5400-5999
Sites per thema:
psy0 algemeen
psy1 systemen
psy2 denken
psy3 brein
psy4 individu
psy50 diagnostiek
psy54 behandeling
psy6 optimaal
psy7 groepen
psy8 suboptimaal
psy9 optimaal

5715 Experiëntiële Zelfexploratie


Inleiding

Bij een cliënt groei induceren kan op drie manieren gebeuren:

1.    inzicht bijbrengen
Hierbij tracht men de betrokkene te doen inzien, liefst vertrekkende vanuit zijn eigen ervaringen en inzichten, wat de voor- en nadelen zijn van bepaalde denk- en gedragswijzen,  en wat de voordelen zouden zijn van doeltreffender manieren van denken en handelen.

2.    vaardigheden aanleren - gedragsverandering
Hierbij tracht men de betrokkene al doende meer doeltreffende gedragingen bij te brengen.

3.    emotioneel laten groeien
Hierbij tracht men de cliënt te ‘bevrijden’ van het storend effect van vroegere emotioneel traumatiserende ervaringen.

Geen enkele der drie methodes apart kan op een bevredigende, d.w.z. doeltreffende en duurzame, manier de groei van de cliënt induceren. Hoewel vele therapievormen en therapeuten slechts op enkele aspecten het accent leggen, zal de integratieve therapeut al deze dimensies trachten te beïnvloeden.

Experiëntiële zelfexploratie richt zich vooral op 1 en 3 en minder op 2.

Van 2 kan gezegd worden dat het volgt uit 1 en 3. De gedragstherapeuten denken daar heel anders over. Zij zijn overtuigd dat 1 en 3 volgen uit 2. Door gedragsveranderingen te bewerkstelligen raakt de cliënt weer in proces en ontstaat inzicht, wat echter door gedragstherapeuten niet noodzakelijk geacht wordt.

Als integratieve psychotherapeuten trachten we, rekening houdende met de cliënt en zijn problematiek, al deze dimensies te beïnvloeden. 

Hier gaan we na hoe een experiëntieel zelfexploratieproces kan bijdragen tot een aantal door de cliënt gewenste veranderingen. Hoewel in deze bijdrage de nadruk ligt op de innerlijke processen bij de cliënt, ontkomen we er niet aan om daarbij ook de interactie tussen cliënt en therapeut aan de orde te stellen. Psychotherapie is immers bij uitstek een dialogisch gebeuren 

Inzichtgevende psychotherapie

Vele cliënten vragen zich af wat de mogelijke oorzaak van hun probleem zou kunnen zijn: ‘Waarom voel ik me steeds zo….?’, ‘Waarom doe ik dat steeds weer?’, ‘Waarom durf ik zoiets niet?’

Voor een inzichtgevende psychotherapie zijn dat adequate vragen om in een exploratieproces uit te werken. Men neemt aan dat pas als de patiënt inzicht heeft in de achtergronden van zijn probleem, dat structurele veranderingen mogelijk zijn.

Onder ‘inzicht’ wordt dan niet zozeer een rationeel, theoretisch begrijpen bedoeld. Bvb. welke psychologische wetmatigheden maken dat hij zo denkt, of zo is. Meestal echter levert dergelijke algemene kennis over zichzelf niet veel op. Ofwel had de cliënt het zelf ook al wel bedacht, ofwel heeft hij de neiging het ‘extern’ te laten en het niet echt op zichzelf van toepassing te brengen. 

Bij inzicht gaat het veeleer om een gevoelsmatig weet krijgen van wat tot dan toe onbeseft was. Pas wanneer de kennis doorleefd is, kan deze geïnternaliseerd worden, en is de cliënt bereid het zich toe te eigenen. We spreken dan van een experiëntieel inzicht. 

Glas (1998) maakt in dit verband een onderscheid tussen weten en inzien. Weten slaat op kennis omtrent feiten. Bij inzien gaat het meer om het echt beseffen, het doorgronden van iets. Het kan ook gaan om een moreel inzicht, men ziet in dat iets wel of niet geoorloofd is, in dat geval wordt iemands oordeelsvermogen aangesproken. Dat gebeurt ook bij praktisch inzicht (weten hoe je een bepaalde situatie moet hanteren). Daarbij staat niet het cognitieve, maar het praktische op de voorgrond. Glas noemt ook nog een derde vorm van inzicht: het psychologisch inzicht. Inzicht krijgt hier de betekenis van aanvoelen, van bewust-worden-van, van intuïtie en empathie.

