8000-8999
Sites per thema:
psy0 algemeen
psy1 systemen
psy2 denken
psy3 brein
psy4 individu
psy50 diagnostiek
psy54 behandeling
psy6 optimaal
psy7 groepen
psy8 suboptimaal
psy9 optimaal

8506 Naar Tertiaire Samenleving


OVERGANG SECUNDAIR naar TERTIAIR

De tussenkomst van de Sabijnse vrouwen, Jacques-Louis David, 1799


Losse ideeën

  • eigenlijk zit elk van ons al in één of meerdere tertiaire structuren: gezin, vriendschapsrelaties, enz. Dus de overgang zal eerder door (horizontale) tertiaire gebiedsuitbreiding gebeuren dan door (verticale), lineaire transformaties, d.w.z. met een sprong of revolutie van secundair naar tertiair gaan. De vraag is dus: hoe kan je de tertiaire kring waarin je je bevindt, uitbreiden? En eerst bewust zijn dat je je reeds in een tertiaire kring bevindt.
  • De uitspraak dat tertiair functioneren een utopie is wordt dus weerlegd door dit feit. De vraag is veeleer: hoe kunnen we de schaal van het tertiaire functioneren vergroten?
  • in nieuwe systemen (pionierssituatie) is er altijd veel spontaan tertiair gedrag. Dit neemt langzaam af. De creatieven vinden immers dat de anderen van hen profiteren, de minder creatieven willen/durven geen verantwoordelijkheid nemen.
  • een tertiair systeem is kwetsbaar, dus labiel. Bij onvermijdelijke problemen zal het niveau dalen, en uiteindelijk blijven hangen in een stabieler, secundair systeem.
  • het grootste probleem bij tertiair functioneren is niet zozeer dat de groepsleden niet willen tertiair functioneren, maar dat zij daar de minimale voorwaarden niet toe vervullen, zoals maximale verantwoordelijkheid, integreren ipv elkaar overtuigen, proberen verbeteren ook al is er geen probleem ipv enkel te reageren op onvolmaaktheden, onvolmaaktheden eerder oplossen dan als reden aanwenden om af te haken, enz. Zijn ze niet allen klaar voor tertiair functioneren, dan zullen de onvermijdelijke complicaties snel leiden tot secundair functioneren, hetgeen meer stabiel is omdat we er zijn in opgegroeid.
  • de meeste relaties verliezen na 5-10 jaar (gemiddeld 7.5 jaar) hun spontaan tertiair karakter, en gaan als routine verder evolueren, d.w.z. dat de partners geen moeite meer doen om de relatie te optimaliseren. Ze reageren meestal enkel op probleemsituaties. De meest voor de hand liggende evolutielijn op langere termijn is dus een repetitieve afscheuring.


  • een ander zwaar ernstig probleem bij de overgang is, dat de kwaliteiten en vereisten voor het tertiair niveau precies gevaarlijke risico's zijn op secundair gebied, bv. blind vertrouwen, je fouten bekend maken, je kwetsbaarheid tonen, communiceren over punten waar je nog geen klaarheid in ziet. Je wordt dus uit voorzichtighjeid aangemaand om zeker geen tertiaire risico's te nemen, wat uiteraard het ontstaan van een tertiair niveau afremt.
  • iedereen die idealistisch is, en dus veel nutteloze energie en tijd steekt in iets dat voor hem niets opbrengt (bv 11.11.11, Tsunami's) worden duidelijk gemotiveerd en beloond door een soort tertiair fantasme. Men geniet dus fantasmatisch, en wordt fantasmatisch beloond door het verhoopte effect op lange termijn. Het geheim van goed gemotiveerd tertiair functioneren is dus, dat men niet enkel fantasmatisch aangemoedigd wordt op lange termijn, maar ook vreugden kent op korte termijn, daar waar moraliseren ons vraagt om voordelen op korte termijn achterwege te laten ter wille van het effect op langere termijn.
  • een onbewust motivans om te zoeken naar een tertiaire interactie, en daar veel moeite voor te doen, is misschien de "herinnering" aan de nestwarmte van de jeugd. Misschien zit er een archetype achter, of een instinct, vermits ook de huisdieren dat soort situaties schijnen op te zoeken. Dit moet echter rationeel getransformeerd worden, d.w.z. de naïviteit en het idealisme van volwassenen is heel iets anders dan de naïviteit van kinderen.
