6000-6999
Sites per thema:
psy0 algemeen
psy1 systemen
psy2 denken
psy3 brein
psy4 individu
psy50 diagnostiek
psy54 behandeling
psy6 optimaal
psy7 groepen
psy8 suboptimaal
psy9 optimaal

6240 Constructief denken

Constructief Denken




Situering

De basis van het optimaal functioneren en van de groeiprocessen is het fundamenteel zelfvertrouwen, d.w.z. een beeld van zichzelf en van de omgeving waarbij men de nog niet gerealiseerde, sluimerende mogelijkheden ook tot de realiteit, dus tot het haalbare rekent. Fundamenteel zelfvertrouwen is een vorm van constructief denken, dat wil zeggen: een manier van denken die uiteindelijk leidt tot het realiseren van de sluimerende mogelijkheden in onszelf en in de realiteit rondom ons. Het is ook een vorm van rationeel denken, omdat de eventuele onnauwkeurigheden die in dat denken zitten op termijn een voordeel betekenen ten opzichte van “logische” gedachten, die er eerder toe neigen ons te houden op de plaats waar we al zitten.Constructief denken verschilt van logisch denken dat eerder deductief is: wiskundig, bewijsmatig.


Constructief denken is een vorm van rationeel denken, waar we later op terugkomen.

 

In de eerste jaren van deze cursus werd de term positief denken gebruikt, maar deze formulering drukt niet voldoende uit wat we eigenlijk willen zeggen.  Positief denken heeft eerder een statische connotatie, en doet mij in eerste instantie denken aan de realiteit vanuit een positieve invalshoek bekijken. Deze formulering kan trouwens smalend gebruikt worden (cfr. het liedjeAlways look on the bright side of life van Monty Python, of Zeg maar ja tegen het leven van Wim Sonneveld). Terwijl constructief denken dynamischer klinkt, namelijk: denken in functie van het realiseren van het geluk (voor jezelf en de anderen). Zo kan het bv. ook constructief zijn om eens hard te reageren.


Andere mogelijke formuleringen zijn: offensief denken en optimaal denken. Offensief denken heeft in onze taal dan weer eerder een agressieve connotatie, maar bv. niet in het Duits.

 

We gaan nu verder in op dat constructieve denken. Waaruit bestaat het precies, wat zijn de algemene regels en wat zijn concrete toepassingsmogelijkheden, hoe leren we het toepassen, wat zijn de eventuele risico’s en hoe kunnen we die vermijden?

Inleiding

Denken is de verzamelnaam van onze bewuste psychische activiteiten. Het is dat deel van onze geest waar ons bewuste en onze vrije wil de meest directe toegang heeft. Vanuit dat bewuste denken kunnen we, als we enkele voorwaarden respecteren, de diepere lagen van onze geest, dus ook ons handelen en ons voelen beïnvloeden. Willen we dit denken proberen te beïnvloeden, dan is het nuttig eerst het mechanisme ervan te leren kennen. Laten we eerst enkele populaire misvattingen over dat denken uit de wereld helpen.

Populaire mythes over het denken

1. Wij bepalen zelf wat wij denken


Dit is de meest populaire misvatting: we zouden min of meer zelf bepalen waaraan we denken en wat we daarover denken. Dit is echter niet zo. Elke idee roept honderden, misschien wel duizenden associaties op. Daartussen worden voortdurend keuzes gemaakt: we denken slechts telkenmale met slechts één associatie verder, die zelf weer opnieuw talloze associaties oproept. Deze keuzes gebeuren niet door het bewuste, maar door het onbewuste. En vermits ons “ik”-gevoel in ons bewuste zit, kunnen we eigenlijk even goed zeggen dat wij niet in staat zijn om “zelf” te bepalen waaraan wij zullen denken: het onbewuste doet dat voor ons. Zelfs in overtuiging gemaakte voornemens om aan iets niet of juist wel te denken lukken slechts als ook het onbewuste erachter staat. Als u bijvoorbeeld gevraagd wordt om niet aan een roze olifant te denken, ga je er juist wel aan denken.


De keuze tussen de duizenden associaties (opgeroepen door een idee) gebeurt door het onbewuste. We weten dat het onbewuste te beïnvloeden is door middel van autosuggestie, mits het respecteren van de grondvoorwaarden HeViBaOn. Door onze gedachtengang te heropvoeden kunnen we dus wel bepalen wat we denken.


Joris had veel liefdesverdriet. Zijn vriendin had hem laten vallen voor een ander, hoewel hij zelf overtuigd was dat hun langdurige relatie mooi geweest was en nog vele groeikansen inhield. Hoe vaker hij aan die mooie tijd terug dacht, hoe meer pijn en droefheid hij voelde. Talloze malen zwoer hij om zichzelf minder te kwellen, en te proberen niet meer aan die mooie herinneringen terug te denken. Maar het lukte hem nooit. Tot hij plots, terwijl hij weer eens aan het huilen was, een vroegere partner ontmoette op wie hij zeer boos was. Hoewel zij hem niet zag en hij er niet tegen haar sprak, besefte hij op een aangrijpende emotionele manier hoe belachelijk zij hem zou vinden mocht ze er achter komen hoe bedroefd hij was. Deze aangrijpende ervaring deed hem onmiddellijk, en voor lange tijd stoppen met aan zijn verloren geluk te denken en zo zichzelf nodeloos te pijnigen.

