7000-7999
Sites per thema:
psy0 algemeen
psy1 systemen
psy2 denken
psy3 brein
psy4 individu
psy50 diagnostiek
psy54 behandeling
psy6 optimaal
psy7 groepen
psy8 suboptimaal
psy9 optimaal

7300 Communicatievormen



VERBALE EN NONVERBALE INTERACTIE
TAAL - COMMUNICATIE - ACTIEF LUISTEREN


Opmerking

In deze tekst wordt het woordje communicatie zoals zo vaak gebruikt in de betekenis van verbale en nonverbale interactie, dus eigenlijk beïnvloeding, manipulatie, en niet zoals meestal in de integratieve psychologie in de betekenis van (optimale) communicatie, d.w.z. samen bewust streven naar een bewuste integratie van standpunten. Dat mag natuurlijk als men zich maar van deze betekenisbeperking bewust blijft, en beseft dat de echte communicatie hier zelden of nooit aan bod komt.

Onze waarneming

Men kan pas begrijpen hoe het communicatieproces verloopt als we inzicht hebben in het verloop van het waarnemingsproces. Elke afzonderlijke boodschap die we ontvangen wordt gefilterd door ons eigen, unieke waarnemingsscherm. Wanneer men met duizenden mensen naar hetzelfde object kijkt, ziet iedereen eigenlijk iets anders. Ieder mens heeft zijn eigen filter.

De waarnemingsfilter functioneert als een soort geheugenbank, die het totaal van onze ervaringen bevat, onze gevoelens, herinneringen, vooroordelen, angsten, verwachtingen en dergelijke. Elk nieuw gegeven uit de buitenwereld moet door deze filter.

Onze waarnemingsfilter bewerkt een zeer complexe werkelijkheid, die een groot aantal aspecten kent. Wij nemen alleen die facetten van deze werkelijkheid waar die voor ons de meeste betekenis hebben. Dankzij dit waarnemingssysteem kunnen we enige orde scheppen in de gecompliceerde wereld waarin we leven. Onze wereld is zo complex dat we niet alles in een keer in ons kunnen opnemen. Er komen gewoon teveel stimuli op ons af. We maken een selectie uit al deze stimuli en op deze wijze creëren wij onze eigen versie van de werkelijkheid.

Enkele belangrijke factoren die uw waarneming van de werkelijkheid beïnvloeden zijn uw voorgeschiedenis, uw zelfgevoel en uw verwachtingen.

Uw voorgeschiedenis

Iedereen heeft een aantal ervaringen en herinneringen die we in de loop der jaren hebben verzameld, en die we in ons meedragen. Bepaalde herinneringen zijn we wellicht op bewust vlak al lang vergeten, maar ze zijn nog steeds in ons aanwezig. Zij blijven ons beïnvloeden en onze waarneming van de werkelijkheid. Sommige van deze herinneringen hebben te maken met contacten die we met anderen in het verleden hebben gehad. Zo zijn er mensen die zeer veel emotionele bagage met zich meedragen. Deze bagage bestaat uit pijn en verdriet van relaties die zijn misgegaan. Zo bijv. een man die op een gegeven ogenblik van zijn vrouw te horen krijgt dat ze van hem weg wil. Zij heeft hem intussen verlaten, een aantal maanden geleden, en hij heeft van haar niets meer vernomen. Deze man voelt zich uiteraard verward en boos. Sindsdien wantrouwt hij elke vrouw en hij wilt nooit meer een echte relatie aangaan. Het doet namelijk veel te veel pijn als ze zeggen dat het afgelopen is. Hij gaat zich behoeden voor die pijn door alle intieme relaties uit de weg te gaan.

Hij kan inderdaad niet meer gekwetst worden als hij niemand meer in zijn leven toelaat. Maar hij wordt er ook niet beter van. Nabijheid van anderen, hechte relaties hebben namelijk lichamelijke, emotionele en geneeskrachtige uitwerking. De visie die deze man heeft over vrouwen heeft, wezens die je pijn doen en kwetsen, is een gevolg van de contacten die hij in het verleden met vrouwen heeft gehad. Als hij niet voorzichtig is,

zullen al zijn toekomstige contacten met vrouwen door het filter gaan van zijn herinneringen aan zijn mislukte relaties.

De ervaringen die in ons voortleven kunnen zowel positief als negatief zijn. Nieuwe ervaringen kunnen ook door een filter gaan van onze herinneringen aan relaties die goed verliepen en aan gelukkige momenten. Dat maakt dat mensen in minder goede tijden kunnen blijven glimlachen. Ze kunnen over een tijdelijke terugslag heen kijken naar de dingen die nog kunnen komen.

Uw zelfbeeld

Ons zelfbeeld bevat een aantal ideeën en gevoelens over onszelf. Of we ons zelf aardig vinden, of we onszelf de genegenheid van anderen waardig vinden, enz. Het karakter van ons zelfbeeld kleurt onze waarneming van wereld en andere mensen. Bv: iemand die zich niet goed voelt over zichzelf – hij heeft een aantal diepgewortelde twijfels en onzekerheden over de waarde die hij heeft – zal zelfs de meeste onschuldige opmerkingen als een aanval op zijn totale persoon zien. Hij zal steeds reageren met: ‘ Wat bedoelde hij daarmee? ‘

Dit is een zeer zware last. De defensiviteit die daarmee gepaard gaat, slaat al gauw om in agressiviteit en negatief gedrag: de andere moet gepakt worden voordat hij mij kan pakken. De kwaadheid die hij over zichzelf voelt, omdat hij naar zijn eigen idee bepaalde tekortkomingen heeft, ontwikkelt zich weldra tot een diffuus gevoel van kwaadheid op alles en iedereen.

Uw verwachtingen

We nemen naar elke situatie een aantal verwachtingen met ons mee: dit heeft voor gevolg dat onze ervaringen een weerspiegeling zijn van onze verwachtingen.

Hoe men mij ziet zegt eigenlijk meer over hen dan over mij.

De kans is groot dat moeilijkheden die zich in de communicatie voordoen, veroorzaakt worden door het feit dat de betrokkenen een verschillend beeld hebben van een bepaalde gebeurtenis. Onze eigen waarneming is verantwoordelijk voor 90% van onze communicatie-moeilijkheden. We moeten gewoon het feit onderkennen, dat we wel naar dezelfde werkelijkheid kijken, maar verschillende dingen zien. We kunnen alleen effectiever communiceren, als we begrijpen hoe het waarnemingsproces in elkaar zit en dat het onze interacties sterk kan beïnvloeden.

