5400-5999
Sites per thema:
psy0 algemeen
psy1 systemen
psy2 denken
psy3 brein
psy4 individu
psy50 diagnostiek
psy54 behandeling
psy6 optimaal
psy7 groepen
psy8 suboptimaal
psy9 optimaal

5720 Microproces-analyse


Introductie van de MICRO-PROCESANALYSE

VAN DE THERAPEUT-CLIËNT INTERACTIE 

Rainer Sachse

Klinisch psycholoog-psychotherapeut Vrije Universiteit Amsterdam

T-C uitspraken bekijken:

·       formele aspecten:

·                  aantal interacties

·                  aantal woorden

·                  spreektijd

·       inhoudelijke aspecten:

·                  wat wordt er gezegd

·       procesaspecten:

·                  wat speelt er zich af in th. ontmoeting / interventies T-C 

Sachse: FINBE-systeem (’88)

- formale

- inhaltliche

- bearbeitungsweise

·       T-C uitspraken in kaart brengen (bewerkingswijze)

·       2 schalen (T-C) staan parallel tov mekaar

·       handvat om eigen manier van werken onder de loep te nemen

·       diepte van th. gesprek wordt in beeld gebracht

OEFENING Therapeutisch gesprek

therapeutisch proces = niet alleen therapeutische houding:

ook wat je doet interactie, beoogt te doen intentie, wat gezegd wordt verbale interventie (+ > cliënten = gesprekstherapie)

 

·       aandacht verbale interacties = concretisering van th. handelen

·       doel gespreksth.: expliciteren van innerlijk referentiekader van C

      cognitieve schema’s, denkschema’s, mentale schema’s, primaire objectrelaties

·       expliciteren = > dan ‘verklaren’: inpassen van een verschijnsel (gebeuren, gevoel) in een reeks bekende en algemeen geldende samenhang (causaliteit) (associaties)

·       activeren van bepaalde cognitief-affectief-emotionele schemata: leidt tot handelen of handelingsintenties (gebeurt vaak onbewust)

·       T probleem trachten te begrijpen vanuit context van persoonlijk referentiekader van P

·       T verdiepende vragen stellen

komen tot de kern van de uitspraak; ontdoen van de context

·       proces van spreker en toehoorder

·                  toehoorder: P verwerkt concrete verbale gedrag van T (volgens zijn interpretatie   en waarneming, perceptie)

·                  spreker: P aspecten van de betekenisstructuur van het onderwerp onder woorden brengen

·       expliciteringsproces in 3 stappen moeilijkheid om T proces te verbaliseren; verbaal tot uiting brengen van het innerlijk referentiekader 

    • ·           (1) P refereert aan de propositionele basis van gezegde (taalpsychologie)

§  wat spreker bedoelt uit te drukken

§  = omvattend; bedoelt vaak meer dan hij kan zeggen (taal = beperkt, emotie, abstractie)

§  de PB kan niet in zijn geheel onder woorden worden gebracht

§  (2) selecteert een deel en tracht dat te verwoorden = semantische input (inhoud tevens afhankelijk van relatie P-T)

§  SI verwijst naar de gehele PB = selectie pars pro toto (de delen staan voor het geheel)

§  (3) SI wordt op eigen manier (dialect) lexicale items gecodeerd = eindproduct van verbaliseringsproces (horen we); gebruik makend van grammaticale regels, stemmodulatie = prosodische codering

§  nonverbaal gedrag (moeilijk zonder beeld)

·       8 verschillende niveaus explicitering:

MEDEDELINGSNIVEAU

o   concrete gebeurtenis = (3) mededeling

o   bepaalde situatie schetsen

o   vertellen wat er aan de hand is met hem = mededelingsniveau 

§  relevante onderwerpen vermijden (1)

§  er een theorie over ontwikkelen = intellectualiseren (2) 

WAARDERINGSNIVEAU

o   wat vind ik van iets

o   welke gevoelens roept dit op

o   waardering aan gespreksonderwerp toekennen = waarderingsniveau

§  evaluatie zien als objectief gegeven (dat is een rare man) = waardering (4)

§  evaluatie zien als subjectieve waarneming; persoonlijk oordeel (ik vind hem…)

§  eigen aandeel in waarderingsproces zien = persoonlijke waardering (5) 

§  betekenis die gebeuren voor P heeft = (6) betekenisverlening 

EXPLICITERINGSNIVEAU

o   onderwerp aangrijpen ter verduidelijking van iets van zz. = in relatie brengen tot zijn innerlijk referentiekader =(7) expliciteren

o   verbinden met andere aspecten van innerlijk referentiekader (associëren) = (8)(integratie)

 

1

vermijding

  • niets persoonlijk relevant
  • (tv programma gezien; excursie vertellen)

2

intellectualisering

  • gezegde vatten in theoretische structuur
  • > feitelijke kennis dan persoonlijke belevingswereld
  • > weten waarom ipv (her)beleven
  • trachten te verklaren
  • (het zal wel aan de opvoeding liggen)

3

mededeling

  • concrete gebeurtenis vertellen over hem
  • wat er aan de hand is
  • zonder het heden (geen nú gevoel en nú vinden)
  • (steeds meer ruzie met moeder; gisteren was ik bij haar, ik durfde er niet over beginnen en ik voelde me slecht)