 

2. Onze gedachtegang is logisch


Dit is de meeste schadelijke mythe: dat onze gedachtegang bepaald zou worden door onze logische argumenten. De associatieselectie die op elke gedachte volgt wordt volledig bepaald door onze fantasmen: die ideeën die wij om de een of andere, vaak niet gemakkelijk te begrijpen manier de “aangenaamste” vinden, krijgen voorrang op andere, vaak meer “logische” en “nuttiger” ideeën!


Voor de hersenen is denken niet meer dan een vorm van gedrag! Het denkgedrag beantwoordt dus aan alle wetmatigheden die het gedrag in het algemeen besturen, o.a. aan de regel dat het subjectief aangenaamste voorrang krijgt op al het andere. Zo ook bij het denkgedrag: de geassocieerde gedachten die, door het oproepen van bepaalde fantasmen, een bepaald subjectief prettig gevoel kunnen opwekken, krijgen voorrang op associaties die dat niet of minder doen.


Onze biologische hersenen houden meer rekening met de gevolgen op korte termijn, waarbij de ervaring van leuk of niet-leuk de belangrijkste is, en waarbij onze beleving van de werkelijkheid (fantasmen) belangrijker is dan de objectieve waarde ervan. Nuttig, effectevaluerend denken en denken op langere termijn druisen dus in tegen onze spontane denkstijl.


3. Denken is vooral nuttig om problemen op te lossen


Ook dit is een taaie misvatting. Volgens deze mythe dient het denkvermogen, als een soort biologische computer, in de eerste plaats om problemen op te lossen. Hoe langer je dus nadenkt, hoe groter de kans dat een probleem opgelost wordt, en zolang het nog bestaat moet je verder nadenken.


Politici, verkopers en reclamelui hebben al eeuwen ingezien dat je mensen niet zozeer moet overtuigen met logische argumenten, maar met emotionele, motivationele. Wil je een nieuw soort auto aanprijzen, dan doet een schaars geklede dame erop meer voor je verkoopcijfers dan enkele tabellen met betere rijprestaties.


Het is inderdaad zo dat het denkvermogen soms problemen kan oplossen, door zijn mogelijkheid om ideeën te combineren, zijn creativiteit en zijn vermogen zich zaken voor te selllen die nog niet waargenomen heeft, bv. omdat die nog niet bestaan. Maar vaak is denken improductief, en komt men soms zelfs tot piekeren. In sommige gevallen is denken er de oorzaak van dat men tijd, moeite en vooral energie verliest. Dit komt omdat denken nadelen heeft:

  1. Het verhindert soms dat we de stap zetten naar de praktische ervaring, waardoor het inzicht in het probleem en zijn mogelijke oplossing(en) veel sneller zou kunnen bereikt worden.
  2. De mythe dat we een probleem kunnen oplossen door er hard over na te denken, verhindert ons om te gaan kijken bij anderen die het probleem wel al hebben opgelost. Doch de idee dat anderen iets weten dat wij nog niet gevonden hebben is vaak bedreigend, zodat we het emotioneel en fantasmatisch moeilijk hebben om de stap naar de anderen te zetten om raad te vragen.
  3. Improductief blijven denken over iets, kan vaak verkeerdelijk de indruk geven dat het doel moeilijk, ja zelfs onbereikbaar is. Op die manier worden we gedemotiveerd, ontmoedigd, en soms zelfs depressief (sterk verlies van fundamenteel zelfvertrouwen).

 

Enkel nadenken over een probleem is dus niet voldoende om tot een oplossing te komen, integendeel het kan zelfs verlammend werken zoals hierboven vermeld. De vraag die dient gesteld te worden: Bereiken we ons doel?

Problemen oplossen doen we het best door:

  • na te denken over mogelijke oplossingen
  • te kijken hoe anderen het doen
  • pogingen te doen om het probleem op te lossen, dingen te proberen
  • lessen te trekken uit het (eventueel) mislukken van die pogingen
  • opnieuw pogingen te doen om het probleem op te lossen (rekening houdend met de getrokken lessen uit de mislukte pogingen)
  • vorige punten vol te houden totdat we tot een oplossing komen

 

De spiraalvormende ervaringscyclus is die manier van denken waarbij we geloven dat we alles wat belangrijk is aankunnen door voldoende lang vol te houden en lessen te trekken uit onvermijdelijke mislukkingen. NASA slaagde erin om een raket op de maan te doen landen. Dit lukte niet door er enkel over na te denken, maar door jarenlang onderzoek en testen. Uit elke stap van dit lange proces heeft men dingen geleerd en toegepast bij de volgende stap, tot het uiteindelijk gelukt is.


Besluit: Eén ding is zeker: het spontane denken, zoals wij dat meestal sinds onze prilste jeugd beoefenen, is wellicht de minst efficiënte, meest onvruchtbare manier van denken. Het volstaat weliswaar voor de dagelijkse behoeften van een zoogdier, maar maakt veel te weinig gebruik van tal van ander mogelijkheden, die sommige mensen blijkbaar ontwikkeld hebben. Willen we meer profijt halen uit die bijna grenzeloos krachtige biologische computer die elk van ons onder zijn schedeldak meedraagt, dan moeten we zijn bestaande maar vaak onderontwikkelde mogelijkheden cultiveren. We hebben in deze cursus de term constructief ingevoerd om die manier van functioneren aan te geven die tot het grootst mogelijke gebruik en ontwikkelen der bestaande mogelijkheden leidt, zo wel in als rondom jezelf.

