5400-5999
Sites per thema:
psy0 algemeen
psy1 systemen
psy2 denken
psy3 brein
psy4 individu
psy50 diagnostiek
psy54 behandeling
psy6 optimaal
psy7 groepen
psy8 suboptimaal
psy9 optimaal

5410 Overdracht en Tegenoverdracht

OVERDRACHT en TEGENOVERDRACHT


HISTORISCH

Het was Freud opgevallen dat zijn patiënten tijdens de psychoanalytsiche gesprekken vaak gevoelens ten opzichte van hem begonnen te koesteren, zonder dat bepaalde gebeurtenissen of gesprekken tijdens de therapie daar aanleiding toe gaven. Deze gevoelens konden zowel negatief (onverdiende agressie) als positief (ongegronde verliefdheid) zijn. Deze gevoelens bleken vaak al aanwezig te zijn van bij het begin van de therapie, en.

Deze gevoelens bij de patiënt waren alles behalve bijkomstig. In feite bepaalden ze grotendeels de reacties van de patiënt tegenover de therapeut, zelfs voor die thema's die niets te zien hadden met deze therapeut.

Stilaan werd hem duidelijk dat deze gevoelens, of gevoelsmatig gekleurde attitudes, sterk verband hielden met de probleempersonen die de patiënt vroeger ontmoet had, bv. een autoritaire vaderfiguur. M.a.w., het was alsof de patiënt ten opzichte de persoon van de therapeut dezelfde gevoelens begon te beleven als tegenover zijn te sterke vaderfiguur, enz. Het is alsof de patiënt zijn problemen projecteerde op de therapeut. Freud is dit fenomeen de overdracht (Fr. transfert, Eng. transference, D. Übertragung) gaan noemen. Hij besefte gaandeweg het grote belang van dit fenomeen, niet enkel voor het begrijpen van wat zich in de therapie afspeelt, maar ook als centraal proces in het therapeutisch gebeuren. Als therapeut moet je goed in het oog houden dat het steeds over het 'hier en nu' gaat. En dit zie je ook in de overdracht. De patient richt zich op dingen van vroeger, maar doet dit nu tov de therapeut. Een vroegere situatie wordt nu opnieuw beleefd, waarbij de overdracht een bijverschijnsel lijkt te zijn van een dieper gevoel.

Later merkte hij dat niet alleen de patiënt, maar ook de therapeut zelf dergelijke projecties maakte. Ook de therapeut ging ten opzichte van de patiënt bepaalde gevoelens koesteren, die niets te zien hadden met het gedrag of de verhalen van de patiënt, maar die meer verband hielden met de eigen emotionele en psychologische voorgeschiedenis van de therapeut. In het begin dacht Freud dat deze gevoelens bij de therapeut een reactie waren op de overdracht van de patiënt. Hij noemde de gevoelens bij de therapeut dan ook tegenoverdracht (Fr. contretransfert, Eng. countertransference). Later besefte hij dat het voorkomen en de mededelingen van de patiënt weliswaar een rol spelen, maar dat de tegenoverdracht vooral verklaard moet worden vanuit de psyche van de therapeut

Vele decennia heeft men gedacht dat overdracht en tegenoverdracht een soort eigenaardige zaken waren, die zich enkel binnen de nogal eigenaardige context van de psychoanalyse voordeden. Mettertijd is men gaan beseffen dat het een algemeen menselijk verschijnsel is, dat mede aan de basis ligt van sympathieën en antipathieën, vooroordeel, racisme, en elke irrationele vorm van gedrag en gevoel. Plaatsen waar het vooral een rol speelt zijn: de relatie waarin zwak tegenover sterk komt te staan, zoals de verhouding leraar-leerling, baas-ondergeschikte, oudere-jongere, opvoeder-opvoedeling, enz. Dit houdt ook in dat overdracht dus niet te zien heeft met de persoon in kwstie, maar per definitie altijd speelt.

INLEIDING

De termen "Overdracht" en "Tegenoverdracht" suggereren dat er in de normale interactie tussen cliënt en begeleider iets "bij"-komt. Deze mening vertrekt echter van de veronderstelling dat wij de werkelijkheid beleven zoals die is, maar dat overdrachtsfenomenen dit beeld komen wijzigen of vervangen. Deze opvatting is echter onnauwkeurig. Zoals we elders hebben beschreven, beleeft de mens nooit de objectieve werkelijkheid, maar zijn interpretatie ervan, die zich kan manifesteren langs subjectieve interpretaties en associaties, maar zelfs door sterke niet-objectieve beeldveranderingen. Dit wordt angegeven door het schema


A -> B -> C


waarbij A= de objectieve werkelijkheid, B= onze subjectieve interpretatie/beleving van deze objectieve werkelijkheid, C= onze emotionele en andere reacties.


