5400-5999
Sites per thema:
psy0 algemeen
psy1 systemen
psy2 denken
psy3 brein
psy4 individu
psy50 diagnostiek
psy54 behandeling
psy6 optimaal
psy7 groepen
psy8 suboptimaal
psy9 optimaal

5951 Maslow

Abraham MASLOW

en de Humanistische Pyschologie 



BIOGRAFIE

1908 (Brooklyn, N.Y.) - 1970 (Californië)

Zijn ouders waren Russische, ongeschoolde emigranten. Hij was het eerste van 7 kinderen, en werd door zijn ouders sterk aangemoedigd voor academische studies.

Hij huwde zijn nicht en had twee dochters.

Hij studeerde psychologie aan de universiteit van Wisconsin (PhD in 1934). Hij werkte enige tijd met Harry Harlow, die emotioneel onderzoek met resusaapjes verrichtte. Dan ging hij terug naar New York (Columbia Universiteit) waar hij bij de beroemde E.L. Thorndike onderzoek deed naar de menselijke seksualiteit.

Hij gaf later les aan de Brooklyn Universiteit, en ontmoette vele Europese vluchtelingen zoals Adler, Fromm en Horney. Hij bestudeerde zowel Gestalttherapie als Psychoanalyse.

Van 1951 tot 1961 gaf hij les aan de Brandeis Universiteit, waar hij Kurt Goldstein ontmoette die de idee van zelfrealisatie introduceerde ("self-actualization"), en begon een ware kruistocht voor een humanistische psychologie.

Door zijn verslechterende gezondheid week hij uit naar Californië, waar hij, pas 62 jaar, stierf aan een hartaanval.


THEORIE

Consequent met zijn eigen opvattingen over de psychologie als wetenschap, is Maslow de man die de blik van de psychologie 180 graden doen draaien heeft.

Tot in de eerste helft van de 20e eeuw hield de psychologie zich vooral bezig met

  1. het bestuderen van de pathologische mens (vooral de psycho-analyse) en
  2. het ontwikkelen van theorieën op basis van reductionistische (dieren-)modellen (vooral de gedragstherapie).

Maslow vond dit een zeer spijtige situatie, niet alleen omdat de aldus ontstane theorieën en de erop gebaseerde toepassingen de mens veel onrecht aandoen, omdat ze de normale mens gewoon zien als een niet-pathologische mens, en omdat ze enkel die aspecten bestuderen die men ook in diermodellen kan terugvinden. Ook keurde hij deze denkwijze af omdat de psychologie zichzelf aldus ontbloot van haar wetenschappelijke basis, vermits haar manier van denken niet klopt met de criteria van de plausibiliteit. Maslow wees erop, dat het uitdenken van hypothesen over de mens niet zozeer moest vertrekken vanuit pathologische gevallen, maar juist vanuit een studie van de optimaal functionerende persoonlijkheid, d.w.z. de succesvolle persoon. Hij heeft dit zelf dan ook gedaan door interviews en biografische studies te maken van wat hij noemt "bijzonder geslaagde exemplaren van het type mens".

Door het bestuderen van de optimaal functionerende mens, komt men tot een gans ander concept van het functioneren van de persoonlijkheid, en vooral van de motivaties van dit functioneren. Maslows meest bekende wetenschappelijke bijdrage is trouwens een nieuwe motivatietheorie.

De aandacht van de psycholoog moet niet alleen, en zelfs niet hoofdzakelijk gericht zijn naar het beter doen functioneren van de ziekelijk functionerende mens, maar veeleer naar het optimaler doen functioneren van de reeds "normaal" functionerende mens. Hij beweert dat men trouwens nooit een echt succesvolle therapie zal kunnen ontwikkelen voor de "zieke" mens, als men niet eerst doeltreffende methodes heeft uitgewerkt om de "normale" mens optimaal te laten functioneren, omdat 'de zieke mens genezen' gewoon een stapje verder gaat dan de 'normale' mens optimaal doen functioneren. Maslow bestudeert daarbij niet alleen de optimaal functionerende mens, maar ook de optimaal functionerende groep. Daarvoor gebruikt hij de termen "synergisch" of "eupsychisch" functioneren.


DE OPTIMAAL FUNCTIONERENDE MENS

Bij zijn studie van de optimaal functionerende mens komt hij tot tal van karaktertrekken. Om te beginnen waren deze mensen gelukkig, ook al verkeerden zij in situaties die objectief niet benijdenswaardig schenen te zijn. Ook waren deze mensen bijzonder creatief; deze creativiteit breidde zich echter uit tot gans andere terreinen dan de zuivere "kunsten". Ook was het typisch voor hun vorm van creativiteit dat ze zich zelden of nooit verzetten of in conflict kwamen met de omgeving. Het was dus geen originaliteit in de alternatieve zin, maar een geïntegreerde, op het bestaande voortbouwende creativiteit. Ook viel het hem op dat dergelijke mensen, ondanks hun succes en creativiteit, zelden agressief waren. Ze waren ook bijzonder veelzijdig. Zij waren uiteraard bijzonder ontwikkeld op een of op enkele terreinen, maar daarnaast voelden zij zich zeer goed thuis in totaal verschillende terreinen, en men had de indruk dat, als zij gewild hadden, zij ook op deze andere terreinen bijzonder knap zouden kunnen geweest zijn, en dat eigenlijk alleen een gebrek aan tijd hen er van afhield. Ook viel het op dat dergelijke mensen een groot ontwikkeld gevoel voor humor hadden. Ze waren ook vrij sociaal, doch hun menselijke contacten kenmerkten zich meer door kwaliteit dan door kwantiteit. Ze hadden een goede basisrelatie, en gewoonlijk geen buitenhuwelijkse relaties. Ze waren ook stabieler in hun relaties. Ze hadden een sterk ontwikkelde zin voor zelfkritiek, doch dit ging niet gepaard met een gebrek aan zelfvertrouwen. Ze hadden een zeer sterk geloof in de eigen mogelijkheden, doch dit ging niet gepaard met arrogantie of gebrek aan soepelheid. Ze hadden bewuste en degelijk omschreven ideeën, doch bleken daarnaast merkwaardig soepel te zijn voor suggesties van anderen, die ze echter nooit simplistisch overnamen, maar integreerden in hun eigen ervaringen.