Kenmerken

Constructief denken is die manier van denken waarbij op het geschikte ogenblik de geschikte vragen worden gesteld en zo snel en volledig mogelijk worden beantwoord. Wat is echter geschikt? Hierbij hangt alles af van het doel dat men op dat ogenblik wil bereiken. Hier volgt een reeks kenmerken van het constructief denken: effect-evaluerend, rationeel, proactief, reflecterend, empathisch.

1. Effect-evaluerend denken

De drie meest gebruikte criteria hierbij zijn: fantasmatisch, principieel of effectevaluerend.


Bij effectevaluerend deneken gebruikt men als beoordelinggscriterium het werkelijke resultaat, en niet de principes waarop een beslissing zou kunnen berusten. Bij deze resiultaatsbeoordeling kijkt men naar twee dingen:

  1. het reële effect op de buitenwereld op korte en op lange termijn
  2. het evalueren van de vraag hoe men het snelst inzicht kan bereiken, en of men de ervaring niet te lang uitstelt
  3. maar ook het effect op de eigen stemming, geestdrift en motivatie

Bij de fantasmatische evaluatie beoordeelt men het resultaat naar het subjectief, emotioneel genoegen dat een handeling en/of haar resultaat opleveren. Hierbij kan men zelfs dom blind zijn voor het reële resultaat, en baseert men zich volledig op de eigen interpretaties en symbolische waarde. Deze kunnen soms sterk verschillen van het reële, objectieve gevolg.


Dries was niet van plan zich “voor de gek te laten houden” door zijn huisbazin. Na de dood van haar man stelde zij het herenhuis dat Dries van haar huurde te koop, ondermeer omdat Dries als huurder bijzonder lastig was. Toen hij vernam dat het huis dat hij bewoonde te koop stond, wou hij dit wel kopen, maar voor een veel lagere prijs dan er gevraagd werd. Hij startte daarom een procedure om het herenhuis tot krot te laten verklaren en verwees hierbij naar de toestand van de elektrische leidingen en enkele andere bij het haar getrokken mankementen. Hij wou de eigenares eens verlossen van haar illusie dat haar huis iets waard was, en haar, zoals hij het formuleerde, “eens een toontje lager laten zingen”. De eigenares ontstak in woede, en besliste het huis aan gelijk wie te verkopen, maar zeker niet aan de huidige bewoner, die haar nu al genoeg getergd had. Een andere koper daagde op, betaalde minder dan de vraagprijs, en Dries mocht vertrekken met zijn gezin. Het huis dat hij nu huurt voor een veel hogere prijs is beduidend minder stijlvol of comfortabel. Maar hij troost zich met het idee dat hij zich ”zich bij de neus heeft laten nemen” en “ zijn goede geld niet gegeven had aan iemand die het niet verdiende”. Dat hij nu meer betaalt is voor hem een bijkomend bewijs voor het onrecht in deze wereld en de dictatuur der rijken.

Dit geval illustreert hoe men, alleen ter wille van de eigen fantasmen, vaak zelfs bereid is om zichzelf uiteindelijk te benadelen. Een ander voorbeeld is iemand die voor de “kick” supersnel met zijn motor rijdt, slipt, en de rest van zijn leven in een rolstoel mag doorbrengen.

Bij het principiële evalueren kijkt men al evenmin naar de gevolgen als bij de fantasmatische. Men beoordeelt het denkgedrag naar de principes die in dit geval van toepassing schijnen te zijn. Dat deze principes in vele gevallen leiden tot het tegendeel van het beoogde resultaat, daar staat men niet bij stil.


Omdat hij niet wou luisteren naar het gezag van Rome, en om zijn onderdanen te behoeden voor een valse leer werd in 1054 de patriarch van Constantinopel geëxcommuniceerd. Daardoor scheurde de christelijke Kerk in twee helften: de orthodoxen en de katholieken. Omdat Luther ongehoorzaam was aan het kerkelijk gezag en om de gelovigen te behoeden voor zijn valse leer werd hij in 1520 geëxcommuniceerd. Daardoor scheurde het Germaanse Europa (met later Amerika en Australië in zijn kielzog) zich af van het Latijnse katholicisme, dat weer eens de helft van zijn resterende gelovigen verloor.

Een systeem ontwikkelen om brieven te klasseren is efficiënter dan ze gewoon op elkaar te leggen. We zullen een brief namelijk sneller terugvinden in het klassement. Deze logische redenering lijkt juist, maar houdt er geen rekening mee dat een brief zoeken maar zelden gebeurt. De brieven gewoon op elkaar leggen zal uiteindelijk minder tijdsopslorpend zijn.

Soms leidt het principiële denken tot werkelijk tegenstrijdige conclusies, zoals een land de oorlog verklaren om de vrede te handhaven (si vis pacem, para bellum / als gij vrede wilt, maak dan de oorlog klaar). Vandaar de beroemde hippie-leuze: There is no way to peace. Peace is the way.