De taal en het wereldbeeld

Als iemand praat, is het evenzeer zaak te letten op wat hij zegt, als op wat hij niet zegt. Wat hij (niet) zegt, wordt voor een deel bepaald door de manier waarop (non-verbaal en paralinguïstisch).

Taal is volgens Grinder en Bandler een reflectie van iemands eigen wereldbeeld. Dat wordt gevormd door verschillende elementen:

1) De individuele verschillen in zintuigcapaciteit. Sommige mensen zien of horen scherper dan anderen. Kleurenblindheid veroorzaakt ongetwijfeld een andere visie op de wereld.

2) Het sociaal systeem waarin iemand verkeert heeft ook invloed op iemands wereldbeeld. Het wereldbeeld van een werkgever ziet er anders uit als het wereldbeeld van een werknemer.

3) Iemands levensgeschiedenis. Wie altijd slachtoffer is geweest, zal de wereld bedreigender ervaren dan iemand wie het altijd voor de wind is gegaan. De een ziet meer spoken op zijn levenspad dan de ander.

Taal verschaft inzicht in de manier, waarop de mens zijn wereldbeeld organiseert.

Wat kan taal allemaal aangeven?

1) De taal geeft een indruk van de interne samenhang van stammen, rassen,

nationaliteiten of groeperingen van mensen. De manier waarop de mens zijn taal hanteert, onthult zijn sociale en persoonlijke referentiekader. Zo weerspiegelt de taal de overtuiging, geloof, samenhorigheid en de beleving van een groep. De reden voor een exclusief taalgebruik kan verschillen. Bijv.: Vanwege een verschillend inzicht in nut verschilt het taalgebruik van de ene groep ten opzichte van dat van de andere zoals de Eskimo’s veel namen voor sneeuw kennen en daarmee veel verschillende soorten sneeuw herkennen. Timmerlieden kennen veel benamingen voor houtsoorten.

Een gevoel van samenhorigheid kan ook door taalgebruik worden in stand gehouden. Kijk maar naar de verschillende jongerengroeperingen. Het zelfbewustzijns-gevoel kan op peil gehouden worden door voortdurend gebruik te maken van de eerste persoon enkelvoud (ik en mijn) of meervoud (wij en ons). Zo ook bij de Rastagroepering op Jamaica die nog steeds worstelt met haar slavernij-verleden.

2) De taal weerspiegelt ook het persoonlijk wereldbeeld van een individu. De taal is bijgevolg een toegang tot iemands persoonlijkheid.

Drie aanwijzingen

Taal biedt dus als direct uitingsmiddel een sleutel tot het innerlijk leven van een persoon. Dit kan een psycholoog, in zijn functie als consulent, interviewer, therapeut helpen zijn taak zo goed mogelijk te vervullen. Grinder (taalkundige) en Bandler (psycholoog-therapeut) presenteren een luistermodel, waarin wordt uitgegaan van drie concrete aanwijzingen voor manieren waarop de mens zijn wereld organiseert.

1) Door deleties.Hier wordt de nadruk gelegd op wat ontbreekt. Jan zegt bijvoorbeeld:’ ik ben bang’. Wat hier ontbreekt, is een aanduiding van de persoon, of het voorwerp waarvoor Jan bang is. Dat betekent voor hem, dat zijn angstige toestand als een constante factor wordt gepresenteerd. Zodra hij zijn angst zou kunnen specifiëren, zou deze grijpbaar worden en dus van aard veranderen. Wanneer Jan tijdens therapeutisch gesprek niet ingaat op zijn angst, moet men er dieper op in gaan.

2) Vervorming vormt ook een aanwijzing. Zo kunnen dynamische zaken statisch worden gemaakt, doordat een werkwoord tot een zelfstandig naamwoord wordt omgevormd. Piet zegt: ‘Ik heb spijt van mijn beslissing’. Dat klinkt voor de luisteraar als : gedane zaken nemen geen keer. Hij kan naar die beluisterde implicatie informeren en eventueel, afhankelijk van het doel van het gesprek, de zaak omdraaien door te vragen: ‘Wat of wie houdt je tegen iets anders te beslissen?’

3) De generalisatie komt ook veel voor. Jan zegt: ‘Niemand doet ooit iets voor me.’ De luisteraar kan de algemene geldigheid van zo’n opmerking op zijn minst betwijfelen en daaraan uiting geven met vragen als: ‘Echt?’ ‘Niemand?’ of vragen: ‘ Wanneer heeft iemand voor het laatst iets voor je gedaan?’ Signalen voor generalisaties zijn woorden als ‘alle’, ‘iedere’, ‘altijd’.

Luisteren op 4 niveaus

De vier aspecten van een boodschap

Het hoofddoel van communicatietraining is volgens F. Schultz von Thun: de vaardigheid in metacommunicatie. Daarmee wordt bedoeld: de vaardigheid om het communicatieproces goed te observeren, storingen op te merken en zo nodig veranderingen aan te brengen. Of nog anders geformuleerd: de vaardigheid om de manier waarom je met elkaar praat, met elkaar omgaat tot onderwerp van diagnose en therapie te maken.

Zijn model van communicatie ziet er als volgt uit:

Een zender brengt aan een ontvanger een boodschap over en krijgt over (een deel van ) het effect van zijn boodschap feedback. Aan de boodschap kunnen vier psychologisch belangrijke aspecten onderscheiden worden: het zakelijk aspect, het expressieve aspect, het relationele aspect en het appellerende aspect. Deze vier aspecten spelen steeds gelijktijdig een rol. Een boodschap bevat dus veel soorten informatie. Al die informatie kan op basis van de vier communicatieve aspecten ingedeeld worden.

Uit deze visie op communicatie vloeit voor de zender de noodzaak voort om ‘vierzijdig’ te zenden, en voor de ontvanger om ‘vierzijdig’ te ontvangen.

Een uitgewerkt voorbeeld: Er rijdt een echtpaar in een auto, zij zit achter het stuur. De man wijst om een stoplicht dat nog een heel eind van hen vandaan is en zegt: ‘ Het licht staat op groen’. Wat zit er allemaal in zo’n boodschap verpakt?

1) Het zakelijk aspect. Allereerst bevat de boodschap zakelijke informatie (een beschrijving van de feiten). De vrouw komt te weten dat zich daarginds een stoplicht bevindt, en dat het licht op groen staat.