Toepassingen:

- onze emotioneel gekleurde gedragingen, bv fobieën en andere vormen van onaangepast gedrag, worden dus niet uitgelokt door de objectieve situatie A, maar door onze beleving ervan B. Bij het behandelen van spreekangst verander je dus niet de reacties van het publiek, maar wel jouw beleving (perceptie, interpretatie, fantasmen, fantasmatische beleving) ervan.   

- ook al kunnen wij (in psychotherapie en het leven in het algemeen) geen veranderingen aanbrengen aan de werkelijke situatie die ons ongelukkig maakt, toch kunnen wij onze interpretatie ervan veranderen. We staan dus nooit machteloos. De gedragstherapie en de rationaal-emotieve therapie (RET) maken daar expliciet gebruik van.
- de oosterse filosofieën en vormen van levenswijsheid spelen vooral in op B, namelijk de persoon leren (bv door meditatie) om de werkelijkheid te aanvaarden "zoals ze is", dus geen onrealitsische verwachtingen te koesteren die alleen tot frustratie kunnen leiden. De westerse, integendeel, trachten eerder de werkelijkheid te veranderen, d.w.z. A, dus alle acties daartegenover. De integratieve, dus "ideale" manier om zo te reageren, wordt onderwezen door de integratieve psychologie (bv. AIP), maar was reeds bewust gehanteerd door het StoïcismeMocht ik de kracht hebben om te veranderen wat binnen mijn mogelijkheden ligt, de moed om te aanvaarden wat buiten mijn mogelijkheden ligt, en de wijsheid om de grens tussen deze beide te zien.


Besluit
In deze context worden de fenomenen overdracht en tegenoverdracht beter gesitueerd. Overdrachtsfenomenen zijn dus geen storende elementen die de therapie ongunstig komen beïnvloeden, ze zijn de essentie zelf van de menselijke interactie. M.a.w. wie denkt dat zijn therapie of zijn therapievorm geen overdrachtsfenomenen vertoont, ziet die niet, en zou die best gaan opsporen (bv in supervisie). Als kandidaat-psychotherapeuten dus kiezen voor een bepaalde monotheorie (bv gedragstherapie, psychoanalyse, gezinstherapie, medicamenteuze psychiatrie, enz.), eerder dan voor een integratieve benadering (die met zoveel mogelijk werkzame factoren tracht rekening te houden), dan wijst dit ongetwijfeld op bepaalde (tegen)overdachtsfenomenen.


Zo vertelde mijn overigens superbekwame supervisor-psychoanalyst, die toevallig naar een gedragstherapiecongres was gegaan, mij: "Ik had die (beroemde) gedragstherapeut nog maar enkele minuten horen spreken, en ik besefte onmiddellijk waarom die (maar) gedragstehrapeut was geworden.


BEPALING

Overdracht en tegenoverdracht is het geheel der onbewuste factoren (motivaties, interpretaties, streefdoelen, gevoeligheden) die iemands emotionele reacties en gedragingen bepalen tegenover anderen, en zeker tegenover elke persoon die belang heeft in zijn leven. Overdracht noemt men datgene wat de lagere of zwakkere (kind, patiënt, leerling) voelt tegenover deze aan wiens zorgen hij is toevertrouwd, tegenoverdracht betreft de onbewuste instelling van de ouder, leraar, therapeut, tegenover de persoon waar hij de zorg voor draagt. Bij koppels is het moeilijker om de zwakkere en sterkere aan te duiden, en hier spreekt men van overdrachtsfenomenen. Hier is het immers moeilijk om te zeggen waar de overdracht startte.

Overdacht en tegenoverdracht beschrijven dus de fantasmatische betekenis die iemand heeft voor iemand anders, en die grotendeels bepaald wordt uit onbewuste, onbevredigde behoeften, en uit de frustraties die met die onbevredigdheid verband houden. In therapie gaat het er om dat men deze fanatsmen en rationalisaties omzet tot midner blokkerende attitiudes.


Voorbeeld van buiten de psychotherapie

Toen Jan nog op school was, zat Peter in zijn klas. Peter had steeds betere uitslagen dan Jan, hoewel Jan veel meer studie-inspanningen leverde. Dit heeft Jan jarenlang gefrustreerd. Thans is Jan zelf leraar op deze school. Het toeval wil echter dat Karel, de zoon van Peter, één van zijn leerlingen is. Hoewel Karel een sympathieke leerling is, is Jan zeer geprikkeld door zijn gedrag, en ziet hij er nauwlettend op toe dat Karel zeker geen punten krijgt voor inspanningen die hij niet zou geleverd hebben. Jan betrapt er zichzelf soms op dat hij vragen bedenkt, waar mensen als Peter en Karel, als zij niet hard werken, zeker niet het goed antwoord op kunnen raden. De antipathie en strengheid van Jan tegenover Karel staan niet in het minst in verband met de persoonlijkheid of de houding van Karel, maar zijn duidelijk een vorm van tegenoverdracht.