Het viel Maslow op, dat een optimaal functionerende persoonlijkheid vol "paradoxale" kwaliteiten zat, d.w.z. kwaliteiten die men apart wel vaak tegenkomt, maar niet zo vaak in combinatie, omdat ze elkaar, voor de gemiddelde mens althans, schijnen uit te sluiten. Maslow constateerde ook dat men ergens in de persoonlijkheid of in de manier van leven van een dergelijke persoon "muren" ontwaarde, d.w.z. methodes waardoor hij zich afsloot van de omgeving. Dit kan ergens een beperking zijn van menselijke contacten, het niet publiceren of confronteren van de eigen ideeën, vooral niet als ze nogal vooruitstrevend zijn, en het kunnen doen van enkele bewuste keuzes die met andere principes van diezelfde persoonlijkheid in strijd schijnen te zijn. Maslow constateert dat deze elementen bedoeld zijn om grote conflicten met de omgeving te vermijden, en om het eigen, moeizaam bereikte evenwicht-op-hoger-niveau niet te kwetsbaar te maken voor de algemeen verspreidde banaliteit en jaloersheid. We leven per slot van rekening nog in een neurotisch gestructureerde wereld, en het niet-erkennen van deze neurotische trekken is een illusie waar men doorgaans duur voor betaalt.

Men kan zich afvragen welke criteria Maslow stelde om te oordelen of een bepaalde persoonlijkheid al dan niet optimaal functioneerde. Maslow was er zich wel van bewust, dat hij daarvoor vaak intuïtief te werk ging. Doch zijn intuïtie was wel gesteund door de mening van de meesten van zijn tijdgenoten over dergelijke persoonlijkheden.

Achteraf gezien bleek Maslow vooral die persoonlijkheden als optimaal te beschouwen, waarbij het ontwikkelen van bepaalde vermogens of kwaliteiten niet gebeurd is ten koste van andere kwaliteiten. Bv. iemand die een fantastisch origineel schilder is, maar daarnaast pover is in menselijke relaties, aan drank verslaafd, en zijn leven beëindigt met een zelfmoord, kan moeilijk beschouwd worden als een optimaal functionerende persoonlijkheid, hoe groot hij als kunstenaar overigens ook is.

Het was Maslow wel opgevallen dat het ontwikkelen van bepaalde kwaliteiten vele eisen en risico's met zich brengt, die vaak slechter functioneren op andere terreinen voor gevolg kunnen hebben. De gemiddelde "normale" mens zou men dan kunnen beschouwen als iemand die het uitblinken op bepaalde terreinen, dus het sterk ontwikkelen van kwaliteiten achterwege heeft gelaten terwille van die risico's. Eenzijdige genieën zijn mensen die in enkele kwaliteiten doorbreken, doch dit vaak doen ten koste van andere menselijke kwaliteiten, terwijl een optimaal functionerende persoonlijkheid iemand is bij wie het ontwikkelen van kwaliteiten over de gehele lijn succesvol is gebeurd, en niet ten koste van andere aspecten van zichzelf, of ten koste van de omgeving.

Tenslotte wijst Maslow erop dat het optimaal gaan functioneren niet kan bereikt worden door enkele of meerdere van de pas opgesomde kwaliteiten te gaan nabootsen. Men kan alleen optimaal worden door de onderliggende mechanismen steeds beter te gaan beheersen.


DE MENSELIJKE MOTIVATIE

Maslow vond dat hij bij de normale mens, laat staan de optimaal functionerende, zo weinig terugvond van de motivatietheorieën die mensen als Freud gedistilleerd hadden uit hun studie van de pathologisch functionerende mens. Hij ondervond dat seksualiteit een veel mindere, en agressie een praktisch onbestaande rol spelen in het bepalen van het menselijk gedrag, en dat in het algemeen frustraties, zowel vroegkinderlijke als recente, en de pogingen om daarop direct of via overdracht revanche te nemen, eigenlijk zeldzaam zoniet afwezig waren. Maslow bestempelde de Freudiaanse en andere analoge theorieën daarom als ontoereikend, en trouwens als een onvermijdelijke consequentie als men theorieën over de mens gaat baseren op de studie van dieren en pathologische gevallen. Hij ontwikkelde een nieuwe behoeftemotivatietheorie die gekenmerkt is door het volgende:

