5000-5399
Sites per thema:
psy0 algemeen
psy1 systemen
psy2 denken
psy3 brein
psy4 individu
psy50 diagnostiek
psy54 behandeling
psy6 optimaal
psy7 groepen
psy8 suboptimaal
psy9 optimaal

5390 Geschiedenis


EEN KORTE GESCHIEDENIS
VAN DE PSYCHIATRIE


In PRIMITIEVEculturen werden psychiatrische gedragsstoornissen meestal beschouwd als bezetenheid door een geest, hetzij een goede, hetzij een slechte. De bezetene werd meestal met ontzag bejegend.

In de ANTIEKE cultuur werden meestal slechte goden (o.a. de godin Mania) aangeduid als oorzaak der geestesziekten, en zelfs bij misdaad kon een geesteszieke ontslagen worden van straf, en verbannen. De antieke medische wetenschap begon zich echter te ontwikkelen, en een stoornis in de verhouding der lichaamsvochten (bv. melancholie = zwarte gal) werd aangegeven als mogelijke verklaring van sommige geestesziekten. De Griekse artsen hadden zelfs een vorm van psychotherapie uitgewerkt: de patiënten kwamen slapen in de kelders van de tempel van de god Asklêpios, die hen verscheen in dromen. Deze dromen werden dan verklaard door artsen-priesters.

Tijdens de MIDDELEEUWEN beschouwde men geestesziekte als bezetenheid door de duivel, hetgeen behandeld werd met bezweringen, en, in extreme gevallen, met de brandstapel; hetzij als gevolg van lichaamsziekten die het gebruik van de rede onmogelijk maakten, hetgeen behandeld werd met rust, braak- en purgeermiddelen, en aderlatingen. De samenleving stond doorgaans veel toleranter t.o.v. "dorpsgekken" dan heden ten dage. Tegen het einde van de middeleeuwen ontstonden ook de bewaarhuizen voor geesteszieken (Valencia, 1409).

De hoogstaande ARABISCHE geneeskunde, verder bouwend op de traditie en geschriften der Grieken, was veel humaner, en beschouwde geesteszieken als spreekbuizen van God. Ze hadden asielen, waar geesteszieken behandeld werden met rust, massage, dieet, baden, plantenextracten en muziektherapie.

Jan VAN WIER ("Johann WEYER", Brabant 1515 - Basel 1588) wordt beschouwd als de eerste psychiater. In zijn boek "De Praestigiis Daemonum" ("Over de activiteiten der boze geesten", 1563) trachtte hij de tekenen van "bezetenheid" te verklaren op wetenschappelijke grond. Ook beschreef hij vrij nauwkeurig epilepsie, toxische psychosen, seniele dementie, angstdromen, hysterie, depressie, paranoia, wanen en hallucinaties. Ook gaf hij prachtige psychotherapeutische suggesties, zoals empathie en begrip, het primeren van de behoeften van het individu boven de groepsregels, en het belang van goede relaties met therapeut en een groep, bv. het gezin. Zijn boek lokte eerst verzet en later negering uit bij priesters, medici en rechters.

De 17E EN 18E EEUW waren vooral gekenmerkt door een steeds duidelijker omschrijven van de syndromen, en een toename van het aantal asielen.

Vanaf de 19e eeuw gaat de psychiatrie snel vooruit. PINEL (Parijs, 1745-1826) verloste de geesteszieken van hun boeien, en deelde de syndromen in in melancholie, manie, dementie en idiotie. De voorbeschiktheid om geestesziek te worden was volgens hem aangeboren, en vooral de "driften" waren belangrijk als uitlokkende factor. Ook won de mening veld dat geestesziekten voortsproten uit afwijkingen van het zenuwstelsel, vandaar de oude naam "zenuwziek".

CHARCOT (1825-1893) toonde aan dat onder hypnose de symptomen van hysterie verdwenen, en bewees aldus de kracht van de "geest" in het ontstaan der "zenuwziekten".

KRAEPELIN (1855-1926) beschreef nauwkeurig de "manisch-depressieve psychose" en "dementia praecox" (=schizofrenie), en zijn indeling der geestesziekten wordt heden nog grotendeels aanvaard.