UITINGSVORMEN

1. Overdrachtsfenomenen uiten zich door het beïnvloeden en bepalen van keuzes, opvattingen, emotionele gevoeligheden en reacties ten opzichte van anderen. De betrokkene heeft steeds de neiging deze invloed ofwel niet te zien, ofwel hem toe te schrijven aan toevallige omstandigheden, ofwel er logische verklaringen voor te vinden (rationalisaties). Vaak zit hier toch ook nog een instinctmatige component achter, dat met een gevoel van bedreiging te zien heeft. Enerzijds kan je dus de concurrent willen uitschakelen, anderzijds kan je ook de onvoorwaardelijkheid aanvaarden.

Belangrijk voor het begrip van tegenoverdracht (en overdracht) is te beseffen dat deze reacties in wezen niets te zien hebben met de betrokkene, maar met wat deze bij ons, in onze fantasmen oproept.

Als men er ons op wijst weigeren wij soms dit te bespreken, en beperken ons tot de mededeling dat we "het recht hebben zus of zo te handelen", of dat we "niet verplicht zijn tegenover u verantwoording af te leggen".

In praktijk uit tegenoverdracht zich door sterke of overdreven positieve of negatieve houdingen tegenover bepaalde personen.

2. In een vrije, psychoanalytische situatie gaat de cliënt vrij snel tegenover de therapeut dezelfde gevoelens koesteren als tegenover zijn belangrijkste probleempersoon, bv. zijn autoritaire vader. Hij herbeleeft vrij snel zijn fundamentele psychologische problematiek in de therapeutische situatie. De psychoanalytici spreken van overdrachtsneurose. Dit is zichtbaar in gedrag, waarbij stelregel geldt dat hoe vager iets lijkt, hoe meer impact het kan hebben.

3. Het herkennen van de overdrachtsneurose laat vaak toe om de diagnose te stellen. Men kan dit eventueel aan de patiënt duiden.

4. Het groeiproces van de persoonlijkheid in de therapeutische situaties gaat gepaard met het groeiproces in de levenssituatie van de patiënt. Hij leert in de therapie, met de therapeut in de tegenspeler-rol, als frustrator, met zijn vroeger probleem afrekenen en een nieuwe attitude aanleren. Je hele leven wordt immers gekenmerkt door een niveau waar je net niet over raakt (oraal, anaal, ...). Bv subassertiviteit is het gevolg van het niet doorwerken van de anale fase. Na enige tijd in therapie, gaat de patiënt de therapeut als grote frustrator op dit gebied beleven. Als therapeut kan je dus een diagnose stellen op basis van wat zich afspeelt.

CONCRETE VORMEN DER OVERDRACHTSREACTIES

1. Direct of indirect

Direct: op zichzelf afgerond gedrag, dat volledig op overdracht berust, bv. een glimlach.

Indirect: het beïnvloeden van het "normaal" therapeutisch gedrag, bv. het selecteren, of het vervormen van informatie, enz.

2. Actief of passief

Actief: gedrag dat gesteld wordt (direct of indirect), en dus observeerbaar is: een opmerking, het transformeren van informatie.

Passief: het niet-stellen van gedrag: iets niet zeggen, zwijgen, niet reageren. Dit gedrag is niet observeerbaar. Alleen de verwachting dat het moest komen, het achteraf krijgen van informatie, of het vermelden door de patiënt kan ons op het spoor brengen ervan. Vele negatieve reacties kunnen passief zijn.

3. Positief of negatief

positief: aangenaam om te ervaren. Leidt gewoonlijk tot een positievere tegenoverdracht.

negatief: onaangenaam. Verhoogt de kans op, of versterkt een negatieve tegenoverdracht.

4. Constructief of destructief

Constructief: als het het verdere verloop van therapie en/of groeiproces bevordert. Positieve reacties zijn niet altijd constructief.

Destructief: als het het verdere verloop van de psychotherapie en/of de groei bemoeilijkt. Negatieve uitingen zijn niet steeds destructief.

5. Verbaal of non-verbaal

Verbaal: al hetgene dat als woorden geuit wordt

non-verbaal: al datgene dat geuit wordt als houding, stemintonatie, gelaatsuitdrukking. Ook situationele situaties (bv. niet opdagen op de afspraak, te laat komen) kunnen we rekenen tot de non-verbale uitingen.

6. Enkelvoudig of complex

Enkelvoudig: symptomatische uitingen, die eenmalig of herhaaldelijk optreden, en uiteraard wijzen op overdrachtsbronnen, maar niet leiden tot complicaties, bv. terloopse opmerkingen, de manier waarop men groet, hard de deur achter zich dicht trekt, enz.