1. de afwezigheid van agressie en vernielingsdrift als fundamentele behoefte. De theorie dat agressie menselijk is omdat ze bij alle andere diersoorten ook voorkomt houdt volgens Maslow geen steek, omdat de agressie bij de dieren alleen voorkomt buiten de soort, en nooit binnen de soort. Tenslotte is het niet omdat agressie een aangeboren reactiepatroon is, dat zich in bepaalde extreme situaties spontaan uit, dat het ook een aangeboren behoefte zou zijn. Overigens houdt de bewering dat agressie overal voorkomt geen steek, want Maslow is persoonlijk bepaalde stammen gaan bestuderen (Zwartvoetindianen in Canada) waar agressie duidelijk totaal afwezig is. Ook blijkt bij de mens het aanwezig zijn van agressie recht evenredig te zijn met de afwezigheid van affectie tijdens de jeugd, wat voor Maslow trouwens een bewijs is voor zijn motivatietheorie.

2. Maslow stelt dat de motivatie bij de mens hiërarchisch gestructureerd is. Hij slaagt erin de behoeften te rangschikken van zogenaamde lagere tot hogere. Het is zo dat hogere behoeften slechts een rol gaan spelen, in de mate dat lagere behoeften vervuld zijn. De laagste behoeften zijn de zuiver fysiologische behoeften, dan komt de behoefte aan veiligheid, daarboven komen de behoeftes aan waarde in de groep en aan waardering en, nog hoger doch hiërarchisch minder duidelijk gestructureerd, de behoeften aan creativiteit, schoonheid, zelfrealisatie en kennis.

Een psychische stoornis ziet Maslow eerder als een "deficiëntieziekte" zoals bij vitamines: de symptomen zijn eerder een gevolg van het afwezig zijn van iets normaals, dan van het aanwezig zijn van iets abnormaals. Een depressie zou men dus kunnen zien als bv. een deficiëntietoestand waarbij te weinig waardering ervaren wordt.

Bij een goed functionerende persoonlijkheid zijn de basisbehoeften voldoende bevredigd, zodat tot hogere motivatie kan opgeklommen worden.


De behoeftenpiramide bleek bij nader onderzoek niet helemaal correct te zijn. Zo zijn er diverse voorbeelden in de geschiedenis waar hogere behoeften werden ingevuld ondanks de afwezigheid van invulling van lagere behoeften, bvb in de concentratiekampen van WO II.

 

3. Het goed functioneren van een groep. Maslow vroeg zich niet alleen af hoe men als individu goed kon functioneren, maar ook hoe een goed functionerende groep eruit ziet. Hij bestudeerde van nabij enige Amerikaanse bedrijven, waar het management wat hij noemt "euspychisch" was.

Hij constateerde in die bedrijven een merkwaardig paradoxaal samengaan van vrijheid en discipline, ruimte voor eigen initiatief en hoge efficiëntie, voortdurende bewuste verbeteringen van de manier van werken en toch een lage graad van kritiek en vijandigheid, afwezigheid van autoritair optreden bij bestuursleden en de aanwezigheid van een groot gezag bij hen.


EVALUATIE

Naast de opmerking dat Maslow zelf een slecht en weinig gestructureerd schrijver was, zodat zijn ideeën niet steeds klaar genoeg overkomen, vertoont het Maslowiaans denken twee zwakke plekken.

1. Vooreerst is hij naar veler gevoel te lang blijven stilstaan bij de uiterlijke kenmerken van het goed functioneren. Hij heeft er wel een geniale motivatietheorie uit afgeleid, maar hoe men verder van motivatie tot gedrag komt, heeft hij een beetje in het midden gelaten. Zijn beschouwingen gaan meer over de observeerbare kenmerken van het goed functioneren, en veel minder over de essentiële processen ervan.

2. Ten tweede, en dit hangt samen met het vorige, is de humanistische psychologie van Maslow niet gekomen tot het ontwikkelen van therapie- of trainingsmethodes, d.w.z. technieken om mensen te leren beter te functioneren.

Door de onduidelijkheid en de lacunes van het Maslowiaans denken is het mogelijk geworden dat het geniale concept van de humanistische psychologie met de tijd verwaterde tot een vage verzamelnaam van psychologische richtingetjes, die alleen dit met elkaar gemeen hebben dat ze zich afzetten tegen de reuzen uit de wereld van de psychologie, nl. de psychoanalyse en de gedragstherapie. Het is meer een deknaam geworden voor een reeks dubieuze, alternatieve denkschooltjes, dan de echt grandioze, integratieve psychologie van de Derde Weg, waar Maslow van droomde.


DE TOEKOMST VAN DE HUMANISTISCHE PSYCHOLOGIE

1. DOEL

De hoofdopdracht blijft: een integratie maken van de bestaande psychologische scholen, waarbij men er vooral moet toe komen om een denkkader van theorieën te ontwikkelen, dat ook plausibel is op grond van andere wetenschappen, zoals de algemene systeemtheorie en de neuropsychologie. Het hoofdaccent van de psychologische wetenschap moet de vraag blijven hoe een mens optimaal functioneert, en hoe men daartoe kan gebracht worden.