4

waardering

  • een oordeel uitdrukken in gezegde
  • waardering = eigenschap beoordeelde geen persoonlijke evaluatie van persoon zelf
  • (zo’n gevoel is afschuwelijk; aan moeder kan je geen problemen voorleggen)

5

persoonlijke waardering

  • innerlijk referentiekader van P is aan de orde
  • (ik vind mijn moeder…; ik vind dat een afschuwelijk gevoel)
  • meer op afstand beschouwd dan 6

6

betekenisverlening

  • P kent betekenis toe aan een gebeurtenis/situatie
  • het roept een gevoel in hem op
  • (ik schaam me dat ik gisteren…; als ik eraan terug denk dan voel ik me…)

7

explicitering

  • P verwoordt betekenis van gebeuren/situatie in relatie met innerlijk referentiekader
  • (waar komt dat gevoel vandaan; als ik bij moeder ben voel ik me niet welkom en dat houdt me tegen om mijn problemen te vertellen) linken (dat ik me zo afzijdig opstel heeft te maken met…)

8

integratie*

  • verband leggen met geëxpliciteerde en andere aspecten van innerlijk referentiekader
  • samenhangen/tegenstrijdigheden
  • reconstructie in nieuw perspectief plaatsen
  • (dat gevoel heb ik ook in andere situaties en dan…; ik zie nu dat...)

* hier wordt "integratie": eerder gebruikt in de betekenis van: associatie met andere toepassingsgebieden van de gevoelswereld, en dus niet integratie in onze klassieke betekenis (KR) 

  • hier en nu met onderwerp bezig zijn is belangrijker dan inhoud
  • belevingen die nu bewerkt worden (explicitering of mededeling; vb: ik voel me waardeloos)
  • vertellen hoe er toen over denken = 3
  • hoe er nu over denken en gevoel teweegbrengt = 4 tot 6
  • na telefoon voelde ik me slecht = 3; als ik eraan terugdenk krijg ik weer dat slecht gevoel = 6
  • ik was toen heel boos op hem (3 of 6 afhankelijk van manier van uiten)  
  • 8 kan tijdens de therapie of erna thuis 

            bewerkingsaanbod therapeut = BA

  • T stelt P verdiepende vragen
  • bewerkingsaanbod is prospectief (wat kan hij ermee doen in de vooruitgang van het Th. proces) niet retrospectief (empathische respons: refereert naar wat hij gezegd heeft; als je daaraan terugdenkt, welk gevoel geeft dat dan…?)
    • welk gevoel roept het nu op als je er aan terugdenkt? = katalyserend effect
    • ik hoor dat je toen behoorlijk klem zat = goed aanvoelen (ook katalyserend maar op niveau van relatie en klimaat)

1 aanvoelen

2 aan het werk zetten 

  • BW schaal = bewerkingsschaal
  • BA schaal = bewerkingsaanbodschaal (P inviteren tot dat niveau te komen) 

1

vermijding

  • ingaan op niet relevant detail
  • iets anders dan waar P mee bezig is
  • inviteren om over niet persoonlijk relevante zaken te vertellen

2

intellectualisering

  • P aanzetten te ‘theoretiseren’ over probleem
  • (kunt u dat verklaren met de relatie van destijds, mensen die hyperventileren doen dat…)

3

mededeling

  • P aanmoedigen tot info over zz. of gebeurtenis; situatie beschrijven

4

waardering

  • P uitnodigen tot een oordeel over gespreksonderwerp
  • (wat voor man is uw vader)

5

persoonlijke waardering

  • persoonlijke mening vragen
  • (wat voor man was uw vader voor u)

6

betekenisverlening

  • P inviteren tot uiting wat hem iets doet, welk gevoel het oproept
  • (wat gaat er nu in u om)

7

explicitering

  • P inviteren de betekenis van het gebeuren in verband te brengen met innerlijk referentiekader
  • (waar komt dat gevoel vandaan)

8

integratie*

  • P inviteren tot het leggen van een relatie tussen geëxpliciteerde en andere aspecten van zijn innerlijk referentiekader
  • (waar doet het u nog meer aan denken)

* hier wordt "integratie": eerder gebruikt in de betekenis van: associatie met andere toepassingsgebieden van de gevoelswereld, en dus niet integratie in onze klassieke betekenis (KR) 

  • T over eigen vakantie/situatie vertellen = 1
  • alles wat kennis betreft in functie van verklaring = 2
  • objectieve informatie (hoe zit dat precies, kan u daar iets meer over vertellen) zonder expliciete gevoelens = 3
  • ook waarderingen van T: (dat is niet zo mooi; zulke dingen zijn lastig) = 4
  • persoonlijke waardering van T = 5 (ik vind dat vervelend voor u)
  • T inbrengen eigen gevoel = 6 (als u dat zo zegt, roept dat bij mij een gevoel van…)
  • 7 = gericht op verheldering innerlijk referentiekader (theorie van buiten = 2)
  • 8 = dat gevoel tov dit gevoel, hoe rijm je dat