Complex: hierbij liggen de overdrachtsreacties aan de basis van complexere interacties, die soms dermate omvangrijk worden, dat het eigenlijke therapeutische proces in het gedrang komt, bv. een vriendschapsrelatie ontwikkelen met zijn patiënt in een vroegtijdige fase van de therapie. Complexe overdrachtsfenomenen zijn bijna steeds in interactiespel tussen overdracht en tegenoverdracht: patiënt en therapeut hebben elkaar nodig voor een bepaalde, complementaire compensatie, bv. een leerling-leraarsrelatie.

Een frequent nevenaspect van complexe overdracht is het ontwikkelen van rationalisatiekaders, d.w.z. verklarende en rechtvaardigende hypothesen ("mythes"), om bepaalde overdrachtsreacties in stand te kunnen houden. Bv. de sympathiserende mythe dat patiënt het onschuldig slachtoffer is van de "slechtheid" van de partner, of het bedrijf, of de samenleving. Deze mythe is een rationele beschutting voor tal van weerstandsuitingen en compensatie-uitingen, maar is een afremming voor tal van bedreigender, maar wellicht constructievere therapeutische interpretaties, die de verantwoordelijkheid van patiënt in vraag stellen. Het te vroeg geven van bepaalde interpretaties, of bevestigen van bepaalde rationalisaties van patiënt, kan een complexe overdrachtssituatie uitlokken, die nog moeilijk te doorbreken is. Het lang aanhouden van een "mythe" maakt de therapeut immers minder geloofwaardig als deze later wil doorprikken, en vervangen door een andere mythe.

DE BRONNEN DER OVERDRACHTSREACTIES

De overdrachtsreacties zijn afkomstig uit meerdere onbewuste, hoewel soms ten dele bewuste bronnen. We kunnen ze groeperen in vier grote categorieën:

  1. functioneringsniveau-overdracht
  2. referentiefunctie (autoriteitsfunctie)
  3. compensatiefunctie
  4. weerstandsuiting


We zullen deze thans apart bespreken.

1. Functioneringsniveau-overdracht (diagnostisch)

Dit is de overdracht in de klassieke, Freudiaanse zin. Psychodynamisch wordt gesteld dat elke persoon in zijn ontwikkeling een zeker aantal fasen doorloopt, met elk hun kenmerkende reactie- en interactiepatronen. Deze fasen zijn: de fusionele fase ("psychotisch"), de orale fase, de anale fase, de fallische fase, de genitale fase. In de overgang van anaal naar fallisch, en van fallisch naar genitaal wordt ook de Oedipale problematiek verwerkt, d.w.z. het "aanpassingsconflict" opgelost.

Deze verschillende reactiestijlen uiten zich zowel in de houding van de betrokkenen tot de medemens, maar ook ten opzichte van het bestaan in het algemeen.

Een psychiatrische problematiek wordt gezien als het gevolg van het feit, dat de persoonlijkheid in haar ontwikkeling op een bepaald niveau is blijven steken ("blokkering"). De therapie heeft als doel deze blokkering op te heffen, en verdere groei toe te laten en te stimuleren.

In elke significante relatie zal de betrokkene hoogstwaarschijnlijk vroeg of laat overschakelen naar zijn dominante stijl, m.a.w. hij zal in de therapeutische relatie neigen tot het hanteren van zijn problematische interactiestijl. Of, in andere woorden uitgedrukt, hij zal zijn conflict projecteren in de therapeut (en dit in des te grotere mate dat deze de projectie mogelijk laat), of, nog in andere woorden, hij zal de therapeut beleven vanuit zijn heersend fantasmatisch kader.

Bv. iemand met een orale problematiek zal wellicht overafhankelijk worden van de therapeut, een anale persoonlijkheid zal zich verzetten of dominant proberen worden, enz. De observatie van deze overdrachtsneurose is een hulpmiddel voor de therapeut, zowel diagnostisch als therapeutisch: de overdracht kan geduid worden, het conflict verwerkt.


We moeten wel rekening houden met het feit dat er regressie kan optreden bij grote frustraties buiten of binnen de therapie, d.w.z. dat patiënt niet op zijn meest typisch niveau functioneert. Bij een te positieve (tegen)overdracht kan er ook antegressie optreden, d.w.z. dat patiënt (tijdelijk) op een hoger niveau functioneert dan hij eigenlijk aankan in normale levensomstandigheden.

Deze overdrachtsreactie kan gepersonaliseerd zijn (d.w.z. de patiënt beleeft in zijn therapeut zijn conflictpersoon, bv. een castrerende vaderfiguur, een verstikkende moeder), ofwel niet-gepersonaliseerd (de therapeut wordt gewoon betrokken in de interactiestijl van de patiënt).