2) Het expressieve aspect. Iedere boodschap bevat niet alleen informatie over de zaak die aan de orde is, maar ook informatie over de persoonlijkheid van de zender. Elke boodschap bevat een stukje zelfexpressie van de zender. Met zelfexpressie bedoelt men zowel de bewust gewilde zelfpresentatie als de onvrijwillige zelfonthulling. Uit ons voorbeeld valt af te leiden dat de zender blijkbaar Nederlands spreekt en vermoedelijk niet kleurenblind is, dat hij wakker is en zit op te letten. Verder ook dat hij misschien haast heeft, enz.

3) Het relationele aspect. Uit de boodschap blijkt ook hoe de zender tegenover de ontvanger staat, wat hij/zij van haar/hem vindt. Vaak blijkt dat uit de gekozen formulering, uit de intonatie en uit andere non-verbale signalen. Voor dit aspect van de boodschap is de ontvanger bijzonder gevoelig, want op dit punt voelt hij zich als persoon op een bepaalde manier aangesproken. In ons voorbeeld geeft de man door z’n opmerking te kennen dat hij het zijn vrouw niet helemaal toevertrouwt om zonder zijn hulp de auto te besturen. Stel dat die vrouw antwoordt: ‘ Rij jij of rij ik?’ dan gaat ze in op het relationele aspect en verweert zich tegen zo’n behandeling. In het algemeen: als je een boodschap uitzendt, betekent dat ook altijd dat je tegenover degene die je aanspreekt een bepaalde relatie tot uitdrukking brengt. (waarderen of geringschatten, betuttelen of vrijlaten...) Strikt genomen is dit eigenlijk een onderdeel van het expressieve aspect. Toch is er een belangrijk onderscheid omdat de psychologische situatie van de ontvanger ( de luisteraar) verschillend is.

Voor zover het gaat om het expressieve aspect stelt de ontvanger een diagnose (‘Wat zegt jouw boodschap mij over jezelf?’) en is hij als zodanig buitenstaander, voor zover het gaat om het relationele aspect is hij er zelf bij betrokken (‘Wat voor toon slaat hij eigenlijk tegen mij aan?’)

4) Het appellerende aspect. Bijna niets wordt zomaar gezegd. Bijna alle boodschappen hebben tot doel of als feitelijk effect dat ze op de ander invloed uitoefenen. In ons voorbeeld is het appellerende aspect misschien: ‘Geef nog een beetje gas, dan halen we het groene licht misschien nog’. Dit appellerende aspect moet van het relationele aspect worden onderscheiden. Want twee boodschappen met hetzelfde appellerende aspect kunnen op geheel verschillende manieren worden uitgezonden, de ontvanger kan er zich volwaardig behandeld of gekleineerd door voelen. In ons voorbeeld kan de vrouw het appel op zich verstandig vinden, maar op de bevoogding geprikkeld reageren. En omgekeerd zou ze het appel onverstandig vinden (‘Je mag hier niet harder rijden dan 50’), maar het op zich prima vinden dat haar man op deze manier rij-instructies geeft.

Dit model is geïnspireerd op Buhler en Watslawick.

Buhler onderscheidt 3 aspecten van taal: beschrijven (het zakelijke aspect), uitdrukken (het expressieve aspect) en appelleren (het appellerende aspect). Watslawick maakt een onderscheid tussen het inhoudelijke en het betrekkingsniveau. Het betrekkingsniveau omvat bij hem zowel het relationele, het expressieve als het appellerende aspect.

Het non-verbale aspect en de invloed om het luisteren

Niet-verbale communicatie

Niet-verbale communicatie vormt een bijzonder interessant, maar in het Nederlands taalgebied nagenoeg onbekend studieterrein. Nochtans is NVC, historisch gezien, de oudste vorm van communicatie. Meestal komen de volgende researchcategorieën aan bod: lichaamsbewegingen, paralinguïstische fenomenen en stemgeluiden, nabijheid, omgeving, gelaatsuitdrukkingen, aanrakingsgedrag, fysische kenmerken. In andere syntheses wordt echter vastgesteld dat de NVC als term nog naar andere thema’s verwijst: mode, statussymbolen, dans, muziek, territoriumdrift, kleuren, rituelen, buitenzintuiglijke waarneming.....

Alle gedrag is communicatie

We spreken met woorden maar ook zonder woorden beïnvloeden we elkaar. Onderzoekers schatten dat minstens 70% van de communicatie tussen mensen door middel van lichaamstaal plaatsvindt. Dit cijfer is nog hoger als het om uitdrukken van gevoelens gaat: een gevoelsuitdrukking wordt 7% in woorden, 38% met de klank van de stem en 55% door de gezichtsuitdrukking weergegeven. (Mehrabian)

Niettegenstaande de niet-verbale taal de oudste vorm van communicatie is, denken we vaak dat wat we zeggen is wat we communiceren. Een stelregel van de communicatieleer is: alle gedrag is communicatie. Met andere woorden: ook als het niet onze bedoeling is om invloed op de andere uit te oefenen, ook als we ons er niet van bewust zijn dat we een boodschap uitsturen, toch is er communicatie.

Bv.: Een toehoorder bij een lezing valt in slaap, wellicht zonder dat hij met deze daad invloed op de spreker wil uitoefenen, misschien zonder het te beseffen. De spreker die dit gedrag waarneemt (de boodschap ontvangt), zal dit echter op de één of andere wijze interpreteren (het interesseert hem niet, hij kent dit al, hij is oververmoeid,...).

Woordeloze boodschappen hebben vaak meer effect dan onze woorden. Als de twee boodschappen tegengesteld zijn, wordt aan de non-verbale boodschap praktisch altijd meer geloof gehecht. Misschien omdat liegen met woorden gemakkelijker is dan liegen met lichaamstaal (tenzij men er zich in geoefend heeft zoals acteurs, toppolitici en beroepsverkopers), of omdat lichaamstaal ouder is dan de verbale of misschien omdat lichaamstaal langs vele kanalen tegelijk onze zintuigen bereikt.