2. MOEILIJKHEDEN

De twee zwaarste remmen die het ontwikkelen van een dergelijke integrerende humanistische psychologie belemmeren zijn:

1. weinig of geen werkers en denkers uit het veld van de psychologie hebben zicht op de talrijke basiswetenschappen, die zouden moeten betrokken worden in een integratieve psychologie. Zoals gezegd is ook onze academische opleiding daar allesbehalve naar georiënteerd.

2. er is ook een psychologische rem op het ontwikkelen van een integratieve psychologie. Immers, iemand die volgens de principes van Maslow te werk gaat, wordt voortdurend geconfronteerd met de vraag of hij zelf wel een optimaal functionerende persoonlijkheid is. De Maslowiaanse psychologie is namelijk allesbehalve vrijblijvend. Wie zich met dergelijke studies en theorieën bezighoudt is erg kwetsbaar: voortdurend moet hij zijn eigen beschermend denkkader doorbreken, en voortdurend riskeert hij de schampere opmerking, of hij zelf dan wel zo optimaal functioneert, dat hij anderen de les gaat spellen op dit punt. Het is namelijk veel veiliger zich bezig te houden met psychotherapeutische technieken voor patiënten, omdat men er zelf duidelijk geen is, of met het aanhangen van de theorieën van allerlei psychologische denkscholen, die men overigens vaak eerder gekozen heeft in functie van zijn eigen karakterstructuur en levensomstandigheden, dan op basis van een doelbewuste verkenning van het totale terrein der menselijke fenomenen.

 

andere elementen:

 

De derde weg

De humanistische therapieën gaan ervan uit dat mensen met problemen niemand vinden die echt wil luisteren. Het is opvallend hoe weinig mensen echt naar de problemen van anderen kunnen luisteren, zonder hem meteen allerhande ‘raad en advies’ te geven.


Humanistische psychologen beklemtonen de subjectieve interpretaties die mensen aan gebeurtenissen geven. Zij gaan ervan uit dat mensen in staat zijn om hun acties bewust te controleren en verantwoordelijkheid te nemen voor hun beslissingen.


De humanistische psychologie wordt ook wel eens de ‘derde weg’ genoemd. Het is in eerste instantie een reactie tegen de twee grote psychologische stromingen die in de Verenigde Staten tot in het begin van de jaren ’60 overheersten, nl. de psychoanalyse en de gedragstherapie. Deze beide stromingen worden aanzien een onvolledig en scheefgetrokken beeld van de mens te geven:

  • Binnen de gedragspsychologie:
    1. Volgen de stelling dat er slechts een gradueel verschil is tussen mens en dier. Resultaten uit de dierpsychologie worden zomaar overgenomen. Dezelfde processen van conditionering en S-R relaties zouden aanwezig zijn. Is niet verantwoord.
    2. Het mensbeeld wordt te mechanistisch beschouwd. De mens is geen machine of een robot vol S-R verbindingen. Dit kan niet aanvaard worden voor een psychologie van de totale mens.
    3. De gedragspsychologie verdedigt de stelling dat het gedrag volledig gedetermineerd is door de omgeving. De mens zou als zodanig geen mogelijkheden hebben om zelf te beslissen.
    4. De gedragspsychologie richt zich enkel op uitwendig observeerbaar gedrag. De mens houdt ook ervaringen in en een subjectief beleven. Een duidelijke verarming van de psychologie.
    5. Wat betreft de methodologie hecht de gedragspsychologie te veel waarde aan onderzoeksinstrumenten en te weinig aan relevante problemen. Trouwens een groot gedeelte van de menselijke ervaringen worden niet in onderzoekingen opgenomen.
  • Ook de psychoanalyse zou ons een negatief mensbeeld geven:
    1. Bij de psychoanalyse is een sterk Darwinistische invloed merkbaar, waardoor het verschil tussen mens en dier geminimaliseerd wordt.
    2. De fundamentele strevingen worden te negatief beschouwd. De krachten uit het Es zijn irrationeel, anti-sociaal, enkel gericht op lustbevrediging.
    3. De psychoanalyse hanteert een conflictmodel. De drie persoonlijkheidsinstanties Es, Ich en Über-ich hebben tegenstrijdige belangen en zijn verwikkeld in een nooit-eindigende strijd. Het beeld dat hier wordt aangeboden is dit van de mens die een fundamenteel conflict ervaart tussen zichzelf en zijn omgeving, en die zich voortdurend moet aanpassen zonder voor zichzelf te kunnen uitkomen.
    4. Vanaf het vijfde levensjaar zou het gedrag volledig gedetermineerd zijn. Biologische impulsen en onbewuste mechanismen bepalen volledig ons gedrag. De mens zou niet in staat zijn een vrije keuze te maken.
    5. Binnen de Freudiaanse theorie richt men zich vooral naar pathologische toestanden. Zo krijgt men geen beeld van de gezonde, normaal functionerende mens.


De kritieken ten aanzien van de psychoanalyse zijn nogal cliché-achtig. Vele humanistische psychologen hebben een psychoanalytische opleiding genoten, zoals bijv. Maslow en Rogers. Ze dragen een grotere waardering voor de psychoanalyse dan op het eerste zicht lijkt. Rogers spreekt voortdurend over communicatie met zichzelf, over het al dan niet openstaan voor de ervaringen die men opdoet. Allemaal verwijzingen naar het aanvaarden van defensie-mechanismen, van onbewuste en verdrongen inhouden. Als Maslow het heeft over de veiligheids-behoeften, over creativiteit, groei en belemmerende factoren komt hij eveneens dicht bij de werking van de defensiemechanismen. Een topervaring kan beschouwd worden als het vrijkomen van psychische energie, die voordien ingeschakeld werd in het onderdrukken van gedeelten uit het Es.