Een speciale subgroep van deze overdrachtsreacties, die misschien zelfs als aparte klasse zou kunnen aangegeven worden, maar toch vaak verband houdt met het fantasmatisch leven, d.w.z. met het dominant functioneringsniveau, zijn IDENTIFICATIES (d.w.z. zich willen voelen als de andere, waar men naar opkijkt) en tegenidentificaties (d.w.z. in de andere zichzelf herkennen). Deze (tegen)identificaties kunnen positief zowel als negatief zijn. Deze gevoelens, associaties en fantasmen bepalen uiteraard sterk de overdracht. Het zijn de sympathieën en antipathieën in de klassieke zin van het woord. Ze beïnvloeden echter veel meer het gedrag, vooral indirect (bv. transformeren, selecteren of verzwijgen van informatie), dan men doorgaans beseft.

2. Referentie-functie

We mogen niet vergeten dat de patiënt vaak verweven zit in relaties, met zijn partner, zijn ouders, zijn kinderen, zijn werkmilieu. Deze relaties zijn vaak problematisch, gezien het feit dat de interactiemethode wellicht problematisch (neurotisch) is. Dit betekent meestal, dat de patiënt betrokken is in een gevecht met deze relationele figuren, gevecht waarin hij vaak het onderspit zal delven, zoniet kwam hij wellicht niet in therapie.

In deze conflicten nu kan hij de therapeut aanwenden als een belangrijke morele bondgenoot, als een autoriteitsfiguur ("mijn dokter heeft gezegd dat ik u geen verantwoording hoef af te leggen"). Dit verstevigt de patiënt zijn positie in zijn conflictrelaties.

De therapeut is zich niet altijd snel bewust van dit fenomeen, vermits het zich afspeelt buiten de therapie. Hij kan vroeg of laat echter wel geconfronteerd worden met de gevolgen ervan, bv. als hij onbewust iets doet tegen dit bondgenootschap (bv. een gesprek hebben met de partner), of die moreel ondersteunende functie niet meer opneemt. Ook kan die houding bij de omgeving van de patiënt verzet tegen de therapie oproepen, wat vroeg of laat tot onverwachte complicaties kan leiden, zoals stopzetten van therapie, agressie van patiënt omdat de situatie erger wordt i.p.v. beter, tegenmanipulaties vanuit het milieu tegen de therapeutische invloed, enz.

3. Compensatiefunctie

Een patiënt die in therapie komt, zit meestal met tal van sterke behoeften, aan aandacht, affectie, erotische waardering, intellectuele bevrediging, maar ook aan het uiten van irritatie en agressie, manipulatie, enz. We mogen als therapeut, gewend aan urenlang per dag intensief diepmenselijk contact, niet vergeten hoe uitzonderlijk aantrekkelijk, intens en psychisch levensnoodzakelijk een therapeutisch contact kan zijn. Weinige, ook "normale" mensen, kunnen zeggen dat ze wekelijks één of meerdere uren met iemand, die dan nog onvoorwaardelijk positief jegens hen is gestemd, intensief bezig zijn. Daarenboven geeft een therapeut onvermijdelijk (en ook wel graag) van zichzelf een wat geïdealiseerde indruk, wat het voor de patiënt nog aantrekkelijker maakt om de contacten te personaliseren, te pogen bidirectioneel te maken, te erotiseren, of in de therapeut een geduldig publiek te zien voor afreageren en luchten van frustraties, bijval voor originele opvattingen, enz.

Seksuele verlangens en fantasmen, uiteraard beïnvloed door onze eigen seksuele situatie, en onze frustraties op dit gebied, spelen een grote rol, zowel bij therapeut als cliënt.

Daarenboven mogen we niet vergeten dat deze compensatiefunctie soms levensnoodzakelijk is, om de stress van het leven aan te kunnen, of om het frustrerende van de therapie en de psychische groei te overbruggen. De therapeut kan ze daarom soms bewust aanwenden.

Deze compensatiefunctie kan zich uiten in allerlei (on)aangename reacties ten opzichte van de therapeut, zoals het geven van complimentjes of onverwacht uiten van agressie, het sturen van nieuwe patiënten, zich bijzonder aantrekkelijk voordoen, uitwijden over schijnbare bijkomstigheden, geschenkjes meebrengen, telefoneren, brieven afgeven, uitnodigen voor een koffietje, moraliseren of overbenadrukken van door de therapeut gemaakte fouten (bv. vertraging in afspraken), erotiseren van de contacten, "verslaafd" worden aan de therapie, voorwenden van kleine klachten om de contacten te kunnen verlengen, enz.

4. Weerstandsuiting

Groeien -het doel van de therapie- is om tal van redenen een moeilijke, en soms pijnlijke aangelegenheid. Het onbewuste zal hiertegen onvermijdelijk weerstand ontwikkelen. De weerstand tegen de therapie leidt uiteraard ook tot weerstand tegen de therapeut, als bewerkstelliger en kritische getuige van deze groei, en als oorzaak van de groeistimulerende inzichten. De therapeut en de therapie worden periodisch, en tegen het einde van de therapie vaak beleefd als te bedreigend, oninteressant, enz.