Van de vele lichaamssignalen die we uitsturen, is er slechts een klein aantal waar we ons bewust van zijn. We weten wellicht wel dat we glimlachen, of dat we op onze klok kijken gedurende een gesprek, maar we hebben er geen flauw vermoeden van dat onze voet gespannen trilt. Meestal zijn mensen beter in staat het non-verbale gedrag van anderen te onderkennen en te analyseren dan hun eigen gedrag. Er is dus een behoorlijke kans dat onze gesprekspartner het trillen van de voet wel ziet en het als verveling of ongemak interpreteert. Mensen hebben de neiging hun persoonlijk gedrag als natuurlijk en spontaan te zien. Het niet-verbaal gedrag van anderen bekijken we als overwogen en bedoeld.

Inhoudelijke en betrekkingsaspecten

In elke boodschap kunnen we vier aspecten onderscheiden: het zakelijk, het expressief, het relationeel en het appellerend aspect. De drie laatste aspecten vormen samen het betrekkingsniveau van communicatie (Watzlawick). We hebben dus een inhoudelijk niveau (zakelijk aspect) en een betrekkingsniveau.

Communiceren op betrekkingsniveau kan op twee manieren: verbaal en non-verbaal. In beide gevallen wordt het metacommunicatie genoemd: communicatie over de communicatie. De communicatie op betrekkingsniveau voltrekt zich vooral zonder woorden, door middel van niet-verbale taal.

Bijvoorbeeld in de uitspraak ‘je kamer ligt erg overhoop’ zal de gezichtsuitdrukking, het stemvolume en de toon waarop gesproken wordt, informatie verschaffen over wat er in de spreker omgaat, hoe de relatie met de ontvanger is en wat er van deze laatste verwacht wordt.

Pas als de zender merkt dat de ander niet reageert zoals hij had bedoeld, zal hij zijn bedoelingen verduidelijken met woorden. In het voorbeeld reageert de toehoorder met ‘ja, ik heb zo leuk gespeeld...’ en op dit moment is de ander genoodzaakt om directer te communiceren met: ‘ ik wil dat je opruimt!’ of ‘ik ben boos’.

Praten over hoe je een vorige boodschap bedoeld hebt (verbaal metacommuniceren) laat toe een misverstand (een communicatie die een ander effect heeft, dan bedoeld was) op te helderen. Veel verzoeken of bevelen worden niet rechtstreeks met woorden gedaan, maar onrechtstreeks met gedrag.

Lichaamstaal is vaak doeltreffender dan woorden in uitwisselingen waarbij het vooral om de relatie zelf gaat. Vriendelijk zijn, laten merken dat je om iemand geeft, is veel gemakkelijker over te brengen met uitsluitend lichaamstaal, dan met uitsluitend woorden. Emotioneel heel ingrijpende vormen van beïnvloeding verlopen zonder woorden: troosten, tederheid, vrijen, verleiden, woede, afkeuring,..

Ook de machtsverhouding in een relatie wordt voornamelijk door niet-verbale elementen vertaald: wie gaat voor? Wie heeft de grootste werkkamer? Wie raakt aan? Wie wordt aangeraakt?...

Nonverbaal – inhoudelijk is de vervangende gebarentaal zoals de taal van de doven, de handgebaren van een verkeersagent, enz. Metacommunicatie of informatie die duidelijk maakt hoe de boodschap moet begrepen worden, zal ook hier optreden. Bijv. de snelheid en de hoekigheid waarmee de gebaren uitgevoerd worden, zegt iets over de gemoedstoestand van de zender.

Analoge en digitale communicatie

Een voorwerp kunnen we op twee manieren aanduiden: met een woord ‘auto’ of met een afbeelding (een tekening van een auto of met de klank ‘tuuttuut’. De laatste uitdrukkingswijze noemen we beeldende of analoge taal: er zijn altijd elementen in opgenomen van wat ermee uitgedrukt wordt.

Een digitale taal is opgebouwd uit symbolen (letters of cijfers) die geen noodzakelijke gelijkenis hebben met het voorwerp of de handeling: er is niets aan een auto dat doet denken aan het woord ‘auto’. Digitale taal heeft een logische grammatica, is complexer en abstracter dan analoge taal, maar moet volledig aangeleerd worden (geen enkel kind zegt het woord auto als het dit nog nooit gehoord heeft).

De verbale taal is in essentie digitaal van aard: een woord is er of is er niet en heeft meestal een vaste betekenis. Over digitale taal zijn er a.h.w. conventies afgesloten, het zijn afgesproken woorden en tekens om zaken en feiten te benoemen.

Lichaamstaal is praktisch altijd analoge communicatie: de betekenis is situatiegebonden en abstracte begrippen kunnen moeilijk uitgebeeld worden. Hetzelfde gedrag kan zeer veel verschillende betekenissen hebben: er is sprake van meerduidigheid. Een opgeheven hand kan gezien worden als een aanloop tot ‘strelen’ of tot ‘slaan’, afhankelijk van de situatie en van de voorgeschiedenis van de persoon. Dus: je hebt informatie met betrekking tot de context van het gebeuren nodig om de nonverbale signalen juist te interpreteren.

Toch kunnen ook niet-verbale signalen digitaal zijn: pictogrammen, gebarentaal van doven, gebaren van de verkeersagent. Hier is ook duidelijk sprake van conventies, van afgesproken, eenduidige betekenissen, m.a.w. van digitale taal.

Waar een digitale taal geschikt is om zakelijke en logische inhouden heel precies over te brengen, kan de analoge taal beter de verhouding tussen mensen en gevoelsinhouden weergeven. Niettegenstaande lichaamstaal op meer dan één manier te interpreteren is, zijn mensen (en ook kinderen) heel goed in staat om gevoelens, persoonlijkheidstrekken en het relatie-aanbod uit de nonverbale signalen af te leiden.

Uitingsvormen van nonverbale communicatie

In het contact met anderen worden we overstelpt met nonverbale signalen, die we gedeeltelijk bewust en gedeeltelijk onbewust waarnemen en interpreteren. Mensen communiceren met verschillende lichaamsdelen tegelijk: de nonverbale boodschappen kunnen elkaar versterken, nuanceren of tegenspreken. Voor het correct begrijpen van lichaamstaal, meten we ons op meerdere signalen baseren en de situatie waarin ze zich voordoen in rekening brengen.

Onderzoek van de uitingsvormen van nonverbale communicatie valt uiteen in een aantal deelgebieden:

Gezichtsuitdrukking

Het gezicht is het meest zichtbare lichaamsdeel. Gezichtsuitdrukkingen weerspiegelen de emoties die in de persoon omgaan. Uit onderzoek blijkt dat de basisemoties op grond van foto’s van gezichten goed te herkennen zijn: verbazing, geluk-blijdschap, angst-verdriet- lijden, baasheid-vastberadenheid, afkeer-minachting.