    Voorwaar zeg Ik u: Wie het Koninkrijk Gods niet ontvangt, gelijk aan kinderen, die zal in hetzelve geenszins ingaan. (Mc 10:15)
  • vele revoluties mislukken, omdat de mensen niet rijp zijn voor dat hogere niveau:
    Franse Revolutie (enkele jaren later was er al een keizerrijk), Oktoberrevolutie (werd een afgrijselijke dictatuur), Indépendence in Afrika was een terugkeer naar de corrupte middeleeuwen, de Reducties van Paraguay, enz.
  • volgens Maslow moeten de lagere behoeften reeds vervuld zijn vooraleer hogere behoeften kunnen worden gerealiseerd. Globaler gezien, en meer sociocultureel, kunnen we spreken van
    • economische behoeften (ongeveer zelfde als primair, bot ego-gericht)
    • sociale behoeften
    • ecologische behoeften (deze twee samen zijn secundair: een compromis terwille van de anderen, maar een discrepantie tussen doen/zeggen, hypocrisie)
    • spirituele behoeften (meer authenticiteit, d.w.z. geen hypocrisie, versplintering)
  • peer to peer: deze stijl verspreidt zich snel, en is een voorloper, zelfs een kenmerk van het tertiaire
  • een van de manieren waarop een systeem kan volgehouden worden, is door elementen van zijn tegenpool te integreren. Daardoor verhoogt de duurzaamheid op langere termijn.
    • het liberalisme/kapitalisme in Europa is gered door het socialisme. Want daardoor vergrootte de koopkracht van de massa
    • het kapitalisme zal welicht gered worden door het inbouwen van ecologische principes, anders holt het zichzelf uit. Als winst investeringen in de weg staan blijft het niet lang meer duren.
  • men kan hopen dat een secundair systeem langzamerhand tertiariseert, terwille van het winstgevende en het rendement.
    • als men meer mensen creatief en integratief laat samenwerken, ontstaat in het bedrijf meer vooruitgang, men kan het dus meer winst maken.
    • er zal dus wellicht eerst een pseudo-tertiair overgangsstadium zijn: tertiair functioneren gedreven door secundaire (fallisch-narcistische) motieven.
  • spiritualiteit is in een tertiaire context anders dan in een secundaire:
    • secundair is spiritualiteit (te) vaak een vrijblijvende mentale bezigheid, intellectueel en gebedsmatig. Een soort universele godsdienst. "Bidden" is daar trouwens smeken, in een poging de hulp van God in te roepen, en hem zijn plannen te doen wijzigen naar onze inzichten.
    • tertiair veronderstelt spiritualiteit, zoals in de Gnosis en in het Zen-Boeddhisme, naast theoretische kennis een actieve beleving en een emotionele dimensie. Het is dus geen mentale activiteit, maar een manier van leven.
  • Globaal gezien is er in de secundaire cultuur een permanente strijd tussen de bovenklas (de "rulers") en de onderklas (de "multitude"). Marx' klassenstrijd was daar een simplistische beschrijving van. Tony Negri maakte daar een verfijndere theorie rond.
  • We zouden een tabel moeten kunnen maken met de verschillende functies, en vergelijkend tussen secundair en tertiair, tussen de secundaire subfasen, en tussen de diverse soorten groepen van tertiair functioneren, alnaargelang hun schaal: gezien, groep vrienden, klein bedrijf/team, groot bedrijf, natie, globaal (internet, peer-to-peer)
  • De meeste "spontane" groepen (verenigingen, echtparen, vriendschappen) kennen hoofdzakelijk twee fasen in hun bestaansgeschiedenis:
    1. de stichtingsperiode (pionierstijd) waarin een speciale begeestering bestaat waarin op korte tijd mooie dingen tot stand worden gebracht. Er zijn dan wtee of drie groepen enthousiastelingen: één of enkele initiatiefnemers die heel creatief mogen zijn, dit wordt door de anderen niet als bedreigend ervaren, maar als een vrom van gemeenschappelijke rijkdom. En rondom hen een grotere groep enthousiaste deelnemers die het initiatief dragen, ondersteunen en eigenlijk grotendeels realiseren. Veel is dan op korte tijd mogelijk, en deze periode is vaak de mooiste van de geschiedenis: de eerste christenen, de eerste jaren van een partij, een kloosterorde, een neiuwwe school, een nieuw tijdschrift, enz.
