van de diagnose zonder ze te gaan misbruiken als excuus.
  • Acceptatie van het anders zijn.
  • Pedagogisch advies voor de gezinsleden.
  • Het aanleren van relaxatieoefeningen.

Kennis over ADHD in het gezin is belangrijk. ADHD kan voor de andere gezinsleden zodanig storend zijn dat de onderlinge relaties verstoord raken. Een goed begrip en een betere omgang geven ook vermindering van gedragsproblemen en conflicten. 

Onderwijs

Het klassiek onderwijs vraagt veel van kinderen met ADHD. Ze hebben moeite om zich lange tijd te concentreren op dingen die hen niet direct boeien. Ze moeten lang stilzitten en er is geen of weinig interactie tussen het lesprogramma en hun interesses van dat moment. Kinderen met ADHD kunnen zich heel goed concentreren op onderwerpen die hen erg interesseren (hyperfocus). Ze zijn ook beter gebaat bij een interactieve manier van lesgeven. Zo wordt er geen langdurige aandacht gevraagd voor monologen van de leerkracht en wordt de aandacht voortdurend geprikkeld doordat ze zelf erbij worden betrokken.

In het Freinet, Steiner en Montessori onderwijs is er meer aandacht en vrijheid voor interactie met de interesses van het kind en creativiteit. Het is hierbij wel van groot belang om te zorgen voor een goede aansluiting op vervolgonderwijs, maatschappij en de arbeidsmarkt. Een goede integratie van klassieke en moderne alternatieve methoden van onderwijs is dus zeer wenselijk. 

3. Neurofeedback

Dit wordt ook toegepast bij de behandeling van ADHD en blijkt te werken. Hierbij worden de activiteit van hersengolven beinvloed via feedback d.m.v. een computerprogramma dat hersengolven leest en analyseert via EEG metingen. Bepaalde hersengolven zorgen voor een betere concentratie en impulscontrole. Via neurofeedback tracht men de activiteit van deze hersengolven te stimuleren.