De door koppeltekens verbonden emoties zijn op grond van alleen de gezichtsuitdrukking moeilijk te onderscheiden. In het algemeen wordt het schatten van gezichtsuitdrukkingen preciezer als de persoon volledig zichtbaar is en als de situatie bekend is (context).

Lichaamshouding en beweging

De lichaamshouding geeft gevoelens weer op een aantal domeinen: erkenning versus uitsluiting, dominantie of onderdanigheid, genegenheid versus afkeer en de graad van gespannenheid. Als men iemand niet mag, ontspant men zich weinig ( tenzij de ander geen bedreiging vormt). Iemand wordt in een gesprek toegelaten of juist uitgesloten door een andere lichaamshouding.

Als mensen tijdens een gesprek intens op elkaar betrokken geraken, nemen ze vaak een gelijke of spiegelende lichaamshouding.

Lichaamsbewegingen drukken niet de aard van de emotie uit, maar wel de intensiteit van de gemoedstoestand en de gedragsreacties op het affect (toenadering, vluchten en vechten). Heel wat bewegingen hebben net als woorden, binnen een bepaalde situatie een duidelijke betekenis voor de ontvangers.

Andere lichaamsbewegingen betekenen op zichzelf niets, zoals een lettergreep op zich niks betekent. Gegroepeerd in bepaalde combinaties kunnen ze echter wel iets betekenen. Gespreksregeling is hiervan een voorbeeld: mensen maken elkaar duidelijk dat ze willen spreken of nodigen anderen daartoe uit door een combinatie van handgebaren, hoofdbewegingen en blikrichting.

Oogcontact

Oogcontact is wederkerig: het zijn de ogen die kijken en die ook bekeken worden. Dierenstudies tonen het stimulerend effect van het bekeken worden aan: apen tonen opmerkelijke veranderingen in de hersenactiviteit als ze er zich van bewust worden dat ze door mensen bekeken worden.

In een verkeersfile bvb. kan je slechts enkele tellen de chauffeur naast je observeren voordat hij terugkijkt.

Er bestaat ook zoiets als een ‘morele kijktiming’: het aantal seconden dat je met een vreemde oogcontact houdt is beperkt.

De mate van oogcontact hangt of van een aantal factoren: o.a. de fase van het gesprek, het gespreksonderwerp, de lichaamsafstand en de aard van de relatie tussen de gesprekspartners.

We kijken iemand aan:

-             Als we dan ander uitnodigen op te spreken. -          Op het einde van een zin of van een redenering, als we willen zien hoe de ander

op onze woorden reageert. -              Als we luisteren: de toehoorder kijkt gedurende langere perioden en met minder

onderbreking naar de spreker (de luisteraar wendt zich echter vaker af, als de

spreker een ondergeschikte is). -    Als we contact willen leggen, kennis willen maken of een praatje willen beginnen.

De aanzet tot een sociale interactie is wederkerig oogcontact en niet het gesproken woord!

We vermijden oogcontact:

-             De spreker neemt minder oogcontact dan de luisteraar, tenzij deze laatste een hogergeplaatste positie heeft. Als de spreker aarzelt of tijdens het spreken zijn gedachten ordent, kijkt hij meestal weg.

-             Als we geen contact met de ander willen, omdat we geen zin hebben in een gesprek of de ander niet mogen.

-             Als we onze gevoelens niet willen verraden of als we liegen. -     Als de lichamelijke afstand tussen ons en de ander kleiner is dan we prettig

vinden (vb. in een lift, op de tram,..). Als er geen gelegenheid is om deze afstand

aan te passen, is er minder oogcontact en wordt het lichaam afgewend. -          Naarmate het gesprek langer duurt, wordt de persoonlijke betrokkenheid tussen

de sprekers groter en het oogcontact intenser en langduriger. Dit is slechts zo tot op zekere hoogte: als het gespreksonderwerp te intiem wordt of de persoonlijke betrokkenheid te groot, vermindert de mate van oogcontact.

Dus: de spanning die we in een sociale situatie ervaren als de ander letterlijk of figuurlijk te dicht komt, kunnen we neutraliseren door minder oogcontact te nemen (vaak samen met een afgewende en eerder starre lichaamshouding).

Aanraken en nabijheidsgedrag

Elke cultuur heeft eigen regels betreffende het aanrakingsgedrag: wie mag wie, wanneer, waar, op welke lichaamsdelen en in welk gezelschap aanraken? In het westen mogen vrouwen meer aanraken en meer aangeraakt worden dan mannen.

Ook nabijheidsgedrag is sterk cultureel bepaald. Sommige volkeren bewaren een kleinere afstand (bv. Arabieren en Latijns-Amerikanen) bij het voeren van een gesprek dan anderen (bv. Zweden).

We kunnen vier nabijheidszones onderscheiden: -            De intieme zone (0-45 cm): laat heel persoonlijke gesprekken en gedragingen toe

(liefkozen en troosten, maar ook vechten). Je kunt elkaar ruiken en elkaars

warmte voelen. -         De persoonlijke zone (45-120 cm): de meeste gesprekken vinden op deze afstand

plaats. Je kunt de ander goed zien en verstaan. -              De sociale zone (120-360 cm): binnen deze zone vinden alle overige sociale

contacten plaats: examens afnemen, zakelijke gesprekken, ... Met mensen die binnen deze ruimte komen moeten we contact opnemen of groeten, hen negeren is moeilijk.

-             De publieke zone: binnen deze zone voeren we groepsgesprekken, geven we les, spelen we toneel, enz.

De afstand die we ten aanzien van de ander innemen heeft dus te maken met de vertrouwelijkheid van de relatie en het gespreksonderwerp, met de situatie en met de culturele achtergrond. Als we dichterbij komen dan de relatie toelaat, bieden we op grond van de situatie onze verontschuldigingen aan of vragen we toestemming (bv. als we bij onbekende aan een tafeltje gaan zitten wegens plaatsgebrek).

Stemtaal of paralinguistische aspecten

Geluidssterkte, snelheid, toonhoogte, pauzes, aarzelingen, beklemtoningen, duidelijkheid van uitspraak, stemkwaliteit, enz. geven veel informatie omtrent de gemoedstoestand van de spreker. Aan de klank van de stem kunnen we horen als iemand zal huilen of woedend worden. Emoties kunnen correct geïnterpreteerd worden op basis van de stemtaal.