    2. vervolgens komt er een stagnatiefase die in feite een langzame aftakeling is. Het is telkens mogelijk een beetje af te zakken, maar bijna nooit om te stijgen. Wat niet vooruit gaat, gaat achteruit. Grootsheid en verval, grandeur et décadencesic transit gloria mundi. Het is in feite een fase van sluipende secundarisering, waar progressief een discrepantie komt tussen de missie/de verkondigde principes enerzijds, en de realiteit anderzijds, die vaak niet deel anders is dan elders. Er ontstaat dus een zekere hypocrisie, die echter niet mag ontmaskerd worden.
      • Bv in een school kan wel een meerderheid gevonden worden om bv. het leerlingenuniform af te schaffen, maar nooit om het in te voeren.
      • Een koppel wordt het meestal gemakkelijker eens om bij een advocaat te gaan dan bij een therapeut.
      • een nieuwe/tweede relatie is wellicht beter dan de vorige probleemrelatie, vooral in het begin. Maar wat de nieuwe relatie beter maakt had ook de eerste beter kunnen maken, had het koppel maaar over groeivermogen beschikt.
  • Een secundaire groep/koppel gaat, eens de pioniersfase voorbij, bijna nooit spontaan groeien. Talrijke factoren verzetten zich daartegen:
    • de opvolgers van de stichters hebben meestal niet dezelfde kwaliteiten:
      • een latere directeur van ene bedrijf/ school zou wellicht nooit in staat egweest zijn het bedrijf dat hij nu leidt zelf te stichten. Hij is baas geworden odat er een nodig was, en hij toevallig vooraan in de rij stond. Het is in de zakenwereld gekend dat de vereiste karakterkwaliteiten voor een stichter en een latere baas, in deconsolidatiefase, gans verschillend zijn. na de periode van de risiconemers komt nu de fase van de managers.
      • sterkere stichtersfiguren hebben vaak de neiging rondom zich zwakkere figueren te benoemen omdat die volgzamer en minder bedreigend zullen zijn. Maar het is die groep volgers dat de nieuwe leider gehaald zal worden
      • sterke, initiatiefrijke figuren hebben niet de neiging om in de groep volgers van de stichter te blijven, maar gaan zelf iets oprichten, of komen met de baas in conflict.
    • vermits opvolgers niet zozeer de kwaliteiten van hun stichter-voorganger hebben, moeten zij hun faam en gezag eerder op bijkomstigheden, uiterlijk protocol, e.d. vestigen, en erover waken dat er zeker geen of niet teveel uitdagingen voorkomen. Ze moeten dus consrvatief proberen de zaken te laten zoals ze zijn
      • ze voelen zich dus gemakkelijk bedreigd door potentiële veranderaars, nieuwe leiders, die hun gezag willen vestigen op constructieve realisaties eerder dan op conservatieve structuren.
      • ook het publiek van een rijpere groep is wellicht anders dan het publiek van de enthousiaste stichters en pioniers. ook langer een systeem bestaat, hoe meer "bezadigde" leden worden aangetrokken, die wellicht kanpper zijn in aanpassen en organiseren, dan in uitdenken en opbouwen.
    • de behoeften van bestuur en leden van een groep in de stagnatiefase zijn dus anders dan in de eerste fase. Men is in de fase eerder gesteld op de voordelen op korte termijn, het grandioze, de status
      • de groep zal dus de potentiële veranderaars brandmerken als storend, en er allerlei onverdiende, stigmatiserende etiketten voor bedenken, zoals machtswellustelingen, subversieven, mensen "die er niets van begrepen hebben", die nooit tevreden zijn. Waar het kan worden ook etiketten bedacht als Streber, racist, revisionist, fundamentalist, te links/rechts, flamingant, samenzweerder, modernist, of andere labels als dromer, irrealist, mystieker, ambetanterikken waarmee iedereen altijd last heeft, enz. Onbewust ontstaat hierbij ook de neiging om de groei-nastrevers etiketten te geven die op het tegengestelde van hun ideaal wijzen ("gebrek aan verantwoordelijkheid"), of die het conservatisme een edeler naam geven (de "waarden", eerbied voor de meerderheid). Als de groep een morele dimensie heeft (religieus, maçonniek, zeer prestigieuze traditie) dan ontstaa er daarenboven nog een sfeer van onbespreekbare zelfzekerheid (Quis contra nos si Deus pro nobisHoni soit qui mal y penseGott mit unsmarscheiren, nicht raisonnierensancta oboedientia)
      • een ingenieus verwijt, nadat de parallel duidelijk wordt tussen een lokaal slachtoffer van deze secundaire groei-verzetsmentaliteit, hem te spottend verwijten dat hij zich op het niveau wil stellen van Socrates, Christus, Teilhard, Galilei, enz.