Het principiële denken is gevaarlijk omdat het veel te vaak blind is voor de reële gevolgen. Niet omdat de principes verkeerd zijn, integendeel, deze zijn vaak de uiting van mooie idealen en wijze observaties. Het probleem is echter dat men bij het principiële denken nooit zeker is of men wel aan alle principes heeft gedacht die in dat geval van kracht zijn. Een mens denkt binnen de referentiekaders die hij kent, en deze zijn per definitie steeds een reductie van de werkelijkheid. Dit betekent dat we, ondanks de juistheid van de principes, voortdurend andere juiste principes over het hoofd kunnen zien. Bij principieel denken vernauwen we het toepassingsveld, terwijl we het met rationeel denken breder maken.


Principieel denken kan vaak een storende factor zijn in het bereiken van ons doel. Bij principieel denken verdedigt men namelijk de eigen standpunten. Het probleem hierbij is dat de logische gedachtengang juist is, en het tegendeel moeilijk of niet te bewijzen is. Het doel is echter een gewenst effect te bekomen en niet het eigen gelijk te halen door dit met principiële gedachten aan te tonen. Men dient zichzelf dus enkele vragen te stellen: Zijn alle principes die we gebruiken juist? Hebben we aan alle principes gedacht? Bereiken met dit principieel denken ons doel?


Zo is bijvoorbeeld een kind straffen omdat het iets verkeerd gedaan heeft principieel juist, maar is er ook effect?


Als men in de geneeskunde elk contact met besmettelijke microben wil vermijden om zware infecties te voorkomen, krijgt de bevolking soms te weinig kans om immuun te worden tegen bepaalde infecties, waardoor haar kwetsbaarheid voor micorobeninfecties eigenlijk toeneemt.

 

Bij het effect-evaluerend denken tracht men rekening te houden met de reële gevolgen, niet alleen deze op korte, maar ook op lange termijn. Uiteraard is het de allereerste keer dat men iets doet niet steeds mogelijk om alle reële gevolgen te voorzien, hoewel geen enkele activiteit 100% nieuw is.


Hoewel het niet verboden is om een vrachtwagen op de autoweg op het tweede baanvak in te halen, zullen goede chauffeurs zo mogelijk naar het derde baanvak uitwijken, omdat een plots uitwijkende vrachtwagen rampzalige gevolgen oplevert voor een kleine personenwagen aan de verkeerde kant naast hem. Hoewel men in de stad 50 mag rijden, is het beter te vertragen als men kinderen of jonge fietsers passeert, want tegen een wagen komen die 50 rijdt heeft meestal een fatale afloop.

2. Rationeel denken

Zoals we reeds eerder vermeldden lost denken niet alleen problemen op. Het kan ook een vorm van tijdverlies zijn, als men intussen door ervaring of door raad aan anderen te vragen veel sneller tot inzicht en probleemoplossing zou gekomen zijn.


In het algemeen is het zo, dat men niet straffeloos aan zomaar iets denkt. Inderdaad, als men aan een negatieve realiteit denkt, zonder deze eigelijk te kunnen oplossen, riskeert men dat men depressief wordt. Als men aan de positieve kanten en mogelijkheden denkt wordt men integendeel geestdriftiger en moediger. Dit betekent niet dat men de realiteit van de negatieve kanten en risico’s verwaarloost. Het betekent alleen dat men, na er voldoende rekening mee gehouden te hebben, ze voorlopig verdringt omdat eraan denken geen zin meer heeft, integendeel, zelfs de kans op mislukking vergroot. Een trauma verdringen is enkel nadelig als het de groei blokkeert.


Bijvoorbeeld een man die na een pijnlijke echtscheiding zegt nooit meer een vrouw te moeten hebben.  


Als men mensen, die op onwaarschijnlijke wijze gered zijn uit rampen, interviewt, dan blijkt vaak dat zij tot op het laatste ogenblik de irrealistische hoop koesterden dat zij eruit zouden geraken, en vanuit die hoop dan bv. klopsignalen gaven. Deze constructieve instelling biedt uiteraard geen garantie op redding, maar verhoogt wel sterk de kansen.


Om dezelfde reden is het psychologische proces van de verdringing van onoplosbare problemen (en redenen tot droefheid) een door de natuur voorziene vorm van constructief denken, waarbij men beschermd wordt van de nadelen van inconstructief nadenken over onherstelbare of onoplosbare realiteiten. De juistheid van een gedachte is dus nog geen geldige reden om lang bij die gedachte stil te staan. Ook een rouwproces is enkel nuttig als het opgelopen trauma de groei blokkeert. Rouwprocessen verlopen meestal niet volledig tot in de laatste fase, omdat het op een gegeven moment door allerlei weerstanden te veel moeite kost.


Iemand die zich defensief gedraagt kan bij het sterven van zijn hond zichzelf een lang rouwproces gunnen omdat hij dan aandacht krijgt en een uitvlucht heeft om niet te moeten groeien (omdat hij zich verzet tegen verandering). Een lang rouwproces lijkt logisch maar is irrationeel. Bij rationeel denken kijkt men naar het nut en het effect. Zo kan de dag na het sterven van je hond een nieuwe kopen veel bevorderlijker zijn voor het rouwproces, omdat de ziel van de vorige hond als het ware gereïncarneerd is iin de volgende.


Het opbouwen en onderhouden van een fundamenteel zelfvertrouwen kan eveneens beschouwd worden als een toepassing van deze regel. Men hanteert bij voorkeur een meer optimistische hypothese (“ik kan alles aan, op voorwaarde dat...”) dan een meer pessimistische die meer waarschijnlijk lijkt, omdat het zijdelings effect van de gehanteerde hypothese de realisatie ervan bevordert. Men noemt dit fenomeen: zelfbevestigende voorspellingen (self-fulfilling prophecies). Inderdaad, wie denkt dat hij het wel zal kunnen, wordt hierin bevestigd; wie integendeel vreest dat hij het wel minder goed zal doen dan de anderen, wordt hier ook in bevestigd.