In de psychotherapie is dit psychologisch inzicht nauw verbonden met bewustzijn en introspectie. Het heeft daarbij een dubbele betekenis: het duidt op het feit dat in het innerlijke iets wordt waargenomen, alsmede op het vermogen om zoiets waar te nemen. Hij waarschuwt terecht voor het eenzijdig verbinden van inzien met innerlijk waarnemen (introspectie). Het affectieve aspect van inzicht kan dan onvoldoende recht worden gedaan.

Hij stelt zich hiermee achter Kuiper (1973), die schreef dat inzicht alleen helpt als dat inzicht echt gebleven is, niet slechts verstandelijke kennis is maar ‘bevinding’. 

Bij Freud treffen we een interessante ontwikkeling aan in het denken over het nut van inzicht. Eerst ging het hem er om de patiënt bewust te maken van niet-bewuste psychische inhouden (a.h.v. dromen en versprekingen,…), later vond hij vooral belangrijk dat de patiënt de dynamische betekenis van het symptoom herkende en als zodanig opnieuw ging beleven, bij voorkeur in de overdracht naar de therapeut. Inzicht was bij Freud steeds nauw verbonden met interpretatie of duiding.

Deze duidingen hadden aanvankelijk vooral een intellectueel cognitief karakter. Later kwam de dynamiek van de symptomen en onbewuste factoren centraal te staan. Waar later kregen de duidingen een meer interpersoonlijke en experiëntiële betekenis. Inzicht werd vooral een doorleven, herkennen en doorwerken van de overdrachtsrelatie (Glas,1998).

Volgens Dewald (1971) wordt het psychotherapeutisch proces gekenmerkt door zowel het verwerven van inzicht als het doorwerken van het verdrongene. Bij het verwerven van inzicht spelen intellect en emotie beide een rol, dus enerzijds gaat het om een intellectueel begrijpen en anderzijds om een gevoelsmatig begrijpen van het aanvankelijk niet-begrepene. Bij een dynamisch inzicht ervaart de cliënt een samenhang tussen bewuste en niet-bewuste fenomenen in het hier-en-nu. Bij een genetisch inzicht begrijpt hij hoe dingen van nu samenhangen met dingen van vroeger.

Het dynamisch inzicht bij Dewald, het psychologische inzicht bij Glas en het concept van bevinding bij Kuiper raken aan het organismisch waarderingsproces dat we van Rogers (1961) kennen als een soort pre-verbaal, psychofysiologisch ervaren dat dingen op hun plaats vallen, met als ultiem gevoel bij de cliënt dat hij inderdaad de persoon is ‘die hij in wezen is’. On becoming a person, Rogers (1961). Het daarvoor noodzakelijk geachte openstaan voor innerlijke ervaringen was voor Rogers het criterium niet alleen voor een succesvolle therapie, maar voor een ‘fully functioning person’. 

Gendlin verbond aan dit proces van het openstaan voor innerlijke, lichamelijke belevingen de termen ‘experiencing’ en ‘felt sense’ (Gendlin, 1962, 1970) en baseerde er zijn experiëntiële therapie op. 

De term ‘experiëntieel’

De term ‘experiencing’ laat zich vertalen in ‘ervaren’ en ‘beleven’.

Ervaren verwijst meer naar een verleden: men heeft iets meegemaakt, men is er al eens geweest, het is bekend. Een ervaren persoon heeft iets al eens eerder gedaan, brengt kennis en kunde uit dat verleden mee.

Beleven houdt meer actualiteit in: iets wordt op dit moment beleefd, men is er nu mee bezig, ondergaat het en onderkent zo mogelijk de gevoelens die het gebeuren oproepen. Het gaat om het direct percipiëren en herkennen van iets, zonder er verder over nagedacht te hebben en zonder verdere interpretaties 

De vertaling ‘beleven’ heeft daarom de voorkeur.

Volgens Bohart is experiencing vooreerst zelfs een lichamelijk gewaarworden. Het omvat zowel perceptueel-sensorische en motorische als ook viscerale aspecten 

Inzicht door experiëntiële zelfexploratie

Integratieve psychotherapie is ook inzichtgevende therapie, dus therapie waarbij het therapeutisch handelen gericht is op het verdiepen van het exploratieproces bij de cliënt. Zelfexploratie wordt beschouwd als de koninklijke weg naar het verkrijgen van inzicht.