In het algemeen is de humanistische psychologie meer dankbaarheid verschuldigd aan de psychoanalyse dan ze wil toegeven.


De humanistische psychologen pogen op twee manieren aan de door hen geschetste tekortkomingen te voldoen. Enerzijds verdedigen ze een positief beeld van de mens, anderzijds zijn ze voorstander van een verruimde wetenschappelijke aanpak.


Het mensbeeld van de humanistische psychologie

Dit positief mensbeeld benadrukt de volgende aspecten:

  • De eenheid van de persoon: De mens reageert als eenheid en men kan het gedrag niet onderverdelen in vakjes zoals denken, perceptie, motivatie,.. Men kan het gedrag niet onderverdelen in routinematige gebaren en enkelvoudige bewegingen.
  • Autonomie: De mens is geen passieve reactiemachine op bepaalde stimuli. Hij is zelf verantwoordelijk van zijn gedrag, het initiatief komt door hemzelf. Men legt de nadruk op de mens als iemand die voortdurend beslist, die zelf initiatieven neemt, die verantwoordelijkheid draagt, zichzelf bepaalt.
  • De mens heeft eigen doelstellingen en waarden. Hij streeft ernaar deze te bereiken. Een gans andere motivatie dan het ‘zoeken van evenwicht na een spanningstoestand’. De mens streeft niet naar een voortdurende toestand van evenwicht, want als langdurige stimulatie ontbreekt wordt hij depressief. Hij zoekt doelstellingen en waarden en hij tracht deze te verwezenlijken in een optimale spanningstoestand.
  • Uniekheid. De mens is een uniek wezen en er is een essentieel verschil tussen mens en dier. Het is zinloos resultaten van dierenexperimenten over te dragen op de mens. De uniekheid bestaat vooral in de mogelijkheid om met abstracte symbolen te werken, zodat een conceptuele taal ontwikkeld kan worden (we overstijgen het zintuigenniveau) en zo kan de intelligentie zich ontwikkelen. Het verschil tussen mens en dier is dus niet gradueel, er zijn echte kwalitatieve verschillen. Het idee dat er achter zit is ook dat gehelen eigenschappen vertonen die veel meer zijn dat de som der afzonderlijke onderdelen (cfr. Gestaltpsychologie).


De humanistische psychologen beschouwen de mensheid als een unieke soort, die in staat is betekenisvolle keuzen te maken die persoonlijke verantwoordelijkheid impliceert. De mens streeft doelbewust naar waarden, probeert dingen te verwezenlijken, en wil zijn eigen mogelijkheden uitbouwen, zich ontplooien.


Een verruimde wetenschappelijke aanpak

In het algemeen poogt de humanistische psychologie een andere sfeer te creëren wat betreft de wetenschapsbeoefening.


Het doel van de wetenschap is een volledige beschrijving te geven van wat het betekent een levend menselijk wezen te zijn. De bekomen gegevens dienen ter beschikking te worden gesteld van mensen die vragen hebben omtrent zichzelf. Het is niet de bedoeling het gedrag van anderen te voorspellen en te controleren, maar wel mensen te helpen inzicht te verkrijgen in eigen gedrag, zodanig dat ze zichzelf beter kunnen controleren en voorspellen als ze dat willen.


Wetenschap is een subjectief gebeuren en bestaat niet op zichzelf. Ze is een proces dat veranderingen veroorzaakt en zelf aan verandering onderhevig is. Men richt zich op de concrete ervaring van de unieke mens, niet naar gemiddelde of abstracte gedragingen. Methodologie is een middel, geen doel op zich. De humanistisch psychologie brengt heel wat aspecten binnen in het veld van de wetenschapper die voordien weinig aandacht kregen: groei, psychische gezondheid, creativiteit, waardepatronen, …


Hierbij zijn natuurlijk wel een aantal problemen: deze nieuwe begrippen zijn wel rijk aan inhoud maar moeilijk te toetsen. Anderzijds verliezen gemakkelijk toetsbare begrippen (bijv. reactiesnelheid kan gemakkelijk gemeten worden) aan inhoud.


De reactie hierop van de humanistische therapeuten is, dat ze zich vooral bezig houdt met de klinische praktijk waar het ervaren de bovenhand heeft op de theoretische kennis.


Therapeutische veronderstellingen

Humanistische psychologen beklemtonen de subjectieve interpretaties die mensen geven aan gebeurtenissen. Stoornissen zijn het gevolg van een blokkering in de natuurlijke groei, teweeggebracht door een verkeerde perceptie of door gebrek aan contact met de eigen gevoelens. Verschillende therapieën hebben zich ontwikkeld binnen dit perspectief. Ze zijn gebaseerd op de volgende veronderstelling:

  • Een therapie is een ontmoeting tussen gelijken. Geen behandeling van een zieke door een expert. Het doel is het groeiproces weer op gang te krijgen zodat de cliënt opnieuw aansluiting vindt bij zijn echte gevoelens.
  • Cliënten zullen uit zichzelf verbeteren, als ze hiertoe in de therapeutische situatie de kans krijgen.
  • In een goede therapeutische relatie moet de cliënt zich als persoon aanvaard, ondersteund en begrepen voelen, ongeacht hoe problematische en ongewenst zijn gedrag ook is.
  • De cliënt blijft verantwoordelijk voor zijn denken. De therapeut zal het probleem niet oplossen voor de cliënt, hij moet het zelf doen.