De manier van denken, waarbij men niet enkel rekening houdt met het inhoudelijk resultaat van het denken, maar ook met de psychologische neveneffecten ervan, noemt men rationeel denken. Dit wil niet zeggen dat men rationalistisch denkt, maar dat men zich afvraagt hoe rationeel, d.w.z. hoe efficiënt het denken in dit geval wel is. Het is een manier van denken waarbij de kansen worden verhoogd om dichter bij uw doel te komen. Niet zelden zijn rationele gedachten minder logisch, en omgekeerd.


Toepassing: Rationeel-Emotieve Therapie (R.E.T.)


Deze methode, bedacht door Ellis en uitgewerkt door René Diekstra gaat ervan uit dat niet het feit of het vooruitzuicht, maar onze associaties daarrond onze emotionele reacties (angst, fobie) bepalen:


A (situatie) -> B (interpretaties) -> C (emotionele reactie).


Hoewel wij meestal de reële situaties (A) niet kunnen wijzigen, zijn we daarentegen zeer goed in staat onze interpretaties (B' ipv B) te veranderen, waardoor de symptomen (C' ipv C) verdwijnen. Dus we moeten


overgaan van A>B>C naar A>B'>C'


B' bestaat dus uit een rationele aanpassing van B, zodat de symptomen C minder emotief worden (C').

3. Pro-actief denken

Pro-actief is een afgrijselijk neologisme dat zelfs nog niet in het recente groene boekje staat. Het betekent vooruitgaand, vooruitlopend. Er wordt mee bedoeld dat men in zijn denken meer vooruitgaat dan de gemiddelde modale mens doet. Men zet de volgende stap in zijn denkproces, niet omdat men moet, maar omdat de mogelijkheid bestaat. Het is constructief zijn in de diepe betekenis van het woord.


Voor de meeste mensen is een gericht denkproces iets dat spontaan optreedt zolang daar emotionele redenen toe zijn, of zolang er associaties optreden die verder nadenken noodzakelijk maken. Zodra het probleem opgelost schijnt of verdrongen, valt het denken stil.


Nu blijkt echter dat deze spontaan aangevoelde nood tot denken niet volledig overeenstemt met de reële noodzakelijkheid, wenselijkheid of nuttigheid van het denkproces. Zoals er momenten zijn waarop we beter zouden stoppen met denken over iets, zo blijkt anderzijds dat op momenten dat we spontaan geneigd zouden zijn ons denkproces stil te laten vallen, wij beter verder zouden denken over bepaalde vraagstellingen en aspecten van wat ons bezighoudt. Deze vragen, die helemaal niet spontaan in ons opkomen, maar rationeel wel nuttig zijn, houden verband met de fase van het denkproces. Dit heeft voor gevolg dat personen die optimaal functioneren zich op bepaalde ogenblikken vragen stellen, waar mensen die enkel modaal functioneren geen gericht denkproces vertonen.


Minstens drie situaties zijn er waar personen die optimaal (willen) functioneren en constructief denken zich proactief bepaalde vragen stellen:


1) Hoe kan het beter?


Deze vraag wordt doorgaans enkel gesteld als er klachten of problemen zijn. Zolang alle betrokkenen zich tevreden voelen met de huidige situatie lijkt de vraag, hoe bepaalde aspecten desondanks beter zouden kunnen verlopen, niet veel zin hebben. Niettemin is het nuttig zich deze vraag geregeld te stellen, om verschillende redenen.


Vooreerst zijn de meeste situaties veel gemakkelijker te optimaliseren wanneer zij zich in een spanningsloze toestand bevinden, dan wanneer er allerlei complicaties en conflicten opgetreden zijn. Dit geldt zowel voor onze eigen persoonlijkheid, alsook onze relatie, onze werksituatie, enz... Zoals al is uitgelegd in de grafiek van de groei, kan men bij zo’n aanpak vaak mogelijkheden ontdekken die men anders zeker mist en is het geheel van de ontwikkeling van de persoonlijkheid, relatie, werksituatie veel prettiger en autonomer.


Ten tweede is het gevoel dat je iets moois nog mooier maakt veel prettiger dan het besef dat je een in de modder vastgeraakte auto moet losduwen. Er is dan ook geen tijds- en complicatiedruk.


Ten derde is de observerende blik veel scherper als men op zoek is hoe de zaken beter zouden kunnen dan bij minimale probleemoplossing. Het feit dat anderen iets beter doen werkt ook minder frustrerend, omdat men weet dat men hun geweldige kunnen snel zal kunnen overnemen, en liefst integreren in de eigen denk- en werkwijzen.


Tenslotte zal men met goed functionerende zaken meer bewondering oogsten dan met gewone zaken, zodat men hieruit ook psychische energie kan putten.


Toepassingen. Mensen die deze denkstijl hanteren zullen van tijd tot tijd stilstaan bij de vraag hoe bepaalde situaties nog beter kunnen gemaakt worden: in hun relatie (bv. met een communicatieschrift waarin ze aan elkaar elkaars dromen vertellen), hun werksituatie (met eventueel brainstormingsweekends en inspirerende studiereizen), enz...