Als we in de ander onaanvaarde stukken van onszelf ontmoeten. Bv. wie onze fouten heeft, of wie kwaliteiten heeft die wij niet hebben, kan ons emotioneel niet onberoerd laten.

Deze vorm van overdracht uit zich bv. onder het stellen van kritische vragen, opmerkingen als "u beseft niet wat ik afzie, hoe moeilijk het is", of reflecteren van suggesties ("toont u zichzelf nooit eens kwaad?", "ziet u het altijd wel zitten?"). Ook kan soms belangrijke informatie verzwegen of vervormd worden. Tegen het einde van de therapie uit zich dit ook als bv. vergeten of uitstellen van afspraken, niet meer aanbrengen van nieuw materiaal, enz. 


Opmerkingen

Het is niet altijd gemakkelijk om onderscheid te maken tussen deze verschillende bronnen van overdrachtsreacties. Eén enkel symptoom kan soms vanuit verschillende bronnen ondersteund worden, bv. agressie als manifestatie van de neurotische reactiestijl, als compensatie en als weerstand. Uiteindelijk liggen deze zaken ook nooit los van elkander, vermits we uiteindelijk met één enkele persoonlijkheid te doen hebben. Ook kan eenzelfde fenomeen in de loop der tijd een andere betekenis krijgen.

Belangrijk is ook te beseffen dat de reacties van de therapeut, en zijn tegenoverdracht in belangrijke mate zullen bepalen welke houding van de patiënt een grotere kans op realisatie krijgt dan een andere. Wij induceren in sterke mate de overdracht (ook als we het bewust niét doen), hoewel de persoonlijke problematiek van de patiënt toch de sterkste bepalende factor blijft.

En tenslotte mogen we niet vergeten dat de overdracht niet de enige bron van gedrag is. De patiënt kan ook het officiële spel meespelen, objectief antwoorden op de vragen, spontaan symptomen (bv. wenen) vertonen. Nochtans mogen we niet vergeten dat dit "officiële" gedrag secundair kan aangewend worden binnen de overdrachtsreacties. Volgens de orthodoxe Freudiaan nochtans hoort alles geïnterpreteerd te worden als de overdrachtsreacties: zelfs het "officiële" gedrag, ook al is het congruent met wat de therapeut vraagt en verwacht, is maar mogelijk als de overdracht het toelaat.

HET HANTEREN VAN DE OVERDRACHT

1. Het bewustmaken van de overdrachtsfenomenen volstaat dikwijls, omdat de frustratie dan herbeleefd wordt, en dit vaak een emotionele uitdaging is om een (liefst) constructieve revanche te nemen. Men wordt bewust dat toegeven aan de gevolgen van de frustratie betekent dat de frustrator, zelfs al is die intussen dood of verdwenen, zijn frustrerende invloed nog steeds uitoefent dank zij het "complex" van de patiënt. De uitdaging om zich niet meer te laten doen kan heel sterk zijn.

2. De therapeutische relatie is eigenlijk een oefensituiatie waar de cliënt zijn vroegere groeifrustratie kan herbeleven, en thans op een andere manier oplossen, die minder blokkerend is. Het is eigenlijk een vorm van (cognitieve) gedragstherapie, waarbij nieuw gedrag wrodt ingeoefend.

3. Overdracht kan ook (te) positief zijn, zodat men als therapeut geneigd is te snel te gaan, fasen over te slaan, meerdere boodschappen per sessie te geven, negatieve oevrdracht te negeren, enz.

4. Het bewustworden van vroegere frustraties en gemaakte fouten moet gefaciliteerd worden door (1) het opbouwen van een veilige therapeutische relatie (Rogerianen spreken van onvoorwaardelijke aanvaarding). Het vraagt wellicht vele sessies voor de veiligheid groot genoeg is. Soms zijn therapeutische opmerkingen nuttig zoals dat men, als therapeut, eerder de eerlijkheid dan het zogenaamd volmaakte verleden apprecieert; (2) hetdeculpabiliseren van het geven van negatieve commentaar op personen die men verodnersteld wrodt te beminnen zoasl ouders, kinderen; aangeven dat men eigenlijk niet de persoon zelf negatief ag=fschildert, amar wel geïsoleerd gedrag als minder-optimaal bestempelt

5. Men moet de inzichten rond de eigen overdrachtsreacties niet afremmen, en dan ook bepaalde fouten vermijden zoals (1) geven van teveel interpretaties ineens (men moet zoch beperken tot één "boodschap" per tehrapiesessie, zoniet zal de ene boodschap het impact van de andere verminderen; (2) te snel alles, wat de therapeut niet graag hoort, als "weerstand" bestempelen; vaak verliest men op die manier nuttige informatie van de cliënt die terechte opmerkingen plaatst; (3) de patiënt waarschuwen dat hij de inzichten van de therpaie niet te snel moet bespreken met de omgeving, die zich meestal bedreigd zal voelen en pronberen deze inzichten te weerleggen, het gezag van de therapeut te ondermijnen, of soms zelfs de therapie te doen stoppen.