Alhoewel we ons meestal niet bewust zijn van wat we met onze stem doen, gebruiken we onze stemtaal regelmatig ook bewust: bv. aangeven of een opmerking sarcastisch of ironisch bedoeld is (Mooi weertje vandaag als het aan het regenen is).

Mensen verschillen onderling heel sterk in de vaardigheid om op grond van stemtaal alleen emoties over te dragen of te begrijpen. Ook de aard van de relatie tussen spreker en luisteraar vertaalt zich in paralinguistische informatie.

Het uiterlijk, de organisatie van de ruimte, de objecten

Kleding, haartooi, gezichts- en lichaamsbouw, de opstelling van meubilair, de objecten waar we ons mee omringen, geven weer hoe we onszelf zien en hou we gezien willen worden.

Functies van nonverbale communicatie (NVC)

Hoewel de niet-verbale en de verbale communicatie zonder enige twijfel een eigen functie hebben, moeten zij in het interactieve verkeer toch als een twee-eenheid beschouwd worden en zijn ze onverbrekelijk met elkaar verbonden. Met de woorden van Hoekstra e.a.: de verbale communicatie via het auditieve kanaal kan niet functioneren zonder de niet-verbale via het visuele kanaal.

Bij dezelfde auteurs vinden wij een overzicht van de zeven functies van NVC via het visuele kanaal:

1) Herhaling van wat op het verbale kanaal meegedeeld wordt.

2) Tegenspreken van de verbale mededeling. 

3) Substituut voor de verbale communicatie. 

4) Affectieve evaluatie van de verbale communicatie

5) Informatie over de relaties der gesprekspartners onder elkaar. 

6) Beklemtoning van bepaalde aspecten in de verbale mededeling. 

7) Structurering en regulatie van de communicatiestroom.

NVC is met andere woorden zeer belangrijk in metacommunicatief opzicht: zij communiceert over verbale communicatie. Indien er twijfels ontstaan m.b.t. de inhoud van de verbale communicatie of de bedoeling van de spreker, wordt aan de niet verbale communicatie meer geloof gehecht dan aan de verbale.

Belangrijk is hierbij op te merken dat lichaamshoudingen, gelaatsexpressies e.d. vaak onbewust geuit worden en dat ze meestal niet doelbewust of doelgericht tot stand komen. Het bekende axioma van Watzlawick, Beavin en Jackson: ‘ Men kan niet niet communiceren’, of anders uitgedrukt, ‘communicatie staat gelijk met gedrag’ krijgt in deze gedachtegang wel zijn volle betekenis. Hetzelfde geldt voor een ander axioma van dezelfde auteurs: ‘menselijke communicatie is zowel digitaal als analoog’. Het niet- verbale gedrag is, in tegenstelling tot het verbale, analoog, d.w.z. niet differentieel, ambigu en minder abstract.

Vanuit dezelfde inspiratiebron merkt M.J. Osborne hierbij op dat verbale codes, inhoudsaspecten overbrengen, terwijl niet-verbale codes vaak dienen om relationele aspecten over te brengen en bevatten dus aanduidingen omtrent de aard van de relatie tussen zender en ontvanger. Zijn algemene conclusie: niet-verbale communicatie is niet alleen maar een bijkomend kanaal waarlangs verbale boodschappen herhaald en versterkt worden, maar ook een fundamentele component van de menselijke interactie en behoort duidelijk tot de essentie van de menselijke communicatie.

Luisteren met je lichaam

We kunnen dus besluiten dat een goede luisterhouding zich ook nonverbaal vertaalt. Enkele punten hierbij zijn:

Oogcontact

Oogcontact aanhouden in het grootste deel van het gesprek is een manier om te tonen dat je echt luistert. Het is belangrijk de blik niet af te wenden als de spreker naar jou kijkt.

Lichaamshouding

Volledig recht tegenover elkaar zitten voelt voor veel mensen bedreigend aan. Het contact verloopt het gemakkelijkst als we in een lichte hoek tegenover mekaar zitten, zodat de spreker de kans krijgt op zich af te wenden. Het gegeven dat mensen een gelijke of symmetrische houding aannemen als ze in het gesprek erg betrokken zijn, wordt soms doelbewust gebruikt om aan te geven dat je echt geïnteresseerd bent en echt naar hem wil luisteren. Intens luisteren betekent de ander je volledige aandacht geven.

Tijdens het luisteren een andere activiteit uitvoeren zal door de spreker geïnterpreteerd worden als niet of minder luisteren, ook al denk je zelf beide activiteiten goed te kunnen combineren.

Afstand

Een lichaamsafstand innemen waarbinnen je je prettig voelt tijdens het gesprek. Aan de cliënt ook de mogelijkheid geven deze afstand aan te passen.

Stemtaal

De toon waarop je iets zegt geeft belangrijke informatie aan de spreker. Zelfs in een klein woordje ‘Ja?’ kan verbazing, afkeer of twijfel doorklinken. Dit kan een verschillend effect hebben op de spreker. De stemtaal kan ook de mate van meevoelen weergeven aan de cliënt.

Gelaatsuitdrukking

Met hoofdbewegingen, veranderingen in onze gezichtsuitdrukkingen en glimlachen geven we aan dat we volgen wat de cliënt zegt. De communicatie wordt bevorderd als de gezichtsuitdrukking van de luisteraar de gemoedstoestand van de spreker weerspiegelen. Als de spreker, verbaal of nonverbaal, verdriet uitdrukt, is het belangrijk dat de luisteraar ernstig kijkt, zelfs als de spreker zelf lacht uit ongemak of om zich een houding te geven.

Grond – Luisterhoudingen

Luisteren naar de bovenstaande betrekkingsaspecten in de communicatie gebeurt onder de vorm van ‘actief luisteren’. Het actieve bestaat hierin dat men zich naast het inhoudelijke aspect (wat er gezegd wordt) nog verder afstemt op het luisteren naar het expressieve aspect (wat er tijdens de boodschap uitgedrukt wordt over de spreker zelf – zijn gevoelens, gedachten, verwachtingen,...), naar het relationele aspect (hoe de verhoudingen tussen ons liggen, hoe wij tegenover mekaar staan) en naar het appelerende aspect (welk appel richt de spreker naar de ontvanger in functie van het doen, voelen...van deze laatste).