2) Hoe maak ik het beter?


De bewustwording dat er ergens iets beter zou kunnen, verloopt typisch en in een reeks stadia of bewustzijnsniveaus, die beginnen met een vraag aanvoelen en uitmonden in de beslissing om er zelf iets aan te doen:


Fasen van proactieve gedachtegang / van de kritische bewustwording (alleen als alle fasen doorlopen zijn is de gedachtegang voltooid):


  1. er klopt hier iets niet, ik voel mij ergens niet lekker bij, er steekt mij iets (vaag probleem-aanvoelen)
  2. dát fenomeen zit fout (precies probleem-aanvoelen)
  3. dát is de oorzaak of zijn de bepaalde factoren van dat wat fout zit (probleem-analyse)
  4. zó zou het beter zijn (oplossing-vermoeden)
  5. mocht er iemand dit of dat doen dan zou dat beter zijn (oplosbaarheidsbesef, suggestieniveau)
  6. als ik dát doe (of dát met betrokkene bespreek) is het probleem opgelost (oplossings-besef, verantwoordelijkheidsniveau)
  7. ik doe het hier en nu (oplossing)
  8. waar voorzie ik evaluatiemoment(en)

De meeste mensen komen in hun kritisch bewustwordingsproces niet verder dan stap 1 of 2. In feite gedragen zij zich op dat ogenblik als een niet-constructief denker, tenminste als zij reëel bestaande mogelijkheden tot groei en ontwikkeling verwaarlozen. Zij missen een kans om zelf een aandeel te krijgen in de probleemoplossing en gedragen zich dan als een defensief denker die het risico wil uit de weg gaan.


Het aantal personen dat, bij het aanvoelen van een probleem, een constructief initiatief neemt is zeer beperkt. Net zoals constructief denken op zich al een zeldzaam verschijnsel is. Ongevraagd initiatief nemen is ook inderdaad een delicate zaak, en veel mensen voelen er weerstand tegenover. Niettemin is het één van de meest waardevolle karaktertrekken die een persoonlijkheid kan hebben.


[De Swot-analyse wordt besproken bij Endogene Inspiratie (6230)]

Mythes


Mythes zijn algemeen aanvaarde theorieën, die echter onjuist zijn. Het gezag dat ze schijnen uit te stralen komt door de algemene aanvaarding, de sterke positie van de mensen die ze voorhouden, en hun vaak sofistische formulering (sofistisch = misleidende woordspeling).


In praktijk dienen mythes om neurotisch, d.w.z. sub-optimaal, secundair gedrag te wettigen, en dus om groeiprocessen als overbodig of onmogelijk te bestempelen. Mythes zijn dus een element van de psychische (groei-)weerstand.


Mythes verhullen en ondersteunen meestal de weerstand tegen het nemen van initiatief dat ingaat tegen de heersende gebruiken, dus tegen groeipogingen.


  • De mythe van de beleefdheid
 

Volgens deze mythe breng je de organisator, eigenaar, betrokkene enz. in verlegenheid door ongevraagd tussenbeide te komen in zijn organisatie. Het is daarenboven een vorm van ongewenste bemoeizucht.


Dit is op zichzelf echter niet noodzakelijk. Alles hangt af van welke boodschappen er allemaal worden overgebracht en vooral ook op welke manier. Als naast de impliciete kritiek ook de boodschap overkomt dat men alle overige inspanningen en voorbereidingen apprecieert en bewondert, dan is de “ongevraagde” tussenkomst helemaal geen blijk van minachting of laagdunkende kritische instelling. Het is integendeel een uiting van de vaste wil en spontane medewerking opdat het initiatief of de taakvervulling zou slagen. In delicate gevallen en als daar de gelegenheid toe is kan men uiteraard steeds eerst de vraag stellen of deze spontane inzet gewenst is, of kan er een korte samenwerking ontstaan. Het niet spontaan inspringen omdat men zogezegd niet onbeleefd wil zijn, is in vele gevallen een vorm van passieve agressiviteit, d.w.z. een zeker leedvermaak dat de zaken minder vlot verlopen.


Nelly was op het feestje van een vriendin. Op een bepaald ogenblik merkte zij dat een koppeltje, dat zij eigelijk niet zo goed kende, wat ruzie begon te maken. Heel discreet en “toevalig” mengde zij zich in hun gesprek. Toen ze merkte dat de vrouw op het punt stond om in tranen uit te barsten, troonde zij haar mee naar buiten tot zij wat gekalmeerd was. Tijdens de rest van de avond hield zij hen wat in het oog, maar er kwamen geen verdere complicaties meer.


  • De mythe van de beperkte verantwoordelijkheid
 

Deze wordt doorgaans omschreven als een minimale opsomming van dingen die men moet, en dingen die men niet mag doen. "Slechts doen wat men je opdraagt" of "Horen, zien en zwijgen" Méér doen dan dat wordt in de meeste gevallen beschreven als bemoeizucht of overdreven ijver (in het Frans: excès de zèle). Deze minimale verantwoordelijkheidsomschrijvingis typisch voor het Latijnse denken en voor hiërarchische structuren. Zelfs Pontius Pilatus waste zijn handen al in onschuld: hij had er niets mee te maken en bleef er dan ook buiten, ook al had hij iemands leven kunnen redden. Onze hele administratie loopt echter in het honderd omdat iedereen met oogkleppen slechts zijn stukje wereld ziet, en dus voor niets anders verantwoordelijk is. Niemand is verantwoordelijk voor het slechte functioneren van het geheel.