6. Bewustmaken van weerstanden en neurotsiche inzichten is geen doel op zichzelf. Freud zei dat men als therapeut steeds moet inschatten in welke mnate de cliënt de vroeger gemaakte fouten (en daarmee samenhangende inzichten) nog kan corrigeren. Daarom meoit men bij oudere patiënten eerder "toedekkend" optreden (dus B aanpassen), en bij jongere eerder op A aansturen (veranderen van situaties).

7. Als er groei optreedt, bv van modus 2 (oraal) naar modus 3 (anaal) eerder de groei op zichzelf bekrachtigen, dan het nieuwe (bv. agressieve) gedrag. Zoniet riskeert men te snel tegen taboes aan te botsen, en ook latere moeilijkheden te creëren als ckliënt dan vaan modus 3 (anaal) naar modus 4 (narcistsich) wil evolueren.

8. weet men niet hoe te reageren als therapeut, dan is overschakelen naar empathie de beste reactie. Dit kan ook gebruikt worden bij mutisme en agressie. Psychotisch mutisme wprdt echter best niet teveel geïnterpreteerd, want patënt beleeft dit meestal als agressie of verholen kritiek.


HET HANTEREN VAN TEGENOVERDRACHT

Doel

Zoals gezegd heeft tegenoverdracht een viertal mogelijke aanwendingen:

  1. Therapiecorrigerend: de therapeutische interventies meer richten naar de reële behoeften van de patiënt
  2. Diagnostisch: het aanvoelen van de problematiek van de patiënt
  3. Therapeutisch: het aanwenden ervan als oefensituatie, analoge ervaring voor de patiënt
  4. Autodiagnose: inzicht verschaffen in de eigen groeinoden van de therapeut.



Therapiecorrectie


De tegenoverdracht kan zeer storend werken in de therapie, omdat wij er vaak meer door geneigd zijn te opteren voor reacties en strategieën die geïnspireerd zijn door onze behoeften en fantasmen dan door de groeibehoeften van de patiënt zelf (zie vorige tekst).

Doch in de grond IS het onze behoefte dat patiënt beter zou gaan: zo hebben wij op lange termijn immers de meeste beroepsbevrediging. M.a.w. als ons onderbewuste ons inspireert tot gedrag dat minder geschikt is voor de groei van de patiënt, dan is dit een neurotische situatie voor ons: wij verkiezen, op fantasmatische gronden, een voordeel op korte termijn ten nadele van een voordeel op lange termijn.

Het principe van de oplossing is dat wij ons moeten trachten bewust te worden van ons werkelijk voordeel.

  • Vaak is een bewustworden van het feit dat wij bezig zijn voor onszelf voldoende, om een reactie van schaamte of uitdaging uit te lokken, waardoor wij gemotiveerd worden een minder egocentrische oplossing te kiezen. Supervisie kan sterk helpen bij dit bewustworden.
  • Verder worden wij beter geholpen door een goede kennis van de groeiwegen waarlangs de patiënt zich moet ontwikkelen: de fasen die hij moet doorlopen, de zaken die hij achtereenvolgens moet bewustworden. Tegenoverdracht speelt des te meer rol naarmate ons inzicht in het groeiproces van de cliënt beperkter en vager is, bv. bij beginnende therapeuten, bij amateurs, in de beginjaren van de psychotherapie. Want dan hangt alles slechts af van de inspiratie van het ogenblik, en hierbij zijn we natuurlijk erg gevoelig voor het spel der onderbewuste fantasmen en tegenoverdrachtsbehoeften.

Diagnostisch

Wij reageren onbewust en onvermijdelijk op de overdracht van de patiënt tegenover ons. Als we gevoelig zijn voor de gevoelsmatige reacties die zich in ons afspelen, dat kan ons dit helpen bij het herkennen van het persoonlijkheidstype, en de soort relationele problematiek van de cliënt, op voorwaarde dat wij inzicht hebben in ons eigen persoonlijkheidstype, d.w.z. onze onverwerkte problemen, onze eigen neurotische trekken en fantasmen.

Bv. hebben wij sterke autoritaire (expansief paranoïde = anaal) trekken, dan zijn wij zeer opgetogen door orale persoonlijkheden, die neigen tot afhankelijkheid, of door masochistische trekjes, die complementair zijn aan onze sadistische behoeften. Hebben wij fallische trekken, dan zijn wij de ideale prooien voor genitaal-hysterische karakterstructuren. Onze eigen psychopathische trekken sympathiseren met personen die psychopathisch gedrag vertonen

Een ander aspect van inzicht in de problematiek van de patiënt is dat wij ons wellicht goed kunnen inleven in wat de omgeving van een patiënt ervaart ten opzichte van deze patiënt: hun ergernis, hun weerstand tegen zijn manipulaties, zijn latente gevoelens van vijandigheid, enz.