      • een onbewuste minachting bestaat vaak vanuit de zichzelf superioteit aanmetende kaste tegenover mensen uit een als minder bestempelde subcultuur: bv, Franstaligen in Vlaanderen tegenover Nederlandstaligen, Nederlanders tov Belgen, Engelsen t.o.v, continentalen, academici en "professionelen" tov "amateurs", stadsbewoners (bv Parijzenaars) t.o.v. "mensen van den buiten" (de la province), ouderen tov jongeren, mannen tov vrouwen (of omgekeerd), enz.
      • parallel aan het bovenstaande bestaat vaak een ongewettigde twijfel aan zichzelf
      • typische neurotische afweermechanismen en mythes worden aangewend als verzet tegen de (mogelijke) groei zoals "moet dat nu echter altijd anders?, of als de meerderheid dat liever niet wil, waarom die veranderingen dan per se altijd weer willen opdringen?''.
      • één van de dingen die in de tweede bestaansfase verloren gaat is het besef van de eigen waarden, d.w.z. van de waarde die ze betekenen t,o,v, de daaraan voroafgaande situatie. Bv. na een oorlog wil niemand nog oorlog, nooit geen oorlog meer. maar één of twee generaties later doen zich vaak fenomenen, begripsverschuivingen voor die stilaan een nieuwe oorlog voorbereiden en mogelijk maken.
      • dooddoeners (afweermechanismen) tegen groei zijn overwegingen dat voortdurend veranderen toch niet goed is (stabiliteite ne tratditie hebben ook hun waarde, als het vernaderen van een gewoonte meer kost dan de voordelen die dat oplevert loont het de moeite niet, bv. rechts gaan rijden in Engeland). Een ander argument is de (soms terechte) vrees dat er bij "verandering" vroegere waarden zullen verloren gaan. Het nieuwe is niet beter dan het oude, veel zogenaamde vooruitgang blijkt vaak kwaliteitsverlies te zijn, het enige doel was blijkbaar de verkoop van het nieuwe en/of duurdere te bevorderen.
  • een groep die niet groeit kan desondanks een tijdlang overeind blijven als er geen concurrentie is, d.w.z. als de mentaliteit van de groei geen enkele kans heeft in de lokale context.
    • in een "burgelijke", rurale context zijn sociale veranderingen minder waarschijnlijk dan in een intellectueel meer geëvolueerde subcultuur.
    • soms bestaat er een efficiënt systeem van bestraffing van de "onwillige", bv. ontslag emt broodroof, sociale isolatie. Het syndicaat heeft zich daar vrij doeltreffend tegen evrzet, maar die bescherming is zeker nog niet ideaal, en de syndicaten evolueren zelf vaak tot conservatieve systemen met partijdiscipline, enz., spreekverbod ''(godslastering, majesteitsschennis, het verbod om het imago, de "eer" van de partij/stand/godsdienst schaden, enz.)
  • vermits een stagnerende groep (secundaire, vermist groei het hoofdkenmerk is van tertiair functioneren) zelden spontaan groeien, dus niet uit zichelf groeit zal hij wellicht langzamerhand achteropgeraken. De vooruitgang die er uiteindelijk komt treedt dan meestal op via externe druk (concurrentie, hogere lagen van de hiërarchie die zich soms wel bewust is van de noodzaak tot meegaan met zijn tijd, fusie).