FREUD (1856-1939) werkte deze zienswijze op geniale manier uit, en toonde het belang aan van het onderbewuste, de verdringing der frustraties en verdrongen behoeften (seksualiteit), en de weerstand tegen bewustwording en behandeling. Hij verving hypnose snel door vrije associatie en droomstudie, en beschreef de rol van de psychoanalyticus als object voor overdracht en helper bij de interpretatie.

In de LAATSTE DECENNIA werd een wisselend belang toegekend aan de organische (anatomische en biochemische) enerzijds, en de psychogene (opvoeding en cultuur) oorzaken anderzijds. Beide hebben hun extremen gekend: psychochirurgie en shocktherapie enerzijds, en antipsychiatrie anderzijds.

De opkomst der PSYCHOFARMACA sinds de vijftiger jaren hebben het uitzicht en de prognose der geestesziekten grondig gewijzigd, en hebben ook geleid naar een beter begrip van de biochemische achtergrond der geestesziekten. Zij hebben o.m. aangetoond dat organische en psychogene factoren in feite niet te scheiden zijn. Aangeboren lichte biochemische afwijkingen doen het effect van opvoeding en cultuur gans veranderen, terwijl zuivere psychologische belevenissen een sterke biochemische weerslag kunnen hebben. Ook kwam men tot het besef dat psychofarmaca de psychotherapie helemaal niet uitsluiten of "de ware oorzaken verdringen", maar integendeel de groei vergemakkelijken. De moderne psychiaters gebruiken daarom een combinatie van beide.

De HEDENDAAGSE PSYCHIATRIE is gekenmerkt door een snel vooruitschrijden van de biochemische onderzoekingen enerzijds, en de psychotherapeutische anderzijds. Op het raakvlak van neurologie en psychiatrie ontstaat een nieuwe wetenschap, de neuropsychologie (Luria, Moskou, 1966), die onderzoekt welk effect lichte anatomische en biochemische afwijkingen van de hersenen hebben op het gedrag. Vooral afasie, leer- en geheugenstoornissen werden tot nog toe onderzocht.

Het psychologisch aspect van het normale en afwijkende gedrag werd enerzijds sinds Freuds psychodynamische studies ook steeds beter begrepen en behandeld, en anderzijds ging de gedragstherapie de gedragingen onderzoeken en behandelen als producten van leerprocessen.

MASLOW (New York 1908 - Californië 1970) bracht twee fundamentele veranderingen aan in de psychiatrie en de psychotherapie. Vooreerst gaf hij aan dat vele "pathologieën" (zoals agressie) maar noodoplossingen waren voor onbevredigde behoeften (zie zijn "behoeftenpriamide", die aangeeft dat bevrediging der lagere behoeften leidt tot het ontwikkelen van hogere functioneringswijzen); en dat het verbeteren van het menselijk functioneren niet zozeer moet gebeuren door het negatieve te bestrijden, maar door het positieve te bevorderen en waar mogelijk aan te leren. Hij luidde ook een integratie in van de verschillende denkscholen (zijn "Derde Weg" is dus geen nieuwe denkschool, maar een integratie van de beide vorige: psychoanalyse en gedragstherapie).

Sinds Maslow wordt een gedragsstoornis steeds minder als een "ziekte" gezien, die moet "behandeld" worden (medisch model), maar steeds meer als uiting van niet-opgewassen-zijn tegen het leven (groeimodel). Psychotherapie evolueert steeds meer van symptoombestrijding naar "leren leven" (vandaar de naam "psychoanagogie"). Ook sociaal gaat men steeds meer maatregelen nemen om de ongunstige situaties zoals verwaarloosde opvoeding, "bewaring" in asielen en gevangenissen tegen te gaan, en anderzijds begunstigende factoren zoals het geven van zinvolle bezigheden en het opnemen in betekenisvolle groepen te stimuleren.

Zo evolueren ook de paramedische activiteiten van "bezigheidstherapie", om verdere afstomping tegen te gaan, via "revalidatie", om wederinschakeling in de maatschappij mogelijk te maken, naar "groeitherapie", waarbij men de persoon meer "levensvaardigheden" tracht bij te brengen.

De modernste manier om deze benaderinsgwijze te omschrijven is psychoanagogie, letterlijk: bevordering van de groei van de persoonlijkheid.