Nochtans bestaat er ook een maximale verantwoordelijkheid. Hierin wordt verantwoordelijkheid niet omschreven als in een beperkte en beperkende lijst opgaven, maar door als al datgene wat men kan doen. Als je iets opmerkt (zoals beschreven onder kritische bewustwording), dan wordt je eigenlijk een beetje verantwoordelijk voor de oplosing ervan. Inderdaad, eigenlijk is dat ook onvermijdelijk. Want hoe zou iemand verantwoordelijk kunnen zijn voor dingen die hij niet eens opmerkt? Het gevoel van superioriteit dat sommige mensen hebben, als ze rondom zich fouten en beperktheden opmerken en die hen er soms toe brengt om zich van die groep of situatie te distantiëren, is een duidelijke vorm van defensief denken.


Jack was lid van de Rotary. Hij waardeerde de vriendschap die hij van velen kreeg en de boeiende voordrachten en gesprekken die hij hier meemaakte. Maar omdat hij een zwaar beroep had kon hij niet zo vaak aanwezig zijn als hij wel graag wilde. Hij rekende hiervoor op een beetje begrip bij de anderen, hierbij niet merkend dat zij die er altijd waren en organisatorische verantwoordelijkheid droegen voor de club eigenlijk net zo'n druk beroep hadden als hijzelf. Omdat hij er niet altijd was vervreemde hij een beetje van de groep. Daardoor kwam het dat hij bepaalde menselijke spanningen, die onvermijdelijk in elke mensengroep voorkomen, niet voldoende kon relatieveren. Hij voelde zich dan ook steeds minder goed in die groep, en overwoog uiteindelijk om maar af te haken, tot grote ontgoocheling van hen die vaak geprobeerd hadden hem weer in die groep te integreren. Als excuus ontwikkelde hij beschouwingen over de beperktheid van de menselijke natuur en het verschil tussen het gedragsideaal dat de clubleden bewust nastreefden en hun werkelijke houding. Zelfs zijn frequente afwezigheden schreef hij uiteindelijk toe aan de “mentaliteit” die bij de andere clubleden heerste. Hij was echter “op het verkeerde been gezet”, door zijn talrijke afwezigheden en zijn gebrek aan enige verantwoordelijke functie, om iets aan die problemen te doen. Henk, een vriend van hem, voelde soms dezelfde bezwaren en beperkingen. Hij zette zich echter in om studieavonden te organiseren waar men de groepscultuur besprak, en nam uiteindelijk het initiatief om een nieuwe groep op te richten, waar enkele nieuwe bepalingen in het reglement moesten voorkomen dat dergelijke spanningen zich opnieuw voordeden.

Hoe belangrijker samenwerking en teamwork in ons hedendaags bedrijfsleven wordt, zoveel te meer behoefte we hebben aan mensen met een maximaal verantwoordelijkheidsgevoel. Ook worden de samenleving en de administratie zodanig ingewikkeld dat het doel, een vlotte organisatie, eigenlijk al lang een voorbijgeschoten doel is. Daarom gebeurt er soms een tegengestelde beweging, naar een maximale verantwoordelijkheid toe.


In het vooruitstrevend Psychiatrisch Centum Sint-Bartholomeus werd een speciale vorm van “gepersonaliseerde” verpleging ingevoerd. Elke verpleger was voortaan verantwoordelijk voor een handvol “bewoners”. Alle afspraken voor onderzoekingen, therapeutische activiteiten en dergelijke werden zoveel mogelijk tijdens de werkuren van die ene verpleger gelegd. De verpleger ging telkens mee voor alle onderzoekingen, en zorgde dat de wachttijd niet overdreven en de administratie niet onmenselijk of misleidend was. Uiteraard speelde hij hierbij geen bemoederende rol. Aldus kon voor de bewoner de essentie van zijn ziekenhuisverblijf beter gerealiseerd worden: werken aan zichzelf, hierbij het gevoel krijgend dat hij persoonlijk gewaardeerd wordt, en geen nummer is.

Het begrip maximale verantwoordelijkheid wordt al in onze politieke administratie ingevoerd onder de naam responsabilisering. Hierbij is de persoon die een subsidieerbaar beroep verricht, bv. in de (para)medische sector, verantwoordelijk voor de globale financiële aspecten van zijn beroepsvoering. Het volstaat niet meer dat hij zijn prestaties als rechtvaardig beschouwt, hij is tevens op de een of andere manier verantwoordelijk voor de kostprijs ervan, hetzij doordat hem een vast bedrag wordt toegekend dat hij zelf mag verdelen, hetzij volgens zijn inventarisatie van het probleem, hetzij door zijn optreden statistisch te vergelijken met collega’s uit zijn branche. In het onderwijs tracht men iets dergelijk in te voeren, namelijk de eindtermen, waarbij men de school niet langer toelaat zich weg te verstoppen achter het programma dat zij moet geven, maar haar tevens verplicht ervoor te zorgen dat een bepaald percentage der afgestudeerde leerlingen inderdaad een bepaald kennis- en vaardigheidsniveau bereiken.