  • als een secundaire groep soms toch lijkt te evolueren is dat soms omdat er een zwaar verlies, schok, een bijna-mislukking is opgetreden
    • bv de contra-reformatie na het verlies van de reformatie
    • bv het dynamisme van de verliezers van een oorlog, bv. Duitsland en Japan
  • een systeem dat stimulerend kan werken is contact met subculturen die verder gevorderd zijn, bv. door reizen, stages. Een ongerechtvaardigd minderwaardigheidsgevoel kan hier echter ook het gevolg van zijn, het niet meer geloven in de lokale groeimogelijkheden
  • er bestaat een speciaal sociaal fenomeen waarvoor ik nog geen goede naam gevonden heb ("bravo-effect"?), waarbij plots, meestal vrij onverwachts, iemand/een groep door de hiërarchie, de leidende subcultuur, de pers, de vox populi als merkwaardig superieur wordt bestempeld. Die groep of die mode krijgt dan plots een soort onbekritiseerd gezag (carte blanche) om nieuwe dingen te gaan doen / organiseren / opdringen aan de anderen, hetgeen dan vaak frustrerend is voor die anderen, die op dat ogenblik vaak beginnen te beseffen dat hun eigen ideeën zeker niet minder waard waren, vaak integendel zelfs. Ze beseffen dan plots dat publiek erkende kwaliteit meestal niet de echte kwaliteit weerspiegelt, maar de mode/mening van de trendsetters.
  • is de beste manier om als tertiaire groep te blijven groeien niet: als deelnemers / leden bewust te blijven van deze groeiproblemen en groeimechanismen? Groei / periodieke evaluatie moet als het ware ingebouwd zijn in de statuten / contracten.
    • of een ritueel/toneelstuk/mythe/archetype invoeren dat de leden van een groep van deze groeistagnatie-tragiek bewust maakt?
  • in vele secundaire groepen / bedrijven bestaat de gewoonte om de statuten vast te leggen asl er nog maar weinig stichtende leden zijn. De latere leden hebben dan slechts de keus om de zaken te aanvaarden zoals ze zijn, of niet toe te treden (of weer weg te gaan). Wie met nieuwe ideeën afkomt botst dan tegen de statuten, of heeft het "recht" niet om nieuwigheden in te voeren die de meerderheid bij haar toetreden niet kende (bv. plots leden van het andere geslacht toelaten).
  • Eens de groep uit haar pioniersfase gekomen is kan ze zich inderdaad de luxe permitteren om de zaken lang te laten zoals ze zijn, en zich straffeloos te verzetten tegen groei-stimulatoren. Het kan zelfs aangetoond worden dat het leuker is en van meer respect voor de "gewone" leden getuigt om de zaken te laten zoals ze gaan. Deze attitude kan zelfs jarenlang volgehouden worden. Maar de "conservatieven" beseffen dan eigenlijk niet dat
    1. zij in feite parasiteren op het werk van de stichters die zich -zonder dank- afsloofden om een hoger kwaliteitsniveau te halen voor de groep; dus dat de schoonheid die zij hebben te danken is aan mensen die redeneerden zoals zij;
    2. er intussen vele kansen tot schoonheid en kwaliteit gemist worden en men langzamerhand de achterhoede vervoegt,
    3. er intussen vaak slechte banale of kwaliteit geleverd wordt, bv. als het een dienstverlenend systeem is, en
    4. er nodeloos latere revolutie- en faillietdrama's worden voorbereid.
  • de zekerste manier om een groeiproces te onderhouden is misschien het installeren van een open, integratieve communicatie (persvrijheid, geen censuur, vrij internet), waarbij niet enkel vergaderd wordt als er "problemen" zijn, maar waar dromen en inspirerende voorbeelden van elders ongedwongen en ongecensureerd kunnen besproken worden. Deze open communicatiestijl veronderstelt wel een basisattitude van constructief denken, d.w.z. een sfeer waarin suggesties niet als kritiek ervaren worden, fouten niet als een blijk van minderwaardigheid, mislukkingen niet als een bewijs van onmogelijkheid, meningsverschillen niet als een een spijtige tweedracht.
  • één der grootste obstakels in het evolueren van secundair naar tertiair is de Leiderparadox: immers, de kwaliteiten die vereist zijn om in een sterke leiderspositie te geraken, zijn niet dezelfde als deze die vereist zijn om goed een groep te leiden. Dus: het zijn steeds de verkeerden die aan de macht komen, zelfs democratisch (cfr Hitler, Bush), en anderzijds worden de "goeden" gedemotiveerd doordat ze de kwaliteiten om leider te worden vaak onvoldoende of niet beheersen.