Door het verwoorden van wat men met actief luisteren opvangt, helpt men de persoon om meer inzicht te krijgen in zichzelf en stelt men hem in staat zichzelf te helpen.

Actief luisteren is een manier van luisteren waarbij de grootst mogelijke kans bestaat dat de boodschap overkomt zoals hij bedoeld is waarbij de spreker maximale kans krijgt tot verbalisatie en waarbij de spreker voortdurend de boodschap krijgt dat hij belangrijk en waardevol is.

Deze actieve vorm van luisteren veronderstelt bij de luisteraar een houding, een instelling die als het ware de basisvoorwaarden om goed te kunnen luisteren goed samenvat. We onderscheiden drie belangrijke deelaspecten van deze luisterhouding (zie ook Rogers)

Het empathisch invoelen. Het aanvaarden van de ander. De echtheid

Het empathisch invoelen

In welke mate kan ik mij als luisteraar inleven in de belevingswereld van de andere en kan ik de wereld van de andere persoon begrijpen vanuit deze andere persoon. Empathie betekent ook ons kunnen bevrijden van ons eigen innerlijk referentiekader en zich kunnen inleven in de innerlijke wereld van de andere terwijl men zichzelf blijft. Het is geen kwestie van het wel of niet eens zijn met hem, wel of we kunnen begrijpen hoe hij bestaat, denkt, voelt, handelt.

Empathie is niet gelijk aan sympathie. Ook niet gelijk aan meeleven. Ook niet zich vereenzelvigen met de andere.

Het aanvaarden van de ander zoals hij is

Aanvaarden betekent de andere als gelijke behandelen en zijn gedachten en gevoelens kunnen respecteren. Dit betekent niet dat we denken en voelen zoals hij of dat we waarde hechten aan de dingen waar hij waarde aan hecht. Het is de grondhouding of instelling dat de andere evenveel recht heeft op zijn gedachten, gevoelens en waarden en dat we ons uiterste best zullen doen op hem te begrijpen in functie van zijn gedachten, gevoelens en waarden en niet in termen van de onze.

Zich aanvaard voelen is een heel belangrijk onderdeel om zich echt geholpen te voelen. In de mate dat de ander zich aanvaard voelt, zal hij minder vrezen dat wij hem veroordelen of dat hij moet denken of voelen als w

De houding van echtheid

Deze houding bestaat hierin dat onze luisterhouding en het tonen van belangstelling, zorg en betrokkenheid overeenkomen met onze innerlijke gerichtheid. Er bestaat een congruentie tussen wat ik uiterlijk doe en hoe ik innerlijk ben. Dat we echt zijn in overeenstemming met onszelf.

De houding echtheid/onechtheid blijkt een belangrijke factor te zijn in het tot stand komen van het gevoel van vertrouwen in een helpende relatie.

Truaux, Waggener en Carkhuff hebben schalen ontwikkeld waarmee we kunnen nagaan in welke mate we erin slagen deze basishoudingen te realiseren.

Empathisch niet-beoordelend luisteren

Enkele beschrijvingen wat volgens Carl Rogers meevoelend niet-beoordelend luisteren is:

-             De hulpverlener begrijpt hoe de cliënt zich op dat moment voelt, hoe hij zichzelf beleeft en hoe hij zichzelf waarneemt.

-             De hulpverlener begrijpt welke betekenis de gevoelens, gedachten en ervaringen voor de cliënt hebben.

-             De hulpverlener ziet het zelf van de ander zoals de ander het kent en accepteert het.

-             De hulpverlener tracht zich in de ander te verplaatsen en de door hem tot uitdrukking gebrachte houdingen en elke verandering ervan te registreren.

-             De hulpverlener tracht de belevings- en waarnemingsveld inclusief zijn betekenissen voor de cliënt levendig en nauwkeurig te registreren.

-             De hulpverlener tracht het innerlijk referentiekader van de cliënt zo volledig mogelijk te begrijpen. Hij verplaatst zich in het referentiekader van de cliënt. Hij tracht zich de houding van de ander eigen te maken en te begrijpen.

-             De hulpverlener geeft er door zijn reacties en interventies blijk van. -    De hulpverlener helpt de cliënt te begrijpen en in te zien welke betekenis zijn

gedachten, gevoelens en ervaringen voor hem hebben. -             De hulpverlener laat de beoordeling en waardebepaling over aan de cliënt zelf. Hij

wil niet dat hij aan hem aanpast.

De schaal ‘meevoelend niet-beoordelend begrip van de binnenwereld van de ander’ van Carkhuff is geschikt voor het vaststellen van het meevoelend begrip in tussenmenselijke relaties. Hiermee kunnen we nagaan in welke mate we erin slagen deze basisattitude te installeren als psychotherapeutisch interventie.

Schaal van Carkhuff (empathieschalen)

Niveau 1: Niet ingaan op gevoelsinhouden. Niet ingaan op feitelijke inhouden (wat met de woorden gezegd wordt). Over zichzelf beginnen praten

Niveau 2: Nauwelijks ingaan op gevoelsinhouden -    Wel ingaan op willekeurige gebrachte feiten

Niveau 3: Ingaan op deel van gevoelsinhouden, maar het is een onbelangrijk deel ervan. -   Niet ingaan op de essentie

Niveau 4: Ingaan op een belangrijk deel van de gevoelsmatige inhoud: niets weglaten en niets toevoegen. Niet of nauwelijks ingaan op de belevingsinhoud/ervaring. Herhalen met eigen woorden wat de ander zegt.

Niveau 5: Ingaan op belangrijk deel van de gevoelsmatige inhoud. -             Ingaan op de belevingsinhoud en ervaring. -                  Ingaan op wellicht verbonden gevoelens en waarden -              Respect tonen

-             Herhalen met eigen woorden en in vraagvorm.

Schaal van Waggener

Schaal voor het meevoelend begrijpen van de innerlijke persoonlijke wereld zoals de cliënt dit ervaart. Het geeft weer wat de cliënt bij diepgaand begrip van zijn denk en gevoelswereld door iemand ervaart.

Niveau 1: Deze persoon heeft er geen belang bij om mijn kijk op de dingen, mijn belevingswereld, mijn waargenomen betekenissen te leren kennen.

-             Hij begrijpt me niet en wilt me ook niet begrijpen. -               Ik heb het gevoel dat hij zich niet bekommert om mij en er zich niet voor inspant. -          Ik zou met grote tegenzin een persoonlijk probleem aan hem voorleggen. Hij zou

me toch niet begrijpen.