Therapeutisch

Onze tegenoverdrachtsreacties, als spontane reacties op de gedragingen van patiënt, kunnen aangewend worden als therapeutische middelen, om patiënt duidelijk te maken -via een analogie tussen de omgeving van de patiënt en zijn therapeut- wat hij in de omgeving uitlokt als bv. pijnlijke, vernederende gevoelens, vijandigheidsgevoel, enz. Omgekeerd kunnen de therapeutische gevoelens en reacties die afwijken van wat de omgeving doorgaans doet de patiënt een nieuwe leerervaring bezorgen.

Ook is het veranderen van onze tegenoverdracht in de loop van de therapie een mogelijke aanwijzing (geen bewijs, uiteraard) dat er in de persoonlijkheid van de patiënt een evolutie komt. Patiënt kan mettertijd gaan trachten bij ons een positieve reactie uit te lokken. Dit kan voor hem een krachtige motivatie tot groei zijn.



Autodiagnose


Tenslotte leert het fenomeen der tegenoverdracht ons enorm veel over onszelf, als wij daar open voor staan, uiteraard. Het ervaren en duiden van die tegenoverdracht (met behulp van autoanalyse, supervisie, enz.) kan ons helpen bewust te worden van onze eigen neurotische manier van functioneren, onze onverwerkte problemen, enz.Tegenoverdracht kan onmogelijk vermeden worden. Hij is er gewoon altijd. We kunnen alleen trachten er ons zoveel mogelijk van bewust te zijn opdat we hem tijdig zouden kunnen doorzien en corrigeren. Het feit van hem te bewust te worden werkt trouwens psychologisch en uitdagend op ons: we willen hem gaan (over)compenseren, of willen ons "niet laten kennen", enz.

De beste manier om er weinig krampachtig last van te hebben, is zelf gelukkig te zijn en een goede relatie te hebben. Anderzijds zijn personen die overcompenseren of een zeer positieve tegenoverdracht hebben vaak zeer nuttig voor de personen die aan hen zijn toevertrouwd.

MIDDELEN VAN HANTEREN

De tegenoverdrachtsreacties kunnen verschillende concrete vormen aannemen, zoals de overdrachtsreacties. In praktijk is het vooral nuttig onderscheid te maken tussen:

1. Onbewuste uitingen van tegenoverdracht

Daar zijn wij ons niet bewust van op het ogenblik zelf. Supervisie, autoanalyse (als de therapeut zegt tegen zijn partner: "ik heb eindelijk weer eens een boeiende psychotherapiepatiënt bij gekregen vandaag"), of... duiding door de patiënt ("ik heb het gevoel dat ik u vandaag wat verveel, dokter") kunnen ons hierbij helpen.

Zodra we ons bewust worden van deze onbewuste invloeden, moeten we er werk van maken: bewuster worden, vroegere psychotherapiesituaties herbekijken, veronderstellen dat de invloed er hoe dan ook aanwezig is, en hem vervolgens trachten te herkennen, ter sprake brengen in de eigen therapie of supervisie, fantaseren over alternatieve, betere reacties in dergelijke situaties, ...

2. Bewuste uitingen

Deze kunnen we ter sprake brengen met de patiënt, of niet. In dit laatste geval kan het zijn dat patiënt het toch merkt, of niet.

Het ter sprake brengen kan doorgaans maar in rijpere therapiesituaties, waar reeds een voldoende interpretatiekader aanwezig is. Soms kan het wel in het begin gebeuren, bv. om situaties te deblokkeren, maar doorgaans komt een dergelijke openheid te bedreigend over voor de patiënt, die verwacht dat hij in de therapie centraal zal staan, en die nog niet begrijpen kan dat het bespreken van de eigen gevoelsmatige reacties van de therapie ook voor hem zeer verrijkend kan zijn, vermits analoge gevoelens waarschijnlijk ook in zijn omgeving plaats vinden, maar dan zonder dat men hem erover inlicht.

De tegenoverdrachtsreacties niet bespreken, en hopen dat de patiënt deze niet merkt, terwijl hij het toch doet, werkt doorgaans ondermijnend voor het vertrouwen in de therapeut, en kan niet lang volgehouden worden. Patiënt beleeft het als een verwerping, of als een vorm van incompetentie. In andere gevallen doorziet de patiënt het niet, maar stimuleert men verkeerde fantasmen bij hem, zoals schuldgevoelens, minderwaardigheidsgevoelens, verliefdheidsgevoelens, enz.