Beide begrippen zijn een toegepaste vorm van maximale verantwoordelijkheid. De taak wordt niet beperkend beschreven, maar iedereen heeft zowel de vrijheid als de plicht om alles te doen wat binnen het vermogen ligt om het gestelde doel te bereiken.

4. Reflecterend denken

Hiermee wordt bedoeld dat men over iets denkt op de vruchtbaarste momenten daarvoor. Hoewel dergelijke momenten vaak zeer inspirerend zijn staan de meeste mensen hier niet bij stil.


Enkele voorbeelden van dergelijke situaties, waarbij we meestal erg vruchtbaar kunnen reflecteren:

  • tijdens een activiteit. Als we middenin een activiteit zitten beseffen we meestal beter dan ooit wat er allemaal beter zou kunnen, omdat dan onze ervaring zeer realistisch is.
  • tijdens een evaluatie. Hoewel het gebruik om na een belangrijke activiteit een evaluatie te houden langzamerhand veralgemeend aan het worden is, gebeurt die voor sommige toepassingen, zoals het bijeenkomen van vrienden, ervaringen binnen de relatie, persoonlijke initiatieven (zoals reizen en bezoeken) nog veel te weinig. Ook zal men zich bij vele evaluaties helaas beperken tot het toekennen van een cijfer, hoewel het veel nuttiger zou zijn om aan te geven hoe de zwakkere punten beter konden.
  • na het maken van een fout, het beleven van een conflict. Deze momenten, die we ter wille van hun pijnlijke dimensie het liefst snel zouden vergeten, zijn echter zeer goede momenten om iets in te zien over onszelf, en over de situatie(s) waar wij ons bevinden.

Deze en andere methodes om ons te inspireren zullen later uitvoeriger besproken worden bij de inspiratiemethodes.[o.m. bij Afwijkingsanalyse]

5. Opmerking: Empathisch denken

Vermelden we hier kort de techniek van de empathie, die later (7510) besproken wordt in het tweede deel van deze opleiding.

Empathisch kan gedefinieerd worden op verschillende niveaus.

  1. Op het eerste gezicht: de zaken kunnen zien zoals de betrokkene ze ziet. Men tracht de standpunten van de betrokkene te begrijpen, maar zonder ze over te nemen.
  2. Maar in praktijk komt het erop neer dat de luisteraar onderscheid weet te maken tussen de (1) concrete vormen, waaruit iemandsgedrag en de onderliggende gedachten bestaan, en (2) de onderliggende bedoelingen en sluimerende mogelijkheden. Daar waar men soms de concrete vorm (1) afkeurt, omdat die tot moeilijkheden en inefficiëntie leidt, geeft men aan de gesprekspartner het gevoel dat (2) juist is, d.w.z. dat het onderliggend doel zeker waardevol genoeg is om nagestreefd te worden, en dat men daarenboven gelooft in de mogelijkheden van de betrokkene om dit te realiseren. Het constructieve zit dus in het feit dat men achter de afkeurenswaardige concrete vorm gelooft in een waardevolle achtergrond. De persoon wordt dus niet veroordeeld, enkel de toevallige gedragsvorm wordt als verbeterbaar bestempeld.

Toepassing

Hier volgt een reeks irrationele uitspraken, die vaak passen binnen een bepaalde mythe, die ons toelaat de dingen op een defensieve manier (weerstand) te kunnen zien, en er dus niets uit te moeten leren of geen inzichten te moeten trekken die tot groei zouden moeten/kunnen leiden.


Ga na welke mythe ermee samenhangt, en zoek hie de mythe (en zo mogelijk de uitdrukking) door een meer constructieve visie zou kunnen vervangen worden.


Irrationele gedachten


  1. Ik zal pas tot rust komen als mijn werk af is.
  2. Wees eerlijk met jezelf
  3. De appel valt niet ver van de boom
  4. Eens een dief, altijd een dief
  5. We passen helaas niet bij elkaar
  6. Ik kan het gewoon niet
  7. Jij bent niet veel beter
  8. We leven maar één keer
  9. Je mag nooit arrogant zijn
  10. Niets is zo erg als egoïsme
  11. Wees spontaan, anders ben je hypocriet
  12. Als je alles probeert te begrijpen dan leg je je bij alles neer
  13. Hoe kan je het probleem oplossen als je de oorzaak niet kent
  14. Als ik mijn prestaties vergelijk met die van dr. Schweitzer moet ik waarschijnlijk toegeven dat ik niet veel waard ben
  15. Als je je gevoelens onderdrukt krijg je een maagzweer
  16. Wat is ons nu weer overkomen!
  17. Volmaaktheid is niet van deze wereld
  18. Van hard werken ga je niet dood
  19. Wie iemands raad opvolgt is niet echt zichzelf
  20. Wie zich vergist maakt zich belachelijk
  21. Is dit echt nodig? Moet dat?
  22. Alleen in vrijheid kan ik mezelf zijn.


SAMENVATTING

Constructief denken is die manier van denken die de meeste deuren voor ons opent. Het wordt gekenmerkt door een typische inhoud en door een typische vorm.


Naar inhoud bestaat het vooral in het leren benadrukken van die aspecten die ons stimuleren om verder te groeien, en het leren wegduwen van die aspecten die ons afremmen.


Naar vorm is het vooral een manier van denken die plaatsgrijpt op momenten waarbij we veel kunnen inzien, en die door defensieve mensen vaak vermeden worden.