3.4.6. Abraham Maslow

Theorie

Consequent met zijn eigen opvattingen over de psychologie als wetenschap, is Maslow de man die de blik van de psychologie 180 graden doen draaien heeft.


Tot in de eerste helft van de 20e eeuw hield de psychologie zich vooral bezig met

  • het bestuderen van de pathologische mens (vooral de psycho-analyse) en
  • het ontwikkelen van theorieën op basis van reductionistische (dieren-)modellen (vooral de gedragstherapie).


Maslow vond dit een zeer spijtige situatie, niet alleen omdat de aldus ontstane theorieën en de erop gebaseerde toepassingen de mens veel onrecht aandoen, omdat ze de normale mens gewoon zien als een niet-pathologische mens, en omdat ze enkel die aspecten bestuderen die men ook in diermodellen kan terugvinden. Ook keurde hij deze denkwijze af omdat de psychologie zichzelf aldus ontbloot van haar wetenschappelijke basis, vermits haar manier van denken niet klopt met de criteria van de plausibiliteit. Maslow wees erop, dat het uitdenken van hypothesen over de mens niet zozeer moest vertrekken vanuit pathologische gevallen, maar juist vanuit een studie van de optimaal functionerende persoonlijkheid, d.w.z. de succesvolle persoon. Hij heeft dit zelf dan ook gedaan door interviews en biografische studies te maken van wat hij noemt "bijzonder geslaagde exemplaren van het type mens".


Door het bestuderen van de optimaal functionerende mens, komt men tot een gans ander concept van het functioneren van de persoonlijkheid, en vooral van de motivaties van dit functioneren. Maslows meest bekende wetenschappelijke bijdrage is trouwens een nieuwe motivatietheorie.


De aandacht van de psycholoog moet niet alleen, en zelfs niet hoofdzakelijk gericht zijn naar het beter doen functioneren van de ziekelijk functionerende mens, maar veeleer naar het optimaler doen functioneren van de reeds "normaal" functionerende mens. Hij beweert dat men trouwens nooit een echt succesvolle therapie zal kunnen ontwikkelen voor de "zieke" mens, als men niet eerst doeltreffende methodes heeft uitgewerkt om de "normale" mens optimaal te laten functioneren, omdat 'de zieke mens genezen' gewoon een stapje verder gaat dan de 'normale' mens optimaal doen functioneren. Maslow bestudeert daarbij niet alleen de optimaal functionerende mens, maar ook de optimaal functionerende groep. Daarvoor gebruikt hij de termen ‘synergisch’ of ‘eupsychische’ functioneren.


De optimaal functionerende mens

Bij zijn studie van de optimaal functionerende mens komt hij tot tal van karaktertrekken. Om te beginnen waren deze mensen gelukkig, ook al verkeerden zij in situaties die objectief niet benijdenswaardig schenen te zijn. Ook waren deze mensen bijzonder creatief; deze creativiteit breidde zich echter uit tot gans andere terreinen dan de zuivere "kunsten". Ook was het typisch voor hun vorm van creativiteit dat ze zich zelden of nooit verzetten of in conflict kwamen met de omgeving. Het was dus geen originaliteit in de alternatieve zin, maar een geïntegreerde, op het bestaande voortbouwende creativiteit. Ook viel het hem op dat dergelijke mensen, ondanks hun succes en creativiteit, zelden agressief waren. Ze waren ook bijzonder veelzijdig. Zij waren uiteraard bijzonder ontwikkeld op een of op enkele terreinen, maar daarnaast voelden zij zich zeer goed thuis in totaal verschillende terreinen, en men had de indruk dat, als zij gewild hadden, zij ook op deze andere terreinen bijzonder knap zouden kunnen geweest zijn, en dat eigenlijk alleen een gebrek aan tijd hen er van afhield. Ook viel het op dat dergelijke mensen een groot ontwikkeld gevoel voor humor hadden. Ze waren ook vrij sociaal, doch hun menselijke contacten kenmerkten zich meer door kwaliteit dan door kwantiteit. Ze hadden een goede basisrelatie, en gewoonlijk geen buitenhuwelijkse relaties. Ze waren ook stabieler in hun relaties. Ze hadden een sterk ontwikkelde zin voor zelfkritiek, doch dit ging niet gepaard met een gebrek aan zelfvertrouwen. Ze hadden een zeer sterk geloof in de eigen mogelijkheden, doch dit ging niet gepaard met arrogantie of gebrek aan soepelheid. Ze hadden bewuste en degelijk omschreven ideeën, doch bleken daarnaast merkwaardig soepel te zijn voor suggesties van anderen, die ze echter nooit simplistisch overnamen, maar integreerden in hun eigen ervaringen.