Niveau 2: Hij lijkt tot op zekere hoogte mijn gevoelens te willen begrijpen maar hij slaagt er niet in. Hij wil mijn gedachtenwereld leren kennen. Maar als hij probeert lukt het niet. Mijn innerlijke maatstaf is vreemd voor hem

Niveau 3: Hij accepteert het feit dat ik mijn eigen dieperliggende gevoelens en gedachten over iets heb. En dat helpt. Maar hij doet er verder niets mee en dat is spijtig. Ik merk dat hij me enigszins begrijpt, maar toch voel ik de neiging me te rechtvaardigen en mijn houding te verduidelijken.

Niveau 4: Hij begrijpt voor een deel hoe ik me voel en waarom ik me zo voel. -        Ik hoef me niet te verduidelijken, te verdedigen of te rechtvaardigen.

Niveau 5: Ik heb het gevoel dat hij begrijpt hoe ik in mekaar zit gevoelsmatig, wat er in me omgaat.

-             Ik heb echt gevoel dat hij naast me staat en me begrijpt. -            Een paar woorden zijn genoeg om hem te laten begrijpen wat ik denk en voel. -   Hij weet bijna altijd vrij nauwkeurig wat ik bedoel en weet precies wat de dingen

die ik beleef voor me betekenen.

OEFENINGEN

Oefening 1:

Rangschik de volgende 5 situaties van niet tot heel empatisch.

A. Cl.: ‘Gisteren moest ik straf maken, terwijl ik helemaal niets gedaan heb. Dat vind ik gemeen.’

Th.: ‘Je bent boos hé omdat je straf moet maken?’

B. Cl.: ‘Met Els kan ik helemaal niet opschieten omdat ze altijd zo klikt.’ Th. : ‘En Els is je vriendin?’

C. Cl.: ‘Soms kan ik ’s morgens niet eten als ik een afspraak heb met mijn baas.’ Th.: ‘Dan ben je van te voren al erg opgewonden en je voelt dat in je maag.’

D. Cl.: ‘Als mijn man roept naar me, begin ik al te beven.’ Th.: ‘Dat is toch onzin, daarom hoef je toch niet meteen te gaan beven.’

E. Cl.:‘Mijnbroeriserbeteraantoe.Alshijwatuithaaltzeggenmijnoudersnooit wat.’

Th.: ‘Je voelt je dan benadeeld door je ouders?’

Oefening 2:

Welk niveau op de Carkhuff-schaal?

A. Cl.: ‘Ik moet thuis altijd de afwas doen.’ Th.: ‘Dan ben je kwaad.’

B. Cl.: ‘Mannen hebben gemakkelijk praten, zij zijn nooit ongesteld.’ Th.: ‘Je voelt je niet begrepen als vrouw.’

C. Cl.: ‘Ik vind het vierde leerjaar niet fijn.’ Th.: ‘Is het een grote klas?’

D. Cl.: ‘Als mijn man zijn hand om mijn schouder legt, dan krijg ik het al moeilijk.’ Th.: ‘Zoiets is toch fijn?’

E. Cl.:‘Alsiemandmijietsvertelt,weetikniethoetereageren.’ Th.: ‘Je bent dan bang om iets verkeerd te doen of te zeggen?’

Echtheid

-             We staan open voor het eigen voelen en beleven. -           We spreken ons uit tegenover de cliënt en delen hem onze gevoelens en

gedachten mee, zeker als die in zijn momentele beleving van belang zijn.

Onechtheid betekent dat uitlatingen, gedrag, maatregelen en gelaatsuitdrukking verschillen van ons innerlijk beleven of tegengesteld zijn aan zijn voelen en denken.

-             Ofwel staat hij niet open voor een aantal gebieden van zijn denken en voelen. Hij verloochent als het ware een groot deel ervan en laat het niet tot zijn bewustzijn doordringen.

-             Ofwel spreekt hij zich niet uit en deelt hij de cliënt niets mee van wat hij in zijn momentele beleving van belang is.

Schaal – Echtheid

Volgende schaal (Schaal van Truaux) heeft zijn bruikbaarheid in wetenschappelijk onderzoek bewezen. Afhankelijk van de mate dat onderstaande kenmerken aanwezig deelt men in, in 5 niveaus.

Niveau 1: kenmerken van gekunsteldheid en onechtheid duidelijk aanwezig. Alle verbale uitingen komen onecht over en geven een mechanische en aangeleerde indruk.

Niveau 2: kenmerken van onechtheid minder sterk aanwezig. De meeste verbale uitingen zijn gekunsteld, maar sommige komen min of meer spontaan over.

Niveau 3: ongeveer evenveel gekunsteldheid als echtheid. -      

Niveau 4: de meeste uitingen van de therapeut komen echt en spontaan over.

Sommige echter nogal geforceerd en onecht; -      

Niveau 5: de kenmerken van echtheid zijn duidelijk aanwezig. Alle verbale uitingen geven een spontane en echte indruk. Kenmerken van echtheid-harmonie-oprechtheid:

Hij zegt wat hij denkt en voelt. doet zoals hij is. gedraagt zich ongekunsteld, natuurlijk en speelt geen rol. heeft geen professionele, geroutineerde manier van doen. is zichzelf en leeft zonder façade of pantser. is vertrouwd met wat in zichzelf omgaat. is oprecht en zegt wat hij denkt. is ook eerlijk tegenover zichzelf en maakt zichzelf niets wijs. is doorzichtig. uit zijn diepe gevoelsmatige ervaringen.

Kenmerken van onechtheid-disharmonie-gekunsteldheid

Hij zegt het omgekeerde van wat hij denkt en voelt. doet zich anders voor dan hij is. gedraagt zich gekunsteld, mechanisch, speelt een rol. doet officieel, professioneel geroutineerd.

leeft achter een façade. vertoont vaak stereotiep gedrag in woorden en gebaren. is niet vertrouwd met wat hij doet. misleidt anderen en wilt hen manipuleren. is oneerlijk tegenover zichzelf en maakt zichzelf iets wijs. is ondoorzichtig. uit zijn diepe gevoelsmatige ervaringen niet.

Oefening

Oefen per twee of drie (therapeut/cliënt/observator). Als therapeut proberen we zo optimaal mogelijk aanwezig te zijn. Zowel verbaal als nonverbaal. Scoor op de verschillende schalen gedurende het gesprek.