In algemene zin kunnen we zeggen dat een inzichtgevende psychotherapie het op gang brengen en houden van een zelfexploratieproces bij de cliënt inhoudt, zodat hij inzicht krijgt in zijn persoonlijke referentiekader en zijn belevingswereld. Dus ook in zijn motivationele structuren van zijn problematiek, die maken dat hij zijn probleem als een probleem ervaart. Met referentiekader bedoelen we het geheel aan opvattingen, ideeën, gevoelens, waarderingen, normen, …, dat een persoon over zichzelf en de hem omringende wereld heeft.

Sommige cliënten kunnen in een therapeutisch contact al redelijk snel op een dieper ervaringsniveau exploreren en communiceren. De meeste cliënten zijn daartoe niet zomaar in staat en zullen er door de therapeut expliciet toe moeten worden aangezet.

Het stimuleren van een experiëntieel zelfexploratieproces

Hoe kan een experiëntieel zelfexploratieproces op gang gebracht en verdiept worden?

Een vereiste daarvoor is de cliënt in contact brengen met zijn felt sense (Gendlin, 1978) door middel van blootstelling (Depestele en Hermans, 1999).

Voor Rogers is de koninklijke weg  het empathisch reflecteren van momentaan aanwezige, bewuste of tenminste voor het bewustzijn toegankelijke betekenissen en belevingen van de cliënt.

Gendlin stelt een actievere, meer processturende opstelling van de therapeut voor in zijn focusingmethode.

In overeenstemming hiermee vatten Greenberg, Rice en Elliott (1993) psychotherapie op als een proces waarin emotionele schema’s worden geactiveerd en vervolgens gereorganiseerd. Het is de taak van de therapeut om de cliënt te stimuleren om bij zijn gevoel stil te staan. Dat biedt de mogelijkheid om nieuwe gevoelens tot zijn bewustzijn toe te laten, wat kan leiden tot nieuwe inzichten, een andere betekenis-toekenning en daarmee tot ander gedrag.

Men spreekt we eens van ‘systematisch evocatief ontvouwen’ of ‘expliciteren van het persoonlijk referentiekader’ zoals naar voor gebracht door Sachse (1991,1992). Expliciteren wat impliciet aanwezig is.

Doelgerichte gesprekstherapie

In een doelgerichte gesprekstherapie gaat het er om de motivationeel-affectieve determinanten, de eigen persoonlijke verlangens, doelen, normen en waarden die bij het probleem een rol spelen, onder ogen te leren zien en te (h)erkennen.

Dit expliciteringsproces gaat niet vanzelf.

-        Allereerst is het noodzakelijk de betrokken actieve schema’s bij de cliënt te activeren. Dit kan gebeuren door de cliënt een problematisch gebeuren te laten vertellen en te vragen wat voor gevoelens daarbij worden opgeroepen. Om inzicht te krijgen in de idiosyncratische aspecten ( idiosyncrasie: persoonlijke overgevoeligheid, waardoor een overdreven sterke reactie ontstaat op prikkels die bij de meeste mensen geen gevolg hebben, bvb. het ontstaan van krampen bij het zien van een spin of het flauwvallen bij het zien van bloed) van het innerlijk referentiekader wordt de cliënt vervolgens gevraagd bij zichzelf na te gaan waardoor het komt dat juist die emoties in die situatie worden opgeroepen.

-        Pas nadat via een dergelijke cognitieve representatie van de affectieve schema’s inzicht in de relevante interne determinanten is ontstaan, kan de betekenis ervan voor de cliënt veranderen en kan deze er bewust voor kiezen zijn reactiewijzen te accepteren of in het licht van het verworven inzicht bij te stellen. Er is dan sprake van integratie.

Het proces van explicitering vraagt om een actieve opstelling, zowel van de cliënt als van de therapeut. Hun beider taak is het stellen van verdiepende vragen:

-        de therapeut aan de cliënt

-        de cliënt aan zichzelf.

De aard van de vragen varieert al naar gelang het niveau van het expliciteringsproces waarop men zich bevindt. 

-        Mededelingsniveau: Wat gebeurde er toen?

-        Waarderingsniveau: Wat vind je daarvan?

-        Betekenisniveau: Wat voel je daarbij?

-        Expliciteringsniveau: Waar komt dat gevoel vandaan, waar heeft het mee te maken?

Om de verschillende niveaus van explicitering te kunnen bepalen, ontwierp Sachse (1990) twee parallelle schalen voor respectievelijk de bewerkingswijze van de cliënt (BW, zie Box 1) en het bewerkingsaanbod door de therapeut (BA, zie Box 2).

Bronnen:

-        Handboek Integratieve Psychotherapie; Roelf Jan Takens, Experiëntiële zelfexploratie, 2002, III 2 p. 1-32.