Het viel Maslow op, dat een optimaal functionerende persoonlijkheid vol "paradoxale" kwaliteiten zat, d.w.z. kwaliteiten die men apart wel vaak tegenkomt, maar niet zo vaak in combinatie, omdat ze elkaar, voor de gemiddelde mens althans, schijnen uit te sluiten. Maslow constateerde ook dat men ergens in de persoonlijkheid of in de manier van leven van een dergelijke persoon "muren" ontwaarde, d.w.z. methodes waardoor hij zich afsloot van de omgeving. Dit kan ergens een beperking zijn van menselijke contacten, het niet publiceren of confronteren van de eigen ideeën, vooral niet als ze nogal vooruitstrevend zijn, en het kunnen doen van enkele bewuste keuzes die met andere principes van diezelfde persoonlijkheid in strijd schijnen te zijn. Maslow constateert dat deze elementen bedoeld zijn om grote conflicten met de omgeving te vermijden, en om het eigen, moeizaam bereikte evenwicht-op-hoger-niveau niet te kwetsbaar te maken voor de algemeen verspreidde banaliteit en jaloersheid. We leven per slot van rekening nog in een neurotisch gestructureerde wereld, en het niet-erkennen van deze neurotische trekken is een illusie waar men doorgaans duur voor betaalt.


Men kan zich afvragen welke criteria Maslow stelde om te oordelen of een bepaalde persoonlijkheid al dan niet optimaal functioneerde. Maslow was er zich wel van bewust, dat hij daarvoor vaak intuïtief te werk ging. Doch zijn intuïtie was wel gesteund door de mening van de meesten van zijn tijdgenoten over dergelijke persoonlijkheden.


Achteraf gezien bleek Maslow vooral die persoonlijkheden als optimaal te beschouwen, waarbij het ontwikkelen van bepaalde vermogens of kwaliteiten niet gebeurd is ten koste van andere kwaliteiten. Bv. iemand die een fantastisch origineel schilder is, maar daarnaast pover is in menselijke relaties, aan drank verslaafd, en zijn leven beëindigt met een zelfmoord, kan moeilijk beschouwd worden als een optimaal functionerende persoonlijkheid, hoe groot hij als kunstenaar overigens ook is.


Het was Maslow wel opgevallen dat het ontwikkelen van bepaalde kwaliteiten vele eisen en risico's met zich brengt, die vaak slechter functioneren op andere terreinen voor gevolg kunnen hebben. De gemiddelde "normale" mens zou men dan kunnen beschouwen als iemand die het uitblinken op bepaalde terreinen, dus het sterk ontwikkelen van kwaliteiten achterwege heeft gelaten terwille van die risico's. Eenzijdige genieën zijn mensen die in enkele kwaliteiten doorbreken, doch dit vaak doen ten koste van andere menselijke kwaliteiten, terwijl een optimaal functionerende persoonlijkheid iemand is bij wie het ontwikkelen van kwaliteiten over de gehele lijn succesvol is gebeurd, en niet ten koste van andere aspecten van zichzelf, of ten koste van de omgeving.


Tenslotte wijst Maslow erop dat het optimaal gaan functioneren niet kan bereikt worden door enkele of meerdere van de pas opgesomde kwaliteiten te gaan nabootsen. Men kan alleen optimaal worden door de onderliggende mechanismen steeds beter te gaan beheersen.


De menselijke motivatie

Maslow vond dat hij bij de normale mens, laat staan de optimaal functionerende, zo weinig terugvond van de motivatietheorieën die mensen als Freud gedistilleerd hadden uit hun studie van de pathologisch functionerende mens. Hij ondervond dat seksualiteit een veel mindere, en agressie een praktisch onbestaande rol spelen in het bepalen van het menselijk gedrag, en dat in het algemeen frustraties, zowel vroegkinderlijke als recente, en de pogingen om daarop direct of via overdracht revanche te nemen, eigenlijk zeldzaam zoniet afwezig waren. Maslow bestempelde de Freudiaanse en andere analoge theorieën daarom als ontoereikend, en trouwens als een onvermijdelijke consequentie als men theorieën over de mens gaat baseren op de studie van dieren en pathologische gevallen. Hij ontwikkelde een nieuwe behoeftemotivatietheorie die gekenmerkt is door het volgende:

  • De afwezigheid van agressie en vernielingsdrift als fundamentele behoefte. De theorie dat agressie menselijk is omdat ze bij alle andere diersoorten ook voorkomt houdt volgens Maslow geen steek, omdat de agressie bij de dieren alleen voorkomt buiten de soort, en nooit binnen de soort. Tenslotte is het niet omdat agressie een aangeboren reactiepatroon is, dat zich in bepaalde extreme situaties spontaan uit, dat het ook een aangeboren behoefte zou zijn. Overigens houdt de bewering dat agressie overal voorkomt geen steek, want Maslow is persoonlijk bepaalde stammen gaan bestuderen (Zwartvoetindianen in Canada) waar agressie duidelijk totaal afwezig is. Ook blijkt bij de mens het aanwezig zijn van agressie recht evenredig te zijn met de afwezigheid van affectie tijdens de jeugd, wat voor Maslow trouwens een bewijs is voor zijn motivatietheorie.
  • Maslow stelt dat de motivatie bij de mens hiërarchisch gestructureerd is. Hij slaagt erin de behoeften te rangschikken van zogenaamde lagere tot hogere. Het is zo dat hogere behoeften slechts een rol gaan spelen, in de mate dat lagere behoeften vervuld zijn. De laagste behoeften zijn de zuiver fysiologische behoeften, dan komt de behoefte aan veiligheid, daarboven komen de behoeftes aan waarde in de groep en aan waardering en, nog hoger doch hiërarchisch minder duidelijk gestructureerd, de behoeften aan creativiteit, schoonheid, zelfrealisatie en kennis. Een psychische stoornis ziet Maslow eerder als een "deficiëntieziekte" zoals bij vitamines: de symptomen zijn eerder een gevolg van het afwezig zijn van iets normaals, dan van het aanwezig zijn van iets abnormaals. Een depressie zou men dus kunnen zien als bv. een deficiëntietoestand waarbij te weinig waardering ervaren wordt. Bij een goed functionerende persoonlijkheid zijn de basisbehoeften voldoende bevredigd, zodat tot hogere motivatie kan opgeklommen worden.
  • Het goed functioneren van een groep. Maslow vroeg zich niet alleen af hoe men als individu goed kon functioneren, maar ook hoe een goed functionerende groep eruit ziet. Hij bestudeerde van nabij enige Amerikaanse bedrijven, waar het management wat hij noemt "eupsychisch" was. Hij constateerde in die bedrijven een merkwaardig paradoxaal samengaan van vrijheid en discipline, ruimte voor eigen initiatief en hoge efficiëntie, voortdurende bewuste verbeteringen van de manier van werken en toch een lage graad van kritiek en vijandigheid, afwezigheid van autoritair optreden bij bestuursleden en de aanwezigheid van een groot gezag bij hen.


Evaluatie

Naast de opmerking dat Maslow zelf een slecht en weinig gestructureerd schrijver was, zodat zijn ideeën niet steeds klaar genoeg overkomen, vertoont het Maslowiaans denken twee zwakke plekken.

  1. Vooreerst is hij naar veler gevoel te lang blijven stilstaan bij de uiterlijke kenmerken van het goed functioneren. Hij heeft er wel een geniale motivatietheorie uit afgeleid, maar hoe men verder van motivatie tot gedrag komt, heeft hij een beetje in het midden gelaten. Zijn beschouwingen gaan meer over de observeerbare kenmerken van het goed functioneren, en veel minder over de essentiële processen ervan.
  2. Ten tweede, en dit hangt samen met het vorige, is de humanistische psychologie van Maslow niet gekomen tot het ontwikkelen van therapie- of trainingsmethodes, d.w.z. technieken om mensen te leren beter te functioneren.


Door de onduidelijkheid en de lacunes van het Maslowiaans denken is het mogelijk geworden dat het geniale concept van de humanistische psychologie met de tijd verwaterde tot een vage verzamelnaam van psychologische richtingetjes, die alleen dit met elkaar gemeen hebben dat ze zich afzetten tegen de reuzen uit de wereld van de psychologie, nl. de psychoanalyse en de gedragstherapie. Het is meer een deknaam geworden voor een reeks dubieuze, alternatieve denkschooltjes, dan de echt grandioze, integratieve psychologie van de Derde Weg, waar Maslow van droomde.

 

Evolutie

Het is moeilijk de humanistische vorm van therapie in te delen. Ze evolueert enerzijds naar nogal somber gekleurde versies in Europa die teruggrijpen op Ludwig Binswanger. Anderzijds ontstaan in Noord-Amerika onbekommerde optimistische varianten genaamd ‘Human potential movement’.

 

De toekomst van de humanistische psychologie

 

Doel

De hoofdopdracht blijft: een integratie maken van de bestaande psychologische scholen, waarbij men er vooral moet toe komen om een denkkader van theorieën te ontwikkelen, dat ook plausibel is op grond van andere wetenschappen, zoals de algemene systeemtheorie en de neuropsychologie. Het hoofdaccent van de psychologische wetenschap moet de vraag blijven hoe een mens optimaal functioneert, en hoe men daartoe kan gebracht worden.

 

Moeilijkheden

De twee zwaarste remmen die het ontwikkelen van een dergelijke integrerende humanistische psychologie belemmeren zijn:

  1. weinig of geen werkers en denkers uit het veld van de psychologie hebben zicht op de talrijke basiswetenschappen, die zouden moeten betrokken worden in een integratieve psychologie. Zoals gezegd is ook onze academische opleiding daar allesbehalve naar georiënteerd.
  2. er is ook een psychologische rem op het ontwikkelen van een integratieve psychologie. Immers, iemand die volgens de principes van Maslow te werk gaat, wordt voortdurend geconfronteerd met de vraag of hij zelf wel een optimaal functionerende persoonlijkheid is. De Maslowiaanse psychologie is namelijk allesbehalve vrijblijvend. Wie zich met dergelijke studies en theorieën bezighoudt is erg kwetsbaar: voortdurend moet hij zijn eigen beschermend denkkader doorbreken, en voortdurend riskeert hij de schampere opmerking, of hij zelf dan wel zo optimaal functioneert, dat hij anderen de les gaat spellen op dit punt. Het is namelijk veel veiliger zich bezig te houden met psychotherapeutische technieken voor patiënten, omdat men er zelf duidelijk geen is, of met het aanhangen van de theorieën van allerlei psychologische denkscholen, die men overigens vaak eerder gekozen heeft in functie van zijn eigen karakterstructuur en levensomstandigheden, dan op basis van een doelbewuste verkenning van het totale terrein der menselijke fenomenen.